Wanneer u iets wilt kopiëren neem dan contact met me op.



Koornmullenaers Pampiermaeckers en Coperslaghers


Wijlen Reinier Hardonk (geb. 11-11-1898 en ovl. 02-05-1983) heeft als geschiedschrijver zijn sporen verdient. Er is in Apeldoorn een straat naar hem genoemd vanwege zijn grote verdiensten als stadshistoricus. Hieronder een portretfoto op een boek dat recent is uitgebracht met onderzoeksgegevens van zijn hand.

hardonk jongHardonk heeft in 1968 het fantastische boek Koornmullenaers Pampiermaeckers en Coperslaghers gepubliceerd.

Het boek bevat een veelheid aan informatie over de geschiedenis van de Veluwse en met name de Apeldoornse sprengen en molens.

Helaas is het boek niet meer herdrukt en is het, gezien de kleine oplage, een gewild artikel voor sprengen liefhebbers geworden.
Het echte boek is zelfs een antiquiteit en heeft verzamelaarswaarde.

Aangezien het mij gebleken is dat er veel vraag naar de inhoud van het boek was heb ik onderzocht of er erven van Hardonk waren die in een herdruk geinteresseerd waren. Die heb ik na lang zoeken nog niet kunnen vinden. Ook zijn vriend de heer W. Terwel, die executeur testamentair was voor Hardonk, is al enige tijd geleden overleden. Het CODA archief, die een gedeelte van het archief van Hardonk alsmede van Moerman in hun bezit hebben, waren ook niet echt in een herdruk geinteresseerd.

Daarom heb ik het boek gescand en hier ter beschikking gesteld. Echter wel zodanig dat het niet zomaar even gekopieerd kan worden. Uiteraard zijn er altijd wel mogelijkheden om toch een kopie te maken maar dat is niet de bedoeling. Als er vragen of bezwaren tegen deze manier van publiceren zijn, laat het me svp weten maar ik verwacht in de geest van Hardonk gehandeld te hebben door het boek voor een groter publiek ter beschikking te stellen.

Ik hoop in elk geval dat dit document u zal helpen om inzicht te krijgen in de eeuwenoude historie van onze prachtige sprengen.

Met dank aan Reinier Hardonk voor zijn prachtige nalatenschap!

Koornmullenaers
Pampiermaeckers en
Coperslaghers
Korte historie der waterradmolens van Apeldoorn, Beekbergen en Loenen




R. HARDONK
HISTORISCH MUSEUM MOERMAN APELDOORN

Bij de foto op het omslag: Papiermolen bij Het Loo, gesticht in 1723, afgebroken 1865.
Gravure naar tekening uit 1862 door W. Hekking jr. ( 1825 1904)

De foto’s uit het tijdvak 1935—1945 zijn van de schrijver.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotocopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission from the publisher.

Koornmullenaers, Pampiermaeckers en Coperslaghers

Korte historie der waterradmolens van Apeldoorn, Beekbergen en Loenen

R. HARDONK
Historisch Museum Moerman Apeldoorn / 1968

"Elck beschryve slechts, wat hy in syn Stadt, in syn Lantschap ende daer hy gebruickt is warden, persoonlick gesien heeft, oft daer hy autentycke ende geloofwerdige bewysstucken van heeft; verclaerende tselve met genoech , same omstandicheden, met aenteeckening van plaets, jaer, l dage, ende oirsaecke waeromme . . . doch met behoirlick onderscheit . . . ende veur d’eerste ongesecht laetende tgene men niet wel en weet. Want swygen en is geen faute"

Bovenstaande regels zijn uit het voorwoord van Rienk Fresinga bij zijn "Memorien der Nederlandsche Ceschiedenissen" (Deventer, 1583).
Rienk Fresinga was burgemeester van Franeker en schrijver van de voortreffelijke ,.Memorien der Nederlandsche Geschiedenissen”, die in het bijzonder voor de historie der noordoostelijke provincies van groot belang zijn.
Fresinga heeft een tijdlang persoonlijk deelgenomen aan de strijd tegen Spanje en uit eigen ervaring, oorspronkelijke bescheiden en berichten van geloofwaardige personen zijn Memorien, die lopen over de jaren 1576 tot 1582, samengesteld. Hij is ook degene, die ons over de nachtelijke overval op Apeldoorn in begin 1578 bijzonderheden mededeelt. Het werk van Fresinga wordt ten zeerste geroemd wegens zijn onpartijdigheid en juistheid.

 




Voorwoord


Het boek "Koornmullenaers, Pampiermaeckers en Coperslaghers” is zowel een uitbreiding van als een vervolg op het in 1964 verschenen werkje "Wentelende Waterraden”. Het bevat de historie van alle tot nu toe bekende waterradmolens van Apeldoorn, Beekbergen en Loenen. De betekenis, die deze bedrijven - vooral de koren- en papiermolens - voor onze woonplaats hebben gehad, wordt door velen nogal eens onderschat. Gedurende de laatste tijd komt hierin enige verandering ten goede en langzamerhand begint het besef door te dringen, dat de geschiedenis van onze molens - naast die over Het Loo en de gebeurtenissen uit de 80-jarige oorlog - tot de voornaamste onderdelen behoort van de rijke eeuwenoude historie van de plaats onzer inwoning.

Over de Veluwse papiermolens - vooral over die van Apeldoorn - is reeds vanaf de 18e eeuw door tal van personen in allerlei boeken het een en ander gepubliceerd.
Later hebben dagbladschrijvers dit voorbeeld gevolgd. In de meeste gevallen waren de auteurs - al dan niet met titels - lieden, die van de oude handpapiermakers en hun molens, de aanleg van sprengen en beken, de gesteldheid der terreinen en van de plaatselijke historie niets afwisten. De overgrote meerderheid van hen heeft gewoonweg nageschreven, wat in vroeger verschenen werken was gedrukt zonder ooit de moeite te nemen zich op de archieven of bij deskundigen van de juistheid van het gepubliceerde op de hoogte te stellen. Vandaar dat steeds dezelfde fouten werden aangetroffen, bovendien komen er geregeld nieuwe onjuistheden bij! Het ellendige gevolg van een dergelijke handelwijze is geweest, dat bijna alles wat tot nog toe in boeken, artikelen en krantenverhalen over onze molens en hun eigenaars is en wordt verteld, vol staat met fouten en een totaal verkeerde voorstelling van zaken geeft.
Dit proces zet zich helaas voort tot op de huidige dag, zodat de onjuiste literatuur over de waterradmolens in de eerste plaats over de papiermolens - nog altijd toeneemt. Gelukkig hebben in de laatste tijd enkele historici stelling genomen tegenover een dergelijke misleidende voorlichting. Ik wijs in dit verband op de in 1964 verschenen artikelen van Ir. H. K. Roessingh en Drs. A. Coldewey over de oude papiermakers en hun bedrijven, waarop ik in de loop van mijn verhaal terugkom.
De noodzaak tot het opwerpen van een dam tegen de boven gesignaleerde onjuiste geschiedschrijving en de toegenomen behoefte aan een verantwoorde historie over de waterradmolens van Apeldoorn hebben de stoot gegeven tot het schrijven van het boek "Koornmullenaers, Pampiermaeckers en Coperslaghers”. Daarbij zijn zoveel mogelijk de oorspronkelijke bronnen geraadpleegd. Het verzamelde materiaal was echter van een dusdanige omvang, dat ik bij het uitwerken en te boek stellen van de vele gegevens over deze uiterst moeilijke materie mij telkens weer de nodige beperkingen moest opleggen. Vandaar dat het boek dan ook maar een beknopt overzicht geeft van de geschiedenis der Apeldoornse molens. Vanzelfsprekend was over het ene bedrijf meer te vertellen dan over het andere.
Bij de historie der waterradmolens van Apeldoorn heb ik telkens aandacht besteed aan gebeurtenissen uit het dagelijks leven rondom deze bedrijven. Deze verschaffen ons een beeld van de mensen, waarmede we in ons verhaal in aanraking komen. We vernemen van hun vakkennis, volharding en durf, maar ook van hun moeiten en tegenslagen.
De samenstelling van dit boek over de Apeldoornse molens zou niet mogelijk zijn geweest zonder de buitengewone medewerking van mijn vriend en plaatsgenoot J. D. Moerman. Steeds heb ik kunnen putten uit zijn schat aan gegevens, voortdurend mocht ik profiteren van zijn deskundige adviezen en verbazingwekkende kennis over de Apeldoornse papiermakers en hun molens. Helaas heeft hij het verschijnen van dit boek niet mogen beleven. Wel kon hij voor zijn heengaan nog een groot gedeelte van de tekst critisch doornemen. Ook voor dit alles blijf ik hem steeds met grote dankbaarheid gedenken.
De heer J. J. Hooft van Huysduynen (Velp), die mij herhaaldelijk aantekeningen verschafte over de molens, mocht tot mijn leedwezen evenmin de totstandkoming van mijn boek meemaken. Zijn medewerking en vriendschap zal ik niet vergeten.
De hulp, die mij steeds in ruime mate verschaft werd door het Rijksarchief in Gelderland en de Gemeentearchieven van Arnhem en Apeldoorn, stel ik bijzonder op prijs.
Mijn vriend de heer W. Terwel (Vaassen) ben ik ten zeerste erkentelijk voor de vele gegevens over de molens, die hij in de archieven aantrof en mij ter beschikking stelde.
De uitgave van het boek "Koornmullenaers, Pampiermaeckers en Coperslaghers” in een dergelijke omvang en uitvoering tegen zulk een uitzonderlijk lage prijs kon niet alleen tot stand komen door subsidies van het Provinciaal Bestuur van Gelderland en van de Gemeente Apeldoorn, maar evenzeer door belangrijke bijdragen van de Kon. Papierfabriek Van Gelder Zonen N.V.; Papierfabriek Fa. Van Houtum en Palm N.V. te Ugchelen en de heren papierfabrikanten J. W. Schut (Beekbergen) en P. J. Schut (Loenen). Genoemde instanties, bedrijven en personen hebben op lofwaardige wijze de aanschaffing van dit boek over de waterradmolens van Apeldoorn voor een ieder mogelijk gemaakt!

Apeldoorn, mei 1968 R. Hardonk

INHOUD

Voorwoord

Inleiding
Onderslagsraden
Bijna alle Veluwse beken zijn het werk van mensen
Het leggen van bovenslagsmolens
Van maalsteen tot korenmolen

De Apeldoornse korenmolens

Gecombineerde bedrijven: graan- en oliemolens

De volmolens te Apeldoorn

De leer- of zeemsmolens in het ambt te Apeldoorn

Eek-, run- of schorsmolens

Het papier doet zijn intrede in de wereld
Hans van Aelst sticht de eerste papiermolen in de Noordelijke Nederlanden (1586)
Hans van Aelst de eerste Gelderse papiermaker (1590)
Hans van Aelst de stichter van de eerste papiermolen op de Veluwe (1591)
Johan Steenbergen sticht de eersts Apeldoornse papiermolen (1593)
De oude handpapierbereiding

De papiermolens op Apeldoorns grondgebied
De papiermolens in Wiessel
De papiermolens in Wenumermark
De papierbedrijven in de mark van Noord Apeldoom
De papiermolens in de Ordermark
Een papiermaker uit Apeldoom op de Mallemsemolen bij Eibergen
Een Apeldoornse papiermakerszoon bouwt in het graafschap Bentheim een bedrijf op
De papiermolens in de Wormingermark
De papiermolen De Winkewijert in de Engelandermark
De papiermolens in de Ugchelermark
De papiermolens in de Lierdermark te Beekbergen
De papiermolens in Loenen en Zilven

Meesters in de edele kunst van het papiermaken
Het Historisch Museum Moerman en de handpapiermakerij in onze woonplaats

De kopermolens van Apeldoorn en Wenum
De Rotterdamse Kopermolen wordt houtzaagmolen

Zwavelstokken en houtzaagmolen
Een fabriek van "strijkzwavelstokken" op het terrein van de Rotterdamse Kopermolen

Naschrift

Een ongelooflijk aantal!

Bronnenlijst





Inleiding

Er valt in heel Nederland geen streek aan te wijzen, die zo rijk is geweest aan watermolens als het kwartier van Veluwe. Evenmin kan men een plaats noemen, waar zoveel molens in werking zijn geweest, als de gemeente Apeldoorn. De uiterst gunstige ligging aan de oostkant der hoge Veluwe, waar deze vrij plotseling overgaat in het vlakke laagterras langs de IJssel en eveneens afhelt in noordelijke richting, maakte Apeldoorn vanaf het begin der 17e eeuw tot het voornaamste centrum van watermolens in Nederland.
Eeuwenlang hebben deze vaak schilderachtig gelegen bedrijven schoonheid en levendigheid gegeven aan het Veluwse land en aan de plaats onzer inwoning. Bovendien vervulden de molens in vroeger tijden een voorname functie bij de voedselvoorziening (koren en oliemolens) en in het industriële leven (koper-, papier- en volmolens). Thans behoren op de Veluwe zo goed als alle watermolens met hun schuimspattende raden tot het verleden. Slechts een enkel eenzaam waterrad stommelt nog schuchter zijn lied te midden van het luidruchtig lawaai van onze tijd. Vrolijk klinkt de melodie niet, somber en klagend steunt het rondwentelend rad een weemoedige zang.
Meindert Hobbema (1638 - 1709), de grootste watermolenschilder die Nederland ooit heeft voortgebracht, laat ons in zijn meesterwerken zien hoeveel schoons er met het verdwijnen der waterradmolens verloren is gegaan. Het aanschouwen van Hobbema’s schilderstukken moet in ons de plicht wakker roepen alle krachten in te spannen tot het behoud van de weinige nog overgebleven Veluwse watermolens. De oudste watermolens in deze streken waren de koren en oliemolens, daarna kwamen al spoedig leer(zeem), run-, vol- en hennepmolens. In de 16e eeuw verschijnen er enkele kopermolens, die dan tegen het eind van dezelfde eeuw gevolgd worden door de eerste papiermolens.
Veel weten we niet over de vroegste watermolens op de Veluwe; de berichten daarover zijn maar heel schaars. Hoogstwaarschijnlijk lagen er in 1076 al waterradmolens bij Bruoche (Biljoen bij Velp). Later worden ze genoemd bij Arnhem (1291), Beekbergen (1294), Wenum (1313) en Apeldoorn (1335).
Reeds van oude tijden af behoorde in deze streken het recht op het "lopende water” tot de regalia (= speciale rechten van de landsheer, oorspronkelijk van de koning) der Gelderse graven en hertogen. Bij de stichting der Republiek verviel dit recht op het lopende water aan het gewest Gelderland en kwam onder het beheer van de rekenkamer te Arnhem. Dit is de reden dat vanaf het begin der 17e eeuw, vooral door de opkomst der papiermolens, een groot aantal aanvragen voor het verkrijgen van waterpacht bij de rekenkamer wordt ingediend.
Maar we keren weer terug tot de tijd der Gelderse vorsten en hun recht op het water.
Toen men in de vroege middeleeuwen ook in Gelre het lopende water ging gebruiken voor het drijven van molenraden, begrepen de landsheren onmiddellijk, welk een belangrijk geldelijk voordeel het recht op het stromende water hun kon verschaffen. Ze lieten zelf watermolens timmeren, "grafelijke-, later hertogelijke molens”, die ze vervolgens tegen een jaarlijks bedrag aan gegadigden verpachtten en waarop de ingezetenen verplicht waren tegen een vastgesteld bedrag hun graan te laten vermalen.
Bovendien was het anderen verboden molens te stichten. Soms verleenden de vorsten wegens bewezen diensten ook wel aan gunstelingen toestemming tot het bouwen van molens. Zo kreeg Johan Bentinck, jagermeester in Veluwen, op 6 mei 1517 voor ,.trouwen menichvoldigen dienst” van zijn heer, hertog Karel van Gelre, vergunning 7 om op de beek bij zijn huis "op ’t loe” (het Oude Loo) een koren- olie- of volmolen of alle drie tegelijk te leggen. De bovengenoemde verplichting tot het uitsluitend laten malen op de vorstelijke molens werd ,.molendwanck” genoemd, terwijl de volksmond deze bedrijven al gauw met de toepasselijke naam van "dwangmolens” betitelde. De landsheren hadden er dus wel voor gezorgd de touwtjes stevig in handen te hebben.

Onderslagsraden

Naar het type en de werking der waterraden onderscheidt men onder- en bovenslagsraden. Eerstgenoemde raden moeten ongetwijfeld ook in Nederland als de oudst gebruikte modellen beschouwd worden. Met betrekkelijk weinig graafwerk en kosten kon men de enkele natuurlijke waterlopen op de Veluwe reeds vroeg dienstbaar maken voor het doen draaien van onderslagsraden. Indien in deze stroompjes maar voldoende "verhang” aanwezig was behoefde er langs de beek boven de molen in de meeste gevallen slechts een gering dijkwerk gelegd te worden, teneinde het opgestouwde water binnen de bedding te houden en ook om de waterstand in eventueel gegraven molenwijers op de juiste hoogte te handhaven. Direct voor de molen werd in de beek een stuw aangebracht, die van een aantal door schuiven afgesloten ontlastopeningen was voorzien.
Deze schuiven konden, al naar gelang der behoefte, opgehaald of neergelaten worden.
Een der openingen lag juist voor de plek, waar het molenrad boven de beek hing. Door het aanbrengen van een houten schot aan de beekzijde van het waterrad ontstond vanaf de stuw een goot, waarin zich vlak boven het niveau van de beek de onderste schoepen of schoffels van het rad bevonden. Teneinde het uitspoelen van de beekbedding beneden de stuw tegen te gaan, timmerden de molenmakers op de beekbodem een houten vloer of plankier, dat eveneens onder de goot doorliep. Stuw, goot en vloer vormden met elkaar het zogenaamde vlotwerk van de molen.
Trok men nu de schuif voor de goot op, dan stroomde het opgestuwde beekwater met kracht er doorheen, sloeg tegen de onderste schoepen van het rad en bracht dit in beweging. Met behulp van de andere schuiven in de stuw kon het waterpeil van de bovenbeek geregeld worden. Toch bleken de ontlastopeningen bij langdurige slagregens of bij een plotselinge dooi na zware sneeuwval vaak niet in staat de steeds wassende watermassa tijdig af te voeren. Dikwijls weerstond de stuw de druk van het water niet en brak met een hevig gekraak doormidden. Kolkend en bruisend stortte de woedende waterstroom naar omlaag en sleurde vaak het gehele vlotwerk van de molen met zich mede.
Op enkele Veluwse waterlopen waren onderslagsraden tot in het begin van deze eeuw nog in werking of in vervallen staat aanwezig. Aan het schilderachtig gelegen watermolentje bij Voorst hing tot aan de afbraak in 1935 een dergelijk rad. In 1938 bevond zich aan de totaal vervallen houten kast van de Griftse molen bij Vaassen nog een fraai houten rad met een doorsnede zonder de schoepen van 4 m. Enige jaren later is dit rad gesloopt. Toen ik omstreeks hetzelfde jaar bij een speurtocht naar nog bestaande watermolens een bezoek bracht aan de gemeente Barneveld draaide daar tegen de korenmolen een ijzeren onderslagsrad met houten schoepen, dat met zijn rode kleur en eigenaardige vorm een heel wonderlijke indruk maakte. Thans is ook dit rad verdwenen.
Bij Barneveld lag toen de wasserij "de Pelmolen”, die eveneens werkte met een rondwentelend ijzeren onderslagsrad, dat wel iets weg had van de bekende luchtschommels op onze kermissen.
Vaak hadden deze onderslagsraden geweldige afmetingen. In 1850 bezat de papiermolen van G. van Gerrevink te Wapenveld (thans Berghuizer-papierfabriek) een rad van 11 el doorsnede en een breedte van 4 el 7 palm. Op de koperfabriek van Krepel in Klarenbeek (gem. Voorst) draaide een rad van 8 el en 66 duim met schoffels van 3 el en 4 palm.

Bijna alle Veluwse beken zijn het werk van mensen

Voordat we ons nu met de bovenslagsraden gaan bezighouden, is het noodzakelijk ons eerst te bepalen bij het ontstaan der Veluwse sprengenbeken. De weinige natuurlijke waterlopen op de Veluwe kon men, op een enkele uitzondering na, geen ideale molenbeken noemen. Ze waren in hoge mate afhankelijk van de weersomstandigheden; in neerslagrijke tijden was de watertoevoer vaak te overvloedig, terwijl deze beken gedurende droge zomers dikwijls niet voldoende water leverden voor het doen draaien der raden. Geen wonder dat reeds in oude tijden de molenstichters getracht hebben zich van een meer regelmatige watervoorziening te verzekeren. Door het graven van sprengen en het leggen van nieuwe beken vonden zij een voor dit probleem afdoende oplossing.
Zoals ieder deskundige weer is een spreng net zo min een natuurlijke bron als een waterput. Werkelijk echte bronnen komen op de Veluwe zo goed als niet voor. Het overgrote deel van de bevolking van ons land is geheel onbekend met het feit, dat bijna alle Veluwse beken door toedoen van de mens tot stand zijn gekomen. Er zijn hier wel enkele oorspronkelijke waterlopen geweest, maar de vroeger vaak zo schilderachtige beken met hun vele sprengen, zoals wij die kennen in het Order- en Willemsbos, Ugchelen, Wiessel en overal elders op de Veluwe, zijn geheel het werk van mensen en gegraven om de waterkracht te leveren voor de talrijke watermolens - vooral papiermolens - die hier in voorafgaande eeuwen zijn gesticht. In de 14e tot de 16e eeuw ook voor de voeding van stadsen kasteelgrachten. De bekende Loenense spreng met haar foeilelijke gemetselde grote waterval van 5.80 m is eveneens een opzettelijk gegraven beek, die het kanaal Apeldoorn - Dieren van water moet voorzien. Dit is eveneens het geval met de Oosterhuizerspreng ten noorden van de kalkzandsteenfabriek "Alba”.
Onze plaatsgenoot, de bekende archeoloog en historicus J. D. Moerman, die ook op het gebied der Veluwse beken, sprengen en molens wel bij uitstek deskundig is, licht ons aan de hand van een tweetal studies uitvoerig in over het ontstaan van deze waterlopen en het stichten van molens D. Moerman: "Beken, sprengen en watermolens op de Veluwe” en "Veluwsche beken en daling van het grondwaterpeil”, in Tijdschr. Aardr. Gen. 1934). Hierin vertelt hij hoe geweldig veel grondwerk, vooral door de papiermakers, op de Veluwe is verricht. Een schatting van de lengte der diepe sprengensleuven, gegraven beken en opgeworpen beekdijken zou ons brengen tot een ongelooflijk aantal kilometers. "Ook de Veluwe heeft”, zo gaat Moerman verder, "evengoed als het polderen riviergebied zijn waterbouwkundige werken, die als zodanig nauwelijks bekend zijn”.
We willen thans in het kort nagaan hoe deze waterlopen tot stand kwamen en welke moeilijkheden door de molenstichters moesten worden overwonnen, eer de raden hunner molens konden gaan draaien.
Deze mensen, die een uitstekende kijk hadden op de mogelijkheden, die het Veluwse land met zijn vele hoogteverschillen hun bood, benutten de omstandigheid, dat aan de rand der hogere gronden door het maken van meer of minder diepe ingravingen (sprengen) het grondwater kon worden bereikt, dat regelmatig en doorlopend afvloeit uit de bijna onuitputtelijke watervoorraad, die in de nabijgelegen heuvels tot nu toe steeds aanwezig is. De meeste sprengen hebben een diepte van 2 a 4 m; sommige liggen 7 m beneden het maaiveld. Wanneer we in het terrein deze gegraven sprengen, stelsels nagaan, valt het ons op, hoe ingewikkeld die vaak zijn en hoeveel moeite en overleg de aanleg der sprengenkoppen, sprengen en beken heeft gekost. Het is volkomen onjuist in verband met deze graafwerken te spreken van "bronnen”, die "ontspringen” aan de voet der heuvels en waaruit het water "opwelt”, dat vervolgens in zijn loop "een beekbedding heeft uitgeslepen”, waarop molens aangelegd konden worden. Deze totaal verkeerde voorstelling komt helaas zelfs in de tegenwoordige tijd nogal eens voor.
Men krijgt een grote bewondering voor de speurzin, voor de kennis van het terrein en van de waterhuishouding der vroegere molenstichters, die zich op deze wijze de energie voor hun bedrijven wisten te verschaffen.
Daar we bij de geschiedenis der Apeldoornse beken en molens telkens weer in aanraking komen met "marken” en markeverhoudingen lijkt het gewenst een enkel woord te wijden aan deze eigenaardige gemeenschappen. De eerste vermelding van "marca” of mark in onze streken vinden wij in een oorkonde uit 792/93, waarbij Walther en Richlint een aantal landerijen en gebouwen schenken aan de abdij van Lauresham (Lorsch in Hessen). Hiertoe behoorden o.a.: een hoeve met gebouw in "villa vel marca Uttiloch” (Uddel) en 2/3 deel van een hoeve met boerderij in "villa vel marca Appoldro” (Apeldoorn). Een hoeve is een stuk land van een bepaalde grootte; met de term "villa” wordt een buurschap aangeduid, dus geen afzonderlijk gebouw. Bij het woord "marca” moeten we in die tijd nog niet denken aan de latere markegenootschappen, doch eerder aan een bepaald omgrensd gebied, waarin de buurschap was gelegen. De oudste betekenis van de term "mark” is grens. Pas omstreeks de 13e eeuw is op de Veluwe Sprake van die typische gemeen- of genootschappen, die marken worden genoemd en waarmede we bij de historie van de molens bij herhaling te maken krijgen.
Dit betekent, dat toentertijd op de nog voor een groot deel ongerepte Veluwe reeds groepen mensen een soort gemeenschap hadden gevormd, in elkaars nabijheid boerderijen gesticht, gronden in cultuur gebracht en deze bouwlanden (enken genoemd) met aarden wallen hadden omringd. Deze zogenaamde enkwallen dienden om de grenzen der bouwgronden aan te duiden, de oogst te beschermen tegen schadelijk wild en misschien ook om verstuiving der akkers door de Wind tegen te gaan. Een gedeelte van het niemandsland buiten de enkwallen werd bestemd voor gezamenlijk gebruik der geërfden, oorspronkelijk de bewoners der eerst gestichte boerderijen. Over deze "gemene velden”, meest bestaande uit bossen, hakhout, heidevelden, zandverstuivingen en veengronden, oefende de mark het gemeenschappelijk eigendomsrecht uit door middel van een eigen bestuur en een eigen rechtspraak. Aan de overige bewoners der marken, dus degenen die niet tot de geërfden behoorden, werd hoogstens enig gebruiksrecht op de gemene gronden toegestaan. Een der eigenaardigheden van het markwezen is geweest, dat de geërfden tot aan het midden der 19e eeuw steeds getracht hebben hun velden en bossen onaangetast te houden en deze niet te verkopen.
Wel konden anderen - niet geërfden - terreinen of gronden die ze wilden ontginnen of bebouwen, in erfpacht krijgen maar niet kopen. De mark bleef dus steeds eigenaar van de gronden. Aan deze omstandigheid is het te danken, dat verscheidene bossen en heidevelden tot op heden gespaard zijn gebleven.
Niet alleen voor het stichten van boerenbedrijven, doch eveneens bij het leggen van molens kregen de belanghebbenden in de eerste plaats te maken met de geërfden der marken. De beken liepen immers door de markegronden en moesten er in worden verlegd, de sprengen in de gemene velden gegraven, terwijl de molenplaatsen met woningen, schuren en bouwlanden eveneens op de terreinen der marken kwamen te liggen.

De gronden, die voor dit alles nodig waren, gaven de marken uit in een "eeuwigen, doch versuymelicken erfpacht”. Werd deze pacht niet betaald - dus verzuimd - dan was de pachter van de erfpacht "vervallen ende onterft”. Over de erfpacht van het water had de mark niets te zeggen; hiervoor moest men zich tot de rekenkamer wen den. De opbrengsten der gemene velden vielen ten deel aan de geërfden, die ook wel buren, boeren of malen heetten. Voor de verdeling der gelden en ter bespreking van marke-aangelegenheden kwamen deze op bepaalde dagen en vaste plaatsen bijeen onder leiding van de markerichter (holtrichter, boer- of buurscholt).
Het ambt Apeldoorn bestond uit de kerspelen Apeldoorn en Beekbergen. In eerst genoemd kerspel lagen o.a. de marken van Wenum, Wiessel, Noord-Apeldoorn, Orden, Wormingen en Woudhuis, terwijl het kerspel Beekbergen bestond uit de Enge lander-, Lierder-, Spelder-, Ucheler-, Loeneren Zilvense marken.

Het leggen van bovenslagsmolens

We komen thans toe aan de molens met bovenslagsraden, een type van waterraden, dat vooral door de latere Veluwse papiermakers bijna algemeen is toegepast. Over de aanleg van genoemde molens heerst vaak nog een totaal onjuiste voorstelling. Men denkt zich dan de gang van zaken als volgt: een gegadigde voor een nieuw te stichten molen zocht een voor zijn doel geschikt gedeelte uit van een nog op natuurlijke wijze door de laagte kronkelende beek, waarin het voor een bovenslagswaterrad benodigde verval van ca 3 m aanwezig is. Hij verzekert zich van de erfpacht van ’t water en van de grond voor de molenplaats, sticht de molen aan en hangt het rad op de beek, waar van de bedding voor het verkrijgen van het verval door hem is verhoogd en van dijken voorzien. Maar zo gebeurde het nu juist niet. Deze wijze van werken zou grote schade en last veroorzaakt hebben aan de benedenliggende molens en had het graven van een nieuwe tijdelijke afvoer van het water met zich mede gebracht. Bovendien was in dit geval ook de aanleg van geweldig veel dijkwerk voor het vereiste verval noodzakelijk geweest, met gevolg een groot waterverlies door lekkage en hinder voor bovengelegen molens.
De oude molenstichters, die, zoals we reeds zeiden, een bijzonder goede kijk hadden op de mogelijkheden van het terrein, schiepen het verval zo voordelig mogelijk door het maken van zo weinig mogelijk dijkwerk. "Dit werd bereikt”, ik citeer met enkele wijzigingen Moerman, "door een nieuwe bedding te graven, aan de hoge kant, zo ver mogelijk die helling op gelijk niveau volgend. Dan kon de beek grotendeels in de vaste grond worden uitgegraven, kwam verder steeds hoger boven de oude loop te liggen en werd tenslotte geleidelijk tussen steeds hogere dijken over een opgehoogde strook naar de molenplaats en vandaar weer naar de oude bedding in de laagte geleid.” In de regel werd tevens boven de molen een wijer aangelegd, die met de nieuwe beek in verbinding stond, en daardoor gevoed en op peil werd gehouden. Deze wijer diende om watervoorraad op te zamelen (op te stouwen) en om het water - vooral voor de papier molens - te laten bezinken. Natuurlijk was het ene terrein voor de aanleg gunstiger dan het andere, waardoor de lengte en hoogte van die verleggingen sterk uiteenlopen.
Er zijn molens met aanzienlijk verval, waar alleen boven het rad een kort dijkstelsel bestaat en de wijer met de bovenbeek grotendeels in de vaste bodem zijn uitgegraven.
Daar is dan partij getrokken van de omstandigheid, dat een hoge rug, evenwijdig aan de beek, deze dicht nadert en daar in het dal verloopt.
De aanleg der nieuwe beek, het timmeren van de molenopstand en het hangen van het rad kon zodoende geheel op het droge geschieden. Eerst daarna werd de verbinding met de oude beek tot stand gebracht en deze onmiddellijk beneden het begin der nieuwe bedding afgedamd. Tevens werd een afvoer gegraven, die het water van de molen weer in de oude loop terugvoerde. Het beekgedeelte beneden de molen vormt de zogenaamde onderbeek tot waar deze overgaat in de bovenbeek van een volgende molen.
De buiten gebruik gekomen oude bedding werd in sommige gevallen gedempt en bij de bouwlanden gevoegd, maar deed ook vaak dienst voor afwatering der omliggende terreinen en bij het laten leeglopen van de bovenbeek bij het op gezette tijden schoonmaken van deze waterloop.
Vanaf de plek, waar dicht boven de molen de bedijkte bedding ophield, leidde men het water der bovenbeek door een houten goot naar het rad. Deze goot steunde op een aantal houten dwarsbalken, die aan rechtopstaande palen of stammetjes waren bevestigd. Het geheel droeg de naam van molenhoofd.
Vlak boven het rad van de molen bevond zich in de goot een opening die door een luik, waaraan een touw of ketting was bevestigd, kon worden afgesloten. Trok men vanuit de molen het luik op dan stroomde het water door de opening op de bovenste schoepen van het waterrad en bracht dit in beweging. De grootte der bovenslagsraden varieert van ca 1.50 m tot ruim 3 m. De wasserij "de Hamermolen” te Ugchelen gebruikte tot voor kort nog een klein ijzeren waterrad van ca 1.50 m voor het aandrijven van een compressor. Aan de korenmolen bij de Stadhoudersmolenweg 11 te Noord Apeldoorn hangt een niet meer inwerking zijnd rad met een doorsnede van 2.80 m (vermogen 8 a 10 pk). Het thans niet meer draaiende bovenslagsrad van de korenmolen der Fa Wed. H. van Bree te Wenum bij Apeldoorn heeft een grootte van 2.90 m. In Vaassen bezat de wasserij van de heer J. van Delden op de Oosterhof een op kogellagers lopend rad van 3.10 m, dat de gehele breedte der beekbedding besloeg en een vermogen had van 17.5 pk.
Bovengenoemde veranderingen der beeklopen gelden vanzelfsprekend niet enkel voor Apeldoorn of de Veluwe, maar voor de meeste beken, waarop bovenslagsraden zijn gelegd. Een der gevolgen van het toenemend graven van sprengen is geweest, dat ook verscheidene min of meer natuurlijke waterlopen een veel ruimere en constante watertoevoer hebben gekregen. Dit wordt o.a. bevestigd door een contract van 16 februari 1660 over het stichten van een papiermolen op de Grift te Apeldoorn, waarin staat dat door het "veelvoudigh graven” in de venen en het leggen van papiermolens "die beecke van den coornmuelen (= de Grift) meerckelick stercker wordt van water als die bij voerige tijden geweest is . . .” Uit genoemd stuk blijkt overduidelijk, welk een verbetering in de wateraanvoer van de Grift is ingetreden door het graafwerk der molenstichters.
Wanneer een beek zeer veel water aanvoerde, kon bij een bestaande molen nog een tweede worden gelegd door het beekwater met behulp van een schot in tweeën te delen, en op de andere helft een tweede rad te hangen. De molens kwamen dan boven elkaar aan dezelfde oever van de beek te liggen (onderste- en bovenste molen) of ieder aan een andere kant van het water (tegenoverliggende molens).
Bij het helaas verdwenen papiermolencomplex "de Stinkmolen” op de Grift te Apeldoorn, dat bestond uit een bovenste-, onderste- en tegenoverliggende molen, was het zelfs mogelijk geweest het Griftwater in drieën te delen en vier bovenslagsraden te hangen. Op het water van de linkergoot konden afwisselend twee raden draaien, terwijl het water, dat door de beide andere leidingen stroomde, in elke goot een waterrad deed rondwentelen.
Het opzoeken en blootleggen der "waterwellen” aan de voet der heuvels en het schoonhouden der sprengenkoppen, sprengen en beken is ook nu nog het werk van speciale arbeiders. Zij weten de plekken te vinden, waar zuiver water met zo min mogelijk ijzerverbindingen aanwezig is. Deze ijzeroplossingen geven aan het water en het daar mee vervaardigde papier een, ook voor de wasserijen, minder gewenste gele kleur. Op de bodem van de beken en sprengen zetten ze zich als een roodachtige laag af, die rodolm wordt genoemd. In 1954 vergde het opnieuw bekribben en in orde maken van een sprengenkop in Ugchelen een bedrag van 400 gulden.
Behalve voor het in beweging brengen van waterraden en het voeden van slot- en vestinggrachten zijn ook talrijke sprengen en beken gegraven voor de aanleg van watervallen, fonteinen en vijvers bij kastelen en buitenplaatsen. De meeste van deze vaak imposante kunstwerken zijn door de veranderde smaak zo goed als geheel verdwenen. Een in ons land onovertroffen voorbeeld van een dergelijke aanleg vormden de waterwerken, die Koning-stadhouder Willem III (1650 - 1702) bij Het Loo deed uitvoeren voor het laten "spelen” van een menigte fonteinen en cascaden met als glanspunt de beroemde grote koningsspuiter van ca 13.50 m hoogte. Het water voor deze fontein moest over een afstand van ongeveer 10 km door een speciale waterleiding, bestaande uit aarden buizen, in leem gebed, en door in de lengte gezaagde en uitgeholde boomstammen, van Hoog Soeren en Assel naar Het Loo worden aangevoerd. Gedurende de Franse tijd is deze grootse aanleg totaal vernield; het vroegere verloop der leidingen is in het terrein voor een groot deel nog terug te vinden. Het Historisch Museum Moerman te Apeldoorn bezit een complete serie buizen van deze .
befaamde fonteinleiding. Ze dragen de emblemen der koninklijke waardigheid van Willem III: de letters W.R. met kroon, omkranst door oranjetakken; de roos (Engeland); de distel (Schotland); de harp (Ierland) en de lelie (Frankrijk). Ook kan men in het museum nog enige ijzeren ringen zien, waarmede de twee helften der houten buizen aan elkaar bevestigd waren. De bewering in het boek van Jac. Gazenbeek "De Veluwe, luisterrijk land tussen Randmeer en Rijn”, Wageningen 1966, blz. 31/32, dat het water van de beken stellig ook een bijdrage heeft geleverd in de vroeg-middeleeuwse ijzerindustrie, is volkomen uit de lucht gegrepen. Bij de smeedijzerbereiding op de Veluwe - en ook elders in ons land - is nimmer gebruik gemaakt van waterkracht.

Van maalsteen tot korenmolen

De meest primitieve wijze van malen was het fijnwrijven van de graankorrels tussen twee platte stenen. Dit zware en tijdrovende werk geschiedde met de hand en werd meestal door vrouwen verricht. Dergelijke maal- en wrijfstenen, die reeds van 4000 v. Chr. dateren, heeft men omstreeks 1959 in Limburg opgegraven. Ook in onze woon plaats zijn zulke maalwerktuigen gevonden, die stammen van bevolkingsgroepen uit ca 1500 v. Chr. Als wrijfsteen gebruikten deze mensen een granietkei met een platte kant, die heen en weer bewogen werd over een grote zadelvormig uitgeholde maalsteen, in de regel van hetzelfde gesteente.

Handmolens of queernen

Omstreeks 500 v. Chr. bediende men zich te Athene reeds van kleine handmolens of queernen, die uit twee schijven van basaltlava bestonden. De bovenste schijf kon met behulp van een houten handvat rondgedraaid worden. In het Orderbos zijn in 1956 twee grote aan elkaar passende stukken opgegraven van een bijna complete schijf van een handmolen. De schijf heeft een doorsnede van 46 cm en is in het midden voorzien van een 3 cm wijde ronde opening. Dicht in de buurt kwamen nog andere fragmenten van maalstenen te voorschijn, waaronder een deel van een schijf met een centraal gat en het randstuk van een bovenste maalsteen met een niet doorlopende uitholling bij de rand ter diepte van 2 1/2 cm, waarin het houten handvat voor het draaien van de schijf kon worden gezet. Deze vondsten, die te dateren zijn tussen 800 a 1200 n. Chr., bevinden zich nu in het Historisch Museum Moerman te Apeldoorn. De basaltlava is afkomstig uit Andernach aan de Rijn, welke plaats eeuwenlang geheel noord-west Europa van molenstenen voorzag.
Het verbreidingsgebied van de handmolens of queerns, beslaat een zeer grote oppervlakte en het gebruik ervan omvat een periode van eeuwen. Tot op de huidige dag komen ze voor in afgelegen streken van Azië en Afrika. Nog in het begin van deze r eeuw waren queerns in werking op de Shetlands eilanden. Een groot bezwaar van de handmolens was de zeer beperkte hoeveelheid graan, die er bij één vulling in verwerkt kon worden. Telkens moest men het werk onderbreken voor het bijvullen met een nieuwe voorraad graankorrels.

Door slaven of dieren gedreven molens

De bezwaren van het voortdurend bijvullen van de handmolens - en vooral ook hun beperkte capaciteit - werden door een groot deel ondervangen door het gebruik van een geheel ander type molens, die naast de queernen, reeds omstreeks 185 v. Chr. bij de Grieken en Romeinen dienst deden. Bij deze molens werd de bovenste steen van het maalwerk, de "loper”, met behulp van een houten dwarsboom door een voortdurend in een kring rondlopende slaaf of door een ezel of paard, in beweging gebracht.
De constructie van de "slavenmolens” maakte een veel regelmatiger werkwijze mogelijk en ze leverden in dezelfde tijd een aanmerkelijk grotere hoeveelheid meel dan de met de hand gedraaide queernen. Een uiterst belangrijk voordeel lag in de mogelijkheid om zeer goedkoop te onderhouden ezels of voor ander werk ongeschikt geworden paarden te benutten voor het draaien der molenstenen. In de praktijk bleek zelfs het gebruik van ezels voordeliger te zijn dan het te werkstellen van slaven. Want een ezel kon per dag bijna twee maal zoveel graan tot meel vermalen dan een slaaf. Toch kwamen overal molens voor, waarin slaven hun gedwongen arbeid verrichtten. Deze stakkers waren diep te beklagen; ook het lot der molendieren was hard. Een slaaf, die zich naar de mening van zijn meester had misdragen, werd dikwijls gestraft met tewerkstelling in diens molen of bakkerij. Deze laatste, pistrinum genaamd, bevond zich meestal met de molen in een en dezelfde ruimte. (Het woord pistrinum wordt later zowel voor de maalderij als de bakkerij gebruikt.) Teneinde te beletten, dat de slechtgevoede en afgebeulde slaven de producten van hun arbeid zouden nuttigen, kregen ze vaak tijdens hun werk een soort muilkorf om! Uit alles blijkt echter, dat de Romeinen - en zeer zeker ook andere volken bij dit type molens meer van ezels dan van mensenkracht gebruik hebben gemaakt. Want toen keizer Gaius (37 - 41 n. Chr.), die men beter kent onder de naam Caligula, in het jaar 40 alle "molendieren” in Rome vorderde voor het vervoer van de door hem behaalde buit, kwam de voedselvoorziening der stad ernstig in gevaar. Dit zou natuurlijk niet het geval zijn geweest, wanneer in de molens uitsluitend slaven gewerkt hadden. Ook de vele vondsten van molens, die gedaan zijn bij opgravingen in Pompeji, Amiens, Parijs, Engeland en Noord-Afrika duiden meer op het benutten van ezels dan van slaven.
Later is het slavenwerk —het ronddraaien der molenstenen - geheel overgenomen door ezels of paarden. Molens, waarin uitsluitend paarden rondliepen, kregen de naam "rosmolens”. Tot in de 19e eeuw zijn in onze woonplaats rosmolens in gebruik geweest. Zo lezen we, dat op 15 september 1838 Jochem Jochems, korenmolenaar te Laag Soeren, een verzoek indient bij het gemeentebestuur van Apeldoorn voor het stichten van een roskorenmolen te Beekbergen. In een pakhuis bij het pand Rustenburgstraat 8 was in 1960 heel duidelijk een gedeelte van de vroeger daar aanwezige rosmolen te zien. Een buiten gebruik gestelde - doch geheel intact zijnde - roskorenmolen stond nog voor enige jaren op het gebied van de Woudhuizen. Bij een boerderij aan de Oude Zwolseweg, even ten noorden van de waterkorenmolen van Van Bree, lag in 1944 een roskarnmolen.

Door waterkracht gedreven graanmolens

De door waterkracht gedreven molen is een romeinse vinding en dateert vermoedelijk uit de eerste eeuw voor onze jaartelling. Reeds ca 50 jaar voor de regering van keizer Augustus (27 v. 14 n. Chr.) moet dit soort molens bestaan hebben. De geograaf Strabo maakt omstreeks 25 v. Chr. melding van een waterkorenmolen te Cabira in Pontus (gelegen landinwaarts niet ver van de oever der Zwarte Zee). Het heeft ettelijke jaren geduurd eer de watergraanmolens zich een plaats wisten te veroveren naast de door slaven of dieren bewogen molens. Anders had de hiervoor vermelde vordering van "molenbeesten” door keizer Caligula in 40 n. Chr. niet de voedselvoorziening van Rome in gevaar kunnen brengen. De minder snelle verbreiding der waterradmolens moet voor een groot deel toegeschreven worden aan het feit, dat handqueernen en ezels of rosmolens overal geplaatst konden worden, terwijl men - wat de watermolens betreft - steeds afhankelijk was van de aanwezigheid van stromend water. In Engeland zijn bij de door de Romeinen aangelegde wal van Hadrianus fragmenten van ; onderslagsraden, benevens complete maalstenen ontdekt van een drietal watermolens uit de 3e eeuw, mogelijk uit het laatst der 2e eeuw. We zien uit deze datering, dat de watermolens slechts langzaam de weg naar West Europa hebben gevonden. Het romeinse bewind over een groot deel van ons werelddeel heeft op de duur de verbreiding der waterradmolens in de hand gewerkt. Bij Athene werden tijdens opgravingen de overblijfselen gevonden van een bovenslagsmolen uit de 5e eeuw.
Door deze vondst was het mogelijk de constructie na te gaan van de oudst bekende watermolen van dit type. Naast de watermolens blijven zowel de hand- als ezel- en rosmolens in gebruik. Dit komt tot uiting in een decreet van keizer Diocletianus, dat in 301 - dus meer dan drie eeuwen na de verschijning der watermolens is uitgevaardigd. Het maakt melding van vier verschillende soorten graanmolens: een rosmolen (1500 denarii), een ezelmolen (1250 den.), een watermolen (2000 den.) en een handmolen (250 den.). Het lage bedrag bij de handmolen duidt op een kleine queern. Uit de in het decreet genoemde cijfers blijkt verder, dat in het begin der vierde eeuw de watermolen de oudere typen van molens in belangrijkheid gaat overtreffen; hoewel ze in het besluit van keizer Diocletianus nog pas op de derde plaats staan na de ros- en ezelmolens. Gedurende de nu volgende eeuwen neemt het aantal waterkorenmolens in Europa hand over hand toe. Ze zijn echter niet in staat geweest de queernen en de ezel- of rosmolens volledig te verdringen. Toch waren de drie laatstgenoemde soorten molens in het Rome der 6e eeuw niet meer talrijk genoeg om in tijden van gevaar een ongestoorde voedselvoorziening te waarborgen. Dit was het geval bij de belegering van de stad in 536 door de Oostgoten, toen de vijand de waterleidingen afsloot, waardoor de watermolens niet meer konden werken. Deze keer was het een gebrek aan water - en niet zoals in de 15 dagen van keizer Caligula een tekort aan ezels en paarden - dat in Rome een noodtoestand dreigde te doen ontstaan. Teneinde aan deze crisis het hoofd te bieden ging men toen over tot het leggen van schipmolens op de rivier de Tiber.
Nog even wil ik terugkomen op de uitvinding der watermolens. Niet alleen voor de meelbereiding, maar ook voor vele andere doeleinden ging men na verloop van tijd de waterkracht toepassen. Vanaf de vroege middeleeuwen tot nog ver in de vorige eeuw zijn de watermolens van grote betekenis geweest. In de loop van ons verhaal zal dit duidelijk blijken. Voor de industriéle kracht van een land vormen - thans nog evenzeer als vroeger de energiebronnen de grondslag. De drie voornaamste van deze bronnen, die in de middeleeuwen werden gebruikt, waren de water-, wind- en paardekracht. Vooral het belang der watermolens kan men niet hoog genoeg schatten. Zoals in onze dagen het economisch leven met sprongen zou achteruitgaan, wanneer aardgas, benzine, electriciteit, olie en kernenergie gingen ontbreken, zo was het leven in de voorafgaande eeuwen moeilijk denkbaar zonder wind- water- en paardekracht. Maar het zijn vooral de waterradmolens geweest, die in het economisch leven van hun tijd wel de voornaamste rol hebben vervuld.
De snelle verbreiding der watermolens in Midden- en West-Europa in de vroege middeleeuwen is enerzijds een gevolg geweest van het feit, dat in dit gebied een dicht rivieren- en stromennet met het noodzakelijke verval aanwezig was en anderzijds door een grote bevolkingsaanwas omstreeks de achtste- en negende eeuw. Juist in die tijd valt een sterke toename van het aantal watermolens waar te nemen. In zijn boek "De bouw van een kathedraal” schrijft Jean Gimpel, dat men in 1086 alleen al in Engeland er 5000 telde, terwijl er in de 13e eeuw in Frankrijk enkele tienduizenden waren. Deze cijfers lijken ons wel schromelijk overdreven, maar toch heeft B. Gille gelijk, wanneer hij in het tijdschrift "Techniques et Civilisations III” de watermolen "une revolution technique mediévale” noemt.
We gaan ons thans bezighouden met de oudste waterkrachtbedrijven, de waterkorenmolens. Deze hebben eeuwenlang een belangrijke en nuttige taak verricht bij de voeding der bevolking van ons land. In elk dorp van enige betekenis vermaalden één of meer molens het graan tot meel. Bij de meeste kastelen lagen korenmolens. We denken hierbij aan het Oude Loo, de Cannenburgh, Rozendaal en Terhorst. Waar de waterkracht ontbrak, maakte men gebruik van ros- of windmolens.

Het maalloon van de molenaar

Bijna overal in ons land werden de verschuldigde kosten voor het laten malen van het graan niet in klinkende munt maar in natura voldaan. Het geld was vroeger - vooral op het platteland zeer schaars en de bewoners zagen liever, dat er wat van hun graan of meel afgehouden werd - hetgeen ze zo goed als niet merkten - dan dat ze de beurs moesten trekken. Inplaats van met geld "betaalde” men voor allerlei doeleinden vaak met eieren. In West Friesland kreeg de wasvrouw, die de hoofddoeken der gegoede boerinnen met zeep wies inplaats van met de gebruikelijke duivendrek, een ei voor haar moeite. Eieren waren ten tijde van Karel V op het platteland dikwijls de gewone pasmunt. Twee en dertig eieren golden voor één stuiver. Nog in 1595 kreeg de koster te Apeldoorn met Pasen een bepaald aantal eieren van de huislieden.
Om echter op het maalloon terug te komen; de hoeveelheid af te houden meel was niet overal gelijk en wijzigde zich met de loop der jaren. Het scheploon bedroeg meestal 1/24 tot 1/ 16 deel van het gemalen graan. De molenaar maakte bij het afhouden “, (afmeten) gebruik van een speciale maat of schep, ook wel molsterschotel genaamd.

Schoongemaakte en nieuw bekribde sprengenkop van de papierfabriek Brouwersmolen.
Het onderhoud der beken en sprengen geschiedt ook nu nog door ervaren beekruimers.
 
De Griftsemolen op de Grift te Vaassen in 1937 met onderslagsrad van 4 m doorsnede (zonder de schoepen).
Molen en rad zijn geheel verdwenen.



Het maalloon heette namelijk "molster”. Het geschepte meel "molsterkoorn” werd in een of meer "schepkisten” bewaard en meestal door de mulder aan de dorpsbakkersverkocht. In Oldebroek werd omstreeks 1900 nog geschept en wel 1 schep per schepel te malen graan (174 mud), dus 4 scheppen per mud van 75 kg. Er werd daar "hard geschept”, d.w.z. dat de mulder voor het malen schepte (A. Bicker Caarten: De molens in ons volksleven, blz. 15).
Er waren af en toe molenaars, die meer namen dan hun toekwam. Ze schepten te diep of lieten "hun mouw meescheppen”. Een zekere mulder, die nogal eens te diep in de zakken schepte, voelde berouw en ging bij de pastoor biechten. Hij kreeg als penitentie het bevel de schep, waarmede het kwaad was bedreven, te korten. Zijn vrouw gaf hem toen de raad dit aan de steel te doen! Maar lang niet alle molenaars waren zo. Dit blijkt uit een gedichtje, dat te lezen is in de Vincentiusmolen te Deurne (Noord-Brabant).

Neem een kleine schepper
en schep een klein getal
Maar vrees den grooten Schepper
Den Schepper van ’t Heelal.

Reeds in de 16e eeuw werd in sommige gewesten door de overheid accijns geheven op het gemaal. Dit hield in dat er belasting betaald moest worden op het bij de molenaar ter vermaling aangevoerde graan.
Deze accijns heeft de molenaars heel wat ergernis en overlast berokkend. Pas na de invoering der gemeentewet van 1851 verdween geleidelijk deze belasting op het gemaal.




De Apeldoornse korenmolens

Maar het wordt hoog tijd, dat we ons bezighouden met de korenwatermolens in het ambt Apeldoorn en iets over hun geschiedenis gaan mededelen. We komen daarbij het eerst in het kerspel Beekbergen en wel bij de molen, die het vroegst in de historie van onze plaats vermeld wordt.

De Gasthuismolen te Beekbergen (kaart nr. 40)

De oudst genoemde meelmolen in het ambt Apeldoorn is de later zo bekende Gasthuismolen, Molenvaart 41, Beekbergen. Deze molen, waarover gesproken wordt in de rekening betreffende het graafschap Gelre over 1294/95, was in die tijd een dwangmolen van de Gelderse graaf Reinald en de ingezetenen van Beekbergen waren verplicht daar hun graan te laten malen. In de rentmeestersrekening van de Veluwe over 1335/36 lezen we eveneens van de molen, gelegen te Voshuisen. Voshuisen was een buurt in de omgeving van de molen, de naam komt nog voor in 1649 en is thans vastgelegd in de benaming van een weg daar ter plaatse. In genoemd stuk heeft de rentmeester het over de "molendino aquatico apud Voshuisen in parochia Begbergen hoc anno nihil”. Deze laatste woorden duiden er op, dat de toenmalige graaf Reinald II in dat jaar geen inkomsten trok uit het maalbedrijf. Vermoedelijk heef hij de molen vanwege een schuld tijdelijk in pand moeten geven of de opbrengst voor bewezen diensten aan een gunsteling geschonken.
Hertog Willem van Gulik geeft de molen in 1381 in erfpacht aan Johan Mompelier van Overhagen, waarbij "die van Beggebergen anders nergent malen en soelen dan op onse moelen”. Er wordt hier nog eens extra de nadruk gelegd op de molendwang. Even verder staat: "uitgenommen die van Loenen”. De ingezetenen van Loenen behoefden dus niet in Beekbergen te laten malen. In de hertogelijke rekeningen van 1410 - 1433 wordt de molen wel vermeld, doch er zijn steeds geen pachtopbrengsten verantwoord.
Vermoedelijk is de molen na 1433 in particulier bezit gekomen, want in een scheiding van goederen (4 juli 1487) tussen Jacob ten Have ter ene en de gebroeders Albert en Arnt anderzijds wordt de watermolen in het kerspel Beekbergen, in de buurschap Lieren, toegewezen aan Albert en Arnt. Op 27 oktober 1533 verkopen Mechteld ten Have, Ryck van Heerd met diens vrouw Margareta en Derck Jacobsz met diens echtgenote Jutte een watermolen met toebehoren, gelegen in het ambt Apeldoorn in het kerspel Beekbergen, "mitten gemael ind gerechticheijt . . . invoorts mitten gehelen Waeter daertoe gehoerende, boven ind beneden, mit dijck, dam ind medeganck” aan het St. Petersgasthuis te Arnhem. Vandaar komt de naam "Gasthuismolen”, een benaming die tot op heden bewaard is gebleven. Bijna twee jaren later (7 januari 1535) lezen we in een oorspronkelijk stuk, voorzien van de ondertekening en het zegel van hertog Karel van Gelre (1492 -1538), dat deze op genoemde datum de verkoop bekrachtigt van dezelfde molen aan hetzelfde Gasthuis. Maar nu zijn het heel andere personen, namelijk Lutgert ten Have en haar kinderen, die bij de verkoop van de molen betrokken zijn. Een zeer vreemde geschiedenis, waar we hier niet verder op in kunnen gaan. Er staan in het stuk nog een paar dingen, die onze aandacht vragen. De hertog bepaalt, dat niemand anders op hetzelfde water in hetzelfde kerspel waterkorenmolens mag stichten. Verder schenkt hij vergunning aan het Gasthuis om in de nabijheid van de korenmolen een volmolen te leggen, waarop de ingezetenen van Beekbergen hun doeken kunnen laten vollen tegen vastgesteld tarief. Deze volmolen komen we later tegen bij de komst van de papiermakerij in Beekbergen. Op de geschiedenis der Apeldoornse volmolens gaan we straks uitvoerig in.
In 1603 loopt het met de molenaar Lubbert Berntz van de Gasthuismolen helemaal niet best af. Hij heeft in een ongeoorloofde verhouding geleefd met de stiefdochter Naele en wordt 6 oktober 1603 door het Hof veroordeeld "om mit den sweerden” (met het zwaard) te worden geëxecuteerd, anderen tot afschrikwekkend voorbeeld.  Een aantal jaren later (1619) ontstaat er een proces tussen jonker Dirk van Essen en de huismeesters van het Gasthuis. Van Essen heeft aan de Rekenkamer verzocht "op de Wenckemer weyer (Winkewijert) in Engelander merck” in het kerspel Beekbergen, een korenmolen te mogen leggen. Het Gasthuis beroept zich op de brief van hertog Karel uit 1535 en krijgt gelijk, een korenmolen mag daar niet gesticht worden. In 1626 verpachten de huismeesters de Gasthuismolen voor 6 jaar aan Cornelis Egberts en diens erfgenamen. De pacht gaat 1 mei 1627 in en bedraagt 250 gulden per jaar. ; Molenaar Egberts moet "d’Inwoonderen van Begbergen int maelen van hair koirn” voor laten gaan boven "andere vrembde offte uijtheijmschen”. Bij een latere (12 januari 1633) verpachting aan Cornelis Egberts blijkt de pacht te zijn verhoogd tot 400 gulden per jaar. Op 27 december 1681 komt de zoon van Cornelis Egberts, Egbert Cornelissen, als pachter op de Gasthuismolen. Weer is de pacht hoger geworden, 460 gulden per jaar. Bovendien moet de nieuwe molenaar nog zes paar hoenders leveren "te weten voor die Huismeesteren, Secretaris en Rentmeester ieder een paer”. De heren waren blijkbaar niet afkerig van een gebraden kippeboutje. Op 2 oktober 1695 mag de molenaar een "nieuwen Vijftienden meulensteen” kopen te Deventer "ter somme van één hondert gulden”.
In 1742 wordt Berend Capel als molenaar genoemd; zijn vrouw Jacobje Jansen Schut vinden we vermeld in 1747.
De mulder Berent Cappel, die holtrigter is van de Lierdermark, en zijn huisvrouw Jacobie Jansze Schut schenken in 1777 een tweetal thans nog aanwezige fraaie koperen kronen aan de kerk van Beekbergen. Capel is nog tot 1779 molenaar, zijn opvolger wordt Derk IJkman, die in 1801 dit beroep eveneens uitoefent.
Vanaf zijn stichting voor 1294 is de Gasthuismolen steeds als waterkorenmolen in werking gebleven. Het valt daarom ten zeerste te betreuren, dat het rad van deze vroegst bekende molen in onze gemeente al omstreeks 1951 buiten werking is gesteld en onherroepelijk zijn ondergang tegemoet gaat. In het voormalige molengebouw is nu een metaalwarenbedrijf gevestigd. Het binnenwerk van de vroegere korenmolen, de twee steenkoppels inbegrepen, was in 1954 nog geheel aanwezig.

De Wenumer Saatmolen (kaart nr. 4)

Misschien moeten we een even somber geluid laten horen over de watermolen te Wenum.
Deze "Wenumer Saatmolen”, nu bekend als de korenmolen van Van Bree, was tot voor kort de enige nog in werking zijnde waterkorenmolen binnen onze gemeente. Tal van ingezetenen kennen deze molen, die zo mooi gelegen is beneden de grote molenwijer aan de Oude Zwolseweg.
De molen te Wenum komt het eerst voor in de staat 12) der bezittingen van Herbertus van Putten over 1313. Van Herbertus is maar weinig bekend, wel bezat deze man heel wat goederen. We lezen in de staat over een "molandinum in Wenume”, waarvoor Segerus, de zoon van Johannes van Leideren, pacht verschuldigd is. In een toevoegsel aan de lijst, dat van na 1313 stamt, wordt Andreas van Lederen genoemd in verband met de molen. De korenmolen te Wenum blijkt in 1335 nog geen eigendom te zijn van de Gelderse landsheren. Hij komt als zodanig echter voor in de landrentmeestersrekening 13) van 1395. Hierin lezen we over herstellen van spillen en over een ijzeren band op de as. Uit de rekening van 1407/08 blijkt.dat er vorstschade is toegebracht aan "mijns gnedigen heren moelen tot Wenum”. Het maalwerk raakte ontwricht, de spil brak en de planken van de molenkast werden door het ijs vernield. Een timmerman moet de "schutte” repareren, terwijl een collega van hem vier dagen nodig heeft om de molen weer "ganckaftich” (= bedrijfsklaar) te maken. Volgens de rekening over 1410/11 is de watermolen verpacht aan Gijsbert van Mekeren voor £ 40.
Op 20 februari 1434 geeft hertog Arnold zijn watermolen te Wenum - met het gemaal en ’t water in erfpacht 14) aan Johan Doys en diens erfgenamen. Zes jaar later 15) (11 mei 1440) doet Doys met goedvinden van de hertog de erfpacht van gemaal en water van de Wenumse molen over aan het Convent van Monnikhuizen bij Arnhem. Dit klooster koopt in 1493 deze erfpacht af en beschouwt zich vanaf die tijd als eigenaar van de molen. Toen gedurende de 80-jarige oorlog de Staatsgezinden in Gelderland de macht in handen kregen, vervielen de bezittingen van Monnikhuizen, waaronder ook de molen te Wenum, aan de Staten van Gelderland en werden namens deze beheerd door enige gedeputeerden van Veluwe. In 1600 16) hebben gedeputeerden de korenwatermolen "in die buirschap Weinum” voor 6 jaar verpacht aan Gerrit Lambersz. De pacht heeft ook betrekking op een "halff deel holtz in Soirerbosch” en bedraagt totaal 48 daalders of 72 gulden. Gerrit Lambersz blijkt in 1627 17) als mulder in Wenum opgevolgd te zijn door zijn zoon Lambert Gerrits. We slaan thans meer dan een eeuw over en komen bij het jaar 1752. De molen is dan in particulier bezit, want de erfgenamen van Dries Cornelis Nijlandt transporteren op 6 mei 1752 18) de korenmolen te Wenum onder Apeldoorn aan Elbert Wijnbergen en Jenneken Henrix Meijer voor 4311 gulden. In 1753 krijgt deze Elbert Wijnbergen kwestie over het opstuwen van ’t beekwater met Daniel de Jongh, eigenaar van de bovengelegen kopermolen. Vier jaar later (1767) komt er een grote verandering in de bestemming van de Wenumse korenmolen. Op 24 .april 1767 dient de mulder, als eigenaar van deze molen, het verzoek in om zijn waterkorenmolen te mogen veranderen in een windkorenmolen en dezelve honderd en vijftig roeden van de eerstgemelde molen te zetten en op te richten. Want Evert Wijnbergen heeft "bekwame gelegenheid” zijn watermolen te verkopen aan Daniel de Jongh, die er een kopermolen van wil maken, de tweede in de Wenumermark. Op het verzoek van de mulder Elbert Wijnbergen wordt goedgunstig beschikt. Hierdoor kunnen we het beginjaar van de Wenumse windkorenmolen stellen op 1767. Deze molen is een voorganger van de huidige windmolen van F. Vorderman, Marleweg 6, Wenum. De molen van 1767 is verbrand, weer opgebouwd en opnieuw een prooi der vlammen geworden. De tegenwoordige fraaie meelmolen, de enige windmolen in de gemeente Apeldoorn, stamt uit 1840. Hij deed oorspronkelijk dienst als bemalingsmolen te Baambrugge aan de Angstel (prov. Utrecht) en werd in 1913 vandaar overgebracht naar Wenum en ingericht tot korenmolen. Deze molen, een grondzeiler en achtkante bovenkruier, is een sierraad in het landschap en dient evenals de watermolen van Van Bree als historisch monument bewaard te blijven. De verkoop van de watermolen in Wenum aan Daniel de Jongh is op 11 februari 1767 een feit geworden. Deze kocht toen de korenmolen voor 6000 gulden van Elbert van Wijnbergen.
De Jongh laat de molen ombouwen tot een kopermolen met 3 raden, die de naam krijgt van "Nieuwe Molen”. Tevens wordt boven de molen een grote molenwijer gegraven, waar nog heden ten dage het omringend geboomte weerspiegelt in het bijna rimpelloze watervlak. We lezen, dat op 23 februari 1769 Daniel de Jongh van de Wenumermark de erfpacht krijgt van het veld voor een "nieuwe vijver bij nieuws aan te leggen 2e coopermolen” te Wenum. Op een kaart 19) van 1708 komt daar geen wijer voor, maar in 1754 heeft de korenmolen ook al een vijver, want dan is sprake van een "hoekje veldt daer de wijer is gemaeckt voor de kornmulder”. Misschien heeft men de molenvijver aangelegd in verband met de stichting van de bovengelegen Rotterdamse kopermolen, teneinde eventuele hinder in de watertoevoer door dit bedrijf zoveel mogelijk tegen te gaan. Aan de oude oersolide brug boven het molenhoofd van de korenmolen bevindt zich nog een steen met jaartal 1798 en de inscriptie D. de I., die herinnert aan een neef van Daniel de Jongh. Gedurende de eerste helft der 19e eeuw raakt het koperbedrijf in verval en in 1858 krijgt de Wenumse molen weer zijn oorspronkelijke bestemming van korenmolen. De Apeldoornse leerfabrikant Peter Kok Ankersmit koopt in dat jaar de "Nieuwe Molen” en laat deze inrichten tot runmolen (schorsmaalderij voor de leerlooierijen) en tevens tot korenmolen. Als pachters worden dan genoemd Van Huffelen, Witteveen, Gerrit Zaaijer en Berendsen. In 1882 raakt met Hendrik van Bree de naam Van Bree verbonden aan de molen. Een advertentie in de Apeld. Courant van 26 augustus 1882 vertelt ons hierover: "Korenmolenaar. Ondergeteekende zich gevestigd hebbende als korenmolenaar op de Molen van de Heer Ankersmit te Wenum beveelt zich beleefdelijk aan, belovende een prompte en civiele bediening.”

H. van Bree
Apeldoorn, Augustus 1882

Hendrik is eerst huurder, doch wordt later, samen met C. H. Weverink, eigenaar van het gehele complex. Van Bree bezit het maalbedrijf, terwijl C. H. Weverink de runmolen omzet in een fabriek voor bereiding van de bekende groene Zwitserse kaasjes, die in de omgeving al gauw met "stinkkaasjes” worden betiteld. Van Bree en Weverink werken ieder met één waterrad. In 1917 krijgt de Fa. Wed. H. van Bree alles in eigendom. Deze richt het geheel in tot korenmolen.
Een zware beschadiging van het maalwerk binnen in de molen was oorzaak, dat begin 1965 het waterrad stil kwam te staan. Bovendien verkeerde het metselwerk van de muur aan de waterloop in slechte staat. De kosten van herstel van het raderwerk en de muur werden geraamd op respectievelijk f 2000,— en f 3000,—, in totaal dus 5000 gulden. De Wed. H. van Bree N.V. te Wenum was bereid 20% van de herstelkosten voor haar rekening te nemen en vroeg aan rijk en provincie een bijdrage van resp. 40% en 20%. De gemeente Apeldoorn werd verzocht een bedrag van 1000 gulden beschikbaar te stellen. Daar het de enige nog intact zijnde waterradkorenmolen in de gemeente Apeldoorn betrof, stelden B. en W. aan de raad voor het gevraagde bedrag toe te staan. Zonder hoofdelijke stemming keurde de raad op 2 september 1965 de subsidie voor de restauratie goed. Het is misschien mogelijk, dat binnenkort het rad van de Wenumse korenmolen weer zal gaan draaien.
Het waterrad van het kaasbedrijf in Wenum is al jaren geleden verwijderd, de plek waar het eenmaal gezeten heeft, kan men op een foto uit 1936 nog duidelijk zien. Het tegenwoordige stenen hoofdgebouw met pannendak dateert uit 1917. De molen werkte in 1956 met één steenkoppel op het waterrad, terwijl twee andere koppels zowel door de dieselmotor als electrisch in beweging konden worden gebracht. De korenmolen te Wenum komt op kaart (watermolens in Apeldoorn en Beekbergen) voor onder nr 4; in het vervolg van ons verhaal zullen we bij de desbetreffende molens steeds verwijzen naar de corresponderende cijfers op de kaart.

De Zilvense korenmolen, later "Het Molenhuis” genoemd

Het stichtingsjaar van de waterkorenmolen in Zilven, die voorkomt op een kaart 20) van 1662 door H. van Gelder, is niet bekend. Wel bestond de molen al in 1584. In een proces van 1663 wordt gezegd, dat op de "Silvolsche” (= Zilvense) beek van "olt” (oudsher) een korenmolen heeft gelegen met twee "glinten”. De betekenis van het woord "glint” is hier niet helemaal duidelijk. Men zou er uit op kunnen maken, dat de molen destide werkte met 2 raden. Het kan ook "gebinten” betekenen. De watertoevoer voor de Zilvense molen zal oorspronkelijk zijn geschied door in de Dalenk gegraven sprengen. In het bovengenoemde proces lezen we, dat in de onderbeek van de korenmolen een andere waterloop uitkwam, die de "Moerbeecke” (Morenbeeck, Morrebeck) of ook wel de "Bruijtbeeck” heette. Volgens de huislieden was de benaming .,Bruijtbeeck” (later Bruisbeek) ontstaan, doordat een "bruijt (= bruid) weleer daerinne verdroncken is”. Tussen 1655 en 1660 wordt het water uit Zilven door een nieuw gegraven bedding de nieuwe Silvolse beek - gebracht in de ,.Loensche” (= Loenense) beek bij het kasteel Terhorst tot "beneficie of gerief” van de pas daarop gestichte papiermolens.
Vermoedelijk zullen toen eveneens de zeer hooggelegen sprengen in Zilven zijn gegraven, wier afvoer met een gedurfde aanleg om en over een steile helling is geleid ten behoeve van een papiermolen (Hunekampsmolen), waaraan alleen nog een gemetselde waterval herinnert. Dit graafwerk had tot gevolg, dat het rad van de Zilvense korenmolen voortaan gedreven kon worden door het water van twee molenbeekjes. Beide waterlopen vloeiden samen in een zeer grote molenvijver, waarbij de korenmolen was gelegen. Over de molenvijver heen had men een schitterend uitzicht op het golvende Zilvense landschap. Het houten bovenslagsrad dat met veel lawaai zijn werk deed, bracht de loper (bovenste maalsteen) van een steenkoppel (hiermede worden beide stenen aangeduid) in beweging, doch kon ook een tweetal koppels doen werken. Na 1954 heeft men het rad buiten werking gesteld en draait alles electrisch. Het vervallen rad is inmiddels verdwenen, evenals de fraaie molenvijver, die in bouwland is herschapen. Alleen een klein watervalletje duidt nog op het vroegere verval, terwijl de naam "Het Molenhuis” voor het maalbedrijf der Gebr. Kruitbosch, Eerbeekseweg 160, Loenen, de herinnering levend houdt aan de voormalige waterkorenmolen, die daar heeft gelegen.
De Zilvense korenmolen vinden we voor het eerst in 1584. Dan blijkt de molen tijdens een inval der Spanjaarden op de Veluwe door toedoen van Staatse troepen in vlammen te zijn opgegaan. De eigenaar van de molen Gerrit Hackfort, die bezitter is van het kasteel Terhorst, krijgt in 1592 hiervoor schadevergoeding. Ingaande Pasen 1630 heeft Bernt Lamberts de "Water Meulen gelegen in den Ampte van Apeldoorn Burschap Silvolden” voor 100 gulden per jaar gepacht van Olivier Hackfort. Er is dan sprake van het timmeren van een nieuwe molen, die de pachter "op sine kosten unde lasten” heeft doen optrekken. Voor de "temmerasie van die meulen” zal Hackfort 1000 gulden geven, op welk bedrag de molenaar ieder jaar 100 gulden in zal houden "van sinen pacht”, totdat de 1000 gulden verrekend zullen zijn. De bouw van een nieuwe molen was noodzakelijk geworden, doordat de Spanjaarden in 1629 bij hun invasie op de Veluwe de "corn Mulen tot Sijlvolden” totaal verbrand en "verdestrueert” hadden. In 1636 moet Bernt Lamberts aan Hackfort leveren een vracht kleihooi, "soo groot als ic mit minen waegen t’huis can haelen” schrijft de heer van Terhorst in zijn rekening. Een latere pachter is Warner Hendricks, die met goedvinden van Olivier Hackfort de molen onderverpacht aan Jacob Jansen.
Vanaf 1638 treedt Jochim Sprincmeijer op als pachter van de Zilvense korenmolen.
Deze laat in 1644 het molenhuis "voorop, ende ronsom (rondom) soo verre het Middelschot gaet” op zijn eigen kosten metselen, zonder Hackfort iets van kalk, steen, wagenvrachten of arbeidsloon in rekening te brengen. Slechts hetgeen de timmerman er aan verdiend heeft, komt ten laste van de verpachter. Volgens het verpondingskohier van het ambt Apeldoorn over 1648/49 is Jochum (Jouchum) Sprinckmeijer dan nog steeds pachter van een "coornmolen met getimmer”, die aan Olivier Hackfort toebehoort. Met ingang van Pasen 1665 is de Zilvense korenmolen verpacht aan Aleff Muller. De pacht bedraagt nu 240 gulden per jaar, dus meer dan het dubbele van hetgeen Jochum Sprinkmeijer moest geven.
Gedurende de jaren 1667 en 1668 wordt de pacht verrekend door Marritjen Mullers.
Het blijkt, dat er in laatstgenoemd jaar een molenvijver is, want er wordt gesproken van een "vatt welk in de wijer leit”. In 1669 vinden we "meister Aleff Muller” weer als degene, die de pacht aan Hackfort voldoet. Hierbij zijn ook de "toebaten”, zoals een gans, 10 pond suiker en enige hoenders. Tot zover de geschiedenis van de Zilvense korenmolen.

De Slatsmolen te Loenen

Een andere korenmolen, die echter uit veel later tijd dateerde, lag achter het kasteel Terhorst bij de tegenwoordige Molenallee. Op de al eerder genoemde kaart van 1662 komt daar ter plaatse een papiermolen voor, die wegens zijn ligging in de Iage terreinen van "het Slat” in 1671 aangeduid wordt als "de Moelen 0p ’t Slatt”. Tegenover deze molen zal omstreeks 1662 op een beekje, gevoed door twee sprengenstelsels, nog een papiermolen zijn gelegd. De molen is sinds jaren verdwenen, de onderbeek heeft men toen gedempt en het water onder de bovenbeek van de twee daarbij gelegen papiermolens door naar beneden geleid. Op de plek van deze beide molens vinden we in de vorige eeuw de "Groote Slatsmolen”, waar dan bordpapier wordt vervaardigd.
Later komt daar de waterkorenmolen van Wilbrink voor in de plaats. Deze "Slatsmolen” was tot omstreeks 1952 nog de enige graanmaalderij in onze gemeente, die uitsluitend op waterkracht werkte. Helaas werd toen het waterrad verwijderd, waardoor de Slatsmolen vanaf dat moment als watermolen buiten werking kwam.

Een waterkorenmolen te Ugchelen (kaart nr. 36)

Gedurende de 19e eeuw is bij de in 1639 gestichte papiermolen "De Hamermolen”, Hoenderloseweg 155, Ugchelen, gedurende een aantal jaren ook een koren- en runmolen in werking geweest. In 1843 lezen we, dat M(aas) Brouwer er een korenmolen heeft( tevens runmolen). Tien jaar later staat onder het hoofd "Grutmolens” M. Brouwer vermeld. In augustus 1854 komt Jan Geerlings daar als korenmolenaar en vertrekt in 1859 naar Wilp. Geerlings was gehuwd met Wilhelmina Hovens. Er zijn twee zoons Elias en Willem. De laatste werkt in de maalderij, evenals de knecht Jan Willem van Hondhorst. Allen vertrekken in 1859 naar Wilp. Vermoedelijk is toen de maalderij opgeheven, want een advertentie in de Apeldoornse Courant van 1 december 1866 vermeldt niet alleen de verkoop op 20 december van 381 stuks zware opgaande eiken, 26 beuken en enige populieren op het landgoed "de Pasch” te Apeldoorn, maar ook van "23 eiken, 1 kersen- en 1 essenboom bij de vorige korenmolen te Ugchelen”.

De korenmolen van Boks te Apeldoorn (kaart nr. 17)

Aan de beek, die ontstaat uit sprengen bij de Achterlandseweg en op het terrein der firma De Haas en Van Brero, lag nog tegen het begin dezer eeuw op de plek waar deze waterloop vlak bij de Elsweg onder de Brinklaan doorloopt, de korenmolen van Boks. Daartegenover stond de papiermolen der gebroeders Van Riessen. Deze plek heette van ouds "het Slop”. Vandaar dat meestal gesproken werd over de "molens van het Slop”, terwijl de molenbeek bekend was onder de naam "beek van het Slop”. Beide molens zijn al geruime tijd geleden verdwenen.

De Dorpskorenmolen te Apeldoorn (kaart nr. 13)

Deze waterkorenmolen is in 1830 gesticht door A. van den Broek. Ten behoeve van de molen groef men de sprengen en de beek, die nu bekend staan als Badhuissprengen en Badhuisbeek. Hier hebben we een duidelijk voorbeeld van een geheel nieuw gegraven sprengenbeek.
Het molenwerk werd uitgevoerd door de timmerman en molenmaker Jacob Wolbrink Buitenhuis. De molen lag aan de Dorpsstraat (Hoofdstraat), hoek Sprengenweg, op de plaats waar nu de brandweerkazerne staat. Het maalbedrijf voorzag toentertijd in een grote behoefte, want zowel de burgers als de arbeiders verbouwden in die dagen vaak hun eigen boekweit en rogge en lieten die bij Van den Broek tot boekweite- en roggemeel vermalen. Van het boekweitemeel bakten ze pannekoeken, terwijl van de rogge brood werd gebakken. De mensen bereidden het deeg zelf en lieten het vervolgens gaar maken bij een bakker in de buurt, tegen betaling van 3 cent, klein of groot. Toen later de boekweitverbouw achteruit ging, en ook het eigen brood bereiden, verminderden zienderogen de bestaansmogelijkheden van de molen. In 1883 werd de Dorpskorenmolen voor afbraak verkocht.

De korenmolen van Herman ten Voorde bij de Eendracht (kaart l nr. 24)

De aan de linkerkant van de Ugchelsebeek gelegen Tiemensmolen is omstreeks 1887 gedurende enige tijd korenmolen geweest. In 1890 was hij als zodanig nog in gebruik, molenaar is dan Herman ten Voorde. De korenmolen kreeg gedurende de beruchte winter van 1890/ 91 te maken met de grote overstroming, die veroorzaakt werd door een plotselinge snelle dooi na hevige sneeuwval. We lezen dat van de molens Hattem de "kolkende waterstroom steeds verder raasde, nu naar de beneden gelegen korenmolen en wasserij, vroeger de Tiemensmolen geheten. Met donderend geweld stortte daar het water over het molenhoofd in de onderbeek of stroomde bruisend door de aan de linkerzijde van de beek gelegen korenmolen van Herman ten Voorde en de tegenoverliggende wasserij van Cornelissen”.
A. Cornelissen, die afkomstig was uit Zutphen, had in 1889 deze voormalige papiermolen gehuurd, doch kocht enige jaren later het maalbedrijf van de familie ten Voorde.
Hij liet toen zijn wasserij daarheen verplaatsen, nadat eerst de korenmolen door hem was omgezet in wasserij "De Oude Olifant” (Ugchelseweg 11 17), die werkte met enige door waterkracht gedreven draaitonnen. Daardoor behoorde de maalderij van ten Voorde tot het verleden. Over het bedrijf zijn maar weinig gegevens bekend.

De Ruitersmolen of korenmolen van Boks te Beekbergen (kaart nr. 39)

Aan de Tullekensmolenweg te Beekbergen lag op de Beekbergensebeek een tweetal papiermolens die bekend stonden als de Ruitersmolen(s). Ze behoorden in 1820 respectievelijk toe aan de papiermaker Derk Boks en mevrouw Hackfort te Loenen, die haar molen verpacht had aan L. van Gerrevink. In 1820 stond Boks toe, dat er bij de andere molen twee raden gelegd werden, op voorwaarde dat hij zelf zo nodig ook twee raden mocht maken. Deze Derk Boks, geboren 5 oktober 1791, was de vader van de bekende genreschilder Evert Jan Boks, (geboren te Beekbergen 18 april 1838 overleden te Antwerpen 14 juni 1914). Naar hem is de Evert Jan Boksweg genoemd.
Vader Boks, die tot echtgenote Aaltje Ruimerman had, was tot 1839 papiermaker op de ene Ruitersmolen, later komt hij voor als papierhandelaar. In 1843 zet hij zijn papiermolen om in een korenmolen met 2 raden; de daartegenover gelegen papiermolen van L. van Gerrevink brandt in de tweede helft der 19e eeuw af en wordt niet herbouwd. De korenmolen van Boks aan de rechter zijde der beek was in 1936 als zodanig nog in werking met één houten bovenslagsrad. In 1954 bleek de molen echter al jarenlang niet meer in gebruik te zijn. Het binnenwerk was toen reeds voor een groot deel gesloopt, terwijl de rest in zeer vervallen staat verkeerde.




Gecombineerde bedrijven: graan- en oliemolens

In dit gedeelte van onze beknopte historie der Apeldoornse watermolens gaan we ons bezighouden met een tweetal korenmolens in onze gemeente, waarvan de geschiedenis ons tevens in aanraking brengt met de olieslagerij: het door middel van massieve stampers of slagpersen onttrekken van olie aan oliehoudende zaden. Nederland heeft behalve windoliemolens ook verscheidene door water gedreven oliemolens gekend. De constante waterkracht der beken was voor deze bedrijven ten zeerste geschikt. In tegenstelling tot de windoliemolens in het westen van ons land was de meer afgelegen ligging der met waterkracht werkende oliemolens in het oosten van Nederland oorzaak, dat laatstgenoemde bedrijven voor de nationale industrie van weinig betekenis waren.
Des te belangrijker was hun funktie ten opzichte van de plaatselijke en regionale behoefte aan het veel gebruikte voedingsmiddel de "spijsolie”. Ook bij de bereiding van olie voor verlichtingsdoeleinden speelden de oliemolens een rol.
Het was een nogal ingewikkelde bewerking, die het zaad (kool-, raap-, hennep- en lijnzaad) moest ondergaan, aleer de zuivere olie verkregen kon worden. Volop werk hadden de oliemolens in het najaar met het slaan van beukolie uit beukenootjes.
Uit de omtrek en ook uit de plaats zelf werden de nootjes per kruiwagen of kar naar de molens gebracht voor het verkrijgen van de begeerde olie, die, na de bereiding, in flessen of kruiken mee naar huis genomen werd. Het zou te veel plaats vergen om de hele gang van het bedrijf te volgen. Ik volsta met hetgeen G. J. ter Kuile in zijn boek "De Twentsche watermolens” hierover mededeelt. Hij vertelt, dat de oliezaden onder twee opstaande rondlopende molenstenen geplet en daarna warm gemaakt werden in een ijzeren bak of pan om de oliebestanddelen te verdunnen. Vervolgens deed men ze in grote ijzeren platen met hoogopstaande randen en stortte ze daarna over in wollen of haren buidels of zakken. Tenslotte werden de zaden in de persen gedrongen onder de massieve stampende heien en heiblokken . . . om dan nog eens opnieuw dezelfde bewerking van ’t verwarmen en persen te ondergaan. Zeer uitvoerig beschrijft H..A. Visser in zijn boek "Zwaaiende Wieken” het ingewikkelde procédé.
Door de opkomst der machinale oliebedrijven leverde het olieslaan met behulp van windof waterkracht geen lonend bestaan meer op en verdwenen de oliemolens de een na de ander.

De Monnikhuizerkoren- en oliemolens op de Grift te Apeldoorn (kaart l nr. 12 en 14)

Over de oudste korenmolen in het dorp Apeldoorn wordt voor het eerst melding gemaakt in het jaar 1335. Volgens de rentmeestersrekening van de Veluwe van 1335/ 36 21) lag er toen reeds een waterkorenmolen op de Grift te Apeldoorn. Het was een dwangmolen van graaf Reinald II (sinds 1339 hertog), die van 1326 - 1343 over Gelre regeerde. De ingezetenen van het dorp moesten daar dus hun graan laten malen. De molen stond even ten zuiden van de brug over de Grift in de tegenwoordige Christiaan Geurtsweg, die genoemd is naar een der bekendste molenaars uit de 19e eeuw (zie 0p kaart nr. 14).
In de rekening 22) over 1392/93 worden een aantal uitgaven verantwoord wegens reparaties aan de Apeldoornse watermolen. Het maalwerk en de molen zelf krijgen een grondige beurt. Het benodigde hout wordt in de Soerensemark gekapt; de transportkosten naar de molen vergen, met inbegrip van het loon der voerlieden, een bedrag van 34 groten (rekeneenheid en zilveren muntstuk van 1/2 stuiver; een groot is 2 oord = 4 duit = 8 penningen = 24 mieten). Twee "holtsnijderen” zijn vier dagen lang bezig met het bewerken van het hout en verdienen daarmee 42 groten. Men maakt nieuwe "gancspillen” (aandrijfspillen) en "scuffelen” (schoffels, schoepen van het waterrad). De dakbedeking ondergaat eveneens een grondig herstel. Er blijkt een dubbele molen te liggen, want de timmerlieden werken "an die olymolen en de ander zaetmoelen”. Voor de oliemolen maakt men "gewanten tot budelen” (buul, budel of buil is een wollen zak, die bij de oliebereiding gebruikt werd). De rekening 23) van 1395 vermeldt weer herstellingen aan de molen, waarvoor opnieuw "holtsnidere” en "timmerlude” naar Apeldoorn komen. Voor 12 gulden wordt in Zutphen een nieuwe molensteen gekocht; de kosten "van den steen an de IJsel te vueren en de te scepen in en uit” bedragen 16 groten. Het "gherwen” (billen of scherp maken) van de steen kost ongeveer 1 gulden, met inbegrip van de voeding der mensen, die "gherwden”.
Onder het bewind van hertog Reinald IV (1402 - 1423) wordt in 1407 de dwangmolen op de Grift van de grond af opgetimmerd. Uit de desbetreffende rekening 24) zien we, dat de molen twee raden had, een voor het maalbedrijf en een voor het olieslaan. Want er is sprake van hout, "dair dat rat van der olimolen afgemaeck wert”.
De timmerman Jan van Riet werkt 58 dagen aan de molen en verdient 12 groten per dag. De twee houtsnijders krijgen ieder twee groten per dag minder. Voor de opbouw van de molen(s) was nogal wat hout nodig. Toentertijd waren de molens grotendeels van hout opgetrokken; molenwerk, molenhoofd, waterrad en heel het inwendige werk, het was bijna alles van hout. De aanschaffing van de benodigde bomen voor het bouwen van de koren- en oliemolen bracht voor de hertog geen extra kosten met zich mede, men kapte ze zonder betaling in de "gemeynre” mark van Apeldoorn. Volgens de rentmeester had de hertog hiertoe het recht. Met de gemene mark van Apeldoorn wordt de Apeldoornse of Ordermark bedoeld.
In 1410 25) is de koren- en oliemolen voor 80 £ verpacht aan Willem Velthues, die ook al in 1407 voorkomt. De molens worden in 1434 26) door hertog Arnold voor 100 pond ’s jaars verpacht aan Johan Doys. Deze krijgt in hetzelfde jaar vergunning van de Apeldoornse mark om de beek (d.i. de Grift) beneden de korenmolen af te leiden en van dijken te voorzien. Dit duidt op het stichten van een nieuwe molen (nr. 12), die op de plek kwam te liggen, waar nu de koperpletterij "de Vlijt” staat.
Uit latere gegevens valt op te maken, dat het hier geen koren maar een oliemolen betrof. Misschien heeft men toen de olieslagerij bij de korenmolen in het dorp hierheen verplaatst. Ook bestaat de mogelijkheid dat we te maken hebben met een tweede oliemolen. Het zal geen groot bedrijf zijn geweest, want in een getuigenverklaring uit de 17e eeuw lezen we, dat de Grift daar "doenmaels alleen een kleijn olymoeliken” dreef. Aan de oliemolen die dan al sinds lang verdwenen is, herinnert in 1641 nog de naam "olymoelse vlesse”.
Hier op de Veluwe noemde men vroeger een heideplas een "fles”, ook wel "vles” geschreven. We denken aan de Gerritsfles bij Radio Kootwijk en de Kraaiefles in het Willemsbos. Mogelijk is met de "olymoelse vlesse” de wijer van de vroegere oliemolen bedoeld.
Uit het voorafgaande blijkt duidelijk, dat de tegenwoordige Grift tussen Christiaan Geurtsweg en de koperpletterij - thans in het centrum van de plaats grotendeels overkluisd —niet meer de oorspronkelijke beekloop is maar de door Johan Doys in 1434 omgelegde bedding. Hoe voor die tijd daar de loop van de Grift was, valt niet met zekerheid te zeggen. In 1440 27) heeft Steven Doys, de opvolger van Johan Doys, met toestemming van de hertog de erfpacht van het water en gemaal van de Apeldoornse koren- en oliemolens overgedaan aan het convent van Karthuizen monniken bij Arnhem. Hun klooster, dat in 1342 door Reinald II was gesticht, kreeg de naam , ,Monnikhuizen”.
De pachtoverdracht aan de Karthuizers in 1440 betrof eveneens de waterkorenmolen te Wenum. Ook die van de pas gelegde oliemolen moet in de overeenkomst zijn begrepen.
Het klooster Monnikhuizen koopt in 1493 van hertog Karel, die van 1492 - 1538 over Gelre het bewind voerde, de erfpacht van het gemaal te Apeldoorn en Wenum af.
De hertog behield bij de verkoop voor zich en zijn nakomelingen het recht voor, dat, bij terugbetaling van de afkoopsom, de bovenvermelde erfpacht weer aan hem of zijn erven zou terugvallen. Tevens werd het convent door hertog Karel "erfflick ende ewelick quytgescholden ende gevryet” van een jaarlijkse tins van 15 oude groten voor "dat kempken landes bij die alye moell” (het kampje land bij de oliemolen). Over dit stukje grond zullen we later nog wel meer horen.
Op grond van de verkoop van 1493 beschouwt het klooster Monnikhuizen zich voortaan als eigenaar van de molens op de Grift en tevens van de waterkorenmolen te Wenum. Vandaar de naam "Monnikhuizermolen”, zowel voor de koren als voor de oliemolen (dit zijn dus de molens 12 en 14 op de kaart).
Bij de oliemolen van 1434 wordt, wanneer is niet bekend, een volmolen gelegd. Dit zal misschien al voor 1521 zijn geschied, want in dat jaar staat het klooster vermeld als bezitter van drie molens op de Grift te Apeldoorn Als korenmolenaar vinden we in 1526 Wichman Roloffs genoemd. Hij heeft 1 paard, 5 koeien en 6 varkens.
In 1572 doen de geuzen onder graaf Willem van den Berg een inval op de Veluwe.
De Karthuizer monniken verlaten in allerijl hun buiten Arnhem gelegen klooster en zoeken bescherming binnen de muren der stad. Bij die gelegenheid zullen vermoedelijk een aantal stukken over de Apeldoornse molens verloren zijn gegaan. Er wordt tenminste in 1606 navraag 29) gedaan bij een kloosterbroeder in Huyssen (Huussen) naar mogelijk bewaard gebleven "brieven en pampieren” van Monnikhuizen. Het antwoord luidt: "sijns wetens gene, ja niet so veel, als hij in sijne ogen konde bergen”. Wel weet hij zich te herinneren, dat destijds de brieven, zegelen en andere geschriften in bundels waren verpakt, doch waar deze stukken later gebleven zijn, is hem onbekend.
Hoewel de troepen van graaf van den Berg al gauw weer uit Gelderland worden verdreven, keren de Karthuizers niet naar Monnikhuizen terug. Bij de afzwering van koning Philips II in 1581 vervallen de bezittingen van het klooster, dus ook de molens te Apeldoorn en Wenum, aan de Staten van Gelderland en komen namens deze onder toezicht van enige Veluwse gedeputeerden, die speciaal belast worden met het beheer over de voormalige "geestelijke goederen in Veluwen”.
Omstreeks die tijd moet de olie- en volmolen zijn verdwenen, want in alle kort na 1600 bewaard gebleven stukken is alleen nog maar sprake van de plaats, waar de olie- en volmolen "plach” te staan op de Grift. Daarmede is dan een einde gekomen aan de geschiedenis van de Monnikhuizer oliemolen van 1434, die, zoals we zagen, stond op de plek waar nu de koperpletterij "de Vlijt” ligt.
Maar de historie van de andere Monnikhuizermolen, de waterkorenmolen in het dorp Apeldoorn, gaat nog eeuwenlang verder. Omstreeks 1600 is de mulder Henrick Jansz. pachter voor een jaarlijkse som van 160 gulden. Op 18 september 1602 30) vernemen we, dat er twee molenstenen zijn aangevraagd voor de korenwatermolen te Apeldoorn "aent Dorp gelegen”. De rentmeester mag de stenen kopen "ten naeuwsten prijse hem doenlick” en ook enige noodzakelijke reparaties aan de molen en het muldershuis doen uitvoeren. In het volgend jaar 31) wordt vergunning verleend voor het vernieuwen van het waterrad, "’t welck ongeveerlick sal moegen kosten acht und twintich daeler”.
Hendrick Jansz is in 1608 nog steeds molenaar. Hij heeft dan, zonder voorkennis der heren, een nieuw rad laten vervaardigen door de timmerman Jacob Jacobsz. voor 43 gl. en 10 st. Men ziet het vergrijp door de vingers en de man wordt "nochtans voor dese reijse geaccordeert”. Ook later vinden we hem als pachter van de molen, want in de rentmeestersrekening 32) over 1618/19 staat dat de korenmolen te Apeldoorn op 1 januari 1615 voor de tijd van 12 jaar verpacht is aan Henrick Janssen. De pacht is dan aanmerkelijk hoger geworden, terwijl de kosten van "nieuwercken” (vernieuwingen) en molenstenen ten laste komen van de mulder. In 1627 35") komen Gerrit en Warner Henrickx voor als molenaars. Dit zullen wel zoons zijn geweest van Henrick Janssen.
Twaalf jaar later (26 januari 1639) koopt Diderick van Stepraedt, heer tot Varick en Indorninck, eigenaar van het (Oude) Loo, voor een bedrag van 1000 gulden van de rekenkamer het recht op ’t halve water van de Grift, waarop de korenmolen lag. De molen bezat "dubbel werk” en bestond dus uit twee afzonderlijke maalbedrijven.
Pachter was de mulder Jan Gerrits. Van Stepraedt en de molenaar sluiten enige tijd later een contract, waarbij ze gezamenlijk eigenaar worden van water en molen. Diderick van Stepraedt was 16 oktober 1637 beleend met Het Loo en overleed 19 februari 1663.
In het verpondingsregister van het ambt Apeldoorn over 1648/49 lezen we, dat de "coornmolen tot Apeldoorn” door gedeputeerden van Veluwe het "laeste” verpacht is geweest aan Jan Gerritsen muller voor 140 gulden. Verder staat er "dus quam huys ende molen den Eijgenaar, uytgenomen ’t vlott werck, de Heren Gedeputeerden toekoemende”. Daarna volgt dan nog: "Deese molen is gedurende de pacht jaaren dico verkocht aan Didryck van Stepraedt en Jan Gerritsen muller die ’t selve op molstersaet laeten bedienen”. Het bovenstaande is niet helemaal duidelijk. De overheid verpacht de molen en moet dus bezitter zijn. Doch even later staat er, dat huis en molen "den Eijgenaer quam” met uitzondering van het vlotwerk, "de Heren Gedeputeerden toekoemende”. Wie wordt met die eigenaar bedoeld en waarom behoorde het vlotwerk aan gedeputeerden? Het is alles een beetje vreemd. In elk geval krijgen Van Stepraedt en Jan Gerritsen samen de molen in eigendom. Met Pasen 1658 pacht Jan Gerritsen het aandeel van Van Stepraedt voor 20 molder goede droge rogge en 25 molder boekweit. Bovendien geeft hij op St. Martini twee vette ganzen en tegen Pasen een vet varken van minstens 100 pond schoon aan de haak.
De molenaar heeft zich niet altijd aan het vereiste gewicht van 100 pond gehouden.
In de rekening van de rentmeester Eickel over 1660/61 lezen we dat het vette varken toen slechts 70 pond woogl Rentmeester Eickel laat dit niet over zijn kant gaan en tekent erbij aan: "so dat mijn dat behoort vergoedt te worden”.
Tegenover de korenmolen laten beide eigenaars voor gezamenlijke rekening een papiermolen van 4 bakken timmeren“) Dit laatste bedrijf zal al voor 1676 in vlammen zijn opgegaan, want in genoemd jaar is sprake van de papiermolen "De Verbrande Molen”.
Enige tijd na de herbouw van de papiermolen moet het gehele molencomplex daar ter plaatse in het bezit zijn gekomen van Jan Gerritsen, want op 21 april 1676 34) verkopen Jan Gerritsen en Armgart Cornelissen Brinck, echtelieden, hun korenmolen benevens de daarbij gelegen papiermolen "De Verbrande Molen” aan Willem van Ulft, genaamd Doornick, heer van Indoornick, Laeckhuysen en Loo, voor 6000 carolus gulden + 8 rosenobels of 80 carolus gulden als een toegift voor de verkopers. Willem van Ulft was gehuwd met Johanna Maria van Stepraedt en door deze echtverbintenis eigenaar van Het (Oude) Loo geworden. Hij overleed 26 november 1678 en werd opgevolgd door zijn zoon Johan Carselis van Ulft, gen. Doornick.

*) Tussen 1639 en 1665 blijken er twee korenmolens te zijn geweest, zodat een tijdlang daar ter plaatse drie - mogelijk korte tijd zelfs vier - molens hebben gedraaid.

Deze verkocht op 27 november 1684 het Loo met bijbehorende bezittingen, dus ook de molens in Apeldoorn, aan stadhouder Willem III. Vandaar, dat de korenmolen later ook wel "Princemolen” werd genoemd. Willem III trok van het "molstersaet” drie vierendelen en wanneer voor geld werd gemalen, kreeg de pachter hiervan de helft.
In de Nassause Domeinrekening over 1688 35) lezen we, dat "Zijne Hoogheid moet genieten van het moutmalen de helfte ende wordt van ieder mudde gegeven twee stuyvers”. Jan Dirck (Jan Derckssen Wijtteveen, Witteveen) is dan molenaar, hij was gehuwd met Elisabeth Steenbergen. De molens blijven tot 1795 in het bezit van het Oranjehuis, het beheer berust bij de Domeinraad. Deze verpacht in 1727 het woonhuis en getimmer voor 500 gl. aan de weduwe Derck Jansen Muller. Twintig jaar later (1747) zit Jan Derkx Witteveen op de molen. Hij is gehuwd met Jacoba Muller; het echtpaar bezit 5 kinderen, er zijn 2 knechts en 1 "meydt”. Op 3 april 1755 36) komt er een nieuw waterrad aan de "kleyne moole” op de korenmolen, die dan nog steeds gepacht is door Jan Derks Witteveen. Volgens het verbaal der lasten van de Hoge Heerlijkheid Het Loo over 1762/63 ligt er een bruggetje over de beek bij de korenmolen. Berend Willems levert er hout voor. In 1790 vinden we Jan Witteveen als pachter. Het bedrijf bestaat uit een "roggemoole” en een "Boekweitermoole”.
In 1795 moet stadhouder Willem V naar Engeland uitwijken. De bezittingen van het Oranjehuis, met inbegrip der molens, worden door de Fransen in beslag genomen, die ze bij de vrede van Den Haag (mei 1795) aan de Bataafse republiek afstaan. Later (1807) komen ze als kroondomein aan koning Lodewijk Napoleon.
In 1798 lezen we, dat in de korenmolen, "onder de eene steen een doodbedde” wordt gemaakt. Dit was een ijzeren raam, waarop de onderste molensteen (ligger) rustte, en dat bevestigd was met drie stel bouten, die dienden voor het zuiver waterpas stellen van de ligger. De ruimte onder deze maatstoel, dus onder het doodbedde, heette "de hel”.
Op 18 augustus 1801 is de korenmolen te Apeldoorn voor twaalf jaar verpacht aan Jan Witteveen tegen 610 gulden per jaar. Deze pachtsom wordt 1 februari 1808 verminderd tot 550 gulden. In 1804 repareert men een brug over de onderbeek van de molen, terwijl dit gedurende hetzelfde jaar eveneens gebeurt met de brug over de bovenbeek van de korenmolen "boven het z.g. verlaat of waterlozing”.
De molen blijkt in 1815 nog steeds domeinbezit te zijn, nu weer onder het huis van Oranje, want in een transportbrief van 17 mei 1815 wordt gesproken over de "Koninklijke Domein Waterkorenmolen”.
In 1854 is echter het gehele molencomplex in particuliere handen. Een hypotheekinschrijving vermeldt: "1854 aan Christiaan Geurts en Jansje van Reissen geleend door Janna Evers te Terwolde de som van f 12.000, —. Hypotheek op Waterkorenmolen "Werklust” en een onlangs nieuw gestichte olie- en runmolen (aan de Brink te Apeldoorn) en een aan de zuidzijde der beek gelegen waterpapiermolen met woning daar”.
Christiaan Geurts, geboren 2 september 1818, is dan eigenaar van de verschillende molens daar ter plaatse, vandaar de naam "molen(s) van Geurts”. De herinnering aan deze destiids algemeen bekende molenaar, die tevens raadslid was, blijft voortleven in de Christiaan Geurtsweg. Hoogst eigenaardig is het, dat pas in 1854 voor het eerst weer eens melding wordt gemaakt van een oliemolen te Apeldoorn. Het blijft vreemd, dat we in een belangrijk dorp als Apeldoorn eeuwenlang niets over een dergelijk bedrijf horen.
In een advertentie in de Apeldoornse Courant van 25 oktober 1884 beveelt de molenaar C. Geurts zich aan voor het "slaan van oliezaad en beuken”.
De tegenovergelegen "Verbrande Papiermolen” doet zijn naam wel eer aan, want enige jaren na de hypotheekinschrijving van 1854 valt hij weer ten prooi aan de vlammen. Doch in 1861 herrijst hij opnieuw uit zijn as. Ten tijde van Christiaan Geurts dreef het Griftwater overdag de raden van de koren- en oliemolen, terwijl de waterkracht gedurende de nacht benut werd voor het in beweging brengen van de hamers.
Wanneer de hamers door een defect plotseling stil stonden, werden de bewoners van de papiermolen onmiddellijk wakker, terwijl ze anders ondanks het lawaai der neervallende hamers rustig bleven doorslapen.
In 1935 was de papiermolen, die sinds 1879 als zodanig niet meer dienst deed, geheel verdwenen, terwijl gedurende het voorjaar van 1936 het restant van de koren- en oliemolen aan de slopers ten offer viel.
Ik heb gemeend bij de geschiedenis van de oudste koren- en oliemolen in het dorp Apeldoorn uitvoerig te moeten stilstaan. Vooral omdat we in het vervolg van ons verhaal over de Apeldoornse watermolens herhaaldelijk met de historie van deze molen en die der naastbijgelegen bedrijven te maken krijgen.

De koren- en de oliemolens op de beek van het Oude Loo

In het voorafgaande is terloops vermeld, dat de jagermeester Johan Bentinck op 2 mei 1517 van hertog Karel vergunning krijgt om op de beek bij zijn huis "’t Loe” een koren-, olie- of volmolen of alle drie tegelijk te leggen. Van de stichting van een volmolen blijkt niets, wel staan er in 1547 op de beek "een saetmoelen, olymoelen ind een Eeckmoelen alle te Noert Apeldoren gelegen”. Het Loo lag in de mark van Noord Apeldoorn.
Uit het tinsboek van hertog Arnold, dat in 1449 is aangelegd en waarin o.a. ook de tinsbetalingen wegens het erve het Loo en de namen der opeenvolgende bezitters van voor 1449 tot na 1543 voorkomen, valt op te maken, dat er bij het Loo van oudsher een oorspronkelijke - en niet een gegraven beek moet hebben gelopen. Want in het genoemde tinsboek lezen we in een opsomming van tinsbetalingen, die de Bentincks verschuldigd zijn voor gronden, ook het volgende: "Item Johan Bentinck van die beeck omtrent sijnen huyss idt Loe gelegen dat hij off sijn erven dair eyn koirn oly offte volmoelen off alle drye gelyck setten mach op syns selffs erve”. Het gaat hier dus speciaal over de beek en niet over de molens, die Bentinck op zijn eigen grond op dit water mag stichten. Was het een door de eigenaars van het Loo zelf gegraven beek geweest, dan zou daarvoor geen tins verschuldigd zijn en had men een vermelding in het tinsboek achterwege gelaten. Wegens de vele veranderingen, die later in het terrein hebben plaats gevonden, valt het niet na te gaan waar de oorspronkelijke beek heeft gelopen. Misschien kwam dit water uit het moerassige terrein, waarin men in het begin dezer eeuw de Nieuwe Vijver heeft gegraven.
In 1517 - mogelijk al eerder - moet deze waterloop dan verbeterd zijn door het graven van sprengen.
Als molenaar bij Johan Bentinck wordt in 1526 een zekere "Gerit” genoemd; hij bezit dan 2 koeien. In 1623 wordt de korenmolen met de hof en het kampje bij de "wijer” verpacht aan Jan Jansen Muller tegen een jaarlijkse pacht van 40 daalder en 14 stuiver, benevens 21/2 pond suiker en 2 volwassen hoenders. De pachter moet zorgen, dat de dijken van de "molenkolck” bij "donderschumen of sneewateren” niet doorbreken.
Verder zal pachter "sich oick geen visch in den muelen waeteren hebben te becroegen”.
Twee jaar later vinden we Engbert Jansen als korenmolenaar. Er wordt dan opnieuw gesproken over het kampje "bij den wijer ofte moelenkolck”. Waarschijnlijk hebben we in de tegenwoordige "Hoge Vijver” een voortzetting te zien van de vroegere wijer of molenkolk. De watertoevoer naar de molen heeft men verbeterd door het graven der "Oude Sprengen”, welk werk dan reeds onder Bentinck moet zijn ter hand geI nomen. Gedurende de laatste jaren leveren deze Oude Sprengen helaas geen druppel water meer door de steeds toenemende wateronttrekking aan de bodem door het gemeentelijk waterleidingbedrijf.
In 1630 komt Engbert Jansen nog voor als pachter van de waterkorenmolen, later Henrick Bernts en Jacob Wijnols (Wynolts). Deze laatste al in 1648. De watervoorziening laat dan nogal te wensen over, want er wordt gezegd: "maer de meulen is nusoo goet niet overmits men nu het water niet opstouwen kan en wel 3 off 4 part minder water heeft als te voren”. Deze vermindering vond zijn oorzaak in de stichting van een papiermolen beneden op dezelfde beek. Want in de erfpachtbrief uit 1629 van deze molen lezen we "Ende also den Coorenmuller Enbert Jansen het waeter der moelen is stouwende, sall sulcke stouwinge nae experatie sijner pachtjaren sesseeren en ophouden”. Na beeindiging der pachtjaren mocht de korenmolen dan het water boven zijn molen niet meer opstuwen, waardoor minder water voor zijn bedrijf beschikbaar kwam.
In 1648 wordt de korenmolen bij het Loo door Jacob Winolts "gebruyckt op ’t darde 3 vatt”. Het derde deel van het als maalloon geschepte koren was dus voor de mulder.
Winolts zal echter het graan van zijn pachtheer malen zonder daarvan iets te genieten.
Hij moet zorgen, dat de dijken van de beek en van de "stouwgraeff” tijdens stortbuien of bij dooi niet doorbreken. Indien dit door zijn schuld toch zou gebeuren, zal hij "de schade met schup ende kruijwagen in tijts voornemen”. In noodgevallen kan de molenaar een beroep doen op zijn pachtheer, die dan "wagen, peerden off stortkarre” en mankracht ter beschikking zal stellen. Jacob Winolts dient de molen "in seer goede ganck” te houden en de "meulenweegen ende die bruggen well onderholden”. Ook is hij verplicht "goed meel te maecken” en tevens "so veel maelluyden aen te haelen als hem mogelick sal sijn”. Hij moet dus zo veel mogelijk klanten aantrekken; hiervan profiteert de verpachter eveneens! Lambert de Muller blijkt in 1684 molenaar te zijn op de korenmolen van het Loo. Uit de koopakte van 27 november 1684, waarbij stadhouder Willem III de bezitting het Loo kocht van Johan Carselis van Ulft, vernemen we dat de "coornwatermoolen achter ’t welgemelte adellycke huis” was gelegen. De molenplaats moet gezocht worden in de omgeving van de Hoge Vijver. Na de aankoop van het Oude Loo door prins Willem III vinden er in de omgeving van het kasteel grote veranderingen plaats. De stadhouder laat in 1685 een begin maken met de bouw van een nieuw buitenverblijf, het huidige paleis Het Loo. Rondom dit "Nieuwe Huis Loo” worden prachtige tuinen en waterwerken aangelegd. De wijer gaat men vergraven en van hoge dijken voorzien, teneinde de waterstand op te voeren. Het water van deze "Hoge Vijver”, die tegenwoordig nog zo heet, doch thans tot een lager niveau is teruggebracht, werd gebruikt voor het doen spuiten van een aantal fonteinen van 2 meter hoogte.
Op last van de stadhouder breekt men omstreeks juli 1685 de korenmolen af en timmert die in het begin van 1686 een eind beneden Het Loo in de buurschap Veldhuizen "op de beeke omtrent de Grift” weer op tegenover een daar reeds gelegen papiermolen van 5 bakken (kaart nr. 9 en 10). De papiermolen is al lang geleden verdwenen, terwijl de korenmolen van stadhouder Willem III sinds enige jaren buiten gebruik is. Het beekwater stroomt thans onbenut over het molenhoofd, waaronder een schilderachtig oud waterrad van 2.80 m doorsnede op zijn einde hangt te wachten. Aan deze korenmolen van prins Willem III herinnert nog de naam "Stadhoudersmolenweg”.


De korenmolen Gardenbroek aan de Hogekampweg - thans Stadhoudersmolenweg -
met een op de afbeelding in werking zijnd bovenslagsrad van 2.80 m doorsnede.
Men ziet duidelijk her water op de schoepen vallen.
De korenmolen werd daar in 1685 gebouwd en behoorde toen aan stadhouder Willem III.
In verband hiermede is de benaming Stadhoudersmolenweg gekozen.
Het rad is thans nog aanwezig. (het wordt al jarenlang niet meer gebruikt.
De opname dateert uit 1936.


Bovenbeek van de vroegere papiermolen De Winkewijert te Ugchelen.
De opgehoogde en bedijkte beekbedding is voor het verkrijgen van het nodige verval met twee scherpe bochten omgelegd
en loopt als een soort aquaduct door en boven het moerassige terrein.
Door het slaan van een pompinstallatie in de omgeving is de beek toen droog komen te staan.
Opname 23 juni 1943.

De Gasthuismolen te Beekbergen in 1937. Reeds in 1294/95 lag op die plek al een waterkorenmolen.
Het was de oudst bekende waterradmolen van onze woonplaats.
Thans verkeert alles in vervallen staat.



Waterkorenmolen van Bree aan de Oude Zwolseweg te Wenum in 1937. In de muur is de opening voor de as van het weggebroken tweede rad nag aanwezig. Reeds in 1313 wordt in Wenum al een watermolen genoemd. De molen zal binnenkort worden gerestaureerd.


Het waterrecht van de op de Losebeek gelegen molens kwam de opvolgende heren van het Loo toe en werd dus niet door de rekenkamer uitgegeven. Toch behoorde hun het recht op ’t water in de Noord-Apeldoornsemark - waarin zowel Het Loo als de streek Veldhuizen lagen - niet uitsluitend toe, want stadhouder Willem III kocht in 1685 het recht op het "overige” water aldaar van Diederick van Baer. Het recht om het water te leiden en te "stouwen” door de markegronden hadden de bezitters verkregen van de geërfden der Noord-Apeldoornsemark. Dit "afleiden” van de beek kan men boven de voormalige korenmolen nog goed zien. De beek maakt er twee scherpe bochten, is over een hoge rug heen geleid en vertoont langs de bovenbeek maar een kort dijkwerk, terwijl de oude loop in de laagte als sloten langs de grenzen der percelen is overgebleven, die in de onderbeek uitmonden.
Het markeboek der Noord-Apeldoornse mark verschaft een aantal gegevens over de korenmolen op Veldhuizen. We lezen dat op 4 november 1686 de rentmeester van de Prince van Orangie” aan de erfgenamen der mark verzocht "uijt derselver gemene velt bij de nieuws geleijden koornmolen op de zuijtzijde van de onderste Papiermolen een stuckien velts tot een hoff of campien te mogen uijtgraven”, welk verzoek wordt toegestaan. In de rekening 37) over 1693 van M. Sluyter, rentmeester der domeinen van Zijne Hoogheid, wordt gezegd, dat de molenaar , die te voren koren heeft gegeven, nu op 1 mei 1693 een jaarlijkse pacht van 75 gulden moet betalen.
De molenaar Lambert Cornelissen blijkt in 1724 het recht als geérfde der mark te hebben gekocht. De korenmuller in Nd. Apeldoorn mag in 1752 een wijer bij zijn molen maken, die in 1755 gereed blijkt te zijn, er wordt gedurende dat jaar 45 stuivers pacht voor gegeven. Lambert Wijgman is in 1776 pachter van de wijer voor f 4.10, ook nog in 1778, terwijl van 1784-88 Lambert Huiskamp voor eenzelfde bedrag pachter is. Hij komt nog voor in 1802. De wijer is thans gedempt en tot boomgaard gemaakt.
Volgens het "Heffing-Register 1812” 38) - we zijn dam in de Franse tijd - is de ..koornmolen te Noord Apeldoorn” tot mei 1814 verpacht aan B. Kruimmer voor 260 gulden per jaar. In 1814, na de bevrijding van Nederland, vinden we B. Kruimer nog als huurder. Hij betaalt nu heel wat meer - 420 gulden per jaar - doch bij besluit "zijner Koninklijke Hoogheid” (= de latere koning Willem I) van 12 februari 1815 wordt de huur met 20 gl. verminderd. Als molenaar wordt in 1816 Marten van Amersfoort genoemd, die eveneens in 1817 en 1818 voorkomt. Bij de korenmolen bouwt men in 1884 een windmolen (bovenkruier, achtkante stellingmolen). Zodoende kon het maalwerk met winden waterkracht - zelfs tegelijk - gedreven worden.
Voor een dergelijke combinatie van wind en watermolen hadden onze voorouders de aardige benaming "watervluchtmolen” bedacht. Het bedrijf heette toen "De Hoop”.
De windmolen is in 1920 afgebroken en - zoals we reeds zagen ligt ook de watermolen al jarenlang stil.

De oliemolen bij het Oude Loo

Een eind beneden de korenmolen en het kasteel is een oliemolen gesticht, die in 1547 genoemd wordt. Over de molen zelf vernemen we later niets meer, in elk geval moet hij al voor 1629 zijn verdwenen. Enkele percelen herinnerden later nog aan de oliemolen. want onder de goederen, die de prins op 4 oktober 1685 kocht van Diederick Baer en die "bij ofte achter het Loo” lagen, behoorden ook "de Olymolenscamp” en de erfpacht van de "olymolenhof”. Reeds eerder (1629) lezen we van de "oly'moelen straedt”. De juiste ligging valt niet meer na te gaan.




De volmolens te Apeldoorn

De volmolens hadden te maken met de wolweverij en de lakennijverheid, die vooral in het westen van ons land reeds in de middeleeuwen van groot belang was.
De benaming "vollen” of "vullen” slaat op de behandeling, die het laken en andere wollen stoffen in de molen onderging en die ten doel had het vullen of dichtmaken van het weefsel. De bewerking van het vollen kunnen alleen wollen weefsels ondergaan.
De vezels van de schapenwol hebben namelijk een opperhuidje, dat uit schubbetjes bestaat, die dakpansgewijze over elkaar liggen. In vochtige toestand, en door toevoeging van bepaalde bijtende en ontvettende stoffen, kunnen deze deeltjes min of meer in elkaar krimpen en vervilten, al naar gelang men meer of minder druk toepast. Dit vervilten of vollen, waarbij het doek soms vijfentwintig tot vijftig procent van zijn oorspronkelijke grootte verliest, bevordert de soliditeit, het warmtehoudend vermogen en de elasticiteit van het weefsel en geeft de stof een fraai en soepel aanzien.
Oorspronkelijk voerde men de bewerking geheel met de hand of liever in "voetenarbeid” uit. De te vollen stoffen werden namelijk getreden en gestampt met de voeten.
Later verschijnen door paarden bewogen volmolens (rosmolens), terwijl in de eerste helft der 16e eeuw watervolmolens in onze omgeving voorkomen. In 1535 ligt een dergelijke molen bij de Cannenburch; op 7 januari van hetzelfde jaar krijgt het St. Petersgasthuis te Arnhem vergunning voor het leggen van een volmolen op de Beekbergense beek. Al eerder (1517) had de jagermeester Johan Bentinck toestemming gekregen om bij Het Loo een volmolen te stichten, doch van de bouw van deze molen is vermoedelijk niets gekomen.
Veel later dan de waterrad-volmolens in het oosten verschijnen in Holland door wind gedreven volmolens. Te Leiden, de stad van de lakennering, wordt in 1620 een windvolmolen getimmerd, spoedig door meer zulke bedrijven gevolgd.
Het vollen geschiedde op de volgende manier. De wollen stoffen werden in "volkommen” onder toevoeging van "vollersaarde” (een bepaald soort klei), reuzel of andere vetten, gerotte urine en water, bewerkt met houten stampers, waarvan de voeten - de ondereinden - een eigenaardige vorm hadden. Ze waren zogenaamd "getrapt”, van onderen smal en naar boven trapsof sprongsgewijs toelopend. De inwendige vorm der zware eikenhouten volkommen kwam daarmee overeen, en doordat de stampers niet tegelijk op de stof neervielen, werd deze voortdurend omgewenteld en dus overal geraakt. Daarna gingen de doeken in de waskommen, die in vorm gelijk waren aan de volkommen. Onder voortdurende toevoer van schoon water werden ze hierin met eenzelfde soort stampers bewerkt teneinde de bij het vollen gebruikte vloeien vulstoffen te verwijderen. Vervolgens hing men de weefsels op rekken te drogen.
Wegens het gebruik maken van gerotte urine, een niet bepaald fris ruikend produkt, kregen de volmolens in de volksmond al gauw de naam van "stinkmolens”. Deze vloeistof werd in tonnen verzameld, die bij voorkeur aan grote gezinnen ter vulling werden uitgereikt. Bij inlevering kreeg men een geringe vergoeding.

Een volmolen te Apeldoorn in 1410

Een walck- of volmolen te Apeldoorn komt al voor in de rekening 39) van de landrentmeester van Gelre over 1410/11. De molen brengt dan aan pacht het luttele bedrag van 7 pond op. Van 1417 tot 1420 stijgt dit tot 12 pond, doch later daalt het tot 8 pond. Enige jaren daarna wordt gezegd, dat de walcmolen "vergaen” is. Vandaar dat we hem na die tijd niet meer vermeld vinden. Het staat wel vast, dat we hier niet te maken hebben met een watervolmolen, doch met een door een paard in beweging gebrachte rosmolen. Of stampte men er de doeken met de voeten? Over de ligging bestaat geen enkel gegeven.

De Monnikhuizervolmolen op de Grift (kaart nr. 12)

Bij de eerder genoemde oliemolen van 1434 op de Grift wordt door het klooster Monnikhuizen reeds voor 1521 een volmolen gelegd, waarover zo goed als niets bekend is. We weten alleen, dat beide molens omstreeks 1593 daar al niet meer bestonden, want in de verpachting van de grond voor de eerste papiermolen in Apeldoorn, die in 1593 op dezelfde plek kwam te liggen, leest men over de plaats waar de olie- en volmolen, "plach” te staan op de Grift. Tegenwoordig bevindt zich op dit terrein de koperpletterij "de Vlijt”.

De volmolen van het St. Petersgasthuis te Beekbergen (kaart l nr. 38)

In 1535 bekrachtigt hertog Karel van Gelre de verkoop van de Beekbergense korenmolen aan het St. Petersgasthuis te Arnhem. Hij vergunt daarbij, dat de nieuwe eigenaars "bij die molen . . . eyne volmoelen laeten maicken und stellen moegen, dengheynen die heur doecken aldaer te vollen brengen beryff und expeditie te doen (te gerieven, te helpen) op sulcx loen als daarop van alts staet”. De aanduiding "bij die molen” hebben de huismeesters van het Gasthuis niet zo nauw genomen, want de volmolen wordt ver boven de korenmolen gelegd op de plaats, waar nu de wasserij "Tullekensmolen” zich bevindt. Ook over de geschiedenis van deze watervolmolen ontbreken zo goed als alle gegevens. We weten alleen, dat op 22 februari 1601 de huismeesters aan Marten Orges, voor de tijd van 12 jaar "des Gasthuijses Volmeulen, gelegen tot Begbergen”, verpachten tot een "papieren meulen”. Hiermede verdwijnt de volmolen te Beekbergen als zodanig uit de geschiedenis.

De volmolen van Johan Evertsz. Cloppenburch op de Grift te Apeldoorn (kaart l nr. 12)

De Deventer stadsdrukker Johan Evertsz. Cloppenburch is in 1602 eigenaar geworden van de eerste Apeldoornse papiermolen op de Grift (ter plaatse van de tegenwoordige koperpletterij). Op 16 mei 1603 40) krijgt Cloppenburch van gedeputeerden van Veluwe vergunning om een volmolen op de Grift te leggen tegenover zijn papiermolen.
Zeer interessant is de mededeling van Cloppenburch dat hij dit doet op verzoek van de "semptlicke Wullenwevers” (gezamenlijke wolwevers) en andere geërfden en inwoners van Apeldoorn! Er was dus in het begin der 17e eeuw hier ter plaatse sprake van wolindustrie. Johan Evertsz. Cloppenburch overlijdt reeds in 1605 en over de volmolen zwijgt verder de geschiedenis.

Een volmolen bij de korenmolen te Apeldoorn (kaart nr. 14)

In 1603 ontstaat een geschil tussen de bovengenoemde Johan Evertsz. Cloppenburch, Hans Lasthuys en Derck Holterman contra Berndt Wolbers en Henrick Wilhemssen.
De vier Iaatstgenoemden zijn "wullewevers tot Apeldoorn”. Het blijkt dat de pachter van de Apeldoornse korenmolen, samen met Henrick Wilhemssen en Berndt Wolbers, een volmolen laat timmeren naast zijn molen. Deze "nye volmeulen” zal echter strekken tot "Achterdeel” (= nadeel, schade) van Cloppenburch en de zijnen, die hierover een klacht indienen bij gedeputeerden van Veluwen. De uitspraak van gedeputeerden luidt, dat de pachter van de korenmolen, benevens de beide wolwevers Henrick en Berndt, moeten afzien van "vordere timmerungh und gebruick van haeren aengevangenen ongeoorloffden volmeulen” (27 oktober 1603). Hoe het verder met deze volmolen is gegaan en of men hem inderdaad heeft afgebroken, valt niet met volkomen zekerheid op te maken.

De volmolen van Dirck Warners (kaart nr. 11)

Dat het stichten van een molen niet altijd even vlot verliep, moest Derick (Dirck) Warners tot zijn teleurstelling ondervinden. Met zijn compagnon Gerrit Cornelissen zou hij op de Grift in Noord Apeldoorn een volmolen leggen. Beiden hadden hiervoor op 26 februari 1606 de erfpacht van ’t water gekregen. Warners had het volste vertrouwen in zijn medewerker, die "Mr. Tymmerman” was en dus de aangewezen persoon voor het timmeren van de molen. De vergunning van de Noord-Apeldoornse mark voor de erfpacht van de grond leverde evenmin moeilijkheden op. De gehele zaak leek in kannen en kruiken te zijn. Het benodigde hout werd aangeschaft en "Mr. Gerrit Tymmerman” begon met het pasklaar maken. Maar toen men met het optimmeren van de molen zou beginnen, kwam de ellende. Want "compagnon” Gerrit Cornelissen had in alle stilte het timmerhout verkocht en was vervolgens met de duiten "doorghegaen”. Daar zat nu Dirck Warners zonder deelgenoot, geld en hout. Maar hij Iiet zich door de tegenslag niet terneerslaan en ging uitzien naar een andere vennoot. Vier jaar bleef hij zoeken, doch eindelijk vond hij in Johan Bongart de gewenste persoon. Bongart was burger van Zutphen en had daar in 1605 een volmolen. Op 28 maart 1610 krijgen beiden vergunning tot het oprichten van een molen om "seems, offte hennep en leder daarop te bereiden”, dus niet voor een lakenvolmolen. De stichting van dit laatste bedrijf ging zodoende niet door. Op de zeem- en leermolen van Bongart en Warners komen we straks bij de behandeling dezer bedrijven nader terug.

Het leggen van een volmolen in Ugchelen gaat evenmin door

Omstreeks 1616 heeft men het plan gehad tot het stichten van een volmolen te Ugchelen. Er bestaat een afschrift 41) van een schrijven, dat het Hof te Arnhem op 29 april 1616 richt aan de scholtis van Apeldoorn. Hieruit vernemen we, dat de Arnhemse boekdrukker en papiermaker Jan Jansen bij het Hof heeft geprotesteerd tegen het feit, dat ten nadele van de papiermolen "bij hem nae behorten consent gestelt” daarboven op hetzelfde water door Thoenis Theussen en Derck Wernessen op "eygener authoriteit ende sonder forme van rechten” een volmolen wordt getimmerd.
De hier genoemde papiermolen van Jan Jansen is de latere molen "Hattem” (nr. 26).
De scholt van Apeldoorn krijgt bevel om Thoenis Theussen en Derek Wernessen te gelasten het timmeren van de volmolen te staken tot het Hof in deze zaak zal hebben beslist. Over de afloop horen we niets meer, maar het staat vast dat de volmolen daar niet is gekomen, want in 1618 mag Daniel Martens op hetzelfde beekvak, tussen de molen Hattem en de bovengelegen Winnemolen (nr. 34), een papiermolen (nr. 31) leggen, maar geen vol of hennepmolen "daer door het waeter in die beecke onreynight soude connen worden”. Uitdrukkelijk wordt als voorwaarde gesteld: geen volmolen, Het is uitgesloten, dat hiervoor twee jaar eerder wel toestemming gegeven zou zijn.
Men kan zich indenken, dat de papiermaker Jan Jansen niet gesteld was op het vieze afvalwater van een volmolen. Derck Wernissen zal vermoedelijk dezelfde zijn als de onfortuinlijke Dirck Warners van 1606.

Andries van Aelst mag een volmolen leggen

Omstreeks 1636 wil Andries Jansz. van Aelst bij zijn koren- en papiermolen (nr. 12) op de Grift te Apeldoorn wegens de tegenwoordige "slappe negotie int coperwerck ende pampiermaecken" een volmolen timmeren. Hij vraagt handhaving van de huidige waterpacht en verlenging daarvan voor een termijn van 24 jaar. Van Aelst wenst ook vergunning om "naer gelegentheyt van de negotie” het molenwerk naar eigen goeddunken en "op syne costen” te mogen veranderen. Gedeputeerden staan een pachttermijn toe van 16 jaar en vragen geen extra pacht voor de nieuwe volmolen. Wel moet Van Aelst één keer een bedrag van 24 gulden geven voor de armen. Indien na afloop van de pachtjaren de pachter of diens erfgenamen met gedeputeerden over verdere pacht niet tot overeenstemming kunnen komen, zullen zij "hebben affstant te doen tegens ontfangende vergoedinge van ’t gene die moelen ende vorder getimmer daerbij alsdan tertijt bij onpartijdigen geordent sullen worden weerdich te sijn”. Tot zover over de stichting van deze volmolen. Wat de omvang van het bedrijf betreft, vertellen enige tot nu toe onbekend gebleven stukken betreffende Apeldoornse volmolens buitengewoon belangrijke gegevens. De heer W. Terwel te Vaassen, die deze gegevens welwillend ter mijner beschikking stelde, ben ik daarvoor veel dank verschuldigd. In een getuigenverklaring, afgelegd op 22 mei 1647 voor de scholtis van Apeldoorn Henrick van Huedt, zegt Steven Jansen Potgieter, schoonzoon van de inmiddels overleden Andries van Aelst, dat "sijn persoon zaliger vader ende hij selffs gehadt hebben een volmuelen omtrent veerthien jaeren” en dat zij het te vollen laken kregen "van alle hoeken, soo uyt Overissel, Campen, Deventer, Zwoll, Sticht van Utrecht ende uyt Hollandt”. Hier wordt ons even onthuld, dat de volmolen te Apeldoorn lakens te bewerken kreeg, die uit alle delen van ons land daarheen werden gezonden. Welk een hoogst merkwaardige kijk krijgen we hierdoor op de volmolens in het Apeldoorn uit de eerste helft der 17e eeuw! Het blijken geen kleine molentjes te zijn, slechts afgestemd op de plaatselijke behoefte, maar flinke bedrijven, die werken voor de lakennering van het gehele land. Ondanks de niet geringe kosten van ’t vervoer over land en over water naar hun molens moeten de Apeldoornse vollers door de goedkope waterkracht - en lagere lonen(?) - in staat geweest zijn met succes te concurreren tegen de windvolmolens elders.
Een andere getuige Roelof Berents vertelt, dat hij en zijn vader "omtrent vijff offte ses en dartig jaeren alhier tot Apeldoorn gehadt hebben een volmeulen, daer laeckens op gevult worden ende dat de laeckens quamen uyt Overissel, hetsy Deventer, Campen, Swoll ende Sticht van Utrecht ende andere provincien”.
Ook hier hebben we te maken met een Apeldoorns vollersbedrijf, dat opdrachten krijgt van ver over de grenzen van Gelderland! Zou de bovengenoemde Roelof Berents een zoon zijn geweest van Berndt Wolbers, die in 1603, samen met de korenmulder en Henrick Wilhemssen, een "ongeoorloffden valmeulen” aan het timmeren was bij de korenmolen op de Grift? Misschien is de molen dan toch niet afgebroken en slaat de getuigenverklaring van Roelof Berents op dit bedrijf. Mogelijk hebben we hier te maken met de volmolen, die in 1657 door Diderick van Stepraedt, heer van Indornick en Loo, werd verhuurd en geéxploiteerd als zeemmolen.
Niet alleen de eigenaars der volmolens profiteerden van de bloeiende "neronge der drapperien”, ook de voerlieden pikten een graantje mee. De onderscholtis van Apeldoorn, Lambert Pannekoek, verklaart in 1647, dat hij "voor thien off elff jaeren herwaerts” verscheidene zendingen wollen lakens "heen ende weder van Apeldoorn nae Campen” heeft vervoerd "ende wederom van Campen omgebracht nae Apeldoorn, die gevult worden op de moelen van Andries van Aelst zaliger”. Na 1640 schijnt de bloeitijd der Apeldoornse lakenvollerij voorbij te zijn geweest, want in het Verpondings register van Apeldoorn over 1648 lezen we, dat Steven Potgieter, behalve van een koren- en papiermolen, ook eigenaar is van een "vervallen vulmoleken”.

Een Loenense volmolen

Van deze molen weten we alleen, dat op 7 augustus 1690 de Vrouwe van de Horst (Terhorst) vergunning verleent tot het leggen van een volmolen op de Vrijenbergse beek 42).





De leer- of zeems(s)molens in het ambt te Apeldoorn

Hoewel de leer- of zeemmolens in de stukken ook wel onder de benaming volmolens voorkomen, verschilde het te bewerken produkt totaal van dat in de lakenvolmolens.
De zeemmolens volden geen wollen stoffen, maar speelden een rol bij de zeemleer-bereiding of zeemtouwerij.
Zeemleer verkreeg men door eerste kwaliteit kalfsen schaapsvellen met olie of traan te bestrijken en ze dan urenlang in de trog van de molen te stampen of te vollen. Van het aldus verkregen zeemleer werden wambuizen, broeken, handschoenen, hoeden, degenscheden enz. vervaardigd.
Niet alleen de leerlooierijen en volmolens, maar ook de zeemmolens verspreidden een hoogst onaangename geur. Dit blijkt uit een resolutie van de Zutphense magistraat van 23 januari 1614, waarbij de zeembereider Bongart vergund wordt zijn vellen te drogen aan de voet van de stadsmuur, doch hij moet "daer mede soo wijdt van der stadt wall blieven, dat die passierende ende wachten (schildwachten) daervan gienen stanck lyden”. Er zat dus wel een luchtje aanl In Amsterdam hebben twee van deze zeemmolens gestaan. Het waren geen watermaar windmolens. Wegens de stank, die ze verspreidden, werden de beide Amsterdamse zeemmolens aangeduid als de Grote- en de Kleine Stinkmolen. De bewoners van Noord-Apeldoorn zullen om dezelfde reden de hierna te noemen zeemmolen van Johan Bongart en Dirck Warners al gauw de naam "Stinkmolen” gegeven hebben, welke benaming op de later daar ter plaatse gestichte papiermolens is overgegaan.
Evenals de volmolens hebben de zeemmolens in Apeldoorn bijna uitsluitend gewerkt voor opdrachtgevers buiten de plaats. Ook daarover bezitten we een duidelijke uitspraak. Hoe meer we ons in de geschiedenis der Apeldoornse molens verdiepen, des te klaarder worden we ons bewust van de enorme betekenis, die de watermolens hier ter plaatse niet alleen voor Apeldoorn, maar voor het gehele land hebben gehad. Straks bij de behandeling der papiermolens zal de verbazing daarover nog toenemen. De rol, die de door waterkracht gedreven bedrijven in de geschiedenis van het ambt Apeldoorn hebben gespeeld, kan nooit hoog genoeg worden aangeslagen. In het eerst uitsluitend agrarisch ingestelde Apeldoorn begint vanaf het begin der 17e eeuw de industrie een zeer voorname plaats in te nemen. Het is de benutting der waterkracht als energiebron geweest, die deze ontwikkeling mogelijk heeft gemaakt.

De zeemmolen van Bongart en Warners (kaart nr. 11)

Zoals we eerder zagen, had Dirck Warners in 1606 een volmolen willen leggen op de Grift, doch door de kwade trouw van zijn compagnon Gerrit Cornelissen was de stichting niet doorgegaan. Na enige jaren gelukte het Warners in Johan Bongart (Bongerts) een andere vennoot te vinden.
Bongart, die "Mennoniet” (Doopsgezinde) was, kwam uit Aken en had in 1605 vergunning gekregen voor het timmeren van een zeemmolen bij het verlaat buiten de Nieuwstadspoort te Zutphen. Johan Bongart en Dirck Warners vragen aan de geërfden der Noord-Apeldoornse mark de erfpacht van de grond, waarop de molen gezet zal worden en tevens vergunning voor het omleggen van de beek (= Grift) door de markegronden, teneinde zodoende het verval voor het rad te krijgen. Hierover ontstaat "enig misverstant tusschen gedachte Pachteren en die Bueren” (geërfden). Want het blijkt, dat Bongart en Warners zich hebben "onderstaen” een zeer lange "verlaeren Beeck te graven op een nieut Leeger, en die muele leger te leggen als hun vergost (vergund) was”. Partijen komen echter tot overeenstemming. De aanvragers krijgen tegen een jaarlijkse erfpacht van 6 keizergulden ad 20 stuiver "die plaetse daerop het huis der muelen gelecht word en voor dij Beeck soe sij door het merrick (mark) gegraven”.
De erfpacht geldt voor 15 jaar, ingaande Martini 1610. Verder staat er "dat Pachters geholden zullen zin die wallen der Muelen en oick der verlaeren Beecke te verwaeren en te versorgen, dat die gemeente bedoeld zijn de markegronden - daer door niet verdrencken off beschadigt worden”. Omdat hier sprake is van wallen (dijken) en een nieuw "Leeger” (de opgehoogde nieuwe bedding) zal met deze "verlaeren” beek zeer zeker de bedijkte bovenbeek van de molen zijn bedoeld.
Van de vroegere bedding der Grift is daar ter plaatse nu (1963) nog een klein gedeelte over. Het watertje, dat dwars door Kerschoten loopt, en thans met een rechte loop boven de voormalige molenplaats in de Grift geleid wordt, kwam destijds in genoemde oude bedding uit en stroomde vervolgens beneden de molen in de Grift. We hebben daar dus te doen met een stukje van de oorspronkelijke Griftloop van voor 1610. Nu dit terrein inmiddels door de gemeente Apeldoorn is aangekocht, zal dit overblijfsel van de oude bedding der Grift wel gauw tot het verleden behoren.
Behalve de kwestie met de geerfden van Noord-Apeldoorn was er ook nog een geschil ontstaan over de verpachting van het water voor de zeemmolen. De gedeputeerden, die het beheer voeren over de voormalige bezittingen van het klooster Monnikhuizen, vrezen namelijk dat "bij nieuwe opstouwinge van ’t water den Olden Monnickhuizer moelen gelamt” zal worden. Hiermede zal de daarboven gelegen molen van 1434 zijn bedoeld (nr. 12). De zaak komt echter in orde en op 8 maart 1610 wordt de akte van uitgifte van ’t water voor de molen van Bongart en Warners geregistreerd. Volgens de rekening 43) van Johan van Golstein over 1611/12 geschiedt de uitgifte voor "eenen tijdt van 25 jaeren”; de jaarlijkse erfpacht bedraagt 6£. Er mag een molen komen om "seems, hennep en leder daerop te bereiden”. Er wordt dus niet gesproken over het vollen van stoffen. De molen (nr. 11) kwam te liggen aan de westzijde van de Vlijtseweg, even voordat deze de Anklaarseweg bereikt.
De beide zeembereiders hebben nogal eens onenigheid gehad met de eigenaars van de boven hun zeemmolen gelegen kopermolen. Op 19 mei 1618 zendt de rekenkamer een schrijven naar Dirck Warners wegens een kwestie met deze mensen over het opstouwen van het water. De heren van de rekenkamer willen echter de zaak in der minne schikken. Daartoe wordt Warners verzocht om zich vrijdag 22 mei des morgens acht uur in de herberg "de Moriaan” te Apeldoorn "vinden tho laeten”. Dan zullen daar enige commissarissen aanwezig zijn, die zich vervolgens ter plaatse op de hoogte willen stellen van "het different vant upstouwen des waters”. Warners moet zorgen, dat hij tegen de genoemde tijd het water van zijn bovenbeek "so voel up gestouwet” heeft als hem dunkt, "dat het behért tho wesen ende ghij van doen solt hebben”. Hoe dit onderzoek is verlopen, weten we niet. Later zal blijken, dat de vrede tussen beide partijen nog lang geen feit was geworden. Kort na de kwestie over het water krijgen Bongart en Warners narigheid van geheel andere aard en wordt hun zelfs door de scholtis van Apeldoorn gelast het bedrijf op de zeemmolen stil te leggen. Oorzaak is een schrijven, dat de Veluwse drost Johan van Scherpenzeel stuurt aan de scholt Georgien Pannekoeck.
Hierin vertelt Van Scherpenzeel diezelfde morgen een brief van gedeputeerden van Veluwen te hebben ontvangen, waarbij deze vermelden "dat tegenwoordich tot Apeldoorn op de Grifte eenen nhijen watermoelen bij particulieren geleit wordt”, hetgeen strekken zal tot "achterdeel vande Munnickhuiser moelen aldaer”. In opdracht van gedeputeerden gelast Johan van Scherpenzeel de Apeldoornse scholt "dengenen, die sich het timmeren vanden voornoemden moelen aenmatigen offte ondernemen van daer gien vordere timmeragie off Arbeit te doen off doen doen”, doch daarmede op te houden totdat de kwestie "hengeleit ende beslicht” zal wezen. Op overtreding staat een boete van 100 rozenobels (gouden munten, waarop een schip en een roos waren afgebeeld, de waarde bedroeg toen ongeveer 11 gulden). Zonder voldoende kennis te nemen van de inhoud van de brief en zich eerst op de hoogte te stellen van de juiste toedracht beveelt scholt Pannekoeck aan Dirk Warners het bedrijf op de zeemmolen tot nader order stil te leggen. Warners, die zich geen kwaad bewust is, en door het stopzetten der zeembereiding grote schade lijdt, laat het er niet bij zitten en dient zijn beklag in bij de rekenkamer. Naar aanleiding hiervan stuurt deze instantie een op 19 juni 1618 gedateerde brief aan Warners. Dit schrijven, dat begint met "Ersame ende froeme goede vriendt”, vertelt hoe Warners "voer ennige daegen geleden” de kamer op de hoogte heeft gebracht van het verbod hem door de scholtis opgelegd, waarbij hem verboden werd te arbeiden op zijn molen "liggende beneden den koeperen moelen”. De heren hebben naar aanleiding hiervan inlichtingen laten inwinnen bij de rentmeester over de goederen van het voormalige klooster Monnikhuizen. Deze heeft hun bericht, dat de zaak de molen van Warners "niet aen en gaet maer anderen”.
Dirck Warners had dus met het hele geval niets te maken! Maar intussen was zijn bedrijf al drie weken buiten werking geweest. De rekenkamer verklaart in het schrijven aan Warners, dat de scholtis ten onrechte "aen u het verbott gedaen heeft, gelick wij aen denselven Scholtis in desen bijgaende brieff - die gy aen hem sult averleveren - syn scrivende”. Hieruit blijkt, dat bij de brief aan Warners tevens een schrijven voor scholt Pannekoeck was ingesloten en aan laatstgenoemde ter hand gesteld moest worden. De heren van de rekenkamer besluiten met de woorden "alsoe dat gy op uwen Moelen wel weder moecht arbeyden”. De brief aan de scholtis, die in afschrift bewaard is gebleven en een dag later dan die aan Warners staat gedateerd, luidt niet bepaald vleiend voor Pannekoeck. De rekenkamer komt hierin terug op het schrijven van Johan van Scherpenzeel van 25 mei. Naar aanleiding van deze brief hebt gij - zo zeggen de heren - aan Dirck Warners verboden "dat hij op synen moelen Iiggende beneden den koeperen Moelen niet en sol arbeiden op peene (= boete) van hondert Roesenoebelen, waeraver deslangh (sinds die tijd) denselven moelen heeft stilgestaen”. Het schrijven van de rekenkamer gaat ongeveer als volgt verder: Nadat wij dan van de rentmeester der Monnikhuizer goederen vernomen hebben, dat gij het verbod aan Dirck Warners ten onrechte hebt opgelegd, hetgeen gij ook gemakkelijk uit de brief, die de drost van Veluwen daarover aan u geschreven heeft, hebt kunnen opmaken dat alleen een verbod moest worden opgelegd aan de personen, die bezig zijn met het timmeren van een nieuwe watermolen op de Grift. Nu, daar kon scholt Pannekoeck het mee doen. Hem wordt bovendien gelast de "opgemelten Dirck Warners aenstont van idtselve verbott r‘onslaen, ende sulcx aen den geenen doen, die des behoeren sal”. Thans mocht de molen van Bongart en Warners weer gaan draaien, maar wie vergoedde hun de drie weken stilstand van het bedrijf? Ze zullen wel niet bij Georgien Pannekoeck om schadevergoeding zijn geweest. Daartoe zouden ze alle reden gehad hebben, maar de scholtis was nu eenmaal de belangrijkste persoon in het ambt Apeldoorn en een dergelijke figuur kon men beter niet tegen zich in het harnas jagen. Pannekoeck zelf had aan de brief van de rekenkamer schoon genoeg.
De timmering van een nieuwe molen op de Grift, waardoor de hele kwestie was onts:aan. betrof vermoedelijk het stichten van de later boven de korenmolen gelegen papiermolen Holthuizen (nr. 18). Scholt Pannekoeck had in een domme bui natuurlijk de koren- met de kopermolen verward. Kort daarna moeten Warners en Bongart, die dan eigenaars genoemd worden van een "Kijp ende Seemschen moele” (kip- en zeemmolen) het opnieuw ontgelden. Weer gaan ze zich bij de rekenkamer beklagen. Uit het antwoord van deze instantie (3 oktober 1618) vernemen we, dat Warners en zijn "mede consort voer weinich daegen” aan de rekenkamer te kennen hebben gegeven, dat de knechts van de kopermolen op 8, 17 en 18 augustus "moetwylliger wyse” de "Schortdeuren” van hun "Kijp en de Seemschen moele” hebben stukgeslagen. Met deze schortdeuren zullen hoogstwaarschijnlijk de houten schuiven in de stuw zijn bedoeld. De heren van de rekenkamer willen verdere narigheid "bijtijts” voorkomen en t verzoeken daarom Dirck Warners aanstaande maandagmorgen tegen 9 of 10 bij hen in Arnhem te komen en daar tevens "naeder” te berichten of de arbeiders van do kopermolen handelden in opdracht van hun werkgevers "dan off sydt op haer eygen handt hebben gedaen”. Warners moet ook de namen noemen van de knechts, die de 5 "moetwyl” bedreven. Over de afloop van deze zaak tasten we eveneens in het duister.
Merkwaardig is het, dat in het schrijven van de rekenkamer gesproken wordt over de "kip- en zeemmolen” van Bongart en Warners. De molen werd dus niet alleen gebruikt voor het bereiden van zeemleer, maar deed tevens dienst als "hennepklopper”. De kip- of hennepmolens, waarin de stengels der hennepplanten gebeukt of geklopt werden, werkten, evenals de oliemolens, met wentelas en stampers. De hennepklopperij, de vervaardiging van zeildoek en touw, stond in nauw verband met de belangrijke scheepvaart en visserij van die dagen, waarvoor veel zeil- en touwwerk benodigd was. Ook hier hebben we weer te maken met een bedrijf, dat zijn afnemers vond buiten de grenzen onzer gemeente.
In 1626 gaan Bongart en Warners uit elkaar en beginnen ieder voor eigen rekening met de zeembereiding.

De zeemmolen van Jan Bongerts (Bongart)

Op 20 december 1626 wordt Jan Bongerts ontslagen van de waterpacht, die hij, samen met Dirck Warners en "ieder voor de helfte”, in 1610 had verkregen. De rekenkamer verleent hem op diezelfde datum de erfpacht van het halve water van de Grift om daarop een volmolen te leggen 46). Met deze volmolen is in werkelijkheid een zeemmolen bedoeld. In de rekening 47) van Rutger Huigens over 1632 wordt de pacht; uitgifte als volgt vermeld: "Jan Bongerts is bij Acte van de camer gedatiert 1626, toegestaan en vergunt op de Grifte tot Noort Apeldoorn op het selve waeter daer Derck Warners syn moelen op heeft, voor den tyt van 25 jaeren oock een volmoelen te doen setten”. Er komen daar op de Grift dan twee zeemmolens (nr. 11). Verdere bijzonderheden over de molen van Jan Bongerts hebben we niet kunnen vinden.
In een getuigenverklaring van Herman Gerritsz. uit 1647 vertelt deze, dat hij een aantal jaren binnen Hattem heeft gewoond in het huis van Jan Evertsz. "daer ’t Tolbredt uithanght”. Aan dit huis hing een tolbord, waaraan men kon zien, dat daar de tolgaarder of tollenaar woonde. Herman Gerritsz. zegt vervolgens, dat hij gedurende zijn verblijf te Hattem "doorgaents” van enige zeembereiders - te Zwolle woonachtig - tol ontvangen heeft van "alle ’t zeems so des selven van Zwolle naer Apeldoorn om te bereyden laett voeren”. Er werd dus telkens zeemleer van Zwolle naar Apeldoorn gezonden om het hier op de zeemmolens te laten bewerken. Met ’t zeems zijn waarschijnlijk de onbereide huiden bedoeld en in de zeembereiders te Zwolle hebben we wel de mensen te zien, die uit het te Apeldoorn gereed gemaakte zeemleer kleding stukken, handschoenen enz. vervaardigden. De bereiding te Apeldoorn zal zeer zeker op de zeemmolens van Warners, Bongerts en anderen zijn geschied. Alweer hebben we hier een tak van nijverheid, die uitsluitend voor export werkte. Over de verdere geschiedenis van beide zeemmolens zijn ons tot nu toe geen gegevens bekend. Evenmin hebben we kunnen ontdekken wanneer de molens van Warners en Bongerts vertimmerd zijn tot papiermolens.

De leermolen te Loenen

Over een leer- of zeemmolen te Loenen lezen we in 1642. Olivier Hackfort heeft dan met ingang van 1 april zijn helft "van den leer Mulen tot Lonen gelegen” voor zes jaar verpacht aan Mr. Crijn Peters tegen een pachtprijs van 90 gulden per jaar. Er blijken meer deelgenoten te zijn, want in 1644 spreekt Hackfort van Crijn Peters en zijn "consorten”. Op de pacht wordt in dat jaar drie rijksdaalders gekort wegens zes gekochte "bereide callifs fellen”. In 1645 rekent Hackfort de pacht van de leermolen af met Hendrick van Calcar en Huybert Huyberts. Er wordt steeds gesproken van Hackforts helft in de molen. Het valt niet op te maken wie het andere gedeelte van de leermolen bezat. De genoemde Hendrick van Calcar was reeds in 1630 werkzaam op Terhorst. Men kort "vier gulden min vif stuiver” wegens een van Hendrick van Calcar gekocht "leere waemis” (= leren wambuis) voor Derrick Maes. Eveneens gaat er 91/2 gulden af voor een "leere broick” (= Ieren broek), die bestemd is voor "Peter den Irdman”. Deze Peter zal wel klein van postuur zijn geweest, vandaar de benaming "Irdman” (= aardman). Uit de afrekening op 21 april 1646 vernemen we, dat Mr. Huijbert volgens opdracht van de verpachter twee bereide kalfsvellen heeft geleverd voor "jonge Jan” zoon van Hackforts zuster, de vrouwe van Schoonderbeek bij Putten. Als pachters van de leermolen worden in 1646 genoemd Crijn Peters, Hendrick van Calcar en Huijbert Huijberts; de pacht bedraagt nog steeds 90 gulden, die op 21 april 1646 verrekend wordt. Kort daarna moet de leerbereiding zijn gestaakt, want in het verpondingsregister over 1648/ 49 staat, dat Oliphier Hackfort tot ter Horst dan eigenaar is van een leermolen, die onverpacht "leijt” en niet meer verpacht kan worden. Over het waarom zwijgt de geschiedenis.
Omstreeks 1661 koopt Aryen Goesens de leermolen "staende bi syne pampiere muelen” voor 100 gulden en een okshoofd wijn van Hackfort. Iets eerder hadden de geërfden van Loenermark aan Hackfort overgedaan "het land of de plaets van de Onderste papiermolen met hof en droogplaets van de Leerenmeule”. Verder horen we niet meer over het voormalige leerbedrijf in Loenen.

Een zeemmolen bij de korenmolen in het dorp Apeldoorn (kaart nr. 14)

In 1656 blijkt er een volmolen te liggen bij of boven de Apeldoornse korenmolen op de Grift. Op 15 februari 1657 heeft Diderick van Stepraedt, heer tot Indornick en Loo, "synen vulmuelen tot Apeldoorn” voor drie jaar verpacht aan Willem Bongaerts, Frans de Wilde en Coenraet Bernts. Pachters zullen gedurende die tijd de molen op hun kosten onderhouden en moeten jaarlijks 120 gulden pacht betalen. Willem Bongaerts (Bongart, Bongers) en consorten willen de molen exploiteren als "seemsmolen”.
In 1659 wordt op het Oude Loo een overeenkomst gesloten tussen Van Stepraedt en de drie bovengenoemde personen, benevens Hendrick Wijers, waarbij de pacht voor 6 jaar gecontinueerd wordt. Behalve de 120 gulden dienen de pachters ieder jaar een ..paer hertzleren hantschoen” te leveren. Het bedrijf gaat slecht en de betalingen aan Van Stepraedt worden niet op tijd voldaan. In 1663 proberen de pachters van de huur ontslagen te worden. Het komt tot een rechtszaak en Johan van Stepraedt laat op de bezittingen van de zeembereider Willem Bongaerts beslag leggen (1663). Bongaerts weet echter borgen voor zijn schulden te vinden en zet de zaak (alleen?) voort.
Toch moet hij niet met succes gewerkt hebben, want het leermolentje blijkt enige tijd later in verval geraakt te zijn.

De Deventer zeemmolen bij de korenmolen te Apeldoorn (nr. 14)

Uit veel later tijd dateert een zeemmolen, waarvoor de waterpacht bij resolutie van 5 juni 1784 door de domeinraad van stadhouder Willem V wordt uitgegeven 48).
Deze instantie verpacht in 1784 "het overtollige water, dat de Apeldoornse korenmolen ’s nachts laat weglopen”, aan J. C. Lamberts en H. W. Brinkhorst te Deventer ten dienste van een zeemmolen. De waterpacht beloopt 60 gulden per jaar. De pachters mogen het "gebouwtje of zeemmolen zetten aan het eind van de goot der korenmolen met het rad, stampers en bakken, alsmede het schuurtje waarin het zeemleder kan gedroogd worden. Dit laatste zal men bouwen "aan de kant van de sloot omtrent daar de peppelen staan”. Van 1803 - 1809 zijn de Deventenaren C. Lamberts, B. H. en W. Brinkhorst pachters van het bovengenoemde overtollige water van de korenmolen "voor zeemsmolen”. De pacht is nog steeds 60 gulden per jaar. Omstreeks 1811 moet de zeembereiding gestaakt zijn, want in een staat van ontvangsten over 1812 wordt niet meer gerept over een leermolen.




Eek-, run- of schorsmolens

Op de run- of eekmolens werd eikeschors tot run vermalen. In het voorjaar, wanneer de sappen in de stammetjes van het eikenhakhout begonnen te werken, trokken de eik- of eekschillers erop uit om het hout te hakken en het door kloppen van de bast te ontdoen. Deze arbeiders - zowel mannen als vrouwen - verbleven gedurende die tijd in het bos en woonden dan in de zogenaamde eekschillershutten. Dit waren kuilen van een halve meter diepte; het dak bestond uit een geraamte van schuin tegen elkaar gezette stammetjes. Plaggen en heide vormden de dakbedekking. De verkregen schors ging naar de run~ of eekmolens. Het runmalen was een vuil werkje voor de arbeiders.
Ze moesten er aparte kleren voor gebruiken, want ’t stof was zo tanig, dat hun vrouwen ondanks flink wassen het ondergoed niet behoorlijk schoon konden krijgen. De verkregen run ging naar de leerlooierijen, waar ze als looistof dienst deed. Alleen in de leermolens werd run gebruikt; de huiden werden eerst in water geweekt, schoongemaakt en vervolgens met run vermengd in diepe putten gestopt om te looien. Dit leerlooien veroorzaakte een hoogst onaangename geur. Op de zeemmolens, waar zeemleer werd bereid, gebruikte men geen run. De kalfsen schaapsvellen werden hier met behulp van olie of traan soepel gemaakt. Ook deze molens verspreidden - evenals de volmolens - een vieze lucht. Al deze bedrijven kregen dikwijls de benaming "stinkmolens”. De gebruikte run heette "kif”. In vroeger tijd gebruikten de tuinlui dit kif op rozenperken, inplaats van het toen nog onbekende turfstrooisel. Kif werd ook gestrooid op wegen om ernstig zieke personen te beschermen tegen het lawaai veroorzaakt door de wielen der voorbijrijdende wagens.

De eekmolen bij het Oude Loo

De tot nu toe oudst bekende runmolen in Apeldoorn is na 1517 gesticht op de beek van het Oude Loo. Zoals bekend is, had Johan Bentinck op 2 mei 1517 vergunning gekregen om op de beek bij zijn huis ’t Loo een koren-, olie- of volmolen of alle drie gelijk te leggen.
Het blijkt, dat Bentinck inderdaad drie molens heeft gesticht, want in 1547 bezit zijn zoon Adolf "drie molens te weten een saetmoelen, een olymoelen ende een Eeckmoelen alles te Noert Apeldoren gelegen”. Deze aantekening vormt het enige gegeven over een eek- of runmolen bij het Loo. Over de ligging valt niets met zekerheid te zeggen.

De eekmolen van Bongaerdt en Warners (kaart l nr. 11)

Over het bestaan van deze molen vernemen we in een getuigenverklaring van 18 september 1628. Dan vertellen de papiermakers Tijmen Jacobsen en Jorrien Jans aan de scholtis van Apeldoorn, dat beneden de kopermolen van Andries en Lodewijk van Aelst (kaart nr. 12) eertijds door Johan Bongardt en Derrick Warners "gesticht is geworden een Siems muelen ende noch een Eeck muelen”. Er is dus bij de leer- of zeemmolen tevens een eekmolen in werking geweest. Na de omzetting van de zeemmolen in papiermolen is de runmolen opgeheven of misschien tot papierbedrijf ingericht. Dit alles heeft te maken met de voorgeschiedenis van het papiermolencomplex "De Stinkmolen”.

Johan Bongardts eekmolen

In 1626 komt een einde aan het gemeenschappelijk bedrijf van Bongardt en Warners.
Ieder gaat dan voor eigen rekening werken. Bongardt krijgt in 1626 vergunning voor het halve water van de Grift voor een volmolen (lees hier: zeem- of leermolen), die waarschijnlijk tegenover de molen van Dirck Warners kwam te liggen. Men staat Bongardt tevens toe, dat Jan Schomaker "sijn eeck mede Opten volmolen van Jan Bongerts” mag malen. Er staat daar dan een dubbel bedrijf, bestaande uit de leermolen van Bongardt en een eekmolen, waarvan de laatste door Jan Schomaker en anderen gebruikt wordt, want in 1627 moeten Jan Schomaker "cum suis” belasting betalen voor hun molen. Ook deze eekmolen is later bij de omschakeling van zeemleerbereiding op papiermakerij opgeheven.

Een runmolen bij de Hamermolen te Ugchelen (kaart l nr. 36)

Een dergelijke molen in Ugchelen wordt genoemd in een staat van korenmolens uit 1843. We lezen daarin, dat M. Brouwer (Maas Brouwer) in dat jaar een waterkorenmolen heeft en tevens een runmolen. Deze bedrijven lagen naast de Hamermolen, die in de 19e eeuw een tijdlang slechts gedeeltelijk als papiermolen dienst heeft gedaan. Tien jaar later wordt Maas Brouwer nog als korenmolenaar genoemd (lijst grutmolens 1853), doch van een runmolen is dan geen sprake meer

De runmolen bij de Apeldoornse korenmolen (kaart nr. 14)

In de vorige eeuw heeft een runmaalderij gelegen bij de waterkorenmolen op de Grift te Apeldoorn. De molen wordt vermeld in een hypotheekinschrijving uit 1854. Daarin lezen we over de waterkorenmolen "Werklust” en van een onlangs daarbij nieuw gestichte olie- en runmolen aan de Apeldoornse brink. Het is ons niet bekend hoelang deze runmolen bestaan heeft.

De Wenumse runmolen (kaart l nr. 4)

Te Wenum is omstreeks het midden der 19e eeuw eveneens een runmolen in werking geweest. In 1858 koopt de Apeldoornse leerfabrikant Peter Kok Ankersmit de al eerder buiten gebruik gestelde "Nieuwe Kopermolen” te Wenum en laat deze inrichten tot koren- en runmolen (schorsmaalderij voor zijn leerbedrijf). Later wordt C. H.Weverink eigenaar van de runmolen en zet deze om in een fabriek voor de bereiding van zwitserse kaas. Dit betekende het einde van de runmolen in Wenum.

Een mosterd- en snuifmolentje te Loenen

Evenals de schorsmaalderij heeft het mosterd- en snuifbedrijf - zulks in tegenstelling ‘tot koren-, olie-, volen zeemmolens - in economisch opzicht maar een bescheiden rol vervuld in de geschiedenis. Mosterd en mosterdolie worden nu eenmaal niet in grote hoeveelheden gebruikt. De mosterdbereiding geschiedde met behulp van een koppel kleine platte maalstenen, de zogenaamde "mosterdstenen”. Het mosterdzaad werd daartussen vermalen onder toevoeging van azijn. Vroeger gebruikte men daarvoor verzuurde wei, een afvalprodukt van de kaasmakerij. Vaak kwamen jongens bij de molens voor tien of meer centen mosterd halen. De dikke mosterdpap werd door hen met water of azijn verdund en daarna langs de huizen uitgevent. Dit handeltje leverde een kleine verdienste op.
Een geheel ander bedrijf vormde de snuifmakerij. Hoewel het tabaksnuiven tegenwoordig nog niet geheel in onbruik is geraakt, "genoot” men er in vroeger tijd algemeen van. Telkens kwam de snuifdoos te voorschijn, de liefhebbers namen tussen duim en wijsvinger voorzichtig een klein beetje snuif uit de doos, hielden het fijn gemalen poeder onder de neus, ademden vervolgens diep in en . . . het genies begon! Een beschrijving van de snuifbereiding geeft H. A. Visser in zijn boek "Zwaaiende Wieken”, blz. 122/123. "Bij de snuiffabricage gaat men uit van de grove baal tabak.
met een gewicht van ongeveer 600 kg. Deze baal wordt losgeschud, het blad uitgevouwen en gedompeld in een sausje. Daarna worden de bladeren op de grond uitgespreid, zodat de saus tot een bepaald vochtgehalte erin kan trekken . . . Nu volgt de clou van het bedrijf: het maken van de z.g. "carotten” uit de gesausde tabaksbladeren.
Een grote vakkennis en handigheid wordt daarvoor vereist. "Carotten” zijn sigaarvormige, met touw omwonden tabaksrollen van ongeveer 41/2 pond. Op de "stripbank” worden de bladeren "gestript”, d.w.z. van hun stelen ontdaan, en dan samengebundeld tot pakken. leder pak wordt op een doek gelegd en in den gewenschten sigaarvorm gerold. Om de carotten te harden worden ze "getrokken” d.w.z. met doek en al worden ze in een touw gewikkeld, dat zo strak wordt aangetrokken, dat het sap uit de tabak druipt. Een dag later wordt het touw er weer afgewonden en het trekken nog eenmaal herhaald. De carotten worden nu van het daglicht afgesloten en moeten een jaar "sterven”, waarna ze omgelegd worden. Na twee jaar wordt er een touwtje om gewikkeld om ze in den vorm te houden. Om dan tenslotte snuif te fabriceren wordende carotten uit elkaar getrokken en in langzaam ronddraaiende tonnen door daarin stampende hakmessen fijn gehakt. De aldus ontstane snuif is de "carotten snuif”.
..Fijnere soorten worden verder nog gezeefd, gemalen op den snuifsteen (een koppel platte steenen), gekleurd en geparfumeerd tot "nagelsnuif”, "tonkasnuif”, "rozensnuif”, de z.g. Belgische Snuif, die vooral in kloosters wordt gebruikt”.
Tot zover deze beschrijving. Men ziet, dat het eigenlijke snuifmalen in de molen slechts een onderdeel vormde van de bewerking, waarvan het carotten maken het belangrijkste deel uitmaakte.
Volgens een oude inwoner van Loenen heeft daar destijds ook een mosterden snuif— molentje gelegen. Dit molentje moet in de 19e eeuw in werking zijn geweest en zou op de Bruisbeek hebben gestaan. De mosterdbereider heette in de volksmond "de mosterdkoning”. Een dergelijk bedrijf zijn we in een ander deel van onze woonplaats niet tegengekomen.
Liefhebbers van een snuifje kunnen heden ten dage in Amsterdam nog altijd terecht.
U kunt allerlei geurtjes opsnuiven: jasmijn, Frans peentje, of te wel french carrot, London snuff, peppermint, Morlaix en heel veel meer. De snuif wordt in doosjes verkocht en kost f 2,10 per doosje, mogelijk iets duurder.


Het papier doet zijn intrede in de wereld

De opkomst en ongehoorde bloei der Apeldoornse papiermolens, benevens die der overige papierbedrijven in ons land, is niet alleen belangwekkend uit economisch oogpunt, maar staat tevens in nauw verband met de ontwikkeling der mensheid. De uiterst belangrijke rol, die de boekdrukkunst hierbij heeft gespeeld, werkte de geweldig snelle groei van de papierindustrie in de hand. Door de uiterst gunstige ligging van Apeldoorn werd onze woonplaats in de 17e eeuw het centrum der Veluwse papiernijverheid - een tijdlang zelfs van die in Nederland. Als paddestoelen verrezen hier de papiermolens uit de grond en de te Apeldoorn vervaardigde wit- en andere papieren stonden al spoedig bekend om de goede kwaliteiten.
Voordat we ons echter verdiepen in de geschiedenis der Apeldoornse papiermolens, willen we ons eerst bezighouden met de uitvinding van het papier en zijn reis door de wereld.
Een der allerbelangrijkste uitvindingen is de kunst van het papiermaken geweest. Tot nu toe blijkt het niet mogelijk te zijn een volkomen afdoend antwoord te geven op de vraag door wie en op welke manier het papier werd uitgevonden. De weinige gegevens, die hierover te vinden zijn in de historie-boeken der Chinese heersers, berusten voor het grootste deel op overlevering en traditie. Waarmede we niet willen zeggen, dat deze onbetrouwbaar behoeven te zijn. Het oudste boek, dat ons vertelt over de papiermakerij in China, stamt niet van een ooggetuige, maar dateert uit 1634, ruim vijftienhonderd jaar na de ontdekking. Wel staat onomstotelijk vast, dat omstreeks 105 n. Chr. in China de papiermakerij is geboren.
Toch kenden reeds duizenden jaren eerder tal van volken de schrijf- en tekenkunst.
Als materiaal om op te schrijven gebruikte men steen, kleitabletten, wastafeltjes, hout en huiden, terwijl in China zelfs zijde en bamboe benut werden bij het voeren van correspondentie en voor administratieve doeleinden. Vooral papyrus en perkament hebben een grote rol vervuld in de beschavingsgeschiedenis der mensheid.
Papyrus maakte men door dun gesneden repen van het merg van de stengels der papyrusplanten naast elkaar te leggen en daarover met behulp van een plakmiddel in dwarsrichting een tweede laag te bevestigen. Het geheel werd vervolgens sterk geplet en tenslotte gedroogd. Men gebruikte papyrus al omstreeks 2000 v. Chr. en ons papier heeft hieraan zijn naam te danken.
Een ander belangrijk schrijfmateriaal vormde het perkament, dat men uit geprepareerde dierehuiden vervaardigde. De stad Pergamum in Klein-Azié was in de 2e eeuw van onze jaartelling beroemd om dit produkt, dat geleidelijk de papyrus geheel verdrong.
Al deze voorwerpen en stoffen om op te schrijven moesten op de duur wijken voor het papier. De uitvinding hiervan wordt toegeschreven aan Ts’ai Lun en zal ca 105 n. Chr. hebben plaatsgevonden. Ts’ai Lun, die een hooggeplaatst Chinees ambtenaar was, maakte voor de vervaardiging van papier gebruik van hennep, moerbeischors en bamboe. In later eeuwen werden in Europa uitsluitend linnen lompen voor dit doel benut.

De wereldreis van het papier

Vanuit China is het papier zijn veroveringstocht over de aarde begonnen. Dit gebeurde echter pas na verloop van eeuwen en misschien zou de papiermakerij nog veel langer


Slatskorenmolen aan de Molenallée te Loenen in 1936.
Het was toen nog de enige molen in Apeldoorn, die uitsluitend door waterkracht werd gedreven.
Enige jaren later zijn molenhoofd en rad weggebroken en is de korenmolen buiten werking gekomen.




Ruitersmolen Beekbergen naar olieverfschilderijtje omstreeks 1900.



een Chinees geheim zijn gebleven, indien niet een bepaalde gebeurtenis hieraan een einde had gemaakt. In 751 raakten aan de oevers van de rivier de Thalas in Turkestan Chinese troepen slaags met Arabieren. Bij dit treffen viel een aantal Chinezen in handen van de vijand. Onder de krijgsgevangenen moeten papiermakers zijn geweest, die op deze wijze de kunst van de papierbereiding naar de Arabische landen hebben overgebracht (Bagdad, Damascus, Tripolis). Wanneer vervolgens het rijk der Arabieren zich uitbreidt langs de oevers der Middellandse Zee, verschijnen in de veroverde gebieden ook de papiermakers, de vervaardigers van het toen reeds onmisbaar geworden produkt. Omstreeks 1100 worden papiermolens genoemd te Fez (Marokko). De Straat van Gibraltar vormt geen beletsel voor de triomftocht van het papier, want weldra ontwikkelt zich in Spanje een bloeiende industrie (Jativa bij Valencia ca 1150).
Met een zijsprong gaat de reis naar ltalié, waar in 1276 twee papiermolens liggen bij Fabriano. Dan komen in de 14e eeuw Frankrijk en Duitsland aan de beurt, o.a. Troyes en Neurenberg.

Hans van Aelst sticht de eerste papiermolen in de Noordelijke Nederlanden (1586)

Het zou echter nog bijna twee honderd jaar duren voordat de papiermakerij tot de Noordelijke Nederlanden doordrong. De man, die hiervoor de eer toekomt, is Hans van Aelst geweest. In sommige stukken staat hij vermeld als Jan van Aelst. De roepnamen Hans en Jan zijn beiden afkomstig van de naam Johannes. Hans van Aelst werd omstreeks 1551 te Antwerpen geboren als zoon van de Antwerpense goudsmid en juwelier Franchois van Aelst en Katerijne de Colosy (Lyncken de Colegiero). Hij huwde 49) op 13 mei 1576 in de O.L. Vrouwekerk te Antwerpen met Godelieve lngenraem, later meestal Godelieve (Godeline) de la Rame genoemd.
Evenals haar familie behoorden de Van Aelsten reeds vroeg tot de protestanten.
Tussen 1582 en 1586 - in eerstgenoemd jaar komt hij nog voor in het Antwerpense schepenregister - gaat het echtpaar Van Aelst naar Dordrecht. Vermoedelijk hebben ze met talloze andere protestantse vluchtelingen in 1585 bij de verovering van Antwerpen door de Spanjaarden de wijk genomen naar de Noordelijke Nederlanden. Door de val van deze rijke koopstad, die een der voornaamste marktplaatsen was voor de papierhandel op ons land, dreigde de toevoer naar Noord-Nederland van dit onontbeerlijk geworden produkt voor een groot deel te worden afgesneden, vooral toen de graaf van Leicester alle handel met het Zuiden ging verbieden. Vandaar de welwillende houding der Noordelijke overheid tegenover het oprichten van papiermolens op haar gebied, de bereidheid tot het verlenen van octrooien en het toestaan van verschillende voorrechten. Ook de stadsbesturen - steeds begerig om nieuwe industrieén aan te trekken - bleven niet achter. Ze verleenden eveneens octrooien; schonken dikwijls gratis het burgerrecht, gaven vrijstelling van wachtdiensten en stelden in sommige gevallen zelfs grond beschikbaar voor de vestiging der papierbedrijven.
Straks zullen we zien, dat ook de magistraat van Arnhem voorrechten verleent bij de stichting van de eerste papiermolen daar ter plaatse.
Het is echter tijd ons thans weer bezig te houden met de lotgevallen van Hans van Aelst. In Dordrecht vat hij het plan op tot het leggen van een papiermolen; misschien heeft hij in Antwerpen reeds met de papierhandel te maken gehad. Uit eigen middelen is Hans van Aelst niet in staat de hoge kosten van de bouw en inrichting van een molen te betalen. Hij gaat op zoek naar een geldschieter en vindt deze in Jan Lupaert, een ingezetene van zijn nieuwe woonplaats.
Op 25 april 1586 verleent de graaf van Leicester aan Hans van Aelst en Jan Lupaert, kooplieden te Dordrecht, octrooi 50) voor de tijd van 5 jaar voor het maken van alle soorten grijs papier. Nu kon met het stichten van één of meer molens worden begonnen. De eerste molen, die op grond van bovengenoemde vergunning gebouwd werd, kwam niet in Dordrecht, maar bij Zwijndrecht te liggen. In het begin van 1587 was de papiermolen, gelegen te Schobbelandsambacht - zo heette de Ambachtsheerlijkheid, waartoe het dorp Zwijndrecht behoorde - reeds gereed. Deze eerste papiermolen van ons land is vermoedelijk een getijmolen geweest. Dit type watermolen, dat vroeger aan . de benedenloop der grote rivieren en langs de zeegaten nog al eens voorkwam, werkte door het verschil in waterstand, veroorzaakt tengevolge van eb en vloed. Boven de molen bevond zich een "spuibassin” met inlaatsluis, dat in verbinding stond met het rivierof zeewater en vaak bij de haven lag. Bij vloed liet men dit reservoir vollopen;  het bij eb terugvloeiende water leverde de kracht voor het doen draaien van een onderslagsrad.
Door de telkens wisselende tijden van eb en vloed werkten deze molens zeer onregelmatig. In ons land zijn ongeveer 21 getijmolens in bedrijf geweest.
Hans van Aelst heeft van Jan Lupaert niet die medewerking gekregen, waarop hij zeer zeker gehoopt zal hebben. Lupaert hield zich bij de stichting van de Zwijndrechtse molen geheel afzijdig en evenmin verleende hij steun voor het tot stand komen van de korte tijd later gebouwde papiermolen te Dordrecht. Alleen in de derde molen, die op grond van het octrooi van 1586 te Hendrik Ido Ambacht werd getimmerd, was hij financieel ge‘interesseerd. Aan de totstandkoming van de beide laatste molens is Hans ,‘ van Aelst blijkbaar niet te pas gekomen. Teneinde zich het geld voor de molen te E Zwijndrecht (molen I) te verschaffen, heeft Van Aalst naar een andere compagnon moeten uitzien. Het gelukte hem Cornelis Adriaansz. - eveneens een Dordtenaar - voor zijn plan te winnen en met diens bijstand was tenslotte de bouw van de papier molen mogelijk.
Hans van Aelst bleef echter onder grote financiéle zorgen gebukt gaan en reeds tegen het eind van 1588 of aan ’t begin van 1589 zag hij zich genoodzaakt zijn helft in de molen te verkopen aan Franck van Muylwijck Willemsz. Van Aelst verliet Dordrecht en vestigde zich in Tiel.

Hans van Aelst de eerste Gelderse papiermaker

Reeds spoedig na zijn komst in Tiel krijgt Hans van Aelst van de stedelijke overheid ; vergunning 51) om een molen te leggen op de "stroem” (stroom) voor de stad (31 januari 1590). Van Aelst moet zelf voor een woning en het benodigde gereedschap , zorgen en de overeengekomen pachtgelden op tijd voldoen. Uit verdere gegevens blijkt, dat het hier om een papiermolen ging, die op een tweetal schepen in de Waal verankerd lag en waarvan het zeer brede onderslagsrad door de stroom werd gedreven.
Op het ene schip zal de papiermolen gestaan hebben, terwijl de as van het rad vermoedelijk gerust heeft op het andere vaartuig, dat door balken stevig met het molenschip was verbonden. Dit soort watermolens duidt men aan met de naam "scheepsof schipmolens”. 52) Ze zijn waarschijnlijk het eerst gebruikt bij het beleg van Rome door de Oostgoten in 536. Behalve van Tiel vinden we in ons land ook schipmolens vermeld bij Deventer (1438), Zutphen (1486), Nijmegen (1547) en Maastricht. Er hebben verschillende typen van deze molens bestaan, waarop hier niet verder ingegaan kan worden. Hans L van Aelst werd op 13 september 1590 toegelaten als poorter van de stad Tiel. Hij werkte er samen met Gerrit Verstap, die in een stuk van 9 februari 1591 als papier maker te boek staat. In Tiel ging het Van Aelst al evenmin voor de wind, want op 24 november 1591 53) lezen wij van "die pappiren molen scheepen alhier nu inden gront gesenckt Iiggende”.
Hieruit blijkt dus, dat de schepen, waarop de papiermolen had gestaan door een niet nader genoemd ongeval waren gezonken. Hiermede was aan het kortstondig bestaan van de eerste Gelderse papiermolen een einde gekomen. De onfortuinlijke Hans van Aelst verhuisde toen opnieuw, ditmaal naar Arnhem.

Hans van Aelst de stichter van de eerste papiermolen op de Veluwe (1591)

Van Aelst heeft zich door de in Tiel geleden tegenslag niet laten ontmoedigen. Hij begint in zijn nieuwe woonplaats met frisse moed en treedt in onderhandeling met de magistraat, die hem op 16 november 1591 54) octrooi verleent voor de tijd van 10 jaar om een papiermolen te stellen in het schependom van Arnhem. Bovendien vraagt Van Aelst inwilliging van de volgende voorwaarden: vrijstelling van wachtdienst en verlening van het burgerschap der stad. Ook hieraan zal worden voldaan, doch pas wanneer de molen daadwerkelijk in bedrijf zal zijn. Arnhem was wel erg gebrand op de vestiging van de papierindustrie binnen zijn grenzen, doch wenste tevens - misschien in verband met de gebeurtenissen te Dordrecht en Tiel - na niet al te lange tijd verzekerd te zijn van een volledig werkend papierbedrijf.
Hans van Aelst is met zijn octrooi-aanvrage juist op tijd, want reeds in het volgend jaar verschijnt een tweede gegadigde. Dit vertelt ons een resolutie van het stadsbestuur van 20 juni 1592, waarbij aan Hans Alleman, die we later ook in Apeldoorn zullen ontmoeten op een boete van 50 goudgulden verboden wordt een papiermolen op het grondgebied van Arnhem te leggen. Zulks op grond van het aan Hans van Aelst verleende octrooi voor het stellen van een molen. De bouw van de eerst Veluwse papiermolen - vermoedelijk een normale boven- of onderslagsmolen duurde tamelijk lang en Hans van Aelst overleed reeds voor het gereedkomen van het bedrijf. Dit moet voor 7 september 1593 zijn gebeurd, want op die datum schenkt de Arnhemse magistraat toestemming aan de weduwe van Hans van Aelst de "aengefangenen nijhen pampiermoelen” te voltooien. Zij mag echter geen andere molens leggen en is verplicht op haar molen allerhande soorten papier te "slaen”: wit, wit-grauw, blauw en bordpapler.
Evenals in Dordrecht en Tiel is het Hans van Aelst ook in Arnhem niet vergund geweest een bloeiend papierbedrijf te stichten. Toch staat zijn naam niet alleen met gulden letters geschreven in de geschiedenis der Nederlandse papierindustrie, doch in niet mindere mate in de historie van de Veluwse papiermakerij. Zijn werkzaamheden te Dordrecht maken hem tot de stichter van de papierfabrikage in ons land; zijn arbeid in Tiel stempelt hem tot de eerste papiermaker van Gelderland, terwijl de stichting van de Arnhemse papiermolen hem verheft tot de grondlegger van het papierbedrijf op de Veluwe. Het met zoveel tegenslag begonnen werk van Hans van Aelst is door zijn weduwe Godeline de la Rame met meer succes voortgezet. Ze hertrouwde enige jaren later met de papiermaker Pieter Jacobsz. van de Poel. Samen met haar man en kinderen, benevens enige Amsterdamse kooplieden, bouwde ze een bloeiende buitenlandse papiergroothandel op, die in hoofdzaak papier exporteerde. Dit bedrijf groeide uit tot een grote "compagnie van handel”, voornamelijk in "bruin” papier op Engeland, welke onderneming tot ver in de 17e eeuw bijna de gehele Engelse markt van dit produkt voorzag. Omstreeks 1630 waren nog alle kinderen uit haar beide huwelijken deelgenoten in de compagnie, welke papiermolens bezat in Apeldoorn, Arnhem, Hulsbergen en Rozendaal. Uit de echtverbintenis van Hans van Aelst met Godeline de la Rame werden de volgende kinderen geboren:

1. Andries Jansz. van Aelst, boekdrukker en boekverkoper te Zutphen, vanaf 1623 medeéigenaar van een koren- en papiermolen te Apeldoorn. In verband met deze molen (kaart nr. 12) wordt zijn naam hier echter al in 1618 genoemd. Zijn kinderen zijn betrokken geweest bij het koren- en papierbedrijf in Apeldoorn. Hij was op 17 november 1606 burger van Zutphen geworden en vestigde er een papierhandel, uitgeverij en boekwinkel, die de naam droeg "In den beslagen Bijbel”. Na de verkoop van zijn bedrijf aan Christoffer Lomeijer vertrok Van Aelst in 1630 naar Apeldoorn. De uitgaven van Lomeijer stonden 0p veel minder hoog peil dan de buitengewoon fraaie drukken van zijn voorganger Van Aelst.

2. Lodewijk jansz. van Aelst, was - samen met zijn broer Andries - deelgenoot in de Apeldoornse koren- en papiermolen. Hij had in 1623 ook twee papiermolens bij Rozendaal en wordt later genoemd in verband met een molen te Hulsbergen.
Lodewijk verbleef meestal in Apeldoorn; ca 1624 komt hij voor te Amsterdam. Hij was gehuwd met: a. Geertrui Elbers; b. Catharina Bisschop.

3. Frans van Aelst, geb. ca 1581, koperslager en papiermaker. Hij pacht in 1614 de Hulsberger oliemolen en verandert deze in een volmolen. In 1616 krijgt hij met Peter Jacobssen vergunning voor een koperoven aan de Ketelstraat te Arnhem. Na de dood van zijn stiefvader Pieter Jacobsz. van de Poel neemt hij diens papiermolen in Arnhem over (1625). Was dit de molen, die Hans van Aelst in 1591 had gesticht? Frans van Aelst was gehuwd met Judith Mom.

4. Truitgen van Aelst.

5. Lijntje van Aelst, gehuwd met Willem Jaspersz. van Meurs van Arnhem. Zij werden de ouders van de bekende Amsterdamse plaatsnijder en boekverkoper Jacob van Meurs.

6. Lieffken van Aelst.
Uit het huwelijk van Hans van Aelst’s weduwe Godeline (Godelieve) de la Rame met Pieter Jacobsz. van de Poel stammen Pieter, Abraham en Geertrui.
Pieter en Abraham dreven te Amsterdam een papier- en tabakshandel. Abraham vestigde zich later in Londen als vertegenwoordiger van de bovenvermelde papiergroothandel. Geertrui van de Poel huwde met de vervaardiger van kantoorboeken Abraham Willemsz. van Beijerland, die tevens als houder van "civetkatten” een der voornaamste parfumhandelaren was van ons land. Verder verwierf hij bekendheid als mysticus en als uitgever der werken van Jacob Bohme. De geslachten Van Aelst en Van de Poel hebben een belangrijke r01 gespeeld in het economischeen culturele leven der Noordelijke Nederlanden.

Johan Steenbergen sticht de eerste Apeldoornse papiermolen (1593)

Nog geen twee jaar na het eerste bericht over de Arnhemse molen van Hans van Aelst wordt ook al melding gemaakt van een waterpapiermolen op de Grift te Apeldoorn.
Het is eigenlijk een totaal onverwachte archiefvondst geweest, die mij op het spoor heeft gebracht van het stichten van een dergelijke molen te Apeldoorn in 1593. Voor 1957 werd als vaststaand aangenomen, dat in 1601 Marten Orges de eerste papiermolen in onze gemeente stichtte op de Beekbergense beek.
Nu kwam mij op 13 mei 1957 op het rijksarchief te Arnhem een minuut 55) in handen van een schrijven, gedateerd 4 mei 1603, dat door het Arnhemse Hof gezonden was aan Georgien Pannekoeck, scholtis van het ambt Apeldoorn. Op het eerste gezicht leek de inhoud niet erg belangrijk, maar toch zouden enige regels in dit stuk oorzaak zijn, dat een totaal andere kijk werd verkregen op het ontstaan der Apeldoornse papierindustrie.
Het bewuste schrijven bevatte een antwoord van het Hof op klachten van ingezetenen van het dorp Apeldoorn - speciaal die der Ordermark - over het ongeoorloofd weiden van schapen op hun markegronden. Het Hof gelastte de personen, die zich hieraan hadden schuldig gemaakt, zich in het vervolg daarvan te onthouden en met hun schapen niet verder te gaan dan "aen het Kerschoten aen die pampiermoelen und volgens aen den koirnmoelen.” In dit schrijven werd dus terloops de voor ons uiterst belangrijke mededeling gedaan, dat er in mei 1603 bij Kerschoten al een papiermolen lag en deze datum kwam wel heel dicht bij het jaar 1601 van Marten Orges. De vraag rees, zou het inderdaad Orges zijn geweest, die de eerste molen in het ambt Apeldoorn stichtte? Geen wonder, dat ik direct pogingen deed om meer over de molen bij Kerschoten te ontdekken. Maar waar moest gezocht werden? Een eerstvolgend archiefonderzoek leverde geen enkel resultaat op; een tweede keer gelukte het beter, er kwamen tal van verrassende gegevens voor de dag eveneens bij latere nasporingen. De voornaamste resultaten van dit speurwerk laat ik hieronder volgen.
Bij het doorzien van een staat 56) van ontvangsten en uitgaven van de voormalige geestelijke instellingen op de Veluwe stond daar onder het hoofd "Apeldoorn” de volgende post: "Die plaetz daer die Olie en Volmolen placht te staen op die grift heeft gepacht Johan Steenbergen die Jonge de tyt van XVI jaeren, ingegaen op Johannis, a 93 jaerlix voer 40 gl.” Hieruit bleek, dat gedeputeerden van Veluwen - als beheerders der bezittingen van het voormalig Convent van Monnikhuizen - de plaats, waar vroeger de olie- en volmolen stond op de Grift te Apeldoorn, met ingang van 24 juni 1593 voor 16 jaar verpacht hadden aan Johan Steenbergen de Jonge! Het betrof hier dus de plek, waar in 1434 door Johan Doys een oliemolen was gesticht en later (voor 1521) ook een volmolen kwam te liggen en zich nu de koperpletterij "De Vlijt” bevindt.
Van niet minder groot belang is een ander gegeven, dat voorkomt, in een specificatie 57) van de geestelijke goederen op de Veluwe, gedateerd 11 juni 1604. Hierin lezen we o.a. het volgende: "Jan Steenbergen heeft gepacht dat water totte pampiermeulen tot Apeldoorn voer XL gulden”. Deze pachtuitgifte blijkt te gelden voor een termijn van 16 jaar, waarvan in 1604 het 11e jaar is verstreken. Trekken we van 1604 de elf verstreken jaren af, dan zien we, dat de verlening der waterpacht eveneens plaats vond in 1593.Dat de eerste Apeldoornse papiermolen in opdracht van Steenbergen is gebouwd, vernemen we uit een verklaring (1643) van diens zoon Jan Steenbergen, waarin deze zegt, dat zijn overleden vader de papiermolen op de Grift heeft laten timmeren. Terloops maakt hij de opmerking, dat het een onderslagsmolen was met schoepenraden.
Verder vertelt hij dat het opstuwen van ’t water hoger "als het te vooren was”, aan leiding gaf tot een minder prettige verstandhouding met de omwonende landbouwers.
Deze mensen raakten steeds meer verbitterd op hem. Tenslotte kon Jan Steenbergen niet veilig een herberg in het dorp Apeldoorn bezoeken. Want het gebeurde wel, dat de boeren "bij hem quamen in die herbergen” met de bedoeling hem eens flink af te ranselen. Hij moest dan ijlings de gelagkamer verlaten en de benen nemen! Uit bovengenoemde gegevens blijkt zonneklaar, dat de eerste papiermolen te Apeldoorn in 1593 door Johan Steenbergen is gesticht.
Johan Steenbergen de Jonge (Jonge Jan Steenberch, jonge Mr. Jan Steenberg, Jan " Stiberch enz.) werd omstreeks 1550 geboren als zoon van Johan Steenbergen de Oude en diens echtgenote Elizabeth. Het geslacht Steenbergen ontleent zijn naam aan de boerderij Steenbergen in Zuidwolde (provincie Drenthe). Dit valt op te maken uit een boedelscheiding van 14 oktober 1626, waarbij de zeven zoons van Herman van Steenbergen - een broer van Johan Steenbergen de Jonge - de bezittingen van hun vader verdelen. Ongedeeld blijft 1/ 10 part in het huis van Steenbergen, Iiggende "tot Zuidwolden in ’t land van Drenten”. Nu nog komen in Zuidwolde Steenbergens voor.
Jonge Johan Steenbergen was - evenals zijn vader - koperslager in Vaassen en bezat daar een kopermolen, die op het terrein lag van de huidige N.V. Industrie v/ h Van Lohuizen en Co. Hij was gehuwd met Swaene van Hierden. Uit deze echtverbintenis is de zoon Jan geboren, die op 28 december 1643 getuigt, dat zijn vader destijds de papiermolen op de Grift te Apeldoorn had getimmerd. Over Johan Steenbergen (de Jonge) vernemen we nog op 12 september 1620; als zeventig-jarige legt hij dan een verklaring af in een proces over het vissen in de Grift tussen Wenum en de Griftse kopermolen te Vaassen. In een schattinglijst van 1600 komt de molen ook voor, dan wordt gesproken van "die Pantholders van de pampieren Meulen”. Op de volgende lijst (1601) zijn deze woorden doorgestreept.
Johan Steenbergen heeft omstreeks 1600 - misschien al eerder - zijn papiermolen te Apeldoorn verpacht aan Hans Alleman, die tegen 1602 deze pacht zonder voorkennis van Johan Steenbergen overdoet aan Peter van Bossenhoven te Dordrecht, waarover dan een kwestie ontstaat. Op 18 juli 1602 58) verklaart namelijk Van Bossenhoven, dat hij van Hans Alleman in pacht overgenomen heeft "sekeren Moelen, gelegen tot Apeldoorn, thobehorende den Convente van Munnickhuysen”, en waarvan Johan van Steenbergen de "neeste und principael pechter” is. Deze laatste had als daartoe gerechtigde later de molen "aen den gedachten Alleman in pacht overgelaten”.
De hiergenoemde Hans Alleman is dezelfde, die in 1592 een papiermolen wil stichten te Arnhem, hetgeen hem door de magistraat - vanwege het octrooi aan Hans van Aelst verboden wordt.
Hoe lang Hans Alleman hier in Apeldoorn papier heeft gemaakt, valt niet na te gaan.
Waarschijnlijk tussen 1596 en 1602. Alleman is een merkwaardig persoon geweest, die voortdurend met z’n medemensen overhoop lag. Zo verschijnt hij op 26 juni 1600 voor de Bank van Apeldoorn wegens een geschil met Jan Evertz. (Cloppenburch?) Op 6 december 1602 verlenen de Staten van Holland en West friesland hem octrooi voor het zetten van een papiermolen te Overveen bij Haarlem, die zonder water of wind zou werken. In de octrooi-aanvrage zegt Alleman, dat hij "die scientie ende wetenschap hadde om te maecken witte ende blauw pampieren midtgaders oyck die molens ende Instrumenten daertoe dienende”. Hoe het met de molen te Overveen gegaan is, vernemen we niet.
Het geschil tussen Johan Steenbergen en Peter van Bossenhoven wegens de eigenmachtige verpachting van de Apeldoornse molen door Hans Alleman wordt tenslotte in der minne geschikt, want op 15 september 1602 59) doet Steenbergen ter vermijding van "vordere twist und costen und moeyten van Rechtsvorderungen” de pacht van de papiermolen op de Grift te Apeldoorn "daer Hans Alleman Pampier op pleech tho slaen” over aan Peter van Bossenhoven en Johan Evertsz. Cloppenburch.
Met Johan Evertsz. Cloppenburch komt een nieuwe figuur naar voren. Cloppenburch, gehuwd met Floerken Wyllems, was in 1593 burger van Deventer geworden en daar werkzaam als boekdrukker, boekverkoper en papierhandelaar. Gedurende de eerstvolgende jaren is hij de voornaamste persoon op de Apeldoornse molen; Peter van Bossenhoven wordt zelfs niet meer met name genoemd. In 1604 60) vraagt Cloppenburch vergunning aan de magistraat van Deventer om in de omgeving der stad een lijmkokerij of lijmziederij te mogen oprichten. Hij motiveert zijn verzoek met o.a. te vermelden, dat hij jaarlijks grote hoeveelheden lijm nodig heeft voor het lijmen van papier, dat vervaardigd wordt op zijn papiermolen "over (= voor) een jaar offte twee te Apeldoorn in de Veluwe toegeset”. De vellen papier moesten vooraf gelijmd worden eer ze voor schrijfpapier geschikt waren. Uit Cloppenburchs schrijven valt op te maken, dat de Apeldoornse molen heel wat produceerde. Aan het slot van zijn verzoek maakt hij een merkwaardige opmerking over de Hollanders (hiermede bedoelt hij de bewoners van het westen des lands): "een volck, dat alle neringe soeckt tot sich te trecken, van daerment naemaels ten duursten wederom copen moet”. Cloppenburch overleed reeds in 1605, waarna we pas op 23 juni 1608 weer iets over de molen horen. Dan krijgt Matys van Sirck (Serrik, Sirich, Syrick, Sierick), waard in de Zwaan, twaalf jaar verlenging van pacht voor de ons zo bekende "plaetse mit dat kampken, gelegen ’t Apeldoorn op die Grifte, daer die Munnickhuyser Olymoelen ind Volmoelen plach te staen, und daer naderhant enen pampiermoelen gemaeckt is”. Van Sierick was voor 1608 dus al pachter van de grond, waarop de molen stond. Bij de pachtverlening in 1608 moet Mathijs als eenmalig "opgelt” van iedere gulden een halve stuiver geven voor de armen.
Gedeputeerden verwijzen bij de verlening in 1608 naar de oude voorwaarden van de rekenkamer, gedateerd 29 januari 1593. We konden het desbetreffende stuk helaas niet vinden. Uit het bovenstaande zou men de conclusie kunnen trekken, dat de vergunning aan Johan Steenbergen voor het leggen van de eerste papiermolen te Apeldoorn reeds op 29 januari 1593 moet zijn verleend. Uit verdere gegevens valt op te maken, dat Mathijs van Sierick niet alleen, doch samen met een andere herbergier, eigenaar was van de molen. De beide waards hebben natuurlijk niet zelf papier gemaakt, maar de molen als beleggingsobject benut en het eigenlijke werk door een ervaren papiermaker laten verrichten. Misschien was deze persoon "bedrijfsleider”, mogelijk alleen pachter. Naar aanleiding van een geschil, dat in 1616 behandeld wordt voor de Bank van Apeldoorn, kunnen we met het nodige voorbehoud zeggen, dat dit misschien Jan Thonis is geweest. Uit de gerichtssignaten van de Veluwe over 1616 blijkt namelijk, dat er in die tijd een hooglopende ruzie is ontstaan tussen Jan Thonis "pampiermaecker” en zijn huisvrouw Maeyken, beiden woonachtig in het dorp Apeldoorn, met Jan Kuyper en diens echtgenote Gerritken. Volgens Jan en Maeijken zouden de twee laatstgenoemden nogal hardhandig zijn opgetreden tegen Maeyken en haar moeder Jenneken van Baden, weduwe van Giliam. Na een woordenwisseling komt het tot handtastelijkheden. Gerritken opent het gevecht, slaat beide andere vrouwen "dapperlijok” met vuisten en trekt hen de mutsen van ’t hoofd. Midden in het strijdgewoel verschijnt Jan Kuyper en gaat onmiddellijk tot actie over. Hij geeft Maeyken een flinke opstopper, neemt een steen of ander "instrument” en brengt haar daarmee een bloedende wonde toe in "haer aengesicht boven haer ooge”. Aldus het verhaal van Jan, Maeyken en Jenneken voor de scholt van Apeldoorn bij bet indienen van een klacht tegen Jan Kuyper en zijn vrouw Gerritken. De aanklagers stellen als borgen Bernt Spickerhuis "weert in den moriaan” en Mathijs van Sirck, herbergier "int roode hert alhyer”. (Mathijs is in 1623 ook nog waard in de Swaan; het Roode Hert lag aan de tegenwoordige Hoofdstraat op de plek waar zich nu het Beekpark bevindt). Wanneer men nu straks zal zien, dat de papiermolen in 1623 verkocht wordt door Mathijs van Sierick en een waard in de Moriaan, lijkt de veronderstelling, dat Jan Thonis op hun molen papier maakte, toch niet helemaal verwerpelijk. De beide bij de strijd betrokken partijen zullen alle twee wel schuldig zijn geweest, want in de uitspraak van 22 juni 1616 wordt de aanklacht van Jan Thonis ongegrond verklaard en de betrokken personen bevolen elkaar voortaan niet meer met woord of daad te "molesteren” op boete van 25 goudgulden. Jan Kuyper of Cuper komt in een belastinglijst van 1618 voor in de omgeving van de papiermolen. Omstreeks 1618 ligt er bij de papiermolen ook een kopermolen, die eveneens toebehoort aan de herbergiers in de Moriaan en het Rode Hert, en dan verpacht is aan Andries en Lodewijk van Aelst, zoons van de bekende Hans van Aelst. We hebben al eerder gezien, dat beide Van Aelsten nogal eens overhoop lagen met de eigenaars van de beneden gelegen zeemmolen.
De aanwezigheid van een kopermolen daar ter plaatse op de Grift maakt het voor ons niet gemakkelijker om de historie van de papiermolen steeds te scheiden van die der kopermolen. In 1623 gaat de koren- en papiermolen over aan Andries en Lodewijk van Aelst, want op 11 februari van dat jaar verkopen de herbergier Mathijs van Serrik en de waard Jan Gerritsen in de (Oude) Moriaan aan Andries Jansen van Aelst en diens broer Lodewijk van Aelst een papier- en kopermolen op de Grift, gelegen naast de molen van Claes Pannekoek, gehuwd met Cornelia Jansen. Vermoedelijk moet dit "gelegen naast” nogal ruim opgevat worden en hebben wij bij de molen van Claes Pannekoek te maken met een watermolen op het terrein van de Stinkmolen. In een akte van 26 juli 1623 verklaart Andries Jansz. van Aelst, dat zekere papier- en kopermolens op de Grift te Apeldoorn voor de ene helft hem toebehoren en voor de andere helft het eigendom zijn van zijn broer Lodewijk van Aelst.
Met de komst van de gebroeders van Aelst breekt voor de eerste Apeldoornse papiermolen een tijd van grote bloei aan. Het bedrijf in Apeldoorn draagt in hoge mate bij tot de groei van de door ons reeds eerder genoemde papiergroothandel op Engeland.
Ook om binnenlandse orders zitten de Van Aelsten niet verlegen. Want twee Rotterdamse kooplieden beklagen zich over Lodewijk van Aelst, wonende te Amsterdam, wegens het niet nakomen van een contract van 29 mei 1623 61), waarbij de laatste zich had verplicht "om voor den tijt van twee aeneenvolgende jaeren aen henluyden te leveren alle het pampier, dat hij, van Aelst, op syne twee molens, staende tot Rosendael in Gelderlant, alsmede op eene molen, staende tot Appeldoorn, soude laeten maecken”.
Een enkele keer gaat het bedrijf minder goed. Dit is het geval in het jaar 1629. Dan belegert stadhouder Frederik Hendrik de sterke vesting 's Hertogenbosch. Om hem te dwingen het beleg op te breken, doet Graaf Hendrik van den Berg met een Spaans Duits leger een inval op de Veluwe. Amersfoort valt in handen der Duitsers, terwijl de Spanjaarden van hun kant proberen de Veluwse steden Hattem en Harderwijk in te nemen. Hun pogingen leveren geen succes op, waarna het Spaanse leger naar Heerde, Epe, Vaassen en Apeldoorn trekt en tenslotte niet beter weet te doen dan deze plaatsen leeg te plunderen en te verbranden. Bij de nadering van de vijand had een deel der Apeldoornse bevolking in allerijl de vlucht genomen naar de omliggende steden met medeneming van have en goed. Honderden ingezetenen konden echter geen wagens en karren krijgen en waren zodoende genoodzaakt met hun bezittingen in Apeldoorn achter te blijven. De Spanjaarden slepen ook "alderhande huisraet” van Andries en Lodewijk van Aelst weg en steken hun huizen in brand. Er wordt niet vermeld of hierbij tevens de papiermolen in vlammen is opgegaan. In elk geval heeft de papierfabrikage onder al deze narigheid flink geleden.
Naar aanleiding van de inval der Spanjaarden verschijnt in 1630 een kaart - aanwezig in het Historisch Museum Moerman - waarop een gedeelte der Veluwe voorkomt, met langs de IJssel de bruggehoofden en versterkte legerkampen der vijandelijke troepen.
In de omgeving van Apeldoorn zien we ettelijke papiermolens getekend, waarvan


Molens op de Grift aan de Brink te Apeldoorn, naar gedeelte van een kaart uit 1708.
Geheel onderaan het kaartje loopt de beek van het Slop, daarboven de Grift.
Reeds ligt de papiermolen Tepelenberg aan een zijaftakking van de Grift naar de beek van het Slop.
Verder stroomafwaarts staat de korenmolen en daartegenover aan de rechterzijde van de Grift de papiermolen De Verbrande Molen.
Boven de Grift bevindt zich de tegenwoordige Hofstraat, in het midden de huidige Christiaan Geurtsweg.

Watermolencomplex op de Grift aan de Brink te Apeldoorn, gezien vanaf de Christiaan Geurtsweg.
Links op de afbeelding het voormalige papiermakershuis met de vroegere molen;
aan de overzijde van de beek de beide molens van Christiaan Geurts, vooraan de oliemolen, daarachter het maalbedrijf.
Rechts staat het muldershuis.
Het water geheel rechts is de beek van het Slop.
Olieverfschilderijtje omstreeks 1890.



De Watermolens op de Grift aan de Christiaan Geurtsweg.
Links op de afbeelding het woonhuis behorende bij de voormalige papiermolen.
Aan de overkant van de beek de oliemolen, daarnaast de woning van de mulder.
Reproduktie naar foto uit ca. 1890.





Het molencomplex Geurts aan de Brink te Apeldoorn vanaf de bovenbeek.
Aan de linkerkant van de Grift de koren- en oliemolen, rechts de vroegere papiermolen met woonhuis.
Aan de beek de korenmolenaar Thomas Thomassen.
Reproduktie naar prentbriefkaart omstreeks 1900.




aantal en de ligging niet kloppen. In verband met de papiermolens op deze kaan heeft A. Schulte onder de titel "Die Papiermacherei bij Apeldoorn 1629" o.a. het volgende 62) geschreven: . . . "Wie snell sich darauf in diesem Gebiet die Papiermacherei entwickelt hat, zeigt uns nur diese Karte mit ihren 6 - 8 Werken im Jahre 1629.
Sie riickt Apeldoorn an die Spitze der damaligen Papiermacherei der heutigen Niederlande und macht uns die spatere hohe Bedeutung dieses Gebiets historisch verstandlicher”.
Zoals we zien, wordt in het aangehaalde artikel gesproken van 6 - 8 molens; in werkelijkheid lagen er toen (1629) al meer dan 14 papiermolens op het gebied van het huidige Apeldoorn. Dit doet het belang van de toenmalige Apeldoornse papiernijverheid nog des te meer uitkomen. Op 29 maart 1636 sluit Andries van Aelst een belangrijk contract 63) af met Anthonij Jacobsz, de la Lije over grote lompenleveranties voor zijn papiermolen te Apeldoorn. Gedurende de eerste maanden moet om de drie weken geleverd worden 1000 pond grof en 1000 pond "fijn lijnwaet anders genoemd lompen, waer af het wit papier gemaeckt wert”. Daarna zal Jacobsz. de la Lije binnen één jaar afleveren resp. 30.000 pond fijne en 40.000 pond grove lompen, die in gedeelten, op zijn minst eenmaal per 3 weken, gestuurd moeten worden tegen een prijs van twee en dertig stuivers en acht penningen voor de grove en drie gulden vijf stuivers voor ieder pond fijne lompen. In het contract wordt bedongen, dat de dochter van de verkoper voor één keer een bedrag van 25 carolus gulden zal krijgen "tot een . .. vereeringe”. Uit de levering van 70.000 pond lompen in één jaar tijds, blijkt duidelijk de grootte van het Apeldoornse bedrijf der gebroeders Van Aelst. Want de gemiddelde hoeveelheid lompen, die een Veluwse papiermolen per jaar verwerkte, bedroeg in het begin der 19de eeuw - in die tijd beschikken we voor het eerst over cijfers tussen 3000 en 6000 pond. Wel een enorm verschil. Een beeld van de omvang van de papierindustrie der familie van Aelst verschaft ons ook het verpondingsregister van het ambt Apeldoorn over 1648/49. Daarin lezen we, dat Steven Potgieter bezitter is van "een coopermolen met een pampiermolen van 22 backen” en ook van een "vervallen vulmolen”. De vermelding is niet geheel juist. Steven Jansen Potgieter een schoonzoon van Andries van Aelst, was maar gedeeltelijk eigenaar van het molencomplex. Wat echter het meest opvalt, is het aantal van 22 hamerbakken. Als men bedenkt, dat de papiermolens op de Veluwe destijds werkten met 2 a 7 bakken, kan men zich een voorstelling vormen van de geweldige betekenis van het toenmalige bedrijf op de Grift te Apeldoorn. Andries van Aelst, die in 1637 overleed, had de volgende kinderen: Catharina, Judith, gehuwd met Willem Jansen van Munnickhuijzen; Claesken (Klaasje), echtgenote van de eerder genoemde Steven Jansen Potgieter; Isaac (overleden voor 1651) en Hester, gehuwd met Daniel de Mareez. Op 3 november 1653 verkopen Steven Jansen Potgieter en zijn onmondige kinderen bij Claesken van Aelst verwekt, aan Willem Jansen van Munnickhuijzen, gehuwd met Judith van Aelst, de helft en aan Abraham Verhoef, echtgenoot van Maria die Bardt en Francientje die Bardt de andere helft, het gerechte vierdepart, dat zij hebben aan de "copper en pampiermolen”.
Steven Jansen en zijn vrouw was dat aangeérfd van hun voor 1651 overleden zwager en broeder Isaac van Aelst, terwijl Abraham Verhoef c.s. reeds een aandeel in beide molens bezaten, dat zij verkregen hadden bij de boedelscheiding van hun gestorven neef Daniel de Mareez. Steven Jansen was momber (= voogd) over Francientje die Bardt.
In 1659 verkoopt ook Abraham Verhoef een gedeelte van zijn aandeel in de molens aan Willem Jansen van Munnickhuijzen en Judith van Aelst. De akte is niet zo heel duidelijk en luidt ongeveer als volgt: 1659 Abraham Verhoef met diens vrouw Maria die Bardt en Francientje die Bardt aan Willem Jansen (v.M.), gehuwd met Judith van Aelst, 1/2 vierde part van de koren- en papiermolens, benevens de helft van "Berent . Pelenhof bij schuttinge copermoelle aan de Meulenbeke boven de Nieuwe Moriaan” en aan Catharina van Aelst 14 part. Laatstgenoemde doet op 24 juli 1663 eveneens aan zwager Willem Jansen van Munnickhuijzen en aan zuster Judith haar helft over " in de "coopermeulen ende de pampiermeulens genaemt de Monnickhuijzer meulen”, die zij ten dele van haar ouders geérfd, ten dele later aangekocht had. Op die 24 juli In 1663 hebben Willem Jansen v.M. en Judith van Aelst daar dan alles in eigendom.
Het complex "de Monnickhuijzer meulen” bestond toen uit 1 koper en 2 papiermolens.
We zien dat de drie molens bezit zijn geweest van de 5 kinderen van Andries van Aelst: Catharina, Judith, Claesken, Isaac en Hester. In de stukken van 1659 en 1663 is steeds sprake van meer dan één papiermolen, vermoedelijk heeft men het "vervallen vulmoleken” van 1648 eveneens tot papiermolen ingericht.
Willem Jansen van Munnickhuijzen overlijdt voor 1670, waarna zijn energieke weduwe Judith van Aelst het papier- en koperbedrijf voortzet, later geassisteerd door haar zoon Andries van Munnickhuijzen. Op 25 augustus 1678 verkrijgt Judith van Aelst de erfpacht van het Griftwater tussen de Apeldoornse korenmolen en Noord-Apeldoorn, zoals men uit een stuk van 1 november 1706 zou kunnen opmaken. De pachten van de tot de molen behorende gronden waren in de erfpacht begrepen. Gedeputeerden van Veluwe hadden genoemde erfpacht op 2 juli 1670 uitgedaan aan jonker Diederick van Baer. De originele erfpachtsbrief hebben we helaas niet kunnen vinden, zodat de letterlijke inhoud ons onbekend is. Uit een Landdagbesluit van 4 september 1667 vernemen we, dat Diederick van Baer de erfpacht vraagt van het water in Gelderland om daarop houtzaagmolens te leggen. Men wenst echter eerst te weten op welke waterlopen Van Baer dergelijke molens wil oprichten. Het zou de moeite lonen eens na te gaan, of er van de plannen van Diederick van Baer iets tot uitvoering is gekomen.
Van Baer doet bij transport van 25 augustus 1678 - en met "approbatie” (= goed‘ vinden) van gedeputeerden, gedateerd 10 oktober 1678 - de erfpacht van het water van de Grift over aan Judith van Aelst, wed. van Willem Jansen van Munnickhuijsen.
In de overdracht worden genoemd "alle het recht, gerechtigheijt en brieven van erfpacht met alle ’t water en alle erfgerechticheijt van de moolen of molensteede op de Grift tot Apeldoorn gelegen, neffens de gront van outsheer tot noch toe daer toe gehorende, dergestalt als het selve tot noch toe bij den Convente van Munnickhuijzen ofte d’Ed. Mog. Heeren Gedeputeerden des Veluwschen Quartier en desselfs pachters gepossideert, gebruijckt ende genoten is geweest.” Na lezing van het bovenstaande is het niet duidelijk welke voordelen Judith van Aelst van deze overdracht had. De erfpacht van water en grond voor de molens en molensteden waren toch van het begin af reeds in het bezit der Van Aelsten.
Diederick van Baer belooft binnen drie maand na de goedkeuring der overdracht door gedeputeerden alle daarop betrekking hebbende stukken aan Judith van Aelst te zullen doen toekomen. Blijkbaar is alles niet volkomen naar wens verlopen, hetgeen op te maken valt uit het antwoord dat gedeputeerden op 15 maart 1684 geven op een request van Judith van Aelst. Hieruit vernemen we, dat de heren op haar verzoek de "approbatie” (= goedkeuring) bevestigen van het transport door Diederick van Baer van de erfpacht van ’t water op de molen aen de Grift tot Apeldoorn aende suppliante gedaen”. De jaarlijkse erfpacht van 85 gulden moet door Judith van Aelst of haar erfgenamen worden voldaan aan de rentmeester der goederen van het voor toenmalige klooster Monnikhuizen. In diens rekening over het jaar 1693/ 94 vinden we onder "Ontfanck in Apeldoorn” dan ook de volgende post: "De Erfgenamen van Andries van Aelst hebben in Pacht het waeter en plaetse van de Molen tot Apeldoorn met een a twee Campkens Lant en sulcx voor de summe van vijf en tachtigh gulden jaerlijcx vrij gelt.” Er wordt niet gesproken over de erfgenamen van Judith van Aelst, doch over die van haar vader Andries. Er is hier alleen maar sprake van het "waeter en plaetse van de Molen tot Apeldoorn”, verder niet.
We gaan thans weer een aantal jaren terug en zien Judith van Aelst in 1678 onvermoeid bezig met de uitbreiding van haar bezit. In samenwerking met haar zoon Andries verwerft deze actieve zakenvrouw op 6 december 1678 van Hendrik Jurriens Pannekoek en Marietje Tonis de helft van de vierbakspapiermolen aan de oostzijde van de Grift "aldernaest de coopermoole”. Vooraf moeten de verkopers eerst nog zorgen voor een nieuw waterrad. Zeven jaar later (21 juli 1687) koopt Judith het andere gedeelte van de molen en heeft deze dan geheel in eigendom. Maar ze is nog niet tevreden, want aan de westzijde van de Grift ligt beneden haar molencomplex een andere papiermolen, die in 1670 toebehoort aan Hendrik Bartels. Judith slaagt erin - wanneer is niet bekend - deze molen eveneens aan te kopen. De hier genoemde papiermolens hebben te maken met de Stinkmolen in de Noord-Apeldoornse mark. Bij de geschiedenis van de Stinkmolen(s) komen we op deze aankopen nader terug.
Op 30 oktober 1678 verpachten Judith van Aelst en Andries van Munickhuijzen aan Aert Gerrits Hulshoff en diens vrouw Janneken Hessels Leemhorst de bovenvermelde papiermolen van 4 bakken aan de oostzijde van de Grift, benevens 2 bakken van de "onderste meulen naest water aan de westzijde van de Gryft” voor 220 Carolus gulden per jaar. Later blijken de molens niet meer te behoren aan de eigenaars van de papier- en kopermolen. Wel wordt de waterpacht ook verder steeds aan hen betaald.
Wanneer Judith van Aelst is overleden weten we niet. Dit zal al voor 17 oktober 1691 zijn geschied, want dan wordt een overeenkomst over de plaatsing van een peilpaal in de Grift beneden de Monnikhuizer koren- en papiermolens getekend door haar zoon Jan van Munnickhuyzen. Vermoedelijk is zoon Andries eveneens voor die datum gestorven. In 1701 hertrouwt zijn weduwe Catharina Kemp met Adriaan Buitenwech.
Op 1 november 1706 worden de "coeper en pampier moele tot Apeldoorn, de Erfpacht van ’t water comende van de voers Coeper ende pampier moelen en het water lopende van de gemelte Coeper en pampier moelen tot Noort Apeldoorn neffens de landerijen daer toe gehorende toebehorende voor de helfte Jan van Munnickhuijsen ende sijne kynderen” bezwaard met 1450 gulden ten behoeve van Benjamin van Brienen. Even eerder (12 mei 1706) waren de koren- en papiermolens reeds tot onderpand gesteld wegens een schuld van 5000 gulden aan de Apeldoornse scholtis Gerard van Brienen door Jan van Munnikhuijzen, weduwnaar van Anna Kemp,  Adriaan Buitenwegh, gehuwd met Catharina Kemp; Willem en Suzanna van Munnickhuijzen, kinderen uit het huwelijk van Andries van M. en Catharina Kemp.
We slaan thans een aantal jaren over en komen bij 25 juli 1785. Uit een akte van die datum blijkt, dat Jacob van Wechel en Derk Timmer, benevens diens zoon Willem, eigenaars zijn van de kopermolen op de Grift. In 1798 was daar echter geen koperbedrijf meer, want uit de "Registratie der lngezetenen” van het kerspel Apeldoorn van genoemd jaar zien we, dat de kopermolen toen geheel was omgezet in een papiermolen. Jacob van Wechel is er "Fabriqueur” in papier. Als meesterknecht wordt vermeld Jan van Lil, daarop volgen de namen van 11 papiermakersknechts. Het was dus ook in die tijd een flink Veluws bedrijf.
In 1808 vindt weer een grote verandering plaats, want dan verkopen Jacob van Wechel en familie "een kopermolen, sedert geruimen tijd papiermolens, bestaande in een wrijfbak en 28 hamerbakken” voor 32.900 gulden aan de rentenier Pieter van Herzeele, wonende Rapenburg te Leiden, en Johannes Hermanus Gunning(h). Een buitengewoon hoge prijs voor de molens, vooral wanneer men rekening houdt met de voor de papierhandel ongunstige Franse tijd. Maar een bedrijf met 28 hamerbakken en een hollander was ook niet mis! Gunningh, die de leiding van het bedrijf in handen had en een tijdlang een watermerk voerde met het portret van Napoleon, kocht bij een veiling van domeinbezit op 16 maart 1812 voor 4472 francs de erfpacht "de la Source qui sy trouve”. Hiermede werd het waterrecht voor de Grift bedoeld. Vanaf die tijd beschouwde Gunning zich eigenaar van een groot gedeelte der Grift. Johannes Hermanus Gunning was tevens "maire de la Commune” (= burgemeester) van Apeldoorn. Hij werd op 23 november 1813 bij Het Loo door Franse soldaten gevangen genomen en naar Parijs overgebracht.
Pas op 29 mei 1814 keerde hij uit zijn ballingschap terug.
Twee jaar later (16 mei 1816) doet Pieter van Herzeele zijn aandeel in de papiermolen, dan "de Vlijt” geheten, over aan Gunning. Deze verkoopt 25 februari 1824 op zijn beurt de Vlijt aan Jan Hendrik Ameshoff voor de kapitale som van 81.500 gulden + 3 kapitalen te zijnen laste, samen 7850 gulden (deze laatste wegens een schuld, die nog op de voormalige koren- en papiermolens rustte). Gunning woonde toen met zijn vrouw Margaretha Rutgers op het huis Schoonbroek.
Over zijn uitgebreide bezittingen worden we ingelicht door een getuigenverklaring van 14 februari 1824. Ze omvatten o.a. "een papierfabriek, bestaande in vier wrijfbakken en 18 hamerbakken, stofkisten, twintig ijzeren parssen waaronder vier gesneden met metalen bussen en drie lijmparsen, zes dubbele kuipen met koperen kagchels, 3 droogzolders, droogschuuren met droogstrikken, Brandschuur, Pakhuizen, Twaalfknechts woningen met hunne Schuuren, Bouwschuur en Hooijberg, waaronder een Koetshuis en twee aparte bergingen voor wagens en bouwgereedschappen, benevens twee Heeren Huizingen, voor ’t eene eene Engelsche bloemtuin en daarnevens een boomgaard van appelen, peeren, pruimen en kerssenboomen, Tuinmans wooning, groote dubbelde moestuinen met ca 150 stuks Perziken, Abrikozen, wijngaarden en andere fijne vruchtboomen, eene zeer groote Schutting met Morellen, broeijen(?), loots tot berging van tuinmans gereedschappen en twee bosschen met opgaande boomen, hakhout en waaronder zware Eiken en Beuken, en eindelijk een koepel op een berg aan het eind van ’t groote Bosch . . . een Chineesche tent op een steenen voet, met een keuken er onder staande aan de grote of straatweg op Deventer en Zutphen”.
Tot zover een gedeeltelijke opsomming van Gunnings’ eigendommen. De hier genoemde "koepel op een berg” is later door kwajongens vernield. Het bergje, waarop hij gestaan heeft, ligt nog bij het kruispunt Van der Heijdenlaan-Alexanderlaan. De Chineesche tent op een stenen voet, met een keuken er onder, komt zo goed als zeker voor op een waterverftekening door Arie Lieman in het Historisch Museum Moerman te Apeldoorn.
Jan Hendrik Ameshoff, de opvolger van Gunning, laat op 31 oktober 1826 een notariéle akte opmaken met de eigenaars van de belendende gronden langs de Grift vanaf de Kostersbrug in het dorp Apeldoorn tot aan de papiermolen de Vlijt. De hem toebehorende stroken grond en dijken - ter breedte van 3 ellen 8 palmen aan weerszijden van de beek - worden afgebakend met 18 palen. Hij staat die gronden in erfpacht af voor een tijd van 99 jaar, de pachtprijs bedraagt 1 cent per jaar! Ameshoff bezat een warme belangstelling voor de prehistorie en trachtte steeds te verhoeden, dat oudheidkundige vondsten verloren zouden gaan. Aan zijn arbeid op dit gebied, waaraan menigeen heden ten dage een voorbeeld kan nemen, hebben we het te danken, dat veel van het gedurende zijn tijd in Apeldoorn gevondene bewaard is gebleven en een plaats heeft gekregen in het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden.
Een gemeentemuseum Apeldoorn bestond toen helaas nog niet.
De bekende ds Heldring, die zo veel voor Hoenderloo heeft gedaan, schrijft in een boekje 64) uit 1841 over de Vlijt en Ameshoff: "Hier toch ziet men, dat, ofschoon de kunst tot haren hoogsten trap van volmaaktheid te voeren, het doel van den heer Ameshoff is, en hij daarin op eene gelukkige wijze geslaagd is, echter een hooger doel: de zedelijke en godsdienstige beschaving, namelijk, zijner werkgasten, van hunne , vrouwen en kinderen, nauwer dezen edelen mensenvriend ter harte ging”. Dit komt ook tot uiting in een verslag over 1835 van de hoofdinspecteur van het onderwijs Mr Henricus Wijnbeek. We lezen daar o.a. het volgende: "Zoo bezocht ik in Apeldoorn eene zeer goede armenschool, waar een kweekeling van Prinsen, J. Kluyt genaamd, eere deed aan zijne opleiding. Hij telde meer dan 200 leerlingen. De kinderen, die in de groote papierfabrijk van den Heer Ameshoff arbeiden en in de week niet ter schole kunnen gaan, krijgen des zondagsavonds onderrigt van denzelfden onderwijzer.
Ook bejaarden, in die fabrijk arbeidende, worden daar toegelaten. De Heer Ameshoff en diens echtgenoote wonen dat onderwijs gezet bij en bekostigen hetzelve.” De armenschool te Apeldoorn lag aan de Vlijtseweg.
Ameshoff streefde voortdurend naar vernieuwing op het gebied der papierfabrikage en maakte de Vlijt tot een modelinrichting. Omstreeks 1840 had hij naast de bestaande molen een naar de eisen des tijds ingerichte stoompapierfabriek laten bouwen. Hierin bevonden zich een hollander of roerbak, gehouwen uit één stuk Namense steen, die 7500 pond woog en een hydraulische pers van 100.000 Nederl. ponden kracht; twee in deze omvang toen ongekende krachtwerktuigen in de Nederlandse papierindustrie.
Niet alleen de uitzonderlijk hoge koopprijs van de molen, maar vooral de bouw der nieuwe fabriek met een dergelijke grootscheepse inrichting moet Ameshoff genoopt hebben enorme bedragen in zijn bedrijf te investeren. Toch bleek de ondememing niet levenskrachtig te zijn, want al op 15 februari 1843 verkocht Ameshoff zijn papierfabriek aan Willem Hendrikus de Heus, eigenaar van een koperbedrijf en gasfabriek op het Vreeburg te Utrecht. De papiermolen de Vlijt wordt dan omgezet in een koperpletterij, die als zodanig nog steeds in werking is. Met deze gebeurtenis eindigt de .
historie van een uitermate belangrijke Apeldoornse papierfabriek, waarin tijden van vooren tegenspoed elkaar afwisselden en in welks rijke geschiedenis niet alleen de namen van Johan Steenbergen, Hans Alleman, Johan Evertsz. Cloppenburch, Potgieter, Gunning en Ameshoff, maar vooral die van Andries, Lodewijk en Judith van Aelst met ere vermeld staan. De geschiedenis van de overige papierbedrijven in onze woonplaats is te vinden in het hoofdstuk "De papiermolens van Apeldoorn”.

De oude handpapierberelding

"Prijkt de vindingrijke kunst ergens meer dan hier?
Van de onnutste vodden zelfs maakt men ’t nut Papier”.

(Rijmpje uit een kinderboekje van 1781 bij de afbeelding van het interieur van een papiermolen)

Voordat we ons bezig gaan houden met de andere papiermolens in de gemeente Apeldoorn, willen we eerst in het kort stilstaan bij de vervaardiging van het oude handpapier. Daarbij zullen zoveel mogelijk de technische benamingen achterwege blijven van de werktuigen die bij het maken van dit produkt nodig waren. Mocht iemand hiervoor toch belangstelling hebben, dan verwijs ik hem naar het artikel van H. G. D. Cramer: "Papiermakerij in vroeger tijd” (Bijdragen en Mededelingen Gelre, , dl. XIV. 1911). .

We begeven ons thans op weg om een kijkje te nemen in een oude Veluwse papiermolen. Onze wandeling voert langs de bedijkte bovenbeek; al gauw verbreekt een eentonig geklop de stilte der omringende natuur. Het zijn de hamers van het stampwerk, die dit geluid veroorzaken; een bewijs, dat de molen niet ver af kan zijn. Weldra zien we dan ook het houten gebouw met zijn voor de Veluwse papiermolens zo typerend dak. Schuimend en bruisend stort zich het beekwater op de schoepen van het rondwentelend rad. De half geopende deur noodt tot binnentreden. Een schaars licht valt door de kleine ramen en werpt een eigenaardig schijnsel op het interieur.
Het regelmatig geklop en gestamp der hamers vestigt onmiddellijk de aandacht op een onmisbaar onderdeel van de molen. Een door het waterrad in beweging gebrachte zware houten as doet door middel van in de as aangebrachte nokken (vuistels) van acaciahout een aantal - 5 a 7 - grote houten hamers afwisselend op en neer gaan.
De aan de onderkant van koperen wiggen voorziene hamers vallen in een met water en stuk gesneden linnen lompen gevulde bak (hamerbak) en vermalen na 6 a 12 uur de Iompenmassa tot de zogenaamde papierstof. Tijdens dit proces zorgt een regelmatige toevoer van schoon water voor de reiniging der lompen. Het daarvoor benodigde water werd door middel van houten buizen vanuit de bovenbeek of uit een speciaal daarvoor gegraven wijer naar de hamerbakken geleid. Bij de Hennemansmolens te Apeldoorn heette deze wijer dan ook de waswijer. Het overtollige water kon door een met fijn kopergaas voorziene opening weer uit de hamerbak worden verwijderd; zo nodig sloot men de toe- of afvoer af. De zich voor de opening bevindende hamer - de was- of roerhamer perste het vuile water door het gat heen en hield tevens de lompenpap gestadig in beweging.
Omstreeks 1700 deed de "hollander” zijn intrede in de papiermakerij en verdreef vooral in de Zaanstreek voor een deel het gebruik der hamers. Soms deden beide werktuigen naast elkaar dienst. De hollander is een ovale bak of trog, die door een tussenschot in de lengte in twee helften wordt verdeeld. Dit schot loopt echter niet geheel door, zodat, wanneer de bak met lompen en water is gevuld, deze massa een kringloop kan beschrijven. De circulatie wordt teweeggebracht door een wals of cilinder, die van een aantal messen is voorzien. Op de plaats, waar deze messen de bodem raken, bevinden zich eveneens messen. Wanneer men nu de hollanderwals laat draaien - nadat eerst water en lompen in de trog zijn gedaan - wordt, in korter tijd dan met hamers, eveneens papierstof verkregen. Een kap op de hollander dient om het wegspatten van de stof tegen te gaan.
De hollander is een Nederlandse vinding, die tegen het einde van de 17e eeuw in de Zaanstreek het eerst werd toegepast. Pas veel later verscheen dit werktuig op de Veluwe; in 1808 was er in Apeldoorn nog maar één molen met hollanders. Er lagen in 1828 in Gelderland 19 papiermolens, die zowel met hamers als hollanders werkten, terwijl alle andere bedrijven uitsluitend van hamers gebruik maakten.
Nadat de lompen in de hamerbakken of in de hollanders tot papierstof vermalen zijn, kan de vervaardiging van het handgeschepte papier een aanvang nemen. De stof wordt nu met behulp van een houten beker uit de hamerbakken of hollanders in een vat geschept. Telkens als dit vat vol is, stort men de inhoud over in een grote kuip, de stof- of schepkuip. Wanneer de kuip voldoende papierstof bevat, begint de papierschepper zijn arbeid. Hierbij gebruikt hij een "vorm”, een houten raam met een weefwerk van koperdraden. Om dit raam bevindt zich een afneembare rand, het "deksel”.
De koperdraden liggen zo dicht bij elkaar, dat de dunne lompenvezels er op achterblijven, maar het water er tussendoor kan wegvloeien. De papierschepper dompelt de vorm loodrecht onder in de dunne papierstof, heft daarna het schepraam horizontaal omhoog, waarbij het overtollige water over de rand in de kuip terugvloeit. Vervolgens schudt hij de vorm van links naar rechts en van voren naar achteren. Hierdoor zakt niet alleen het nog overgebleven water weg, maar krijgen de papiervezels een zekere samenhang. Een teer vel papier is reeds ontstaan. Na het afnemen van de losse rand schuift de schepper over een plank, die "schietplank” heet, de schepvorm door naar een andere arbeider, de "koetser”. Deze keert de vorm met het nog broze product om, drukt het papiervel op een gereed gelegd stuk vilt en neemt meteen de schepvorm weg. Zo gaat het aan één stuk door, totdat een bepaalde hoeveelheid vellen - steeds door vilten van elkaar gescheiden - gereed staat, de zogenaamde "post”. De post komt dan onder de natpers voor het verwijderen van het nog steeds aanwezige vocht.
Zo’n pers moest een flinke kracht kunnen ontwikkelen en was van zeer zware constructie. Bij het persen had men de hulp van alle arbeiders nodig; door het blazen op een koehoom werd hiervoor al het volk van de molen bijeen geroepen. Na afloop van dit zware karwei begon de taak van de "legger” of "leggerjongen”. Vaak waren dit jongens van 11 a 12 jaar. Voorzichtig neemt de legger vel voor vel van het zich daaronder bevindende vilt en legt de papiervellen op een stapel. De vrijgekomen vilten werpt hij achter zich. Het voortdurend gebukt staan bij hun werk - vooral van de leggerjongens - was oorzaak, dat vele papiermakers kromme benen, "papiermakersbenen”, kregen.
Het papier werd na het "leggen” opnieuw geperst; daarna ging het nog altijd vochtige product naar de "hangzolders” of "hangschuren” om te drogen. Aan de hoge hangzolders met de horizontaal hangende ventilatieluiken waren de Veluwse papiermolens direct als zodanig te herkennen. De vellen werden er in bundels bijeen aan klampen bevestigd of in volgorde van boven naar beneden over uit koehaar vervaardigde drooglijnen gehangen. Hierbij bediende men zich van lange houten stokken met een T-vormig uiteinde. Na het drogen was het papier nog niet geschikt voor schrijfpapier; de dunne schrijfinkt werd er door opgezogen. De dikkere drukinkt veroorzaakte echter geen last en zo drukte men in vroeger tijd de boeken vaak op het aldus bereide papier. Om het uitvloeien van de schrijfinkt tegen te gaan, werden de vellen na het drogen gelijmd. Dit gebeurde door de papiervellen één voor één onder te dompelen in een pot met verwarmde dierenlijm. Daarna kwamen ze onder de lijmpers.
Tenslotte werden de vellen gladgemaakt, gesorteerd en tot "riemen” verpakt. Om elke riem kwam een dekblad met het merk van de papiermaker, de zogenaamde "kap”. Het papier lag voor verzending gereed. Straks konden schrijvers en boekdrukkers hun werk beginnen.

"’t Papier, nu tot een boek geworden,
Is eens een voddenhoop geweest;
Gewezen lorren zijn de bladen,
Waarop gij thans uw versjes leest.

Indien gij later zelf zult schrijven,
Schrijf dan iets goeds en schrijf iets waars,
Iets wat verlichten kan en leeren,
Maar nooit iets kwaads en nooit iets naars.

Men mag papier van lorren maken,
Opdat men ’t door het schrift versier’,
Maar niet door d’inhoud van het schrijven,
Weer lorren maken van papier.”

(gedichtje van Dr E. Laurillard uit ca 1860 in een herdruk van het Vaderlandsche A.B. Boek uit 1781).




De papiermolens op Apeldoorns grondgebied

De papiermolens in Wiessel

Na deze onderbreking gaan we ons bezighouden met de geschiedenis van de andere papiermolens in het ambt Apeldoorn. Het geweldig aantal papierbedrijven, dat eertijds binnen de grenzen onzer gemeente in werking was, zal ons telkens weer tot beperking nopen. Want de historic der Apeldoornse molens is dermate uitgebreid, dat men daarover een zeer omvangrijk en boeiend boekwerk kan schrijven. Vanzelfsprekend zijn over de ene molen meer bijzonderheden bekend dan van de ander. Het is de bedoeling, telkens de papiermolens uit eenzelfde mark bij elkaar te behandelen. Daarbij verwijzen we - wat de ligging in Apeldoorn en Beekbergen betreft - steeds naar de nummers op kaartje I.

Huygensmolen in Wiessel (kaart nr. 1)

We beginnen in het noorden onzer gemeente en komen dam in de Wiesselse mark terecht bij de Huygensmolen. Deze papiermolen werd gelegd op een sprengenbeek, die later de naam "Meibeek” kreeg. Over de stichting van de molen is niets bekend.
In 1753 wordt Jan Huygen als eigenaar genoemd. Samen met zijn collega Tonis Dijkgraaf op de andere Wiesselse molen sluit hij op 3 mei 1753 een contract 65) met Daniel de Jong over het plaatsen van een peil in de beek boven diens kopermolen in Wenum (kaart nr 3). Op 15 maart 1798 transporteren Christina Bovendorp, weduwe van Jan Huygen en haar zoon Jacob Huygen c.s. een "waterpapiermole bestaande in een vijf Hamersbak en twee zes Hamersbakken met het woonhuys en Moolen Huys en met eygen water, staande de getimmertens op de grond van Hendrik Gemts (Bernts?) en Janna Janssen” voor f 2500, - aan Jacobus van Oorspronk en diens vrouw Everdina Christina Hanlé (Hanlé). Daniel de Jong van de beneden gelegen kopermolen moet de "halve ruyminge der Beeken en der Sprengen” bekostigen. In 1817 is Antonie Scherrenberg papiermaker op Huygensmolen; in 1850 Jacobus Scherrenberg. Op 5 mei 1886 verkoopt Jacobus Scherrenberg een wasserij met daarbij behorende gebouwen en gronden, gelegen te Wiessel onder Apeldoorn, aan Frans Palm. De schilderachtige houten molen met zijn rieten dak wordt op 2 juni 1896 afgebroken en vervangen door het tegenwoordige gebouw van de wasserij Palm (Zwerus), Wiesselse Enkweg 51. Jarenlang heeft er boven de beek nog een prachtig begroeid waterrad gehangen, dat in 1939 met de overblijfselen van het molenhoofd als brandhout is opgestookt.

Volgens het onderste stuk werd de plek, waar de olie- en volmolen van het voormalige klooster
Monnikhuizen "plach” te staan op de Grift, met ingang van 1593 voor de tijd van 16 jaar
verpacht aan Johan Steenbergen de Jonge.




Gedeelte uit een staat van pachtopbrengsten van het voormalige klooster Monnikhuizen, gedateerd 11 juni 1604.
Hieruit blijkt, dat Iohan Steenbergen - behalve de grond - ook het water van zijn papiermolen op de Grift te Apeldoorn
voor 16 jaar van Monnikhuizen had gepacht en dat in 1604 de pacht over het 11e jaar was verrekend.




Dijkgraafsmolen in Wiessel (kaart nr. 2)

Deze molen bestond al in 1648. Volgens het verpondingsregister van dat jaar behoorde het water in Wiessel toen aan Hendrik van Huet, scholtis van Apeldoorn en was door deze verpacht aan de ons al eerder bekende Steven Jansen Copersleger( Steven Janss Koopersmit, Steven Jansen Potgieter) van de Apeldoornse koren- en papiermolen.
Uit het verpondingskohier van 1648 blijkt, dat Steven Jansen eigenaar is van een papiermolen in Wiessel van 5 bakken. Mr. Steven Janss Koopersmit krijgt in hetzelfde jaar kwestie met de kleermaker Hans Blouwell over de betaling van "alsulcke pen,5 ningen, als hij Steven jaerlix aen den Scholtis alhyer moet betalen voor ’t gebruyck van een water over het goet die fraenwateriej sooder geseyt is loopende”. Hieruit kan men opmaken, dat de molen van Steven Janss was gelegen op de beek, die over het terrein van "de fraenwateriej” liep. Dit goed komt in 1648 ook voor als Crawaterij, in 1688 Krawaterij, in 1875 Katerij. Op die plek lag in 1950 nog een boerderij, die de Keuterij of Katerij heette. De bovenbeek buigt daar met een scherpe bocht af naar de plek, waar eens de papiermolen van Steven Jansen lag. Volgens de maancedule der verpondingen van het ambt Apeldoorn over 1652 (oud archief gem. Arnhem inv. nr. 5930) is Henrick van Huedt eigenaar en Steven Jansen Coperslaeger pachter van ’t water van "een pampiere meule tot Wiesel van 5 backen met een hoofken en de campken van 1/2 molder”. We lezen dat "huys en meule met het getimmer” de pachter zelf toekomen.
In 1727 66) heeft Claes Greve - als gevolmachtigde - aan Hendrick Dries, papiermaker te Wiessel voor f 4000,- verkocht "een papiermolen met vier vijfhamers Backen huys en schuer met al ’t gene daer in ende aen aerd en nagelvast is mitsgaders eygen water en grondt alsmede den hof en campje saeijlandt van omtrent een molder gesaeys, tijntvrij mit sijn holt gewassen in den ampte en carspel Apeldoorn buirschap Wijsel staende en gelegen toecomende aen Willem Greve en boedel”. Claes Greeve wordt in 1733 aangeduid als "meesterpapiermaker”. In 1747 zit Teunis (Lambers) Dijkgraaf op de molen, die naar hem is genoemd. Hij was gehuwd met Gerritje Henrix, misschien een dochter van Hendrick Dries. Hij had toen twee kinderen terwijl "een knegt en twee meiden” in dienst waren.
Op Het Loo is men enige tijd later bevreesd, dat door het eventueel graven van nieuwe sprengen in Wiessel door Dijkgraaf en anderen, de watertoevoer naar de fonteinen en cascades van het park verminderen zal. Om dit te verhinderen stelt de domeinraad - op last van stadhouder Willem V - pogingen in ’t werk de molen van Dijkgraaf in bezit te krijgen. Men komt tot overeenstemming en op 23 maart 1767 verkopen Teunis Gijsberts (?) Dijkgraaf en Gertjen Hendrix, echtelieden, hun "vier Vijfhamersbacks Water Papier Moole, Huijs, Hoff, Schuur . . . . mitsgaeders Eijgen Water en grond” voor 5100 gulden en "twee ducaten voor de Armen” aan prins Willem V. Een flink bedrag voor deze molen, maar de Oranjes waren niet krenterig bij hun aankopen.
Sindsdien wordt de papiermolen door de domeinraad verpacht. In 1793 komt Teunis Dijkgraaf nog als pachter voor op "Dijkgraafmolen” in Wiessel.
Tien jaar later is Frederik van Luik er "mr. papiermaker”. Van Luik was in 1788 gehuwd met Jacomina Dijkgraaf. In 1807 gaat de papiermolen als kroondomein over aan koning Lodewijk Napoleon. Pachter is dan nog steeds Frederik van Luik; het volgend jaar wordt Teunis (Teeuwis) Nijlandt als zodanig genoemd, hij betaalt 185 gulden pacht per jaar. Nijlandt gaat failliet; z’n opvolger is Adriaan Dobbenberg (1812—1814). Na de bevrijding van 1813 komt de molen weer in het bezit der Oranjes.
Bij een veiling 67) van Domeingoederen - gehouden te Arnhem op 15 december 1845 - wordt "de waterpapiermolen, bestaande uit huis, molen of molenwerk, stal " en koeschuur, gelegen in de buurschap Wiessel, belendende noord aan het Wiesselse veld, oost de Jongh, zuid de Katerij en west de bovenbeek, verkocht voor 3000 gulden. In 1858 is Willem de Heus eigenaar. Hij doet drie jaar later de papiermolen over aan Gerrit Jonker, echtgenoot van Johanna de Graaf. Onder Gerrit Jonker brandt de molen af, wordt weer opgebouwd en later omgezet in wasserij (Hafkamp). Thans vinden we op deze plek het hotel Sprengenhorst, Wiesselse Enkweg 35.




De papiermolens in Wenumer mark

Pannekoekspapiermolens (kaart 1 nr. 3)

Op 10 februari 1627 krijgt Jan Arienss (Jan Ariaensz.) van de rekenkamer het recht van ’t water van een "beecxken lopende door het Wenumermarck . . . om daerop een papiermoeltgen te doen timmeren ende leggen om papier te maecken, sonder anders waertoe te gebruicken tegen een erfpacht van vier gulden jaerlicx”. Arienss was kort te voren over het leggen van dit molentje op een "kleijn beecksken” tot overeenstemming gekomen met de geërfden der Wenumermark. Uit een belastinglijst van het ambt Apeldoorn over 1627 vernemen we, dat Luycken Hermens betalen moet voor de "Pampieren muele ’t Wenum”. Misschien is hier sprake van de molen van Jan Arienss, maar wat Luijcken Hermens daarmee te maken had, hebben we niet kunnen vinden.
Een Luijcken Hermans komt in 1592 al voor in Wenum.
Jan Arienss en zijn vrouw Naeltgen Janss benevens hun kinderen komen voor 1637 te overlijden. Over de nalatenschap ontstaat een kwestie, die bij uitspraak van het landgericht te Voorst van 25 augustus 1637 geregeld wordt. Hierbij gaat 2/ 3 deel naar Jan Willems en Jannetgen Janss als "Beste vader en Beste moeder (= grootvader en grootmoeder) aen d’eene sijde”, terwijl het resterende derde part toegewezen wordt aan Evert Willems en dien huisvrouw Trijne Gerrits, de laatste als "Beste Moeder aen d’ander sijde”.
Op 12 mei 1638 verschijnen Jan en Evert Willems voor de rekenkamer, waar ze te kennen geven, dat Jan Ariens destijds "buijten kennisse” van genoemde instantie het water van het beekje "met een goote hadde gesplitst ende noch een rad gelecht”. Ver . moedelijk zijn er toen twee molens gekomen. Jan en Evert Willems verzoeken nu de rekenkamer, dat deze "mits verhogende den erfpacht, sulcx mede Wilde toestaen”.
Hierop wordt goedgunstig beschikt; het tweede rad mag blijven hangen, mits voor het recht van ’t water in plaats van vier voortaan zes gulden betaald zal worden.
In de rekening van Rutger Huigens over 1639/40 (R.A. Gelderland, arch. Rekenkamer inv. nr. 4201, fol. 69) staat het volgende: "Jan Willems moellen voorhen Jan Andries voor een papiermoell op een beeckjen lopende door Wenumermarck voor 2/ 3 op Martini 1639 . . 4 £.
Evert Willems als man ende momber sijner huijsfr. Trijne Gerrits voor 1/3 als bij acte van 12 May 1638 betaelt op Martini 1639 . . 2 £”.
In 1652 vinden we er de papiermolens van Reijner Pannekoeck; vandaar de naam Pannekoeksmolen. Reeds in 1626 heet hij "Pannekoecks pampiren moole”. Reijner moet voor 1679 zijn overleden, want op 16 juni van dat jaar wordt het elfde part van twee papiermolens te Wenum, met huis en hof, door Roeloff Janssen en Trijntjen Reijnders tot onderpand gesteld. Dit elfde deel was hun aangeérfd, "door doode van zal. Reijnder Pannekoeck”. Volgens een getuigenverklaring 68) van 21 april 1732 is Jan Janssen Corthals eigenaar van 2 molens te Wenum "pannekoeksmolen genaemt”.
Corthals is dan "in de 80 jaren oud” en al meer dan 60 jaar papiermaker. In 1734 , wordt het bruggetje bij "Pannekoecksmolen” vernieuwd. De Rotterdammer Daniel de Jong(h) koopt in 1753 de beide Pannekoeksmolens en laat deze tot kopermolen in richten (de Rotterdamse kopermolen). Over de verkoop aan Daniel de Jong bezitten we een aantekening 69) van 30 juli 1753: "De erfgenamen van Cornelis Dries Nijlandt getransporteert een waterpapiermolen te Wenum aan de heer Daniel de Jong en Vrouwe A. E. E. Jordan Egteluiden voor f 3990.” Hiermede neemt de papiermakerij daar een einde.

Papiermolen bij de Wildekampweg te Wenum (kaart nr. 5)

Een andere papiermolen in de Wenumermark lag volgens een kaart uit 1708 op de beek beneden de waterkorenmolen (kaart l nr. 4), niet ver ten oosten van de Wilde kampweg. Enig spoor van verval of dijkwerk hebben we er niet kunnen ontdekken.
Wel trok een aantal prachtige kurkiepen langs de beek onze aandacht.
De papiermolen zal na 29 november 1690 zijn gesticht, want op die datum krijgt Cornelis Driessen de erfpacht van ’t water "van de Coorn molen tot in de Grift lopende” voor het luttele bedrag van 1 gulden en 10 stuivers per jaar. Doodgewoon een koopjel Met Cornelis Driessen moet dezelfde persoon zijn bedoeld, die in 1684 een papiermolen had bij het Loo (zie later kaart nr. 8). Hoogstwaarschijnlijk heeft de verkoop 70) op 27 januari 1711 van "seeckere halve molen plaetse, daer tegenwoordig coperen een pampiere molen hebben geset”, gelegen in de buurschap Wenum, aan de papiermaker Cornelis Driessen en diens vrouw Luijtje Wouters, betrekking op de molen bij de Wildekampweg. Er wordt voor de halve molenplaats een bedrag van 800 gulden gegeven.
Op 2 juli 1741 zitten Berend van Marle en diens vrouw Egbertje Dirks op de Wenumse papiermolen. Het echtpaar heeft in 1749 vijf kinderen, het personeel bedraagt 2 personen. De molen komt later in het bezit van Daniel de Jongh van de Rotterdamse kopermolen, want in 1767 verkopen Daniel de Jongh en zijn echtgenote A. E. E. Gordon aan de korenmolenaar Elbert Wijnbergen voor 1200 gulden "huis, hof, opstal van molenhuis, weleer tot een papiermolen gebruikt, laatst bij Berent van Marle gebruikt en bewoont sonder water of waterregt.” Hieruit kunnen we opmaken dat daar ter plaatse reeds voor 1767 de papiermakerij een einde heeft genomen.



De papierbedrijven in de mark van Noord-Apeldoorn

De papiermolen van 1629 op de beek van het (Oude) Loo (kaart l nr. 7)

In de eerste helft der 17e eeuw zijn op de Losebeek drie papiermolens gelegd, waarvan het water en de grond de heren van het Loo toekwamen. Op 2 maart 1629 verpacht Diderick van Stepraedt - de toenmalige eigenaar van het kasteel - aan Evert Toenisen (Toenis) en diens vrouw Meritgen Diericx de "moelenbeeck met den OlyI moelen hoof, ende die plaetse opt velt teegen den voorss.hooff, om daer op te timmeren ende te setten een moelenhuys, om papier daer op te maecken.” In de erfpacht brief lezen we welke soorten papier er op de molen mochten worden gemaakt, namelijk , "weijt, grau als blau”. Er mag echter geen "gemaell van Cooren, Eeck ofte Olij” “ plaats vinden. Uit deze laatste bepaling zou men misschien kunnen opmaken, dat in 1629 - behalve de korenmolen - ook de in 1547 nog tot het Loo behorende eek- en oliemolens in werking waren.
De pachttermijn duurt 18 jaar en bedraagt jaarlijks 45 gulden "neffens noch eenen goeden riem schrijfpapier”. De pachter mag de molenbeek leiden vanaf de brug bij Peter Jans of tussen diens hof en schuur "het velt langes tot aen den hoeck van den kamp”, die Jan Adam van Van Stepraedt in pacht heeft. Vandaar langs de "graeff off sloodt” van genoemde kamp tot aan de "olijmoelen straedt”, waar de nieuwe beek weer in de oude bedding zal gebracht worden. Verder wordt bepaald, dat pachters altijd "een goede verlooren beecke sullen holden, om het waeter vant velt ende weegen daer in te lossen”. Evert Toenisen moet - samen met de korenmolenaar en ieder voor de helft - de "graeven in den Oorspronck” op tijd ruimen. Met deze graven in de Oorspronck zijn de oude sprengen bedoeld, die tegenwoordig door de steeds toenemende wateronttrekking aan de bodem geheel droog staan. In 1649 zit Evert Toenis nog steeds op de molen, later wordt Jan Cornelis genoemd. Na de aankoop (1684) van het Loo door stadhouder Willem lll vinden er in het terrein - wegens de aanleg der tuinen en waterwerken - grote veranderingen plaats. Hierdoor is het niet meer mogelijk de juiste ligging van de molen aan te geven. Het water van de papiermolen van 1629 wordt dan gebruikt voor cascades en fonteinen en kan zodoende geen dienst doen voor het drijven van het waterrad. Men breekt de molen af en richt het woonhuis in tot slachthuis. Hiermede eindigt de geschiedenis van deze papiermolen.

De papiermolen van Dries Cornelis bij Het Loo (kaart nr. 8)

Op 12 april 1641 verpacht Diderick van Stepraedt het water en de grond voor een tweede papiermolen aan Dries Cornelis voor 50 gulden per jaar. Deze papiermolen op de Losebeek kwam te liggen aan de westzijde van de tegenwoordige Zwolseweg, niet ver van de afvloeiing der huidige veldvijvers. Na de verwerving van het Loo door prins Willem Ill komt er in verband met de vele waterwerken geen voldoende water meer op het rad, waardoor het bedrijf onrendabel wordt. In zijn rekening over 1693 schrijft de rentmeester Mathias Sluyter, dat de papiermolen van Cornelis Dries wegens het gebruik van het water voor de cascades daarvan "geheel benomen was”, met het gevolg dat "sijn moolen onbruijckbaar gemaeckt wierd”. lntussen heeft de papiermaker Cornelis Driessen, een zoon van Dries Cornelis, het getimmer laten afbreken en omstreeks 1690 een nieuwe papiermolen gesticht in de Wenumermark (kaart nr. 5). Een tijdlang staat er dan in de omgeving van Het Loo geen papiermolen meer. Wel wordt het huis van de bouwman Jan Jacobs "daer weder geset”. In de omgeving van de vroegere molenplaats komen een zestal visvijvers. In 1699 waren deze vijvers voltooid. Walter Harris, de lijfarts van de koning-stadhouder, ziet bij een bezoek aan Het Loo in 1697 nog ongeveer 2300 man bezig met het graven daarvan. De zes visvijvers stonden met elkaar in verbinding, hadden een diepte van 2 meter en dienden voor het kweken van verschillende soorten vis w.o. forellen ten behoeve van de keukens van het paleis. In 1723 komt er op de plek van de afgebroken papiermolen weer een dergelijke molen te liggen. Want op 9 februari van dat jaar wordt een contract 71) gesloten tussen de heer van Schuylenburg, raad van "wijlen syne Koninklijke majesteit van groot brittanje” (= de koning-stadhouder) en de te Apeldoorn woonachtig zijnde papiermaker Hendrik Keijenberg. Hierbij komt men overeen, dat Keijenberg "sal vermogen een Nieuwen Papiermolen te doen maken en stellen op die grond en plaets beneden de grote visvijvers op Loo daer de Oude Papiermolen gelegen heeft alles op syn eygen costen”. Hij mag het water op zijn molen gebruiken "als het selve syne werkinge in en aen de waeterwerken op Loo heeft gedaen”. Het is niemand toegestaan dit water op "eenigerhande wijze beneden de fonteynwerken en Vijvers van die molen te diverteren off aff te leijden”. Het hier bedoelde water moet voor het grootste deel afkomstig zijn geweest van de fonteinen in de boventuin dat uit de benedentuin heeft zeer zeker niet op het rad kunnen lopen. Hendrik Keijenberg verplicht zich "sijn molen en waterwerken soodanig te reguleren "dat daer door aan eenige bovenleggende waterwerken off de daer beneden leggende watermolen eenig hinder, maer in tegendeel voordeel en meerder water werde toegebragt”. Zeer belangrijk is de verklaring, dat Keijenberg "alle de soerces beken en graven die van outs geweest en nog syn - uygesondert de soerces en graven van het Asseltse en Ordelse water — fournerende het water in de Reservoirs en Vijvers tot de sprengen, fonteijnwerken, en Cascades in en om de hoven en plantages op Loo, naer sijn welgevallen sal mogen diepen en ruymen, en vervolgens verpligt syn die soerces en graven van tijdt tot tijdt klaar en vloeibaar te conserveren, tot verkryginge van meerder water in de Reservoirs, Vijvers en op de waterwerken voornoemt”. Keijenberg neemt dus op zich het ruimen en uitdiepen van alle sprengenkoppen en beken, behalve die van de wateren uit Assel en Orden.
Het contract van 9 februari 1723 bevat de bepaling, dat door Hendrik Keijenberg voor de neerste zes jaren niets sal worden gegeven, doch dat tegens die vergunninge voor hem en seyne erven aenneemt en belooft de ses volgende jaren jaerlyx 75 gulden vrij Hollants” te betalen. De erfpacht van de grond wordt in 1725 door Mr. Henrijk Keienberg voldaan. In 1726 zit echter Jan Schut op de "Niemole"; hij komt eveneens voor in 1731, wanneer hij f 6, - grondpacht betaalt aan de Noord Apeldoornse mark.
Jan Schut vinden we nog in 1737. Naar hem wordt de molen een tijdlang "Schutsmolen” genoemd. Later (1747) bevindt zich Willem Brouwer als papiermaker op "Schutsmolen”. Tijdens het verblijf van Brouwer verandert de molen weer van naam en heet dan "Brouwersmolen”; vooral niet te verwarren met de bekende Brouwersmolen in de Ordermark (kaart l nr. 22). Brouwer was gehuwd met Gerritje Schut, dochter van Jan Willems Schut en Maria Jans Veenhuizen.
Er bestaat een interessant rapport over de toestand der beken en sprengen van Het Loo. Het dateert uit 1766, het jaar waarin stadhouder Willem V meerderjarig werd.
De jeugdige Oranjevorst, die veel van Het Loo hield, wilde de in vervallen staat verkerende fonteinen en watervallen bij het lusthuis in oude luister doen herstellen. Vooral aan een voldoende en constante watertoevoer ontbrak nogal wat, zulks in tegenstelling met vroegere tijden. Om deze achteruitgang te kunnen begrijpen moeten we tot het jaar 1702 teruggaan. Op 19 maart van dat jaar was koning-stadhouder Willem Ill gestorven, de stichter van het paleis Het Loo met zijn wereldvermaarde tuinen en waterwerken. Over de erfenis ontstond een langdurig geschil tussen Johan Willem J Friso - door Willem Ill tot universeel erfgenaam aangewezen - en de koning van Pruisen, die zich beriep op het testament van Frederik Hendrik. Na het overlijden van Johan Willem Friso (1711) handhaafde diens zoon - de latere stadhouder Willem lV - zijn aanspraken. Pas in mei 1732 kwam een verdrag tot stand, waarbij o.a. Het Loo definitief aan de Oranjes kwam. Gedurende de strijd om de erfenis - en ook in latere jaren - had men het onderhoud der sprengen en waterlopen nogal verwaarloosd. Het gevolg was, dat deze steeds minder water gingen leveren, waardoor tenslotte verscheidene cascades en fonteinen niet meer werkten. Uit een reisverhaal van 1740 vernemen we echter, dat de meeste waterwerken toen nog in werking waren. De achteruitgang moet dus vooral na die tijd plaatsgevonden hebben. Teneinde hierin verbetering te brengen is het rapport van 1766 opgesteld. We lezen er in dat ten tijde van de koning-stadhouder de fonteinen en watervallen steeds overvloed van water hadden. Zelfs de "doenmaels soo seer gerennommeerde Groote Fontein vloeide onophoudelijk”. Dit slaat op de beroemde koningspuiter, die een hoogte van 13,5 meter bereikte en het water uit Assel kreeg. Uit het rapport vernemen we verder, dat er toen in het park negen "bronnen” lagen, de "oude sprengen". De telkens in het stuk gebruikte benaming "bronnen” deugt niet. We hebben hier met gegraven sprengen te maken en niet met natuurlijke bronnen. Maar dat kunnen we de heren uit 1766 niet zo erg kwalijk nemen; in de tegenwoordige tijd weet het overgrote deel der bevolking dat verschil nog evenmin. De hier genoemde oude sprengen zijn vermoedelijk in het begin der 16e eeuw gegraven voor de voeding van de gracht rondom het Oude Loo. Later werd het water ook dienstbaar gemaakt voor het drijven van een aantal molenraden. Volgens het rapport leverden de oude sprengen vroeger ruimschoots water voor de cascades en fonteinen, maar "sedert minstens 25 jaren” waren twee sprengen in het park en zes grote in de Apeldoornse en Wiesselse velden geheel onder het zand bedolven, terwijl 15 kleine "spruiten” eveneens geen water meer verschaften. Men had destijds het ruimen der beken en sprengen - volgens een gesloten akkoord met de eigenaar der nabijgelegen papiermolen, in 1766 naar de toenmalige bezitter "Brouwersmolen” geheten - geheel overgelaten aan de eigenaars daarvan. Het hier genoemde contract slaat op de eerder vermelde overeenkomst, die op 9 februari 1723 met de papiermaker Hendrik Keijenberg werd gesloten en die ook gold voor diens opvolgers. De papiermakers namen het echter niet zo nauw met het contract en hadden, zolang zij zelf maar "even genoeg water op haere molen ontfangden” de kosten en moeiten van het schoonhouden "all te seer gemenageert”. Ook de dieren, die hun weidegronden vonden op het Noord-Apeldoornse veld achter het park, waren oorzaak van de achteruitgang der watertoevoer. Ze gingen geregeld in de beken en sprengen drinken en trapten bij het afdalen der hellingen het zand naar beneden, waardoor verscheidene sprengen geheel dichtgeworpen werden "alleen die de papiermolen niet missen kon, bleef door zijn ruimen vloeien”. Want -  zo merkt het rapport op - "wanneer ze goed onderhouden werden bleven de sprengen bruikbaar, maar werden ze prijsgegeven, dan vervielen de Sprengen. In 1766 was echter bij proefnemingen gebleken, dat de oude sprengen achter in ’t park met enige moeite weer bloot te leggen waren. Op een diepte van vijf a zes voet kwam aanstonds helder water in voldoende hoeveelheid voor de dag.
Dan volgt een interessante verklaring over de kennis der papiermakers op het gebied der waterhuishouding: "maar dat opgraven was een moeilijk werk, en de enigen aan wie als deskundigen dat graafwerk kon worden overgelaten waren de papiermakers.” Volgens het rapport zou de oprichting van een kopermolen te Wenum , (Rotterdamse kopermolen) eveneens oorzaak zijn van het opdrogen der "waterspranken”. Deze molen gebruikte het water van de Wiesselse beek "en aangezien deze beek ondergrondse gemeenschap had met de sprengen van het Loo, verminderde de watertoevoer ook op deze wijze, dat hij eindelijk geheel ophield”. Het was een geluk - aldus het verslag - dat de bedoelde Sprengen hoger lagen dan de Wiesselse beek, waardoor het mogelijk bleek ze door opgraving van die beek "los te maken”. Het gevaar van een ongunstige beinvloeding van de waterstand door de molens in Wiessel en Wenum leidde tot de ons reeds bekende aankoop van Dijkgraafsmolen te Wiessel , door stadhouder Willem V (23 maart 1767). Om bovengenoemde redenen achten de opstellers van het rapport het dan ook "noodzakelijk de bedoelde ontgravingen onder toezicht van de papiermaker Brouwer - zijn molen lag bij het Jagthuis ten noordoosten van Het Loo - te doen plaats hebben.” Het contract met Brouwer wordt nu zodanig gewijzigd, dat de kosten van het onderhoud der beken en sprengen voortaan voor rekening komen van de prins, onder voorwaarde, dat de papiermolenaar een hogere pacht voor grond en water zal betalen. Ook moet hij kosteloos het toezicht houden op het ontgraven en later eveneens op het regelmatig ruimen der sprengen. De domeinraad treedt in onderhandeling met Brouwer over het verwerven van diens papiermolen en op 17 april 1767 kan stadhouder Willem V de aankoop bekrachtigen van de molen van Willem Brouwer "op ’t Loo”.
Voordat we nu de verdere geschiedenis van de papiermolen vervolgen, willen we op een enkel punt in het rapport nog nader ingaan. Het bleek namelijk voor het herstel der waterwerken op Het Loo een groot bezwaar te zijn, dat niemand - zelfs niet de tuinbaas Van Bercken - meer wist hoe de buizen of pijpen liepen, waardoor het water naar de fonteinen werd geleid! Alleen een paar oude fonteinknechts hadden daarvan nog een flauwe voorstelling. Er zou een uitvoerige kaart van deze waterleidingen gemaakt worden. In een schrijven van 19 februari 1798 wordt gezegd, dat er een plan is gevonden "van het terrein der tuinen en het park op het Loo waarop mede zijn aangeduid, de wellen, beken en pijpen behorende tot de fonteijnen door Hendrik van Berken.” Ondanks alle moeilijkheden slaagde men erin om de waterwerken bij Het Loo grotendeels in de oude glorie te herstellen. Teneinde nieuwe verontreiniging te voorkomen, werd in de glooiing der sprengen een schuin aflopend en afgerasterd pad gemaakt voor het drinken der runderen en schapen, waardoor het de dieren niet meer mogelijk was zand in de sprengen te trappen. In de tijd van prins Willem III waren voor dit doel opzettelijk drinkkolken gegraven, doch deze bleken in 1766 geheel te zijn verdwenen.
Een aantal jaren na de aankoop van de molen van Willem Brouwer vinden we Jan Zweris Schut als "Mr. papiermaker en pachter van de papiermolen achter het Jachthuis”. Met hem sluit de domeinraad op 16 augustus 1784 een overeenkomst 72) wegens het leggen van een houten koker "met een schuyf daarin, ten eynde door middel van dezelve wanneer zulks nodig zal zijn, het water uit de sloot rondom de Veldvijvers te brengen op het halve rad van voormelde papiermolen”. Het water uit deze sloot kon dus niet boven op het rad stromen, maar wel tegen de benedenste schoepen daarvan; het z.g. lopen op ’t halve rad. Zodoende hielp het mede tot het vergroten van het vermogen.
In 1789 is Hermen Hendriks pachter; de molen wordt telkens bij inschrijving aan de meestbiedende gegund. Het blijkt dat Hendriks met ingang van november 1790 kan vertrekken "zijnde hij van syne verdere pagt ontslagen”. De rentmeester Rochet verpacht dan "de waterpapiermoolen agter het Jagthuys”voor 5 jaar aan Hendrik Abraham Jonker, die met 425 gulden per jaar de hoogste inschrijver is. De "conditien en voorwaarden voor Hendrik Abraham Jonker” bevatten vele gegevens over de molen en Het Loo. De papiermolen "bestaat in de wooninge en moolenhuys waarin zes bakken, kuype, twee Parsen, waarvan eene met een metalen Spil, een groote bouwschuure, een hangschuure, bakhuys en den Hoff daarnevens gelegen”. De pachter dient nauwkeurig te letten op de dijken en het vlotwerk en zal de onderbeek ruimen tot aan het verlaat van de korenmolen op Veldhuizen (kaart l nr. 10). Hij moet de bovenbeek schoon houden vanaf de "Spoelkolk” en ook de beek direct beneden het verlaat van de Hoge vijver "langs de Fonteinknegts wooninge”; alles op zijn kosten. Verder zal hij hetonderhoud betalen van "alle Zwengels, Vuystels, strikken, moolen nagels, de tappen “ en desselve te kielen (?), Parsbanken en Parsspillen”. De pachter moet jaarlijks twee 1 gulden uitgang geven aan de geërfden der Noord-Apeldoornse mark. Ook lezen we in het pachtcontract: "Deze moole is wel van ses bak; dog zy word soodanig verpagt na maate dat er water is, al was het selfs dat er in de somer bij sterke droogte niet meer als 3 a 4 bak soude kunnen gaan, waarover den pagter sig in geenen deele sal mogen beswaaren”. Voor het doen draaien van de molen krijgt hij "al het water dat van de Spoelkolk af langs de moesthuijn en ’t Jagthuijs na de moole loopt.” Maar "alle het water komende agter de thuynen door het park voorbij de Wooninge van den Heer Raeber sal alleenlijk dienen om de veldvijvers altoos met water te voorsien.” De pachter zal zich "in geenen deele, hoe genaamt, mogen beswaaren”, dat dit water in zijn geheel van half maart tot de eerste november uitsluitend gebruikt wordt "tot proviandeeringe van de zes veldvijvers.” Indien de Vijvers op peil zijn mag hij door een "kooker in de zesde vijver” het water in zijn bovenbeek leiden.
Na die tijd - van half november tot midden maart - wil men wel op verzoek van de pachter de openstaande schuif in de sluis "tegens de wooninge van de Heer Raeber toe maaken, op dat het water, direct, sonder dat het op de Vijvers komt, na zijne moole loopt, dog egter met dien verstande, dat de veldvijvers op sijne Pijl sullen moeten wesen”.
Bij de prins moet toen het voornemen bestaan hebben om de zes Vijvers te doen vergraven tot één grote en - zowel in het park als in de tuinen - nieuwe waterwerken aan te laten leggen. Want er wordt in het contract uitdrukkelijk aan Zijne Hoogheid "gereserveert de faculteit om zulks goedvindende . . . de zes veldvijvers tot eene te maaken, mitsgaders soo in ’t park als in de thuynen nieuwe Cascades of Fonteynen aan te leggen, sonder dat de pagter sig daartegens sal mogen opposeeren” of enige aanspraak op vergoeding maken. Slechts indien hij kan aantonen "een merkelijke schade” te lijden zal hem een redelijke en billijke vermindering van pacht worden toegestaan.
Verder wordt bepaald, dat pachter tot nakoming der voorwaarden moet stellen "twee sufficante borgen in dese Heerlijkheid geérft en gegoedet”. We lezen, dat "deze verpagtinge word gedaan met guldens van XX stuyvers het stuck, die het hoogste schrijft sal pagter wesen en verpligt zijn deze met sijne borgen te onderteekenen, en dan aan de armen van yder gulden te betaalen een oortjen”.
Onder het stuk staat geschreven: "Op den 6 September 1790 is bevonden dat Hendrik Abraham Jonker het hoogste geschreeven heeft en wel voor 427 guld. s.jaars en is dus Pagter dewelke bij ondertekeninge deses op voormelde conditien deze pagt met May 1791 voor f 427 ’s jaars is aannemende en blijven meede daarvoor als Borgen Pauel Hering en Johannes Pol”.

w.g. Hendrik Abrm. Joenker
Paul Heering
Jannis Poll

Ik heb bij het rapport van 1766 en het contract met Jonker wat uitvoeriger stilgestaan, omdat deze stukken niet alleen over de papiermolen, maar ook over de beken en sprengen van Het Loo, een groot aantal bijzonderheden verschaffen. We vernemen er o.a. uit, dat het rad van de molen voornamelijk gedreven werd door het water uit de tuinen. Dit moet dan gekomen zijn uit de boventuin; de afvoer van de veel lager gelegen benedentuin heeft daarvoor niet kunnen dienen. Waar dit water bleef, is ons tot nu toe niet bekend. Verder blijkt, dat - uitsluitend op verzoek van de papiermaker en slechts gedurende enkele maanden - ook water uit de beek van de veldvijvers of uit de zesde vijver op het rad gebracht mocht worden. De opmerking in het contract, dat er misschien in de zomer, "bij sterke droogte niet meer als 3 a 4 bak soude kunnen gaan” wijst erop, dat toen reeds tijdens droge perioden de waterlevering der oude sprengen te wensen heeft overgelaten en dat dit niet uitsluitend geweten moet worden aan de nalatigheid der papiermakers.
In 1798 wordt de vloer in de "klijne molen” gerepareerd even als het bekleedsel achter het waterrad. Er komt in de "groote moolen” een nieuwe houten kraan in de waterbak.
Op de papiermolen bij Het Loo woont in 1802 H. de Jonker, deze zal wel dezelfde zijn als Hendrik Abraham Jonker. In 1804 krijgt de molen "een geheel nieuwe watera As, daar het kleine rad omdraaide” . De papiermolen werkt dan blijkbaar met een groot en een klein rad. Werd dit laatste misschien toch gedreven door het water uit de benedentuin? Ook repareert men een brug "liggende over de onderbeek van de papiermolen op het Loo tusschen het jagthuis en ’t Erf de laatste stuiver”. In 1807 gaat de molen als kroondomein over aan koning Lodewijk Napoleon; de waarde wordt dan geschat op f 9000, de jaarlijkse pacht bedraagt f 365, - de produktie beloopt in dat jaar 1200 riem van verschillende kwaliteit voor een totaal bedrag van f 5937, - Op last van Lodewijk Napoleon wordt in hetzelfde jaar een staat opgemaakt van het bedrijf in de domaniale papiermolen bij Het Loo. Deze staat bevat een aantal interessante gegevens over de exploitatie en produktie van de toenmalige molen. Het bedrijf floreerde niet zo best, de winst over 1807 bedroeg het luttele bedrag van 187 gulden.
Toch kan men wegens het geringe bedrijfsresultaat van deze ene molen geen conclusies trekken ten opzichte der andere Apeldoornse of Veluwse papiermolens. Wel heeft de gehele Nederlandse papierindustrie gedurende de Franse tijd met zware moeilijkheden te kampen gehad, speciaal door het uitvallen der exporthandel en door de hoge invoerrechten, die de Franse republiek op het "bataafsche papier” hief. Vooral voor de kleinere papiermakers waren het toen ongunstige jaren.
In 1807 maakt men twee nieuwe bakken in de "bovenste molen” en vernieuwt men de schoorsteen boven de lijmketel. Volgens de rentmeestersrekening over 1808/09 is de papiermolen in dat jaar verpacht aan Teunis Middellink voor 360 gulden. Gunning noemt in zijn lijst van ca 1812 eveneens Teunis Middelink als pachter op de "Schutsmolen”, die dan nog steeds werkt met 6 hamerbakken. Misschien heeft de benaming te maken met Jan Zweris Schut uit 1784. Teunis Middelink komt nog voor in 1814, de molen is aan hem verhuurd tot 1 mei 1818. De papiermolen behoort sinds 1813 weer tot het bezit der Oranjes en wordt door het kroondomein verpacht. Bij een veiling 73) van domeingoederen op 15 december 1845 te Arnhem staat de papiermolen onder "Kavel nr. 7” als volgt vermeld: .,Een waterpapiermolen bestaande in woonhuis, molen of molenwerk, schuur met stalling en bakoven. Tuin met opgaande bomen. In pacht tot 1 mei 1850 bij G. van Oorspronk op Het Loo voor f 392 per jaar”. Dit nummer werd bij de veiling niet toegewezen en de molen bleef domeinbezit. Een bericht van 20 juli 1861 in de Amsterdamsche Courant doet zien, dat er toen nog weer met succes gewerkt kon worden, want voor de papiermolen, die kort te voren f 225 en laatstelijk f 325 had opgebracht, werd nu f 360 pacht per jaar geboden. Op 16 juni 1862 besteedde de ontvanger der Registratie en Domeinen in het logement de Moriaan te Apeldoorn aan het doen van herstelwerkzaamheden ten behoeve van de waterpapiermolen bij Het Loo.
Toch kwam spoedig het einde van de schilderachtig gelegen molen, want op 27 januari 1865 volgde de verkoop voor afbraak. Gedurende de laatste jaren had men op de molen speciaal "patroonpapier” voor patroonhulzen vervaardigd voor het Departement van Oorlog.
Van de papiermolen heeft de tekenaar W. Hekking jr in 1862 een fraaie afbeelding gemaakt. Wanneer we de tekening bekijken kunnen we niet anders doen dan de ondergang van deze uitzonderlijk mooie molen betreuren.

De derde of onderste papiermolen op de beek van Het Loo (kaart l nr. 9)

Deze papiermolen kwam tegenover de plek te liggen, waarheen in 1685 de waterkorenmolen van Het Loo werd verplaatst. De papiermolen moet omstreeks 1633 zijn gesticht, want in de rekening 75) van de rentmeester der Nassause domeinen over 1685 lezen we, dat Diderick van Stepraedt, heer tot Indornick, op 21 januari 1659 verpacht heeft aan Abraham Bartols en Grietgen Gerrits, echteluiden, "syne meulenbeeck met de hooft (= hof) en Campken, en gront daer den molen en huys op staet, gelegen op ’t Veld by Velthuysen twelck Dirck Jacobs Valck op den 14 December 1633 eerst in pagt gekregen, ende daer op een pampiermoolen getimmerd heeft, ende daernaer op den 15 Januari 1644 door Bartolt Dircks gekoft is”. Deze Bartolt Dircks Dercksen) komt ook voor bij de Stinkmolen. Uit een proces 76) tussen Hendrick Jurriaensen Pannekoeck en Goossen Dercksen (Dercks) blijkt volgens de verklaringen van enige getuigen, afgelegd voor de Ermelose scholtis Benjamin Potgieter, dat Goossen Dercks in augustus 1677 voor 400 gulden van Hendrick Jurriaensen heeft gekocht een vierde part "in een papyer moolen staende tot Noordt Apeldoorn”.
Bij de koop wordt overeengekomen, dat Dercks aan de rentmeester van de Vrouwe van Staverden betalen zal een bedrag van 384 gulden 17 stuiver, welke som Hendrick Jurriaensen aan genoemde Vrouwe schuldig was wegens verschenen pacht. Deze 384 gl. 17 st. komt in mindering van de vierhonderd gulden voor het 14 part in de molen. Goossen Dercks gaat akkoord met de voorwaarde, dat, indien de rentmeester van de Vrouwe van Staverden voor midwinter 1677 over de achterstallige pacht van Hendrick Jurriaensen "quam mit Middelen rechten te spreecken”, laatstgenoemde "die Schaede soude draegen”, doch dat na midwinter deze ten laste van de koper zou komen. De rentmeester komt pas na de genoemde datum en overeenkomstig het bepaalde bij de koop staat nu Goossen Dercks voor 387 gl. 14 st. in het krijt bij de kasteelvrouwe van Staverden. Dercks kan of wil echter niet betalen, zelfs niet als haar rentmeester of diens gemachtigde hem daarover "meermaelen gemaend en aenge, sproocken” hebben. Ondanks alle aanmaningen leggen Goossen Dercks en zijn vrouw geen geld op tafel, maar "versochten sij altijd uijtstel en beloofden te betalen”. Eindelijk gaat Dercks naar de rentmeester en verzoekt "die aengenomen somme van penningen van de Vrouwe van Staverden op Intresse te mogen houden” en wil daarvoor de molen als onderpand stellen.
Aan het verzoek van het echtpaar Dercks is voldaan in 1680. Dan 77) lezen we: "Gosen Dercx molen en getimmer leggende op den grond en waeter van den Heere van ’t Loo is bij segel en brieff van 3 junij 1680 beswaert en verpandet aan Vrouwe Elisabeth Margrieta Baronesse van Pallant douagere wijlen de Heer Rutger van Haersolte Vrouwe van Staverden etc. voor een summe van 554 gln. 8 strs. den tijd van ses I jaeren aenvankelijk op maij 1680, die pantdoeners tegens interesse van ijeder hondert sullen moghen gebruijcken mits betalende grond waterpacht verpondinge, de interesse ende alle jaer afleggende 100 gulden, bij ontstentenisse van dien sal pandthoudersche de molen selfs aenvatten en gebruijcken laeten”.
In een rekening (1693) van de rentmeester van Het Loo staat dat op de "derde oflaeghste pampiermolen” woont de weduwe van Jan Jacobs die "aldaer mede haer eygen getimmer heeft” volgens de pachtcedul van Abraham Bartels, gedateerd 21 januari 1659. De pacht van 58 gl. en 2 st. wordt verminderd met 10 gl. omdat door het graven van vijvers en het leggen van de korenmolen, die achter "het oude Huys Loo” heeft gestaan - en nu tegenover de papiermolen ligt - veel minder water ter beschikking komt van de laatste molen. Zoals we weten, werd in 1685 de waterkorenmolen achter het Oude Loo afgebroken en gedurende het volgende jaar tegenover de hier genoemde "derde of laeghste papiermolen” nieuw opgetimmerd. Een transportbrief 78) van 17 april 1700 vermeldt, dat Reynder van Marle en Evertje Peters, echteluiden, benevens Beemt Janssen als nomber over de drie onmondige kinderen van Jan Jacobs uit diens huwelijk met voomoemde Evertje Peters, samen eigenaars zijn van een huis en papiermolen, staande op de grond van "Syn Koninglijcke Majesteyt van Groot Brittagne Gelegen Int Kerspel Apeldoorn buerschap Noortapeldoorn, oostw.: gelegen aen de gemeijne wegh (nu Stadhoudersmolenweg), zuitw. de koommeulen, noort en westw. het gemene velt”. Zij doen het getimmer van bovengenoemd huis en papiermolen voor een som van 1000 gulden over aan koning stadhouder Willem III. Het lage bedrag voor woning en molen duidt erop, dat de papiermakerij op de molen niet bepaald een winstgevend bedrijf was. Trouwens de som van 400 gulden, die Goossen Dercks in 1677 moest geven voor een vierde part van de molen wijst al evenmin op een belangrijke papiermolen. De stichting van de waterkorenmolen daar tegenover in 1686 heeft de toestand nadien nog verslechterd.
De beek van Het Loo voerde blijkbaar geen voldoende water aan voor het drijven van koren- en papiermolen beide. Na de aankoop door Willem III in 1700 is de papierbereiding daar ten einde.

Het papiermolencomplex "de Stinkmolen” op de Grift te Noord-Apeldoorn (kaart nr. 11)

In het gedeelte over de volmolens te Apeldoorn wordt uitvoerig ingegaan op de voorgeschiedenis van het latere papiermolencomplex "De Stinkmolen”. We willen hier in het kort nagaan wat aan de stichting van de papierindustrie daar ter plaatse is voorafgegaan. Op 26 februari 1606 krijgen Derick (Dirck, Derk) Warners en Gerrit Cornelissen de erfpacht voor ’t water van de Grift voor een volmolen tegen 6 gulden per jaar. De Noord-Apeldoornse mark verpacht hun de grond, doch toen met de bouw van de molen zou worden begonnen bleek Gerrit Cornelissen stilletjes het timmerhout verkocht te hebben, had "’t geld opgesteecken” en was "daermit doorgegaen”. Hierdoor kreeg Dirck Warners een strop van "over dye honderd gulden” en kwam zonder deelgenoot, geld en hout te zitten.
Vier jaar later vond hij in Johan Bongart echter een nieuwe compagnon. Bongart was afkomstig uit Aken en had in 1605 van het stadsbestuur van Zutphen toestemming verworven om een zeemmolen te timmeren vlak bij de stadsmuur.
Op 28 maart 1610 krijgen Bongart en Warners vergunning van de rekenkamer tot het oprichten op de Grift te Apeldoorn van een molen om "seems, ofte hennep en leder daarop te bereiden”, dus niet voor een papiermolen. Johan Bongart en Dirck Warners vragen aan de geërfden van Noord-Apeldoorn de erfpacht van de grond, waarop de molen gezet zal worden en tevens vergunning voor het omleggen van de beek (= de Grift) door de marke gronden, teneinde daardoor het benodigde verval te krijgen.
Hierover ontstaat "enig misverstand tusschen gedachte Pachteren en die Bueren” (bewoners der buurschap). Want Warners en Bongart hadden zich "onderstaen” een zeer lange "verlaeren Beeck te graven op een nieut Leeger, en die meule leger te leggen als hun vergost (= vergund) was”. Partijen komen echter tot overeenstemming. De aanvragers krijgen tegen een jaarlijkse erfpacht van 6 keizergulden "die plaetse daerop het huis der meulen gelecht word en voor die Beeck soe sij door het merrick (= mark) gegraven” hebben. De erfpacht zal gelden voor 15 jaar, ingaande Martini 1610. Ook vernemen we, "dat Pachters geholden zullen zin die wallen der Muelen en oick den verlaeren Beecke te verwaeren en te versorgen, dat die gemeente - bedoeld zijn hier de markegronden - daar door niet verdrencken off beschadigt worden”. Omdat hier sprake is van wallen ( = dijken) en een nieuw "Leeger (= de opgehoogde nieuwe bedding) zal met deze "verlaeren” beek zeer zeker de bedijkte bovenbeek van de molen zijn bedoeld, dus de tegenwoordige loop van de Grift. Van de vroegere beekbedding van de Grift was daar ter plaatse in 1965 nog een klein gedeelte over. Het watertje, dat dwars door Kerschoten loopt en thans met een rechte loop boven de voormalige molenplaats in de Grift geleid wordt, kwam destijds in de genoemde oude bedding uit en stroomde vervolgens beneden de molens in de Grift. We hadden hier dus te maken met een stukje oorspronkelijke Griftloop van voor 1610.
Behalve het bovenstaande geeft de Noord-Apeldoornse mark ook in erfpacht uit aan Dirck Warners en Johan Bongart "het Lant daer sij die Beecke eerst gegraven hadden van boven aen, wat binnen die begoste Beecken en die Grift licht tot aen die aelbeecker hoeve thoe en voort beeijten der wal van de voors. hoeve aen de Grijft hent (= tot) aen de muele”. Hiervoor moet per jaar 3 gulden extra erfpacht gegeven worden. Het is ons niet bekend, waar de Aalbeek en de Aalbeecker hoeve hebben gelegen. Vermoedelijk zat er in deze beek veel aal en paling. In de rentmeestersrekening van St. Marie over 1623/ 24 lezen we dat "Jacob Gerrits, genoemt den Aelman, heeft gepacht een hofstede gelegen tegens die Swaen over, die Mathijs van Serik in pacht placht te hebben”. Of de "Aelman” iets te maken had met genoemde beek en hoeve blijkt niet.
In elk geval lag "de Swaen” heel ergens anders, namelijk bij het tegenwoordige kruispunt Hoofdstraat-Deventerstraat, tegenover de Korenstraat. De "Aelman” leeft in 1640 niet meer, want in de rekening over dat jaar staat "Thyman Jacobs getrouthebbende de weduwe van Jacob Gerrits Aelman”. De hier genoemde Thyman Jacobs en Mathys van Serik hebben beiden een rol gespeeld in de historie der Apeldoornse papiermolens.
Wij keren thans terug tot de zeemmolen van Bongart en Warners. Wegens de stank die de zeem- en leermolen verspreidden werden deze bedrijven in de volksmond betiteld met "stinkmolens”. De bewoners van Noord-Apeldoorn zullen om dezelfde reden de molen van Dirck Warners en Johan Bongart de naam "Stinkmolen” gegeven hebben, welke benaming op de later daar ter plaatse gestichte papiermolens is overgegaan. .
Op 20 december 1626 wordt Bongarts "ontslagen” van de waterpacht die hij - samen het Dirck Warners en "ieder voor de helfte” - in 1610 had verkregen.
De rekenkamer verleent hem op dezelfde datum de erfpacht van het halve water van de Grift om daarop een volmolen dit moet zijn een zeem- of leermolen te leggen.
Daarbij wordt tevens bepaald dat Jan Roeloff Schoemaecker zijn "eeck mede opten volmolen van Jan Bongerts” zal mogen malen. Over 1627 moeten Jan Schomaker "cum suis” één oort (= kwart stuiver) betalen voor de "muele”. Dit slaat natuurlijk op de leer- en zeemmolen. Jan Schomaker zal wel de bedrijfsleider van Bongarts zijn geweest.
Er liggen in die tijd dan op de Grift al vier bedrijven bij elkaar, n.l. twee leermolens en twee eek- of zeemmolens. Het is zo goed als zeker, dat er toen twee zeemmolens waren, want in een getuigenverklaring van 23 september 1628 wordt gezegd "dat omtrent min ofte meer twintich Jaeren geleden die Siems, ende Eeck muelen op de plaetse voors. door Jan Bongardt Zutphen ende Derrick Warners zin gelecht”.
Dit bewijst dat aan het leerbedrijf van Warners en Bongerts - dat deze van 1610 tot 1626 voor gezamenlijke rekening uitoefenden - eveneens een runmolen was verbonden. Run werd niet gebruikt bij de bereiding van zeemleer, wel in de leerlooierij.
De situatie daar ter plaatse wordt nog ingewikkelder door een verklaring, die de dan 54-jarige Derrick Warners Muller,  dezelfde als de telkens genoemde Dirck Warners op 18 juni 1628 aflegt (Civiele processen Hof 1629 nr. 1. Rijksarchief in Gelderland). Hierin zegt Warners, dat hij "voor desenn een muelen op de Grift getimmert ende gehadt heeft, ende nu noch op een ander plaets op de Grift daer die schouwe over gaet oock een muelenn heeft, daerop hij idsont is wonende”.
Was het een papiermolen, waarop Warners in 1628 woonde en waar lag de "schouwe"? De eerstgenoemde molen moet de in 1610 gestichte zeemmolen zijn geweest.
De leer- en runmolens worden later omgezet in papiermolens. Ondanks alle naspeuringen is het niet gelukt te ontdekken wanneer zulks heeft plaatsgevonden. In 1623 is daar in de omgeving al sprake van een papiermolen van Claes Pannekoek en diens vrouw Cornelia Jansen, die waarschijnlijk met de latere Stinkmolens te maker heeft gehad. In elk geval bezit Bartolt Dercksens (Derckx, Derks), die een zoon moet zijn geweest van Derck Warners, in 1648 een "pampyrenmolen op de Grift van 5 backen”. Het is zeker, dat deze molen in de plaats is gekomen van de zeemmolen van Warners, want nog in 1711 lezen we, dat Bartolt Derks - te voren Derck Warners - 3 gulden erfpacht geeft van het water voor zijn molen. Beide personen zijn in 1711 reeds lang overleden, maar - zoals dit meer voorkomt - blijft de erfpacht toch nog een hele tijd op hun naam staan. Bartolt Dercks is eigenaar geweest van meer molens, want in 1691 is sprake van "Bartolt Derckx molens in de Grift” die zowel aan de west - als aan de oostzijde van de beek lagen.
Op 8 april 1678 vernemen we, dat Hendrik Bartolt Leemhorst, weduwnaar van Hendrichien Bruickx, 713 gulden schuldig is aan zijn oom Jan Derks Leemhorst, echtgenoot van Geerken Dercx en daarvoor als onderpand geeft zijn papiermolen met erfpacht van het water op grond van de erfgenamen van Noord-Apeldoorn en de Grift.
Deze schuld wordt in 1705 afgelost door Jacob Derks Krijt en Gerrit Hessels Leemhorst. Volgens een stuk van 6 december 1678 blijkt de papiermolen van Hendrik Bartels (Leemhorst) aan de westzijde van de Grift te liggen. Deze Hendrik zal wel een familielid van de bovengenoemde Bartolt Dercksen zijn.
Hendrik Jurriens Pannekoek en diens vrouw Marietje Tonis Tonis verkopen op 6 dec.1678 aan Judith van Aelst, weduwe van Willem Jansen van Monnickhuysen - in dezen geassisteerd door haar zoon Andries van M. voor 1050 gulden de halve papiermolen aan de oostzijde van de Grift "aldernaest de coopermoole”. Dit "aldernaest” klopt wel, maar dient men niet al te letterlijk op te vatten.
De verkopers moeten eerst nog een nieuw rad leveren. Ze hadden de molen eertijds gekocht van Willem Hermens, echtgenoot van Neeltien Jurriens (Pannekoek). De andere helft behoort nog aan de voorkinderen van Neeltien Jurriens bij Hessel Bartels.
Wordt met deze molen de papiermolen van Claes Pannekoek en Cornelia Jansen uit 1623 bedoeld? Op 21 juli 1685 ontvangen Jurrien Pannekoek en D. R. Ankersmit als voogden van de nagelaten onmondige kinderen van Hessel Bartels en Neeltien Pannekoek een bedrag van 700 gulden van Judith van Aelst voor het verkochte gedeelte van de molen op de Grift. Toen had Judith de molen aan de oostzijde geheel in haar bezit.
Later - de datum is niet bekend - wordt Judith van Aelst ook eigenares van de papiermolen(s) aan de westzijde van de beek. Dit kunnen we opmaken uit een stuk van 30 oktober 1687, waarbij Judith van Aelst en haar zoon Andries van Munnickhuysen aan Aert Gerrits Hulshof en Jenneken Hessels Leemhorst een papiermolen van 4 bakken aan de oostzijde van de Grift "met huysinge ende hoff daer toegehoorende ende voorts al wat verpachterse aen de oostsyde toebehoort, en noch 2 backen van de onderste meulen naest(?) water aan de westzyde van de gryft”. Voor de 6 bakkenwoning en hof moeten de pachters ieder jaar een som van 220 gulden geven, te betalen in 2 termijnen. De eerste termijn vervalt op Apeldoornse kermis, de andere op 1 mei. Judith belooft haar verpachte molen met "goed gaende werck te voorsien, bequaem om schrijffpampier daerop te maecken, voorts met knype, perse en banck en goeden gerack te leveren huysinge en molen mede dack ende wantdicht te leeveren, voorts alle groove timmeringen blijft mede tot lasten van verpachterse”. Het onderhoud van de verschillende werktuigen en "alle kleyne timmeringen, als mede dack ende want” komt voor rekening van de pachters en "al wat met de schuppe boven ende beneden te doen is”. De kosten van "schonwen ofte dnycken ende wegh te maeken wachten ende waeren” worden voor de helft gedragen door de pachter en voor de andere helft door Jacob Dirckx Krijt. Op 17 oktober 1691 wordt "tot voorkominge van alle verschil ende misverstand die bij vervall doorbraeck off vernienwinge van het verlaet tusschen den Coper ende Bartolt Derckx molens op de Grift soude konnen off mogen ontstaan: int bijwesen ende met believe van wederzijds partijen een vierkante eyckenpael gesett en ingeheydt in den hoeck van de Grift na de veltzijde boven het oude verlaet waterpas met het tegenwoordige nieuw verlaet tot een peyll, waer nae bij vervall en vernienwinge van het verlaet tusschen die peyll ende Bartolt Derckx mede Gerrit Hessels, Aerdt Gerrits ende Jacob Dirckx Crijts molens, het selve verlaet ten allen tijden waterpas op eene ende desselve hooghte sall moeten gehouden worden, sonder t selve te verhoogen”. Namens de kopermolen tekent Jan van Munnickhuysen, terwijl Gerrit Hessels, Aert Gerritsen en Jacob Dirckx Crijt het stuk ondertekenen als eigenaars van "Bartolt Derckx molens”.
Uit de verpachting van 30 oktober 1687 en de overeenkomst van 17 oktober 1691 kunnen we opmaken, dat er daar dan al 3 papiermolens liggen, namelijk één molen aan de oostzijde en een bovenste en onderste molen aan de westzijde van de Grift. Op een kaart van 1708 komen op die plek ook drie molens voor. Na het overlijden van Judith van Aelst en haar zoon Andries van Munnickhuysen zullen de molens niet langer meer in ’t bezit der eigenaars van de kopermolen zijn gebleven; met de waterpacht is dit wel het geval.
De benaming "Stinkmolen” vinden we in een stuk 79) van 24 januari 1718. Dan is sprake van een "papiermoelen cum annexis en onderhavige Landerijen van Gerrit Hessels gelegen op de Grift genaemd de Struckmolen”. Dit laatste is een verschrijving voor Stinkmolen. In 1742 betalen Willem Crijt, Gerrit Hessels (Leemhorst) en Claes Wegenaer de waterpacht aan de kopermolen. Wegenaer was in 1705 meesterknecht op deze molen. Vijf jaar later wordt de aan de Noord Apeldoornse mark verschuldigde grondpacht - lopende over een tijd van 3 jaar - voldaan door Jacob Wegenaer (f 48), Jacobus van Oorspronk (f 48) en van de molen van Janna Reintse (f 52).
Op 26 juli 1752 verkopen Johannes van Barneveld, gehuwd met Jacoba van Lill, aan Evert van Oorspronk en diens vrouw Janna van Sprenkeler, de helft van de waterpapiermolen, genaamd de Stinkmolen, met woning, molenhuis en hangschuur voor 1100 carolus gulden. De molen was daarvoor van Gerrit Hessels Leemhorst door verwin verkregen. Een jaar later (15 mei 1753) wordt een der andere molens verkocht.
Lucas Haulee (Hanlee) koopt van Johanna Reinds een 4 baks papiermolen "van ouds genaamd de Stinkmolen”; er moet jaarlijks 36 gulden waterpacht betaald worden aan de kopermolen.
In 1780 zijn de drie Stinkmolens respectievelijk in ’t bezit van de volgende eigenaars: Lucas Haulé, Paul Heering en Jacobus van Oorspronk. De toegenomen waterrijkdom van de Grift had daar ter plaatse al eerder de mogelijkheid geschapen tot het drijven van een viertal waterraden. Zo bezat de molen Oorspronk 1 rad, Paul Heering 2 raden en Lucas Haulé 1 rad. Op de kaart van 1708 staan reeds vier raden afgebeeld.
'Het molencomplex "De Stinkmolen” behoort in 1825 toe aan Evert Jan van Oorspronk, Marten Hanlé en de koperslager Paul Heering uit Vaassen. Op 18 september 1873 koopt Marten van Delden Johsz. van de minderjarige Hendrik Heering, enig erfgenaam van Gerrit Heering en Aaltje Genemuiden, diens 5 baks waterpapiermolen de Stinkmolen geheten. Aan de erven de Hens (koperpletterij de Vlijt) is jaarlijks f 33,33 waterpacht verschuldigd. Marten van Delden komt 1 november 1881 in het bezit van de 2e Stinkmolen van H. van Oorspronk. Hij draagt op 23 november 1897 de beide papiermolens over aan zijn zoons H. J. en J. J. van Delden. De derde papiermolen behoorde al sinds jaren toe aan G. J. Bomhoff, die in een advertentie van 21 maart 1885 tegen Pasen een "legger” vraagt. De molen van G. J. Bomhoff word: op 18 april 1908 eveneens eigendom van de firma M. van Delden Johsz. die zodoende het gehele complex "De Stinkmolen” in bezit krijgt. Bomhoff vertrekt naar Loenen en zet daar op de Middelste Molen het papierbedrijf voort.
De Stinkmolen was - met de Middelste Molen - een der laatste papiermolens in onze gemeente, die door waterkracht gedreven werd. In 1907 heeft de bekende Nederlandse kunstschilder en tekenaar Willem Bastiaan Tholen (1860 - 1931) op de Stinkmolen een aantal bijzonder fraaie tekeningen vervaardigd, die op onnavolgbare wijze de oude handpapiermakerij weergeven. Samen met zijn leerling, de latere schilder Paul Amtzenius, was Tholen met zijn motorboot het kanaal Dieren-Apeldoorn-Hattem opgevaren en had ligplaats gekozen bij de Loobrug aan de Anklaarseweg, niet ver van de Stinkmolen. Drie weken lang schilderden en tekenden beiden in en bij de molens.
Daar zat Tholen dan op z’n klapstoeltje, een map met vellen papier voor zich en schiep - nog juist op tijd - zijn thans wereldberoemde serie afbeeldingen over het verdwijnend handwerk. Van deze tekeningen, die zich in het museum Booymans-van Beuningen te Rotterdam bevinden, heeft het Hist. Museum Moerman te Apeldoorn een aantal mooi uitgevoerde reproducties laten maken. Hierdoor krijgen de museumbezoekers een duidelijk beeld van de sfeer en het werk in de oude Veluwse papiermolens.
Naar aanleiding van Tholen’s afbeeldingen over het papierbedrijf in de Stinkmolen is in Duitsland onder de titel "Bilder ans alten Papiermiihlen” een speciaal boekwerk verschenen, dat uitmuntende foto’s bevat.
Op de Stinkmolen werd na 1900 vooral het zogenaamde "schrens” gemaakt, een soort pakpapier. Later vervaardigde Van Delden ook carton. De oude witpapier‘ fabrikanten beschouwden de schrensmakers niet geheel als volwaardige collega’s; precies zoals de hereboeren neerzagen op de keuterboertjes. Over de vervaardigers van schrens bezigden ze vaak het minder vleiende gezegde:

"Wie schrens maakt
schrens vret”.

vret betekent: vreet, eet.

In 1939 kocht de gemeente Apeldoorn de Stinkmolens(s) aan ten behoeve van de riolering. De molen van Van Oorspronk aan de rechterzijde van de Grift was in 1937 al afgebroken, terwijl twee jaar later de beide molens aan de linkeroever volgden.
Het molenhoofd werd gesloopt, de vier waterraden gingen te gronde en slechts een klein brokje muur aan de linkeroever van de Grift herinnert thans (1965) nog aan het schilderachtige complex "De Stinkmolen”. Dit muurtje zal binnenkort ook wel verdwijnen.
Het prachtig uitgevoerd model van een waterpapiermolen, dat een der pronkstukken uitmaakt van het Hist. Museum Moerman, is door de meubelmaker Huigen vervaardigd.
Het vormt eenwaar kunstwerk en geeft op uiterst nanwkeurigewijze en tot in de kleinste bijzonderheden het interieur weer van een der Stinkmolens. De molenmaker G. J. Post maakte een model van een viertal hamerbakken met een hollander en schonk dit aan het Hist. Museum Moerman. Ook dit unieke werkstuk heeft betrekking op de Stinkmolen en behoort tot de belangrijkste onderdelen van de interessante collectie over de oude papierindustrie hier ter plaatse.




De papiermolens in de Ordermark

De Verbrande Molen op de Grift (kaart nr. 15)

Tegenover de Apeldoornse korenmolen komt in 1660 een papiermolen van 4 bakken te liggen, die door Diederick van Stepraedt en de korenmolenaar Jan Gerritsen voor gezamenlijke rekening is gesticht. We lezen daarover in een aantekening uit 1660: "met Jan Gerritsen muller tot Apeldoorn bij den Dorper coornmolen aangetimmerd een nieuwe pampiermolen, die volgens rekening gekost heeft 980-12-8 compt aldus voor onse helfte 490-6-4”. Dit is in tegenspraak met een gegeven 80) uit later tijd, waarin staat dat de papiermolen destijds was aangekocht "voor de eene helft bij de heer van ’t Loo en voor de wederhelft bij Jan Gerrits van de Gedeputeerden van Veluwe".
Zo goed als zeker hebben we hierin een vergissing te zien en slaat deze mededeling niet op de papiermaar op de korenmolen. De stichting van de papiermolen was mogelijk geworden, doordat wegens het "veelvondigh graven in de veenen, en het leggen van pappiermuelens die sprengen meer worden geopent, waerdoor dit beeck van den coornmuelen (= de Grift) merckelijk stercker wordt van water, als die bij voerige tijden geweest is”. Hieruit blijkt heel duidelijk welk een verbetering in de waterI toestand van de Grift is ontstaan door het graven van nieuwe sprengen, en hoezeer lager gelegen molens profiteerden van het door anderen verrichte graafwerk.
In een contract van 16 februari 1660 over de "nieuwen pampiermuelen bij den saetmuelen” te Apeldoorn lezen we dat deze papiermolen "neffens an den vuelmuelen" gelegd en getimmerd was. De molen zal "so veel waters” krijgen als "tot vier backen noedich is”. Dit water moet men met "een gatte van de coornmuelensbeeck separeren ende tot den papiermeule gebruycken”. Jan Gerrits(en) wil de nieuwe molen door "eenen knecht ende syne kinderen selven laeten bearbeyden”. Ten laste van de pachter komt het onderhoud der "zwengen ende vuystels ende onderlaten in backen, ende die schijven in de tappen of die losgingen, vast te maeken alsmede die spill mett die parsbanck; oock die schijven in de backen; den hanck ende watt daertoe behoort".
Eveneens moet hij bekostigen "de vilten, vormen, coetsebreden, leggebreden, legger.stoel, viltstoel, persbomen, stofbeecker, stofvaeten, ende emmers, hangstoelen, lompenbanck, capmes, dewelck oock bij pachter in eijgendom blijven sullen".
Enige tijd na de bouw moet Jan Gerretsen het aandeel van Van Stepraedt in de papiermolen erbij gekocht hebben. De molen is daarna door brand verwoest en nieuw opgetimmerd, want op 21 april 1676 verkopen Jan Gerritsen en Armgard Cornelissen Brinck, echtelieden, hun korenmolen benevens de daar tegenover gelegen papiermolen "De Verbrande Molen” aan Willem van Ulft, genaamd Doornick, eigenaar van het Oude Loo. Diens zoon Johan Carselis van Ulft verkoopt op 27 november 1684 het Oude Loo met bijbehorende goederen aan stadhouder Willem Ill, waardoor beide molens - benevens de stroomopwaarts gelegen papiermolen "De Tepelenberg"- eigendom worden der Oranjes. De "Verbrande Papiermolen” wordt dan door is domeinraad verhuurd voor 165 gulden en een riem papier. In 1727 ligt de pacht aarmerkelijk hoger, in dat jaar betaalt Teeuwis Gerritse 275 gulden aan het domein.
Als pachter van de papiermolen "naest de Coornmolen te Apeldoorn, leggende met 3: Coornmenlen op eene geute (= goot)” vinden we in 1732 Teeuws Cornelis, die volgens zijn zeggen dan "omtrent dertig jaeren Papiermaker is geweest”. Hij komt in 1747 nog voor op de molen evenals in 1749. Later vernemen we, dat de korenmolen overdag het water gebruikte, terwijl dit ’s nachts dienst deed voor het in beweging brengen van de hamers van de papiermolen.
In 1802 wordt de papiermolen bewoond door de weduwe J. Tewes; zij betaalt 220 gulden pacht. Volgens de domeinrekening over 1816 is de molen dan verhuurd aan de vroegere burgemeester van Apeldoorn J. H. Gunning voor het luttele bedrag van 50 gulden per jaar. Tussen 1854 en 1860 gaat de Verbrande Molen opnieuw in vlammen op. Hij herrijst in 1861 uit zijn as en heet nu papierfabriek "De Koorenmolen”. Het bedrijf levert op den duur geen redelijk bestaan meer op en in 1879 komt er een eind aan de papierbereiding. Daarover lezen we in de Apeldoornsche Courant van 16 augustus 1879 het volgende: "Verkoop op dinsdag 18 augustus 1879 ten huize van de Heer R. van Gerrevink op de papierfabriek "De Koorenmolen aan den Brink te Apeldoorn”. Den geheelen inventaris van een Papierfabriek als: een 20 paar vormen, waaronder geheel nieuwe, een Posvilter voor Bijenkorf, een Posvilter voor

Handtekening van Johan Steenbergen de Jonge onder een stuk uit 1599.
Hij tekent hier: Jonge Jan Stenberch.





Interieur van de papierfabriek Holthuizen met een aantal hamerbakken..
De foto dateert omstreeks 1900.




Royaal, lJzeren en Houten Leggeborden, een nieuwe zes Hamersbakplaat en zes Hamers met Kilen enz.”
Bijenkorf en Royaal waren benamingen voor verschillende soorten papier. Met "posvilten” is een post vilten bedoeld, een bepaald aantal vellen vilt. Deze vilten deden dienst bij de papierbereiding (zie het gedeelte over het maken van handpapier).
Na de opheffing van zijn papierbedrijf begint R. van Gerrevink een lompen- en papierhandel aan de Nieuwstraat en wordt zodoende de stichter van de thans nog bestaande "Fa. Gebr. van Gerrevink, handel in Lompen, papier, huiden en metalen, Nienwstraat 32”.
De voormalige papiermolen werd daarna voor allerlei doeleinden gebruikt, o.a. was er een tijdlang een orgelfabriek in gevestigd. Omstreeks 1935 waren woonhuis en molen reeds geheel verdwenen in verband met de rioleringswerkzaamheden aan de Grift.
Men kan zich heel goed voorstellen, hoe moeilijk het voor rasechte papiermakers geweest moet zijn om een sinds eeuwen betreden pad te verlaten en een totaal andere weg in te slaan. De verbouwing van hun molens tot machinale papierfabrieken of de omschakeling op andere bedrijven, waarbij geheel nieuwe werkwijzen moesten worden toegepast, brachten een totale verandering in de sfeer waarin ze van jongsaf waren opgegroeid. Hun leven lang hadden ze het water horen spetteren op het rondwentelend rad, van hun jeugd af waren ze gewend geweest aan het onafgebroken geroffel van zware eikehouten hamers, het behoedzaam scheppen van tere vellen papier één voor één - en het geblaas op de koehoom, wanneer al het molenvolk opgeroepen werd om aan boom en haspel te helpen persen. Al dit vertrouwde ging nu verdwijnen en plaats maken voor iets geheel anders. Ze hebben echter kans gezien zich aan te passen bij de nieuwe tijd en de meesten onder hen zijn erin geslaagd een ander bestaan op te bouwen.

Papiermolen Tepelenberg (kaart l nr. 16)

Boven de zojuist genoemde papiermolen wordt ter hoogte van de tegenwoordige Julianastraat - aan een dwarsverbinding tussen de Grift en de onderbeek van het Slop omstreeks 1680 een papiermolen getimmerd, die eveneens gedreven werd door het water van de Grift. In 1678 ligt daar nog geen molen, hetgeen op te maken valt uit de verkoop 81) op 1 september 1678 door Gerrit Warners en Derck Henricksen van een huis en hof, genaamd de Tepelenbergh, aan Willem van Ulft, heer tot Laeckhuysen, Loo enz. De pas gebouwde molen komt in 1684 bij de aankoop van het Oude Loo eveneens in het bezit van stadhouder Willen III en blijft tot 1749 eigendom der Oranjes. Jan Jansen Corthals is in 1732 pachter van de "papiermolen den Tepelenbergh”. In 1747 zijn Jacob Zevenhuizen en Gerrit Reinholt pachter. Het volgend jaar zijn molen en woonhuis op 19 november "’s avonds om 10 uren door ongeluk verbrant sonder dat men heeft kunnen ontdekken van oorsaek”. De overgebleven materialen en goederen met inbegrip van de standplaats der afgebrande molen - worden in 1749 voor 1000 gulden verkocht. Dit lezen we in een stuk van 23 januari 1749: "Die van den Raaden en Rekening van Zijne Hoogh., den Prince van Orange en Nassau, Joh.H. Rochet, rentm. der domeinen verkocht aan Cornelis Gerrits alle overgebleven materialen en goederen van de afgebrande papiermolen den Tepelenberg genoemd, met den standplaats voor 1000 Caroli gulden”. Toegestaan wordt, dat Cornelis Gerrits op eigen kosten een nieuwe papiermolen zal timmeren en voor de grond en waterpacht erfelijk jaarlijks f 42 betalen benevens een halve riem schrijfpapier, te beginnen 1 januari 1749. Er zijn in dat jaar 4 knechts en meiden.
Op 15 juli 1775 verkopen Cornelis Gerrits, papiermaker, en Hermina Engelvoort aan Toniss Jansen Box en Elisabeth Toniss hun 3/ 4 part in de waterpapiermolen op de Tepelenberg, terwijl de papiermaker Hendrik Cornelis zijn vierde deel verkoopt van de 5 baks papiermolen, waaronder 2 bakken met 6 hamers gaande. Verder het huis, hof, molenhuis, bergschuur enz. Op de molen rust een jaarlijkse erfpacht van f 42 voor grond en water, te betalen aan de domeinen van Het Loo.
In 1815 gaat de papiermolen over aan Lambert en Arend uijt den Bogaard, kooplieden te Amsterdam. Aan het papierbedrijf is in 1852 ook een blekerij verbonden, want op 1 juni van dat jaar doen Gerrit en Arend uit den Bogaard te Amsterdam over aan Gerrit uit den Bogaard, papiermaker te Apeldoorn, "een 6 baks waterpapiermolen, met waterraden (er is dus meer dan één rad), molenhoofd, molenas, wrijfbak, walsen, persen en verder gereedschap, daaraan verbonden woonhuis, een daarnaast staand later nieuw gesteld huis met annex pakkamer of werkplaats en bergplaats voor lompen, bouwschuur, hangschuur, een gebouw tot blekerij ingericht, genaamd de Tepelenberg gelegen aan den Brink, belast met f 42, - erfpacht als waterpacht ter behoeve van het Domein”.
Als eigenaars van de beek (= Grift) worden op 2 mei 1862 genoemd: Lucas Dijkgraaf en cons., Christiaan Geurts en Gerrit uit den Bogaard Klaasz. Een week later ruilen G. uit den Bogaard Klz. en J. B. Hügenholtz de 6 baks papiermolen Tepelenberg en de bouwplaats Driehuizen met elkaar.
Reeds kort daarna (15 augustus) verkoopt Hügenholtz de helft van de papiermolen aan W. Pook van Baggen. Op 31 december 1869 vormen Pook van Baggen en H. N. Schutstal van Woudenberg een N.V. "Van Baggen en Compagnie”. Hügenholtz blijkt dan geen bezitter meer te zijn van de andere helft van de molen. De vennootschap "Van Baggen en Compagnie” heeft geen lang leven en wordt 4 juli 1873 reeds ontbonden. Pook is nu alleen eigenaar. Hij doet in 1877 de Tepelenberg voor f 15.000 over aan de Amsterdammer Bernard Herman Wiibbe. De koper zal de jaarlijks verschuldigde erfpacht van ’t water - nu f 33,60 - voor zijn rekening nemen. Deze is dus verminderd. Wiibbe adverteert op 16 augustus 1879, dat hij "zijn voormalige papierfabriek” heeft ingericht tot "een Wasch- en Bleekerij met Strijkinrichting” terwijl in maart 1880 de verkoop van de inventaris der vroegere papierfabriek "De Tepelenberg” plaats vindt, zulks op verzoek van de heer Wübbe. Nog geen drie jaar later verkoopt deze zijn wasbedrijf, dat nog steeds van waterkracht gebruik maakt, aan Martinus Johannes van Alphen, bleker te Apeldoorn. Daarna wordt de voormalige molen geheel omgezet in een machinale wasinrichting.

De papiermolens van het Slop (kaart nr. 17)

Op de beek, die iets voorbij de Elsweg onder de Brinklaan door en vervolgens naar de Grift loopt, lag in de 17e eeuw de papiermolen in ’t Slop, zo genoemd naar de plek, die van oudsher als zodanig bekend stond. Volgens het verpondingskohier van het ambt Apeldoorn van 1648/ 49 zijn de erfgenamen van de landdrost van de Veluwe, Assueer (Asweer, Sweder) van Apeldoorn eigenaars van ’t waterrecht van de beek.
In 1639 had de rekenkamer aan Assueer het recht op ’t water uitgegeven van "zekere beekjes zoo ver de buurschap en mark van Orden strekt, onverkort het recht der drie molens die op deselve reeds gelegd zijn”. In het verwerven van dit waterrecht hebben we een soort geldbelegging en winstobject te zien, doordat de bezitter het water dan weer aan papiermolens ging verpachten en dikwijls een hoge interest trok.
Later (1679) behoren grond en water 82) van de molen ’t Slop aan Jan van Hoekelom (Houclum) bij ’t Ritbroek. Er is dan sprake van "een derde deel van een papiermolen, huys en al het getimmer niets uitgezondert tot den lijmketel incluis, alwaer Franck Toenissen pagter op is tot Apeldoorn in ’t Slop op de grond en water van Jan van Houclum bij ’t Ritbroek, toebehorende Bart Jansen en Hendrickien Reyers, echtelieden”. Het bovenstaande wordt 1 augustus 1679 getransporteerd en opgedragen aan Jurrien Jansen, papiermaker.
Volgens een getuigenverklaring 83) van 10 maart 1693 voor de scholtis van Apeldoorn, moet Jurrien Jansen aan Jan van Hoeclum jr voor grond en water van zijn molen een jaarlijkse pacht betalen van 77 gulden. Van Hoeclum zit voortdurend krap in z’n geld en verzoekt telkens de pachtpenningen "bij avance eer die verschenen waeren” te ontvangen. Jurrien Jansen stemt hierin toe, doch profiteert van de geldnood van z’n pachtheer, die dan "genoegen” neemt met een bedrag van 70 gulden. Soms schiet Jurrien hem zelfs 2 a 3 jaar pacht voor! Tenslotte wil hij echter geen geld meer "in avance verschieten” maar koopt van Van Hoeclum, die steeds in financiele moeilijkheden blijft verkeren, het recht van het water en de grond voor 1250 gulden. De verkoop komt tot stand "op een sonnendach ’s avonds laet, niet stillekens maer nae lange en veel dingens door bemiddeling van Robbert Jurrien in den nieuwen Moriaan”.
Zeshonderd gulden wordt op 22 februari 1690 voldaan, terwijl men van de resterende "coopspenningen” een "renversaal off obligatie” laat maken. Later vernemen we, dat het nog verschuldigde bedrag "voldaen ende betaelt” is.
In 1708 liggen er twee papiermolens, waarvan in 1756 als eigenaars worden genoemd: Hendrik Cornelis van den Bergh, de wed. Cornelis v. d. Bergh, geboren Janna Gerrits (moeder van Hendrik) en Jan Tonis Middelink. Op 12 maart zijn de goederen van Hendrik Cornelis v. d. Bergh (ook wel Nijdeken genoemd), gehuwd met Berendina Egberts IJkman, "verwonnen” ten verzoeke van Lambert Woudenberg namens Abraham Pannekoek (er lag dus een hypotheek op). Latere bezitters zijn: 1760 - 1761 Matheus Kuijt en Jan Teunis Middelink (tot 1772 - 1773). In 1774 - 1775 de wed. Matthijs Kruijt en de wed. J. T. Middelink; 1776 - 1777 wed. M. Kuijt (tot 1779 - 1780) en Hendrik van Delden. Van 1780 - 1781 Jan Blueminks en H. van Delden (ook nog tot 1794 - 1795, doch niet meer in 1798 - 1799).
In de 2e helft van de vorige eeuw lagen daar de papiermolen van de Van Riessens en de reeds eerder genoemde korenmolen van Boks. Beide watermolens zijn sinds lang verdwenen en de herinnering aan deze bedrijven is bijna geheel teloor gegaan.

De papiermolen ’t Hul (kaart l nr. 19)

Op de Orderbeek heeft een drietal papiermolens gelegen, waaronder een dubbele molen. Het valt niet precies na te gaan, welke molens in de oudste stukken bedoeld worden. Zodoende kan men niet steeds met zekerheid zeggen, wanneer de geschiedenis van deze bedrijven op de Orderbeek een aanvang neemt en wie de stichters van de molens zijn geweest. Met de papiermolen ’t Hul ligt de zaak mogelijk anders. Vermoedelijk hebben we hier te doen met de allereerste papiermolen op de Orderbeek. De papiermolen is genoemd naar de niet ver daar vandaan gelegen boerderij "het Hul”, die op het terrein stond, waar zich nu de machinefabriek Landaal bevindt. De juiste ligging van de molen was gedurende lange tijd totaal onbekend. Wel komt op een kaart van de Hoge Heerlijkheid Het Loo van ca. 1750 het "Hulhuis” voor, doch de papiermolen zelf ontbreekt. Een verpondingskaart van 1811 bracht uitkomst. Daarop vinden we ’t Hul aan de rechterzijde van de Orderbeek, even voordat deze uitmondt in de Grift ongeveer op de plek van de tegenwoordige wasserij J. J. van Delden, 83 Veenweg 12. De papiermolen zal gewerkt hebben met een onderslagsrad, want het terrein is niet gunstig geweest voor het leggen van een bovenslagsmolen. Er bestaat een afbeelding (omstreeks 1790) van een houten onderslagsmolentje aan de rechterzijde van de Orderbeek.
Van een papiermolen op de Orderbeek horen we voor het eerst op 2 november 1619.
Dan pacht Caspar Weydeman van de Ordermark de grond voor een molenplaats, gelegen tussen de gronden van Herman Gijsberts en Wouter ’t Orden. Uit de rekening 84) van de rentmeester Rutger Huygens over 1633/ 34 blijkt, dat Weydeman

. . . dít ís Caspar Weydemans merck
mit sijn eígen handt geschreven
(1614)


destijds een molen heeft getimmerd in de buurschap Orden. Hij belooft voor ’t recht van het water jaarlijks op Martini 5 £ te betalen "so lange bij hem niet meer als een radt gehangen worde”.
Het eerste pachtjaar zou ingaan "so haest die moelen gangbaer was, ende also nu dese moelen in den jaere 1621 gangbaer was” moest de pacht vanaf dat jaar een aanvang nemen. Doch de "pampieren man Caspar”, zoals hij in 1623 wordt genoemd, betaalt geen cent. Want op 3 november 1627 vernemen we, hoe Caspar Weydeman enige jaren geleden onder ede had verklaard, dat hem "in ’t beginne als hij den moolen, die nu vercoft is aen Daniel Martens wilde leggen” door de rekenkamer vergund was "ten regarde van de oncosten, die hij aent Hulsberger waeter hadde aengewendt ende daer hij gheen voordeel aff hadde getrocken, desen moelen tot weder seggens toe te sullen mogen leggen en gebruijcken, sonder eenige recognitie ofte erffpacht.” Wat hij met het water te Hulsbergen uitvoerde wordt ons niet duidelijk gemaakt. Op 3 juni 1624 belooft Weydeman de erfpacht te voldoen "indien hij gheen bewijs van de voorss. vergonninge konde verthonen”. De pacht over de jaren 1621, 1622, 1623 zal hem in het tegenovergestelde geval worden kwijtgescholden, maar "aengaende die jaeren van 1624 en 1625 sall hij geholden sijn te betalen”.
Later blijkt, dat Weydeman aan de gestelde voorwaarden niet heeft kunnen of willen voldoen.
Caspar Weydeman doet in 1626 zijn molen in Orden over aan Daniel Martens, een der zoons van de papiermaker Marten Orges. Daniel Martens krijgt bij akte van 3 juni 1626 van de rekenkamer de erfpacht van ’t water. De pachten "wegens de verlopen jaren van 1621, 1622, 1623, 1624 en 1625 met het jaer 1626” moet Daniel Martens ook betalen. Het is vreemd, dat de achterstallige erfpacht voor rekening komt van de nieuwe eigenaar. In elk geval blijkt er uit, dat Caspar Weydeman zijn bewering over vrijstelling van pacht wegens het Hulsbergerwater niet met bewijzen heeft kunnen staven. Zijn opvolger Daniel Martens voldoet evenmin aan zijn verplichtingen en in 1633 is de schuld aan de rekenkamer opgelopen tot 65£. Er is dus over de verschenen 13 jaar - d.i. vanaf de stichting van de molen geen enkele keer pacht betaald. Het is een raadsel waarom Daniel Martens steeds nalatig blijft in ’t voldoen van zijn schulden en toch ongestoord het water van de Orderbeek op het rad van zijn molen kan blijven laten lopen. Zijn voorganger Caspar Weydeman heeft een nogal belangrijke rol gespeeld in het papierbedrijf en in de molenbouw van ons land gedurende de eerste helft der 17e eeuw, zelfs in het buitenland blijkt zijn werkzaamheid. In 1614 komt hij als papiermaker en mede-eigenaar voor op de papiermolens te Egmond aan de Hoef 85), waar hij toen ook woonde. Op 17 juli 1618 verkoopt Weydeman (Weideman, Waideman) zijn aandeel in genoemde molens. Hij is inmiddels naar de Veluwe vertrokken, waar hij een tweetal papiermolens timmert. Over zijn eerste werkzaamheid in onze omgeving horen we in 1615. Hij bouwt dan in opdracht van de Amsterdamse boekverkoper Hendrik Lourens een papiermolen te Epe in de buurschap Wissel, waarop hij een tijdlang ook als papiermaker werkzaam is. Het daar vervaardigde papier wordt te Amsterdam door Hendrik Lourens verkocht. In 1619/20 timmert Weydeman de hierboven vermelde molen op de Orderbeek en blijft zoals we zagen in gebreke met de betaling der jaarlijkse waterpacht. Volgens een schrijven 86) van het Hof aan de scholtis van Apeldoorn - gedateerd 3 november 1627 - wil Caspar "mit consent der heeren” weer een papiermolen zetten in het ambt Apeldoorn. Er staat niet bij op welke plek hij dit van plan is. Evenmin weten we of de stichting van de molen werkelijk heeft plaats gevonden. Op 28 augustus 1628 was dit nog niet het geval, want dan verschijnt voor Hendrik van Huedt, scholtis van het ambt Apeldoorn "Caspar Weijdeman Pampiermaeker, sijns olderdoms verclaerende in die viftig jaeren”. Op de vraag of hij "voor desen niet wel drie ofte vier muelens heeft gelecht soe tot Epe als alhier tot Apeldoorn” antwoordt Weydeman, dat hij twee molens heeft getimmerd "eene tot Epe ende eene tot Apeldoorn”.
Caspar Weydeman moet wel een goede naam gehad hebben in het papierbedrijf van die dagen, want in 1633 laat de Nederlandse grootindustrieel Louis de Geer bij zijn metaalbedrijf te Norrköping in Zweden een papiermolen timmeren en exploiteren.
Hiertoe neemt hij eerst de Vaassense papiermakers Abraham en Isaak Emmerik (Heymerix) in dienst en van 1634 —1637 Caspar Weideman. De Veluwse papiermakers stonden toen al jarenlang bekend als uitmuntende vaklieden.
Op 4 juni 1639 verkoopt Pouwel Peelen een papiermolen te Wissel (Epe) aan Peter Toenissen, die gebouwd is door Caspar Weydeman. Dit moet de molen geweest zijn van 1615.
Na deze afdwaling komen we weer terecht bij de molen op de Orderbeek, die Caspar in 1626 aan Daniel Martens had overgedaan. Tien jaar later blijkt Daniel Martens met "al zijn kinderen” te zijn overleden, vermoedelijk aan de pest, die in 1636 veel slachtoffers op de Veluwe maakte. Uit de schaarse gegevens valt tot nu toe niet met zekerheid op te maken, welke molen met die van Daniel Martens bedoeld wordt. Dit komt vooral door het ontbreken van de markeboeken der Ordermark. Want de door Caspar Weydeman aan Daniel Martens overgedane molen stond immers op grond van genoemde mark. Met het nodige voorbehoud blijven we ’t Hul als zodanig beschouwen.
De molen komt voor het eerst onder die naam voor in een contract uit 1708 betreffende de papiermolens "De Brouwersmolens”. Hierin staat van "den gemeynen wech tot op den hoek oostwaert naer het Hulsmeulen” en even later over een omheining "aen de zijde naer het hul”. In 1713 wordt onder Orden gesproken van de papiermolen ’t Hul. Volgens de "Enquéte” over papiermolens door burgemeester Gunning is ca. 1812 G. Glisweyer "papierfabrikeur op ’t Hull”. Bij een verkoop in 1818 lezen we, dat "Het Hul” niet meer dan f 2175 "doet”. Daarna verdwijnt de molen uit het boek der historie.

Hennemansmolens, later Waterloo (kaart nr. 20)

De Hennemansmolens - na 1818 Waterloo geheten - lagen aan de Waterloseweg tegenover de huidige Zanderijweg, op een hoogte waarheen men de Orderbeek met dijken had geleid. Vlak boven de molens bevond zich zo goed als geen dijkwerk; de papiermolens en de "waswijer” waren in de vaste grond aangelegd, terwijl ook de onderbeek in de helling van de heuvel was uitgegraven. We hebben hier vermoedelijk te maken met de molen die op 3 december 1625 wordt genoemd. Dan krijgen Jorrien en Roeloff Jansen, die in 1618 de papiermolen Holthuizen stichtten, consent voor een "papiermoeltjen, dat achter Dryhuysen van de hoek van Jan Dries mate (= weiland) westwart op die beeck daer Casparns Moelen op leyt, opgetimmert en gemaeckt is”.
De molen komt dus op dezelfde beek te liggen, waarop Caspar Weydeman enige jaren eerder een papiermolen gelegd had. Al voor 1625 moet de molen gereed zijn gekomen, want de rekening van Rutger Huygens over dat jaar vermeldt: "Alsoe dese Jorrien ende Roeloff Janssen gebroeders vergost (= vergund) is een nieuw pampiermoelen te setten in Ordermerck Ampte van Apeltoren voor 4 L jairlicx Erffpacht waervan het eerste jaer Martini 1625 sal verschienen”. De volgende rekening geeft de aantekening: "1 .augustus 1624 Joerien end Roloff Jansen achter Driehuijsen geseth een pampiermoelgen met een radt”.
In de akte van consent van 3 december 1625 wordt gezegd, dat de twee broers van de geërfden der Ordermark gepacht hadden "den grondt of de plaetse daer sij achter Dryhuysen van den hoeck van Jan Dries maete Westwaert op die beecke daer Casparns Moelen opleijt . . een pappiermoeltgen mochten doen leggen. ’t Welck sij aver een jaer geleden hadden int werck gestelt”. Dit klopt volkomen met de aantekening van 1 augustus 1624. Het blijkt, dat vooraf over de voorgenomen timmering van de molen geen publikatie gedaan was in de kerken van Apeldoorn en Beekbergen. Want de broers hadden een en ander gedaan zonder voorkennis van het Hof. Volgens het verpondingskohier over 1648/ 49 is Roeloff Jansen dan de pacht van grond en water verschuldigd aan Frans van Appelthorn, zoon van wijlen de landdrost Assueer (Asweer) van Appelthorn. Deze Asweer had immers in 1639 van de rekenkamer het waterrecht verworven van "zekere beekjes zoo ver de buurschap en mark van Orden strekt, onverkort het recht der drie molens, die op dezelve reeds gelegd zijn”. Dit recht op ’t water betrof ook de Orderbeek. Vandaar dat in de rekening 87) van de ontvanger Rutger Huygens over 1639/ 40 gesproken wordt van de waterpacht van een "molentje met een radt achter driehuysen doch alsoo dezelve sullen betaelt worden aen den Drost van Veluwe, die het wederom ten comptoir sal leveren - memorie”. Daar in 1648/ 49 alleen Roeloff Jansen genoemd wordt, zal diens broer Joerien (Jurrien) toen reeds overleden zijn. Het is vreemd, dat Roeloff ook de pacht voor de grond moet betalen aan Frans van Appelthorn. De beide broers hadden toentertijd "den grondt ofte plaetse” voor de molen immers gepacht van de Ordermark en niet van een particulier. Maar ook in 1652 is sprake van "een papierenmeule met 3 backen” van Roelof Jansen, waarvan de grond en ’t water Frans van Appelthom toekomen.
De naam Hennemansmolens - er liggen later 2 molens naast elkaar aan de linkerkant van de beek - komt voor in 1742. Cornelis Lubberts en Jacob van Putten bezitten in dat jaar ieder de helft van de Hennemansmolens, terwijl in 1757 Hendrik Cornelis Nijdeken - ook wel Van den Berg genoemd - eigenaar is van een papiermolen in het Slop en tevens van 1/4 en 1/8 part van de "Hennemansmolens in ’t Veen”.
Met dit veen wordt het Orderveen bedoeld, dat in 1684 bij de aankoop van het Loo gedeeltelijk in het bezit komt van stadhouder Willem III en waaraan de tegenwoordige Veenweg herinnert. Behalve de Hennemansmolens worden de Eendracht en Brouwersmolen soms ook vermeld als molens in ’t Veen. Op een zeer grote kaart van de Hoge Heerlijkheid Het Loo, die omstreeks 1750 is vervaardigd door de landmeter W. Leenen, komt de benaming "Hennemans moolen” eveneens voor. Wie met deze Henneman bedoeld wordt, is ons onbekend.
Een diefstal van een partij vilten en een unster, ten nadele van de papiermaker Wolter Muller op de Brinkermolen te Vaassen, brengt de Apeldoornse papierbereider Cornelis Gerritse (Gerrits, Gerritsen) van de Hennemansmolen in 1747 in aanraking met de justitie en leidt tot een proces voor het Hof van Gelderland. Men had destijds in Vaassen het spoor van de dader(s) kunnen naspeuren in de richting van de Geelmolen en vervolgens naar Apeldoorn, waar de verdenking viel op Cornelis Gerrits, die misschien niet zo best bekend stond. Gerrits werkte te Apeldoorn eerst als papiermaker op een der molens van "Clijn Hattem”, later op Hennemansmolen. Hij was geboortig uit Niersen en een zoon van Gerrit Lamberts, bijgenaamd de "quade scholte”. We vinden Cornelis als papiermakersknecht bij Wolter Muller in Vaassen (Pasen 1732 - Pasen 1733) en omstreeks 1737 bij Reinder Luijtjes op de Tullekensmolen te Beekbergen.
Later (ca. 1742) vestigt hij zich als papiermakersbaas op "Clyn Hattem”; met Pasen 1747 verhuist hij naar de Hennemansmolen. Daar wordt hij gearresteerd "des zondags, daegs wanneer de grote vacantie juist daegs te vooren waere begonnen” (vermoedelijk 4 augustus) en overgebracht naar Arnhem. Eerst zit Gerrits in het gewone gevang, maar op verzoek van z’n vrouw Hendersje wordt hij op 14 augustus in de gijzelkamer gezet. Hiervoor moet per dag één gulden betaald worden. Hendersje beweert dat haar man het ongeluk heeft gehad in de "disgratie” te vallen van de Apeldoornse scholtis Van Hamel, toen hij bij een ondervraging op 23 april 1742 niet naar genoegen van de scholt had geantwoord op de door deze gestelde vragen naar aanleiding van de geruchtmakende zaak tegen ds Craayenhof te Apeldoorn.
Cornelis Gerrits ontkent het hem ten laste gelegde en geeft over de herkomst van de op de Hennemansmolen gevonden vilten de volgende verklaring. Op een zaterdag in mei 1747 is hij in Deventer geweest bij een zekere Budde en heeft van deze 36 el viltlaken gekocht voor 32 gulden en 8 stuiver. Dit blijkt uit een bij de processtukken aanwezige rekening.
Na de koop neemt Gerrits de rol viltdoek op z’n rug en loopt met het zware pak vanaf het huis van Budde tot aan de herberg de Strookap, die toentertijd lag ter plaatse van de tegenwoordige Hovenschool, tegenover de tuin van de Deventerbuitensociéteit. Bij de Strookap ontmoet Gerrits een hem onbekende voerman, met wie hij mee kan rijden langs Twello tot halverwege de "Swaan” en "de gulickers huys”. Hier moet hij afstappen en de komst afwachten van de voermanskar van Deventer op Apeldoorn. Dit duurt nogal lang en daarom besteedt hij zijn tijd "nuttig” door de vilten alvast voor een deel op maat te scheuren. Daar de voerman naar Apeldoorn niet op komt dagen, verstopt hij de vilten in een hooiland aan de kant van de weg en gaat lopend naar huis. In de nacht van zondag op maandag vertrekt Cornelis Gerrits met een kruiwagen van de Hennemansmolen om de vilten op te halen. Het heeft intussen geregend, de vilten zijn nat geworden en dus extra zwaar. Bij het passeren van een vonder glijden ze van de kruiwagen en vallen in ’t water. Gerrits vist de drijfnatte vilten op, stopt ze in een zak, gooit deze op de kruiwagen en sjouwt met z’n last naar Apeldoorn. Het einddoel is de Hennemansmolen. Hij neemt niet de door de regen slecht begaanbaar geworden "ordinaire weg”, doch kiest de betere route langs "den Nijen Enk” (Nieuwe Enk). Cornelis gaat dus vermoedelijk Anklaarseweg, Koningsstraat, Loseweg en ongeveer de huidige Koning-Lodewijklaan. Onderweg ontmoet hij tegen 5 uur ’s-morgens ter hoogte van het kruispunt Zwolseweg-Koningsstraat de eveneens al vroeg op pad zijnde kleermakersbaas Jan Lindeman (62 j.) en diens 21-jarige zoon Jacob. Cornelis Gerrits, die doodop en nat bezweet is van het sjouwen, vraagt hun of ze bij de herberg van Zeger Brouwer bij ’t paleis Het Loo al wakker zouden zijn, want hij snakt naar een glas "foesel”. Hij loopt door en bij de herberg van Brouwer gekomen zet hij de kruiwagen "bij ’t plancketsel van de hof van ’t Loo”.
De waard Zeger Cornelis Brouwer en z’n knecht Willem Gerrits blijken tegen 5 uur ook reeds bij de hand te zijn wanneer Cornelis binnentreedt "eysende en drinckende een soopje”. Na z’n dorst gelest te hebben kruit onze papiermaker met moeite verder.
Tenslotte kan hij niet meer, hij laat de kruiwagen met vilten staan, aan "den hoek van de Nijen Enk” en gaat naar de Hennemansmolen. Daar gekomen - het is dan tussen 7 en 8 uur - stuurt hij zijn meid Janna erop uit om de kruiwagen te halen en in de molen te brengen. Janna begeeft zich op weg, en komt - terwijl "de klock omtrent agt uuren” is - bij "het schaapsschot, staande aan den Apeldoornschen Enck”. Hier zijn in het vroege morgenuur de twaalfjarige Harmtje Teuniss en haar tien jaar oude broertje Gerrit - kinderen van Teunis Harrmss, bouwman op Driehuizen - druk bezig met het strooien van het schot. Janna vraagt hen of ze ergens in de buurt soms een kruiwagen hebben zien staan. Het antwoord luidt "neen”, waarop de meid bij Harmtje en Gerrit informeert waar de "hoeck van den Nijen Enck” is, want de baas heeft daar een "kruiwagen met vilten laten staan”. De kinderen, die Janna van de Hennemansmolen wel kennen, duiden haar de plek aan. Kort daarna komt de vrouw met de kruiwagen - waarop de zak vol vilten - "aankruien voorbij haar schot”. Janna houdt stil en zegt tegen Harmtje en Gerrit "ik zal de vilten er eens uytkrijgen”. Ze doet de zak los, pakt een vilt en roept "waar mag den Baas sulcke groote vilten hebben gekregen daar hebben wij er wel twee aan, en hoe mogen die soo nat zijn, dan moet hij daarmede inde Beeck gelegen hebben”. Voor de ogen der nieuwsgierig toekijkende kinderen spreidt de meid de ene vilt na de ander uit op de grond "zijnde alle nat”.
Janna stopt dan alles weer in de zak, smijt deze op de kruiwagen en kruit "aanstonds naar Hennemansmolen”. Daar brengt Cornelis Gerrits met hulp van z’n meesterknecht Claes Jansen van ’t Vriesseveen en z’n knecht Gerrit Henrix (respect. 17 à 18 en 22 à 23 jaar oud) de zware zak naar de zolder. Daarna stuurt hij de beide knechts naar Gerrit Fijn om "vangkisten” (zink- of stofkisten) te halen, terwijl hij zelf de natte vilten op de strikken hangt. Het is wel vreemd, dat hij dit op z’n eentje doet.
Uit de getuigenverklaringen blijkt, dat verdachte Cornelis Gerrits kort na zijn ontmoeting met Jan Lindeman bij Het Loo van deze nog een "parsyser” (= strijkijzer) had geleend om de vilten glad te strijken. Want Gerrits had op aanraden van zijn factoor Gerhardus van Laar in Amsterdam de grote of "Lommersvilten” tot schrijf' vilten vermaakt en moest met het "parsijser” de naden glad strijken. Later lezen we over 2 olifantsvormen met 1 post lombersvilten. Misschien werd deze soort vilten gebruikt bij het vervaardigen van olifantspapier. Of hebben ze te maken met het z.g. lomberspapier? We zien, dat op die bewuste meimorgen van het jaar 1747 tal van personen in Apeldoorn al vroeg op de been zijn. Verdachte Gerrits sjouwt reeds voor het opgaan der zon met de zwaar beladen kruiwagen; de kleermaker Jan Lindeman en z’n zoon Jacob lopen om 5 uur op straat; de herbergier Brouwer en zijn helper Willem staan op dezelfde tijd reeds klaar voor het schenken van een biertje; Harmtje en Gerrit sloven zich tegen achten uit met het strooien van de schaapskooi, terwijl de meid Janna dan aan ’t zoeken is naar een kruiwagen op de hoek van de Nieuwe Enk! Op 24 oktober wordt de papiermaker Cornelis Gerrits "onder handtastinge” uit de gevangenis ontslagen. Kort daarna vinden we hem bij "de Tepelenberg” waar hij van de domeinraad op 23 januari 1749 "alle overgebleven materialen en goederen van de afgebrande papiermolen den Tepelenberg genoemd” voor 1000 gulden koopt. Cornelis Gerrits mag op eigen kosten een nieuwe papiermolen timmeren.
Na dit verhaal over de gestolen vilten vervolgen we thans de verdere historie der Hennemansmolens. Op 14 november 1765 koopt Peter Middelburg, weduwnaar van Anna Olthof, 1/4 part van de vier vijfhamersbakspapiermolen Hennemansmolen voor 552 gl. 15 st. van Lubbertje Nooyen Nijland, wed. van Hendrik Aarts Brouwer, Arnoldus Muller en diens echtgenote Teunis Aarts, benevens de kinderen van wijlen Andries Aarts, ieder 1/ 12 part, samen 1/4.
Gerrit van Lill, wedr. van Aartje van Putten, en Jacob van Lill, gehuwd met Wilhelmina Verstege, transporteren op 2 mei 1782 aan Teunis Hendriksen en diens vrouw Catharina Bastiaens hun "vierbakswaterpapiermolen Hennemansmolen genaemt in ’t Veen onder Apeldoorn, staende en gelegen op de Ordermarkts grond” voor 4255 car. gulden. Aan Arnoldus Muller is jaarlijks 5 gulden waterpacht verschuldigd.
Het betreft hier de erfpacht van het water vanaf de Ordermolen tot op de Hennemansmolens. Deze erfpacht werd in 1783 voor 300 gulden gekocht door Zebus Zevenhuizen (Sebis Sevenhuizen) en diens echtgenote Gerritje Teunis van Bernardus ten Hoove en Alida Berendina Muller. De naam Zebus zal afgeleid zijn van Zebedeus. Op 12 mei 1784 verzoekt Teunis Hendriks aan de rekenkamer om een stuk heideveld bij zijn papiermolen in Orden, dat hij van genoemde instantie in erfpacht heeft, te "cultiveren” en voor een gedeelte "tot zaeijland te maecken, zijnde hetzelve altoos te voren heijdeveld en onland geweest, en noijt bebouwt”. Hendriks mag het land ontginnen en gedurende 20 jaar tiendvrij gebruiken, doch moet daarna de verschuldigde tiend geven en zal gehouden zijn "het voors. Land in de culture te continueren”.
Uit de nalatenschappen van Teunis Hendriks (overl. 27 aug. 1800) en Catharina Bastiaans (overl. 10 aug. 1793) komen de beide Hennemansmolens in bezit van hun schoonzoon Zebus Zevenhuizen en diens vrouw Gerritje Tennis, als enige erfgenamen.
Zevenhuizen is tevens eigenaar van één der Tiemensmolens en van de Ordermolen.
Volgens de lijst Gunning (na 1812) zijn de Hennemansmolens in die tijd onbewoond en is er geen "Fabrikeur”. Op 5 februari 1817 vindt in de herberg "Het Hert” te Apeldoorn de inzet plaats van de onroerende goederen uit de nalatenschap van Zebus Zevenhuizen en Gerritje Teunissen, o.a. bestaande uit: no. 4. Hennemansmolen met woonhuis no. 130, drie vijfhamersbakken, ten oosten van de andere Hennemansmolen " (no. 4 slaat op de bovenste molen) no. 5. Hennemansmolen met woonhuis no. 151, vier vijfhamersbakken, gebruikt door Arend van Apeldoorn (benedenste molen).
no. 12. Erfpacht van het water in Ordermark (door Zebus Zevenhuizen destijds gekocht). Men ziet dat de naam Waterloo dan nog niet voorkomt.
Bij de publieke verkoop op 19 februari 1827 (Note.. Hardonk bedoelde hier hoogstwaarschijnlijk 1817) wordt het recht van ’t water, benevens een perceel hooiland, gekocht door Jacob, Derk en Barnardus Berends, zoons van de papiermaker Jan Jacob Berends op Steenbeek. Voor de erfpacht van het water betalen ze f 710, - . De beide molens komen voor f 3816 eveneens in het bezit der drie gebroeders Berends. De papiermolens worden in 1818 verbouwd, daarna verschijnt de naam "Waterloo”. Men koopt in hetzelfde jaar 4 metalen persen van Adriaan Rogge uit Westzaam, afkomstig van de windpapiermolen "De Walvis”; de kosten belopen 900 gulden. Het vervoer per schip tot Deventer bedraagt 40 gl., dat per vrachtrijder naar de molens 34 gl.
In 1823 werken bij de gebroeders Berends op Waterloo 18 arbeiders. Op 9 augustus 1844 vindt een hypotheekoverschrijving plaats ten voordele van het Burgerweeshuis der stad Deventer, genomen te Arnhem op 13 april 1831 ten laste van Jacob Berends, Derk Berends, papierfabrikanten te Apeldoorn en Bernardus Berends, landbouwer in Wijhe. De hypotheek van 6000 gulden is gevestigd op "een Papierfabriek Waterloo genaamd, gelegen in de buurschap Orden onder Apeldoorn, bestaande uit vier woonhuizen . . . . en de Waterpapiermolen zelve, zijnde een Vrijf en hamermolen, eenig hof-, bouw en weideland met houtgewas en het erfpagtsregt van het water van de Ordermoolen aan de molen Waterloo”. Hieruit zien we, dat er zowel met hollanders als met hamers gewerkt wordt.
In 1856 zitten op de papiermolen Waterloo: H. J. van Gerrevink (bovenste molen) en G. W. Pannekoek (onderste molen). leder bedrijf bezit 6 hamerbakken en 1 wrijfbak of hollander. Er wordt wit papier gemaakt. Op 31 mei 1860 bestaat de papiermolen Van Gerrevink uit een "papiermolen "Waterloo” genaamd. met de daarin bevindende gereedschappen . . . woonhuis, en verdere gebouwen, erven, tuinen, bouwen weilanden, water, houtgewassen en verdere accessoiren . . . benevens alle regten op het water, waardoor deze fabriek gedreven wordt met bijbehorende stuwkolk”. Men raamt de jaarlijkse onderhoudskosten op 500 gulden. Van de papierfabrikant G. J. W. Pannekoek op de onderste molen Waterloo bestaat een riemverpakking uit de 2e helft der 19de eeuw. Een riem papier bestond in die tijd uit 480 "gave” vellen (20 boek, ieder van 24 vel). Zonder de toevoeging "gave” mocht het bovenste en het onderste van de twintig boeken een "kasboek” zijn, waarbij de term "kas” te verstaan is als uitschot of retiré.
Om de riem heen legde men een blanco grove - soms blauwe - onderkap en een bovenkap van wit kardoespapier, beide in ieder geval van een taaie stevige kwaliteit en bond daarna de riem dicht met een bandje. Het zware papier of dun carton onder om de riemverpakking heette "uitbindsel”, daarover kwam de kap met het fabrieksmerk. Op de hiergenoemde riemverpakking bevindt zich op de bovenkap het fabrieksmerk van de papierfabrikant met daaronder de woorden: G. J. W. Pannekoek, Apeldoorn.
De figuren en letters op de kap zijn uitgevoerd in licht Indisch rood (rood duidt de beste kwaliteit aan, zwart de mindere soort).
Op 22 juni 1866 brengt prins Alexander, zoon van koning Willem Ill, een bezoek aan de papiermolen van Van Gerrevink, waarover de "Apeldoornsche Courant” het voIgende vermeldt: "Gistermiddag hebben Z.K.H. Prins Alexander met H. D. gouverneur Jonkh. Hooft en de Prinses van Saxen Weimar met verder gevolg een bezoek gebragt aan de papierfabrijk van de Erven D. van Gerrevink op Waterloo alhier; zij onderhielden zich zeer minzaam met genoemde papierfabrijkanten, vroegen naar alles, wat de vervaardiging van papier aangaat, en schepten zelve eenige vellen, die hierna op’t Paleis moesten bezorgd worden”.
In 1873 moet een deel van het strodak op de molen Van Gerrevink vemieuwd worden.
Hierover licht ons een bewaard gebleven briefje in, dat H. J. van Gerrevink heeft gericht aan D. Steunenberg. Het luidt als volgt:

"Apeldoorn 22 Sept. 1873
Vriend Steunenberg!
Wij hebben uw al twee Zondagen bij de Kerk opgewacht doch niet gezien, nu dient deze uw te verzoeken als het even kan in de volgende week te willen komen om een stroo deken op de eene zijde over het dak van de molen te leggen, het regent er zoo door dat wij er geen papier onder kunnen leggen, gij zout ons een groot pleizier doen met dan te komen, daar het ons dan het beste uitkomt, gelieve ons te willen berigten of wij nw kunnen verwachten.

‘’In afwachting na groeten
Uw dienaar
H. J. van Gerrevink
ingesloten een postzegel voor het antwoord.” .

Tegenwoordig wordt dit laatste door velen nog wel eens vergetenl

De twee molens Waterloo branden op 6 juli 1877 af. Hiervan geeft de Apeldoornsche Courant van 7 juli een verslag. "Vrijdagmorgen j.l. ongeveer ter 10 ure ontstond brand op den zolder in de papierfabriek van den heer G. J. W. Pannekoek in Waterloo onder deze gemeente, welke spoedig zoo snel toenam, dat niet alleen deze fabriek, maar ook die van zijn buurman, de Erven D. van Gerrevink, eene prooi der vlammen werden; van ’t voorhande zijnde papier, gereed om te verzenden, is bijna niets gered, en wat gered werd erg beschadigd. Gelukkig dat de wind gunstig was, zodat de woonhuizen der beide papierfabrikanten door doeltreffende maatregelen van de brandweer, behouden zijn gebleven. Ten 2 ure konden twee spuiten inrukken en ten 3 ure was men alles meester; een spuit bleef ’s nachts op het terrein voor mogelijke uitbarsting van het smeulende vuur. Beide fabrieken waren, hoewel laag, tegen brandschade verzekerd; Pannekoek voor f 15.000, de Erven Van Gerrevink voor f 9500”.
De molens werden herbouwd, doch negen jaar later (28 mei 1886) kraait er opnieuw de rode haan. Weer vinden we daarover een stuk in de Apeld. Courant: "Heden vrijdagmorgen tegen 12 uur ontstond brand in de papierfabriek van G. J. Pannekoek te Waterloo, welke zich mededeelde aan die van de erven van Gerrevink.
Alle voorraad is verbrand, niets gered. Beide fabrieken waren verzekerd”. De uitkering der assurantiegelden verliep zonder moeite, want uit erkentelijkheid voor de vlotte betaling richtten H. H. Pannekoek, R. Pannekoek, H. J. van Gerrevink, G. J. van Gerrevink en H. van Gerrevink een dankbetuiging aan de Brandverzekering.
Deze Hendrik Jan, Gerardus Johannes en Herman van Gerrevink waren kinderen van Dirk van Gerrevink (geb. 1793) en Derkje Bredenoort. Uit dit huwelijk werd ook een zoon Reinier geboren, die met Martha van Delden tronwde en papiermaker was op de papiermolen tegenover de Apeldoornse korenmolen op de Grift (Christiaan Geurtsmolen). Na de laatste brand bouwt men de molens van Waterloo niet meer op. De ruïnes blijven liggen en overwoekeren met struikgewas en wilde planten.

Een brokje "openluchtmuseum" ging verloren.

Waterloo! Hoe roept deze naam herinneringen op aan een der schilderachtigste plekjes uit onze omgeving. Wanneer we omstreeks 1905 bij Waterloo de doorgang in de schutting langs de Waterloseweg waren doorgegaan, zagen we voor ons een der ~ mooiste hoekjes van Oud Apeldoorn. Een paadje van veldkeien voerde naar een oude ! pomp, die omringd was met een weelde van "onderwetse” bloemen. Daar prijkten mnurbloemen, duizendschonen, primula’s en gondsbloemen in een bonte mengeling van , kleuren. Links lag het woonhuis met het rieten dak en de grote deel, waamaast zich de " ruime woonkamer met open haard bevond. Een glanzende koperen ketel blonk boven het knetterend haardvuur. Wat kon het echt gezellig zijn rondom het vlammenspel in 1» de haard onder ’t genot van een kom koffie met heerlijke Apeldoornse koek. ,Aan de andere zijde van het bloementuintje stond een nog veel ouder huisje, een juweeltje van een woning uit de tijd der eerste Veluwse papiermakers. De koperen klopper aan de deur flonkert in het zonlicht. We openen de denr en treden een gangetje binnen, dat toegang verleent tot de verschillende vertrekken. Getemperd zonlicht valt door de ruitjes van glas in lood. Een machtige lindeboom tussen beide huizen overschaduwt heel het mooie oude gedoe.
Op Waterloo raken we maar niet uitgekeken. Links aan de Orderbeek liggen de bouwvallen van de in 1886 afgebrande papiermolens. Halfverscholen zijn ze onder braamstruiken, brandnetels en een menigte andere wilde planten vol fleurige bloemen. Op de afgebrokkelde warmrode en hier en daar bemoste muren hebben enkele berken wortel geschoten. Onder het molenhoofd hangt nog het grote halfvergane bovenslags_ rad, waarboven het heldere beekwater zich voortspoedt alvorens als een zilveren sluier van een hoogte van meer dan drie meter in de onderbeek te storten. Even boven het molenhoofd voert een bruggetje ons over de beek naar een kleine door een beukenhaag omzoomde waswijer, waarvan het water spiegelt in het zonlicht.
Het toenmalige Waterloo vormde eigenlijk een miniatuur stukje openluchtmuseum, dat ongerept voor het nageslacht bewaard had moeten blijven. Helaas heeft men hiervoor geen oog gehad. Zo kon het gebeuren, dat omstreeks 1911 slopershanden dit fraaie plekje gingen vemielen. Zelfs het unieke 17e eenwse papiermakershuisje met z’n aantrekkelijke bouwtrant ontsnapte niet aan de afbraak.
Welk een uitzonderlijk en waardevol historisch monument zou het hedendaagse Apeldoorn in Waterloo hebben bezeten. Een onvervangbaar brokje Oud Apeldoorn is toentertijd door onkunde en onverschilligheid verloren gegaan!

De Ordermolen (kaart l nr. 21)

In juni 1626 blijkt, dat Thiman Jacobs "anderhalf jaar eerder” van Jan Wolters had gepacht een hofstede (= hier de molenplaats met grond) in diens herengoed "De Pas” in Orden om er een papiermolentje op te timmeren, aangezien "een waterken vuydt idt selve goedt sijnen oorspronck was hebben”. Volgens dit gegeven dateert het hier genoemde molentje al voor 1626. Met herengoed wordt een boerderij bedoeld, waarop verplichtingen rustten uit de tijd der horigheid. De Pas is dezelfde als de boerderij "de Hogenhof”, die men afgebroken heeft bij de bouw van de Koning Willem III kazerne. De Pas in Orden moet niet verward worden met de Pasch in het dorp Apeldoorn.
De akte over de uitgifte van het water voor de molen staat op 14 september 1627. Dan geeft de rekenkamer aan Thiman Jacobsen consent "van een papiermoeltgen dat op seeckere hoffstede gehoerende in het herengoedt genaemt den Pas in den Ampte und kerspel van Apeldoorn Buirschap Orden gelegen getimmerd und geset is”. De huidige Ordermolen zou dus gebouwd zijn op het terrein van het voormalige herengoed de Pas.
Nu lezen we echter in een getuigenverklaring 88) van 20 september 1628, afgelegd door de 44 jarige kerkmeester Jan Warners en de korenmolenaar Warner Henrickx (29 j.), dat "omtrent vier off viff jaerenn geleden” Wouter Jans het goed Hoemoet (Homoet) heeft verpacht aan Tyman Jacobsen en "door hem met eenen pampieren molen heeft laeten betimmeren ende sindert herwart als oock noch tegenwoordich laeten gebruicken een muelenplaets tot Orden gelegenn op Homoets goet Wouter Jans toecomende”. Verder staat er dat de heren van de rekenkamer "haere gerechticheit ‘wegens ’t gebruick des waters” hebben. In het bovenstaande wordt ons duidelijk gemaakt, dat omstreeks 1624 door Wouter (Wolter) Jans het goed Hoemoet verpachti was aan Tymon Jacobsen en dat deze daarop een papiermolen had getimmerd. Hier is geen sprake van het herengoed de Pas, terwijl als bezitter en verpachter thans Wolter Jans voorkomt in plaats van de in 1626 genoemde Jan Wolters, die een zoon moet zijn van Wolter Jans. Deze Wolter staat in 1620 te boek als eigenaar van de , herengoederen "de Pas in Orden” en van "de Ritbergh”, de laatste lag eveneens in de buurschap Orden en werd omstreeks 1958 afgebroken. Ondanks deze schijnbare tegenstrijdigheden hebben we toch met een en dezelfde molen te maken, want over 1627 moet Tymen Jacobsz. 5 £ waterpacht geven voor zijn "papiermolen op den Pasz in Orden”. Misschien behoorde het goed Homoet eveneens tot de Pas. Er lag echter ook een goed Homoet in Wormingen, doch dit had met de molen in Orden natuurlijk niets uitstaande.
Thiman Jacobs wordt in 1648 genoemd als waard in "De Dubbele Arend” een herberg vermoedelijk gelegen tegenover de Deventerstraat, aan de noordzijde van het kruispunt Hoofdstraat-Korenstraat. Volgens het verpondingsregister over 1648/ 49 heeft Willem Thymans - waarschijnlijk een zoon een papiermolen op de grond van Jan Wolters; hij betaalt daarvoor f 4, waterpacht aan Frans van Appelthorn.
De sprengen van de Orderbeek aan de voet van de Kleiberg komen al voor op een kaart uit 1630. Die plek heet daar dan de "Orspronck”, in stukken uit dezelfde tijd ook wel "Oorspronck”. Op 20 juni 1653 schrijft de ontvanger van Apeldoorn Marten van Heyden aan de Ugchelse mark, dat hij drie of vier jaar geleden bij "het Grietelse off Scherpenbergsken aende sijde nae Uchgelen” een aantal brede "gruppen” heeft doen graven "om mijne molen bij Berchhuijs met water te beneficieren” en zegt verder "’t selve geschiet te sijn op hoope dat de geërfden van Ugchelen ’d selve souden toelaten”. Een knap brutaal stukje om geheel op eigen houtje sprengen te graven in de markegronden en dan later doodleuk daarover te schrijven zonder zelfs te spreken van enige vergoeding! Met deze gruppen bij het Grietelse of Scherpenbergje worden nieuwe takken van de Orderbeek bedoeld, die over de markegrens liepen en bij de aanleg van de spoorlijn Amersfoort-Apeldoorn werden afgesneden. De zuidelijke spoorsloot thans geheel overdekt - is een gedeelte van één van deze sprengen en voert sindsdien het water af in een spreng van Brouwersmolen, terwijl de eveneens door buizen geleide noordelijke sloot het water nog steeds brengt in de Orderbeek.
De bovengenoemde molen "bij Berchuijs” moet de Ordermolen zijn. De weduwe van Marten van Heyden, Agneta (Agnes) van Hoeclum, was in 1661 eigenares van het goed Berghuis, ook wel "Hoge Berghuis” geheten. In hetzelfde jaar wordt een nieuwe "graeff” (= spreng) van de molen weer "ingesmeten”. Misschien was het water te ijzerhoudend.
In een proces 90) uit 1703 komen we in aanraking met een merkwaardig geschil, dat ontstaan is naar aanleiding van de bouw van de "Bovenste Ordermolen”. Hierbij is het nogal vreemd toegegaan. Uit de desbetreffende stukken valt niet met zekerheid op te maken, welke molen in Orden precies bedoeld wordt. Enkele kleine aanwijzigingen duiden enigszins in de richting van de Ordermolen. De gegevens spreken eerst van twee verschillende molens, waarvoor dan slechts één molen in de plaats komt.
We lezen, dat voor 1700 Gerrit van Cleeff (Kleef) een papiermolen in Orden gekocht heeft van Derrick Haendewegen. Het molenwater "ofte verval hoogh ende lege” koopt hij van Aelbert Morren (Albert Borre). Het waterrecht is dus particulier bezit; over de erfpacht van de grond wordt niet gesproken. Gemakshalve zullen we de hier genoemde molen maar "Molen I” noemen.
Op 5 juni 1700 verkopen Derck Willemsen, papiermaker in Orden en diens vrouw Ida Derckx, hun papiermolen, molenhuis en getimmer met "overdoeninge der pantschap aen gront den Pas in Orden, soo (zij) tegenwoordigh besitten en gebruychen, gene van alle getimmer en gront in sijne behande bepalinge ’t Orden uytgesondert” aan Gerrit _ van Cleeff en Geretien van den Berk, echtelieden, De koopsom bedraagt 800 gulden, het gaat hier dus om een kleine molen. Van dit bedrag moet op 1 mei 1701 drie honderd gulden betaald worden en verder ieder jaar honderd gulden. De molen blijft eigendom van de verkopers, totdat op 1 mei 1706 de laatste penning voldaan zal zijn. We duiden deze molen aan met "Molen II”. Gerrit van Cleeff sluit op 30 november 1700 een akkoord met Johan Vastenouw, zoon van de Apeldoornse koster Willem Vastenouw. Deze zoon, van beroep koopman (wijnkoper), was voor 1696 gehuwd met Catharina Gerberich van Hoeclum. Haar vader Derk van Hoeclum woonde 0p het Ritbroek te Apeldoorn. Hij was op 9 september 1658 te Twello getrouwd met Mechteld Hackfort, dochter van jonker Johan Hackfort en Gerberich Swaefken.
Bij het bovengenoemde akkoord van 30 november 1700 doet Gerrit van Cleeff de helft van de papiermolen, die hij destijds van Derrick Haendewegen gekocht had (Molen I), benevens het halve water "hoogh ende lege” over aan Johan Vastenouw. Deze laatste neemt op zich "alle coopspenningen” te voldoen aan Derrick Haendewegen of diens erfgenamen en op de plek van de molen een nieuwe papiermolen te laten timmeren van vier hamerbakken - ieder met 5 hamers. Het werk van de oude molen, dat nog "goed mochte bevonden worden” zal dienst doen bij de inrichting van de "nije” molen, evenals dat van de molen van Jan Knelissen (Cornelissen). Deze Jan Cornelissen zal de Jan Cornelis zijn, die papiermaker was op de beek van het Loo, doch wiens molen niet meer kon gaan door gebrek aan water en later werd afgebroken. Het nog bruikbare materiaal van deze molen heeft dan eveneens dienst gedaan bij de inrichting van de nieuwe molen in Orden. In plaats van twee molens daar in Orden komt er vermoedelijk maar één terug.
Johan Vastenouw zal ook het geld voorschieten ter bekostiging van de materialen, die benodigd zijn bij de bouw en inrichting en tevens de helft betalen van het "ruymen dat Gerrit van Kleef aende molen gedaen heeft”. Van het door Vastenouw voorgeschoten bedrag moet Van Cleeff - tenminste wat zijn aandeel betreft - 5 % interest geven, waarvan de betaling in 1701 een aanvang dient te nemen "als de papiermole voltoeyt is”. Dit laatste zou nog wel even duren! Er zal verder een "obligatie” gemaakt worden van alle gemaakte onkosten en voor de betaling van de hoofdsom en interest stelt Gerrit van Cleeff als borg mr Evert Duistermans, die op zich neemt bij "manckement van vier vijfhamersbacken” een bedrag te betalen van 600 gulden. Dit "manckement” slaat op het niet behoorlijk functioneren van de molen en eveneens indien "geen water genoech en waer tot vier vijffhamersbacken”. Terloops wordt gezegd, dat Derrick Haendewegen dan nog steeds op Molen woont.
Het gaat met de timmering van de nieuwe papiermolen en ook met de betaling van het door Van Cleeff verschuldigde bedrag niet naar wens. Hierover ontstaat tussen Vastenouw en Van Cleeff een geschil, dat leidt tot een proces voor het Hof van Gelderland, waarvan de afloop ons niet bekend is.. Misschien is de zaak in der minne geschikt.
Uit de verschillende getuigenverklaringen, die afgelegd worden voor de Apeldoornse scholtis Gerard van Brienen, vernemen we wonderlijke dingen over de bouw en de toestand van molen en woonhuis.
Ten verzoeke van Gerrit van Cleeff getuigen de papiermakers Jan Willemsen Meyerink (oud 36 j.) en Lubbers Aertsen (53 j.) op 3 februari 1703, dat hun destijds gevraagd was "de bovenste Ordermolen” te bezichtigen en over hun bevindingen verslag uit te brengen. Op 22 december 1701 waren beide mannen "den molen, huys en getimmer tot “ Orden, daer nu Wilhelm Greve woont” gaan bekijken. Bij hun inspectietocht troffen ze alles in ondeugdelijke toestand aan. Het huis en de molen waren "dacheloos” en met "losse en onbestreecken pannen beleyt”. De deuren hadden geen "klincken”, bij de vensters ontbraken "haken en krappen”. De rook trok door het "geheele huys, woninge ende papiermolen”. Hierdoor werd het papier "verroockt ende bederft”. In het getimmer bleek geen plaats aanwezig te zijn voor het opslaan van de "voederagie” der beesten. Een schuur voor het onderbrengen der dieren en voor de barging van veevoer, _ graan, hout en turf ontbrak. Kortom alles was "ongeregelt en onbequaem tot een woninge, veel min om goed papier daer te konnen maken”. .
De scholtis vraagt de beide mannen "off de slooten en graven tot den bovensten Ordermolen gehoerende na eijsch uijtgegraven en voltrocken syn”. In antwoord hier0p zeggen Aertsen en Meijerink, dat zij op "laestleden saterdagh” (= 3 februari 1703) de bedoelde waterlopen langs zijn gegaan. Ze zagen, dat er toen vijf personen in aan ’t graven waren. Volgens hen zouden 4 a 5 man nog minstens 3 dagen nodig hebben om het "werck” gereed te krijgen. Een andere getuige Henrick Henricksz., woonachtig op de boerderij Zuyrvelt (= ’t Zuurveld in Wormingen), verklaart dat hij destijds aangenomen heeft het in orde maken van de heek en een viertal sloten. Eén daarvan was een "gestrampte off een dubbele sloot”. Wat hiermede bedoeld wordt, is niet duidelijk.
Henricksz. had toen genoemde beek en sloten "uijtgeruympt en claer gemaeckt” en verder één sloot in "daghehuyr”. Uit zijn verklaring blijkt verder, dat Johan Vastenouw nog vier andere sloten, die tot dezelfde beek behoorden "aen sich heeft behouden, als oock het spick over de beeck achter den Berghuysen camp”. Henrick Henricksz. zegt, dat aan deze sloten niets is gedaan, wel aan die van het "wijertien”, waar ze met hun vieren "op een agter middagh sijn ingeweest”. Ook zijn er "backen(?) in de beeck geleijt daer men met een wagen konde overvaren”. Misschien slaat dit leggen van "backen” in de beek op het genoemde spick achter de kamp van het Berghuis. Een spik of spek is een bruggetje van zoden, slieten en takken over een waterloop. Deze benaming komt ook nu nog voor. Met schaapspik wordt een overgang over een beekje of sloot bedoeld ten behoeve van de schapen. We zien uit het voorafgaande, dat er dan bij de molen een kleine wijer hoort.
Andere getuigen vertellen nog meer vreemde dingen over de bouw en inrichting van de papiermolen. De zeventigjarige mr. timmerman Jan van Munster verklaart op 3 februari 1703, dat hij met Jan Vastenouw overeengekomen was het maken van een as en waterrad voor de bovenste Ordermolen. Vastenouw had hem beloofd "het halve geld bij den aenvanck”, doch hield zich niet aan zijn woord en kwam pas "daarna” met het geld. Met het gevolg dat het bewuste rad twee maanden lang op de timmerwerkplaats achter de Kapel te Apeldoorn bleef liggen. Door de "hitte der sonne ende locht” was het toen helemaal "scheeff en schel” gaan trekken. Jan van Munster zegt, dat hij ook de molen en het molenhoofd "opgehaelt heeft met sijn onderlagen, aenwijns palen(?) ende juckpalen”.
Het molenhoofd werd verhoogd teneinde een groter rad te kunen hangen, terwijl men de molen eveneens bij de nieuwe situatie had aangepast. De timmerman Elbert Doornecamp (33 j.) nam van Jan van Munster aan het leggen van de zolder boven de bakken (= hamerbakken), tevens werd door hem de molen "afgeschoten”. De "halve” zolder is in mei 1701 nog niet gelegd. Doornecamp voltooit dit karwei pas in de zomer van 1702. Ruim een jaar later! volgens zijn verklaring van 3 juli 1703 had hij twee weken voor Apeldoornse kermis 1701 het timmeren op zich genomen van het huis en de woning bij de molen. Vier weken voor Kerstmis 1702 begon hij pas met het bouwen van de schoorsteen, hetgeen inmiddels "voltrocken” bleek te zijn. Het werd ook wel eens tijd. Doornecamp zegt, dat de lange duur van het timmerwerk ten dele aan Vastenouw en voor een deel aan hem heeft gelegen.
Wanneer we alles nagaan is het met de bouw van molen en woonhuis wel heel raar gegaan. Een waterrad trekt krom; wind, regen en sneeuw hebben gedurende lange tijd vrij spel in de papiermakerij en woning. Deuren en vensters kunnen niet gesloten worden; het duurt een jaar eer de halve zolder gelegd is. Een goede schoorsteen ontbreekt, zodat de rook overal kan doordringen en het papier bederft. Opslagruimte en stalling zijn niet aanwezig. Het ruimen der waterlopen en van het wijertje komt pas in februari 1703 gereed, hetgeen de watertoevoer veel te wensen doet overlaten.
Hoe een papiermaker onder dergelijke omstandigheden kon wonen en werken, is doodgewoon een raadsel. Was dit toen Wilhelm Greve, die in een getuigenverklaring van 1701 als bewoner genoemd wordt? Deze Wilhelm Greve komt even later voor als eigenaar van één der molens van Brouwersmolen.
Over de afloop van het geschil tussen Vastenouw en Van Cleeff hebben we geen gegevens kunnen ontdekken. Evenmin kon een afdoend antwoord verkregen worden op de vraag, welke papiermolen met "Bovenste Ordermolen” bedoeld is. De vermelding van de pandschap aan de grond van de Pas in Orden en de mededeling over het spik in de beek achter de kamp van het Berghuis duiden misschien op de Ordermolen. De timmerman Jan van Munster zullen we bij de volgende molen weer tegenkomen. Hij was zowel molenbouwer als moleneigenaar. Tegen zijn echtgenote Tonisjen Pouwels (Tonisien Pauls) had de koster van Apeldoorn Willem Vastenouw - de vader van Johan - in 1675 een aanklacht ingediend. Tonisjen zou zich in dat jaar erg misdreven hebben tegen Vastenouw, die - behalve het beroep van koster en schoolmeester - ook nog een winkelnering dreef. Tonisjen Pouwels bewoonde toen - met haar man? een gedeelte van het huis van Vastenouw. Volgens de koster liep het huurcontract tot eind mei en zou daarna niet meer verlengd worden. Vrouw van Munster bleef echter rustig zitten en was volgens de koster zelfs zo brutaal geweest om op dinsdag na Pasen de melkkoe van Vastenouw uit de stal te halen en de straat op te drijven! Ondanks haar belofte om binnen 2x 24 uur te "delogeren” (= vertrekken) weigert Tonisjen weg te gaan. Het komt tot een woordenwisseling, waarbij de vrouw naar zeggen van Vastenouw - de winkelvoorraad overhoop gaat "smijten”, stukken brandend hout uit het vuur neemt en deze op het bed, de wieg en de koopwaar gooit.
Volgens de koster waren daardoor tal van goederen verbrand of beschadigd.
Hij berekent de aangerichte schade op 100 daalders. Het blijkt, dat de zaak zich anders heeft toegedragen dan Vastenouw voorstelt. Want de uitspraak van het Veluws Landgericht - gedaan in de Bank van Apeldoorn - luidt, dat Vastenouw gedaan heeft een "quade Aenspraeck” en Tonisjen daartegen een "goede verweringe”.
We laten Tonisjen en Vastenouw aan hun lot over en bepalen ons nu weer bij de Ordermolen. In 1747 werkt Jan Bitter er als papiermakersknecht; in 1756 is hij eigenaar van de Ordermolen. Hij wordt daar in 1791 nog als zodanig genoemd, doch in 1798 behoort de molen aan zijn weduwe Aleyda, een dochter van Steven Jans Ritbroek. Volgens de lijst Gunning van ca. 1812 woont Peter Dekker dan op de papiermolen De Pas, hij heeft 10 personen in huis. Peter Dekker komt al voor in 1808, wanneer hij twee soorten papier maakt.
In 1823 zit H. Jansen er als papiermaker; vier jaar later werkt Teunis Luttikhuyzen met 3 arbeiders op de Ordermolen. J. Palm heeft in 1853 de 4 baks papiermolen "De Ordermolen” in eigendom. Hij vervaardigt pakpapier. De Apeld. Courant van 19 mei 1877 kondigt de veiling aan in het hotel "den Arent” voor de wed. Palm en kinderen van de "Order Papiermolen” met "sterke waterkracht”, bestaande uit de volgende percelen:
No. 1 Molen met woonhuis en verder Getimmerten en daarachter en bezijden gelegen grond.
No. 2 de Kleine Weide langs de Onderbeek.
No. 3 de groote Weide in het Veen.
No. 4 een Bouwen Weiland aldaar westwaarts.
De molen komt nu in het bezit van Arnoldus Jacob Berends, zoon van Wouter Berends.
Deze laatste was eerst papiermaker op Klarenbeek, later op Brouwersmolen. Arnoldus Berends verandert de Orderpapiermolen in een wasserij, waardoor een einde komt aan de papiermakerij daar ter plaatse.

Het papiermolentje van Jan van Munster in Orden

Over de ligging van dit papiermolentje tasten we volkomen in het duister. We moeten de plek, waar het molentje gestaan heeft, zoeken in de omgeving van het Berghuis.


Geheel begroeid waterrad van de wasserij Palm te Wiessel, de vroegere Huygenspapiermolen.
De opname dateert uit 1936.
Dit unieke rad, dat als een krans van groen en bloemen tegen de muur van het gebouw hing,
werd in 1939 met de overblijfselen van het molenhoofd gesloopt en als brandhout opgestookt.




De drie papiermolens van het complex De Stinkmolen op de Grift te Apeldoorn.
Links op de afbeelding de molen aan de Vlijtseweg met muurankers 1778.
Aan de overzijde van de beek de beide andere bedrijven.
De drie papiermolens zijn helaas tussen 1937 en 1940 gesloopt.
Tekening uit 1907 door W. B. Tholen (1860-1931) in Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam.





Misschien kreeg het zijn water uit de thans nog in geheel verwaarloosde toestand aanwezige sprengen op het terrein der Willem III kazerne. Van de beek, die eenmaal het water van deze sprengen afvoerde, is in het terrein geen spoor meer te ontdekken. In 1692 laat koning-stadhouder Willem III het papiermolentje aankopen. Hij doet dit vanwege het water, dat dienen zal voor de voeding der waterwerken op Het Loo. Er komt zelfs een "expresse ordre uijt Engelandt” van de koning "om Seeker Watermolen . . . toebehorende aen Jan van Munster te kopen, alsoo de wateren tot dienst van dito molen specterende nae ’t Loo moeten worden gebracht”.
Op 19 december 1692 91) dragen Jan van Munster, timmerman, en zijn huisvrouw Tonisien Pauls, op aan "Sijne Majesteijt van Groot Brittanien ons papiermolentien op de grond van de erffgenamen van Ordermerck bijt Hooge Berghuys onder Apeldoorn , gelegen” voor de som van 450 gulden. Dit uitzonderlijk lage bedrag wijst erop, dat het een klein molentje moet zijn geweest. Het had blijkbaar eigen water, want over de erfpacht van ’t water wordt niet gesproken. Een andere aantekening zegt, dat het "papyrmolentje” van Jan van Munster lag "op de Buyren van Orden haer gront naest het Berghuys”. Bij de overdracht aan Willem III wordt niets "uytgesondert, als allene ’t gene den meijer Marten Adams papyrmaecker daar is hebbende”. Zo goed als zeker heeft men het molentje na de aankoop afgebroken.
In de domeinrekening over 1692 staan nog meer bijzonderheden over de aankoop.
We lezen daar: "Op order van den Heer Directeur d’Marees heeft den Rendant een oud huysje sijnde een Pampiermolentje gekoft van Jan van Munster om ’t water bij het molentje sijnde naar ’t Loo te leyden”. Voor de grond van het molentje moest Willem III jaarlijks 15 gulden erfpacht geven aan de Ordermark.
Evertjen Peters leed schade door het missen van ’t water op haar papiermolen evenals Lambert Hendricks (Hendricksen, Henricksen). Beiden kregen schadevergoeding. Op welke plek stond de molen van Evertjen Peters en waar die van Lambert Hendricks? Laatstgenoemde vinden we in 1679 te boek staan als papiermaker. Hij was een zoon van Hendrick Hermens en had toen in pacht "een hoffstede daer hy een huys op heeft met noch een ander hofstede daer tegen over en een ackertjen saeylants in de J Cruysacker”. We worden door het bovenstaande niets wijzer over de juiste liggingvan het papiermolentje van Jan van Munster en evenmin over de plek, waar de beide andere molens stonden. De mogelijkheid bestaat, dat in feite 3 papiermolens ten gevolge van de aankoop in 1692 te niet zijn gegaan. Het kan ook, dat Lombert Hendricks pachter was van het molentje van Jan van Munster. In elk geval heeft hij kort daarna (1693) een andere baan gekozen, want we vinden hem dan als molenaar op de stadhouderlijke waterkorenmolen in Noord-Apeldoorn (kaart no. 10).
De benaming "Cruysacker” zal in verband staan met het volgende: langs de weg naar Orden, die in 1596 de "hogewech” wordt genoemd, moeten in vroeger tijd (tot ca 1600) kruisen gestaan hebben. Vermoedelijk trok langs deze kruisen de Sacramentsprocessie. In het Verpondingskohier van 1648/ 49 is eenmaal sprake van "den hoogen kruizerweg”. Naar genoemde kruisen heetten de "kruisakkers” (in 1561 "kruizeakkers”). Vandaar stamt de naam van de bestaande Kruisakkerweg, die derhalve van historische betekenis is.

Brouwersmolen (kaart nr. 22)

Het stichtingsjaar van de bekende Brouwersmolen, ook wel molen in ’t Veen geheten, valt niet met zekerheid te zeggen. Het water voor de molen is niet door de rekenkamer uitgegeven, ook bestaan er geen gegevens over de erfpacht van de grond en over de vergunning der mark voor ’t graven van sprengen en beek in de gemene velden. Dit is een gevolg van het betreurenswaardige feit, dat de markeboeken der Ordermark niet bewaard zijn gebleven. De papiermolen is zo goed als zeker genoemd naar de brouwer Jan Gerrits Westenenck. Deze Jan Gerrits, die van ca. 1615 - 1688 leefde, was brouwer te Apeldoorn en waard in de herberg de Nieuwe Moriaan aldaar. Hij komt in 1648 voor als kerkmeester van Apeldoorn; in 1646, 1668 —1677 is hij holtrichter van Ordermark en van 1685 - 1688 als zodanig van Hoog Soerderbos.
Hij was gehuwd met Maria Pannekoek en heette naar het erf Westenenk (Westenenge, Westereng) in Wormingen - leengoed van de Proosdij te Deventer - waar mede zijn grootvader Hendrick Cornelissen in 1568 werd beleend. Jan Gerrits Westenenk bezat een papiermolen in Orden en kreeg in 1671 kwestie met de pachter over de molenpacht.
Een dochter van hem - Hendrijna of Hendrika genaamd - huwde met Doctor Willem van Bommel. In 1701 nemen Willem van Bommel en Hendrijna Westenenck geld op en verbinden "haer halve papyermoele, genoemd de Brouwersmoelen gelegen in Ordermerckt in ’t Veen tot Apeldoorn”. De molen heeft ongetwijfeld zijn naam te danken aan de brouwer J. G. Westenenk en is in elk geval voor 1671 gesticht. In 1691 wordt in Orden gesproken van een papiermolen, waarbij waarschijnlijk eveneens . een dochter van Jan Gerrits betrokken is. Op 24 augustus 1691 lezen we van een . "pampiere molen sijnde het nieuwe getimmer ofte nieuw getimmerde moelen naest Aerts Clemens moelen gelegen op de gemene Erffgenamen haer grond getimmert, recht en gerigtigheijd daer aen dependeren, toebehorende Jacob van Erckelandts (Erckelens) en Johanna Westenencks Eluyden, beswaert met negenhonderd Carolus gulden”. Deze Johanna zal misschien ook een dochter van de brouwer Jan Gerrits Westenenck zijn geweest. Of deze molen naast die van de ons onbekende Aert Clemens iets te maken heeft gehad met Brouwersmolen blijkt niet.
'Volgens een contract 92), dat op 16 april 1708 wordt gesloten, liggen er dan twee molens aan dezelfde kant van de beek "gehoorende tot en bij de muelen genaemt van olts de Brouwersmeulen liggende int Veen in de buerschap van Orden in den Ampte van Apeldoorn op de Erffgenaemen van Orden haer gront”. Eigenaars zijn Jurrien Jansen - gehuwd met Hendrickien Peters - en Wilhelm Greve (Greven, Greeve),  echtgenoot van Fijtien Reijnders. Enige maanden later verkoopt Benjamin Potgieter, scholtis van Doornspijk, het recht van erfpacht op ’t halve water van de Brouwers molens voor 1000 carolus gulden aan Wilhelm Greve. De andere helft was reeds eigendom geworden van Jurrien Jansen. We zien, dat het water toen erg duur was. Zoals eerder is gezegd, had Assueer van Appelthom in 1639 het waterrecht van de beken in Orden van de rekenkamer verworven. Later kwam dit recht aan zijn zoon Frans van Appelthom, die het verkocht aan Gerrit van Brienen. Van deze vererfde het E op Benjamin Potgieter en diens vrouw Anna van Brienen. Reeds in 1710 doet Wilhelm é Greve zijn Brouwersmolen over aan Jan Willems Meijerink en diens echtgenote Driekien Dries, en aan Jacob Aerts van Putten en Nalken Tonis van de Sevenhuijsen,ieder voor de helft. Wilhelm Greve (Willem Greve, Wilhelmus Hendriks Greve) vertrekt naar Odenkirchen in het kerspel Wickrathberg bij Reydt, waar hij de papiermolen "am Kohr” pacht. Op Wilhelm Greve komen we straks na de molen "de Eendracht” nog uitvoerig terug. Jurrien Jansen, die op de bovenste van de twee Ordermolens zat, was tevens eigenaar van de papiermolen ’t Slop en van het boerenerf "het Ritbroek”. Naar dit erf werd zijn zoon Jan Stevens (of Jan Jurriens) - geboren in 1690 - Ritbroek genoemd.
Deze Jan Stevens Ritbroek huwde met Aaltje Hendriks Cortenbrink, dochter van de papiermaker Hendrik Warners op de Windemolen, die daar als zodanig voorkomt in 1699 en nog in 1712. De Cortenbrinck lag te Apeldoorn in de omgeving van het vroegere "Berkenstein”, thans gebouw Gem. Sociale Dienst, Hoofdstraat 236. Jan Stevens Ritbroek had - behalve twee zoons - vijf dochters, die allen met papier makers huwden. Aleyda met Jan Bitter van de Ordermolen; Hendrikje Jans Ritbroek met Jan Teunis Middelink op ’t Slop; Margriet Jans Ritbroek met Jacob Maas Dijk graaf van de Bazemolen; Nennetje met Claes Crombos - eveneens op de Bazemolen - en Willempje met Jacob Wegenaar van een der Stinkmolens. De vijfde dochter Margriet trouwde met Joost Herkert (Harkelens), die voor Claes Crombos op de Bazemolen zat. Johan Justus Herkert was geboren in Nassau-Dillenburg. .
De papierbereiding was niet alleen een eerbaar en voornaam beroep; zij was tevens een kunst, die grote vaardigheid vereiste. De oude handpapiermakers hielden hun vak dan ook in hoge ere. Ze vormden eigenlijk een soort "dynastie” onder elkaar. Vandaarde vele huwelijken met kinderen van andere papierbereiders, waarvan we hierboven een duidelijk voorbeeld hebben gezien bij de dochters van Jan Stevens Ritbroek. Diens zoon Werner (Warner) Ritbroek, die op 19 april 1722 te Apeldoorn werd gedoopt, komt van 1767 1780 voor als papiermaker op de bovenste Ordermolen. Hij was eerst gehuwd met Luitje Teunis doch hertrouwde na haar overlijden met Evertje Zegers. Warner Ritbroek wordt als papiermaker op Brouwersmolen opgevolgd door Thomas Kuyt (tot 1795), daarna vinden we er Hendrik van Delden. In 1808 maakt de weduwe van Hendrik van Delden "onderscheiden” soorten papier op de bovenste Brouwersmolen. Op de andere molen zit in 1784 Hendrik van Gerrevink, geboren te Vaassen in 1746. Daarna verschijnt Gerrit Palm op Brouwersmolen. Hij leefde van 1776 - 1839 en trad in het huwelijk met Johanna, een dochter van Hendrik van Gerrevink. Gerrit was een zoon van Jan Ariens Palm (geb. te Apeldoorn 1742, overl. te Vaassen 1789) en Hendrina Lacrooij uit Vaassen. Op zijn molen werden in 1808 drie soorten papier vervaardigd; in 1823 werkten er vier arbeiders, die 8 stuivers per dag kregen. Men gebruikte toen 4000 pond lompen per jaar. Derk van Gerrevink, gehuwd met Derkje Bredenoort, zat op de molen ernaast, hij verwerkte dezelfde hoe veelheid lompen en had evenveel mensen in dienst, die echter een stuiver minder dagloon kregen.
De weduwe van Gerrit Palm had later de molen in huur van mevrouw de wed. Anraad, terwijl de andere papiermolen toebehoorde aan Willem Dijkhuizen, echtgenoot van Aartje van Gerrevink. Dijkhuizen was tevens eigenaar van de papiermolen de Een dracht en had zijn Brouwersmolen verpacht aan Jan van Riesen, wiens personeel in 1843 bestond uit twee jongens en één meisje van 13 - 18 jaar en twee mannen boven 18 jaar. Bij de wed. Palm werkten toen één jongen en één meisje beneden 13 jaar, twee jongens en één meisje van 13 - 18 jaar en drie mannen ouder dan 18 jaar.
Willem Dijkhuizen verhuurt in 1843 zijn Brouwersmolen aan Hendrik Palm, zoon van Gerrit Palm en Johanna van Gerrevink. Na haar overlijden komt zoon Jan op de bovenste Brouwersmolen. "Op 13 juni” - aldus lezen we in de Apeldoornsche Courant van 20 juni 1863 - "zijn op Brouwersmolen afgebrand 3 schuren en 1 hooiberg, toe behorende aan de Heeren S. J. Pannekoek, H. Palm en W. Berends. Oorzaak on bekend”. De beide molens bleven gespaard. Drie jaar na deze brand sterft Hendrik Palm. Zijn weduwe Geertuida Willemsen leidt met haar oudste zoon Willem Jan nog 12 jaar het bedrijf.
In 1870 verkoopt Wouter Berends, die dan eigenaar is, zijn papiermolen aan de wed. H. Palm. Blijkbaar is de andere molen ook in ’t bezit gekomen van Wouter Berends, want op 27 oktober 1877 vindt ten verzoeke van hem de verkoop plaats van zijn "zo goed als nieuwe getimmerde papiermolen de Brouwersmolen”. Toen zal deze molen eveneens eigendom geworden zijn van de familie Palm. Na het overlijden van zijn moeder in 1878 zet Willem Jan - in samenwerking met zijn broers Gerrit Hendrik en Rudolph Albert - de papiermakerij voort onder de naam fa. Gebrs. Palm.
Geheel onafhankelijk van de beek, die de raden van Brouwersmolen in beweging bracht, liep toen het water van een klein sprengetje op een afzonderlijk klein waterrad van nog geen paardekracht, dat daarom de naam "Ponnie” kreeg! Tegen het einde der 19e eeuw - de juiste datum is niet bekend - werd op Brouwersmolen een stoommachine geplaatst, terwijl in 1903 de eerste papiermachine in gebruik kwam. Onderhandelingen met de Fa. J. van Houtum en Zoon te Ugchelen leidden ertoe, dat in 1920 de N.V. Papierfabrieken Van Houtum en Palm werd opgericht.
Uit een paar eenvoudige waterpapiermolens groeide tenslotte een modern machinaal bedrijf.

De Eendracht (kaart nr. 23)

Ook bij dit bedrijf hebben we te maken met een waterpapiermolen, waaruit in de loop der tijden een grote machinale papierindustrie ontstaat. Evenals bij Brouwersmolen is het stichtingsjaar van de papiermolen de Eendracht niet bekend. De oorzaak ligt eveneens in het ontbreken van de markeboeken der Ordermark, terwijl de molen niet op een bestaande beek werd gelegd, waardoor geen erfpacht over het gebruik van ’t water aan de rekenkamer verschuldigd was. Zodoende wordt de molen niet vermeld in het archief van deze instantie. Op het gedeelte van het vroegere Orderveld (de Goudvink geheten), waar in een vlak terrein de sprengen van de Eendracht zijn gelegen, die in 1750 al bestonden, kan onmogelijk een oorspronkelijke waterloop zijn geweest. De geheel rechtlijnige aanleg wijst er trouwens op dat men daar voor het stichten van de molen een geheel nieuwe beek heeft gegraven. De tot nu toe vroegst bekende eigenaar van de papiermolen is Claes Greve, een broer van Wilhelm Greve, eigenaar van een der Brouwersmolens, die omstreeks 1708 naar Odenkirchen vertrekt. Op 22 januari 1733 stelt Claes Greve meesterpapiermaker, en weduwnaar van Stijntje Kluppel, tot enige en universele erfgenamen zijn beide neven Claes Willem en Abraham Greve, ieder voor de helft der nalatenschap. Het waren kinderen van zijn naar Odenkirchen vertrokken broer Wilhelm Greve. Zoals we straks zullen zien, heeft de papiermolen tot het bezit van oom Claes Greve behoord. De beide neven Abraham en Claes Willem moeten reeds omstreeks 1748 zijn overleden. Het is nu wel duidelijk waarom op de kaart 93) van de Hoge Heerlijkheid Het Loo uit ca. 1750 de papiermolen aangeduid staat als "’s-Greve moolen”.
Op 6 juli 1751 blijkt, dat Hendrik Greve uit Odenkirchen verwin had op de ongerede goederen van Jan Lindeman, als erfgenaam van Abraham Greve, waaronder een 5 baks waterpapiermolen "in ’t Veen” en o.a. een deel in het erf Klein Berghuis. Hendrik Greve laat op 22 januari 1754 door zijn gevolmachtigde, de volmacht is gedateerd "Odenkirchen 22 mei 1753” - en mede namens Jan Lindeman - een vijf hamersbakspapiermolen met 2 mudden land op Ordermark verkopen aan Steven Jansen (Muller).
Van dezelfde datum dateert een stuk,waarbij Steven Jans Muller en diens vrouw Reyntje (dit moet zijn Wijntje) Sevenhuysen verklaren geleend te hebben van Mr. Ardesch, als voogd over Wibbold (Wigbold) Alexander de Rode van Heeckeren en diens zuster Eusebia, onmondige kinderen van A. C. Th. baron de Rode van Heeckeren in leven Heer van Overlaan en luitenant-generaal der Verenigde Nederlanden, een bedrag van 2000 gulden a 4 % per jaar.
We vernemen dat deze tweeduizend gulden reeds vanaf mei 1753 "ten diensre" gestaan hebben van Steven Jans en zijn vrouw. Het echtpaar stelt tot speciaal onderpand "haarlieder vijf vijfhamersbaks waterpapiermolen met syn eijgen water en met ongeveer twee mudden Hof en saeijland op d’Ordermerkt bij Apeldoorn met regt van turf te graven en ’t Vee opgemelte Merckt te weiden”. Deze schuld wordt 3 september 1771 geroyeerd. Wijntje Sevenhuysen, geboren 1 september 1720, was een dochter van Harmen Sebes (Sevenhuysen) en Aeltien Tonis. Uit het huwelijk van Stephen en Wijntje werd in 1757 een zoon Harmannus geboren Op wie we later uitvoerig terugkomen.
Op 30 september 1758 verbinden Stephen Janssen Mulder en Wijmpje Harms Sevenhuijsen tot een speciale hypotheek hun "vijf vijfhamersbax waterpapiermolen gaande op eijgen water, dog staande opde grond van d’Ordermark waarvan ook de daarbij gelegen Hof en saaylandt in pagt gebruijckt wordt alles gelegen in de Buurschap ’t Veen onder Apeldoorn”. Dit wegens een schuld van 800 gulden ten behoeve van Johan Hendrik Roschet (vereffend 24 augustus 1768).
Stephen Muller en Wijntje Sevenhuysen verwerven volgens transport van 22 mei 1768 voor 580 gulden "een vol vierdel op Ordermark in ’t Scholtendeel”. De ligging van dit scholtendeel is ons niet bekend. Volgens een registratie van 4 juli 1766 hebben Stephen Jansen Muller en z’n vrouw weer geld geleend van Wigbold Alexander, baron de Rode van Heeckeren. Deze keer gaat het om een bedrag van 1200 gulden, waarvoor ze met een rente van 3 gl. 10 st. per 100 gulden kunnen "volstaen”. Tot onderpand stellen ze hun gerede en ongerede goederen, waaronder ook hun "eigendommelijke” papiermolen op eigen water met ongeveer 2 molder hof en zaailand van de Ordermark gepacht, benevens "allen getimmer bij haar self bewoont en gebruickt, gelegen in ’t Veen onder Apeldoorn, mitsgaders een vol Vierel op Ordermarck”. Deze schuld wordt, evenals die van 1754 op 3 september 1771 afgedaan.
Op 25 augustus 1768 blijken Stephen Jansen en Wijmpje 800 gulden schuldig te zijn aan de Deventer koopman Egbert Middelburg. Waarschijnlijk betreft het hier ook de levering van lompen, die toentertijd de onontbeerlijke grondstof vormden voor de papierbereiding. Er komt voor dit bedrag een hypotheek op de 5 baks waterpapiermolen "bij haar selfs bewoont.” Steven Jansen Muller (Mulder) overlijdt 6 december 1770 (ad. Trekweg), en op 30 mei 1771 laat Egbertus Middelburg beslag leggen op alle gerede goederen "actien en credieten” van Wijmpje Sevenhuysen "weduwe van wijlen Stephen Janssen Mulder”.
Bovendien op de ongerede goederen speciaal op "een vijfhamersbax waterpapiermolen met allen getimmer van woning, molenhuijs en schuuren op eijgen water gaande en op de grond van d’Ordermarck en op "’t staande coorn” wegens geleverde en niet betaalde lompen en winkelwaren voor een bedrag van 704-11-14.” In hetzelfde jaar (registratie 6 augustus 1771) gaat de molen in andere handen over.
We lezen, dat Weyntje Sevenhuijsen, weduwe en boedelhoudster van wijlen Steven Mulder, moeder en legitieme voogdes over de minderjarige kinderen uit haar huwelijk met Steven Mulder, benevens Hendrica, Aaltje en Geertje Mulder, meerderjarige kinderen uit dezelfde echtverbintenis, en Gerrit Hulsman als hiertoe gekozen momber, voor de som van 6000 gulden verkopen aan de heer J. Hessels "een papiermolen op eijgen water met vijf backen op ijder back vijf hamers en verder getimmer met ongeveer twee mudden Hoff en saaijland op de Ordermarkt bij Apeldoorn, met het regt van turfgraven en vhee weijde op de markt. Nog een vol Vierendeel op Ordermarkt scheijdende in het scholtendeel met alles wat lot en bijl geeft”. De verschuldigde grondpacht aan de mark van molen, hof en zaailand beloopt jaarlijks f 27-5-0.
Hoewel de molen aan Jan Hessels wordt verkocht, blijkt hij in het begin toch niet . uitsluitend eigenaar te zijn. Want na de weduwe Steven Mulder wordt daar ook de heer Vorster genoemd, zelfs nog tot 1780/ 81. Daarna uitsluitend Jan Hessels. Ver moedelijk was Vorster medevennoot van Hessels want er bestaat een watermerk HESSELS & VORSTER”. In diezelfde tijd - trouwens nog in 1801 - komen we op de molen steeds een zekere Andries tegen. Met deze Andries wordt A. Korting bedoeld, die optreedt als meesterknecht en zodoende de leiding heeft over de eigenlijke papiermakerij.
Onder Hessels en Vorster zal de naam "De Eendragt” verschenen zijn. Hessels " woonde op de Pasch te Apeldoorn, die hij op 23 april 1756 voor 3000 gulden van Anthony Timmer had gekocht. Hij was gehuwd met Petronella Wiltvanck en samen met P. Wesselman en J. R. Krepel eigenaar van de kopermolen in Klarenbeek (als zodanig genoemd in 1765). Volgens een lijst van Veluwse papiermakers uit 1808 maakt de Wed. Hessels en Comp. dan 6 soorten papier. Gunning noemt omstreeks 1812 op "De Eendragt” nog de Wed. Hessels en Co. Later komt de papiermolen in het bezit van Willem Dijkhuizen, die eveneens eigenaar was van een der Brouwersmolens. Dijkhuizen noemt zich heer van de Eendracht! Na hem behoort de Eendracht aan S. J. Pannekoek. De Fa. Van Gelder Zonen koopt in juni 1869 van S. J. Pannekoek te Apeldoorn de waterpapierfabriek "De Eendracht” aldaar met toebehoren voor f 34.150.40. De nieuwe eigenaar wil de handpapierfabrikage in stand houden, doch daarbij ook gebruik maken van machinale kracht. Er komt een stoommachine van 3' 10 pk, een draaiende lompenketel met blekerij en een nieuwe hamermolen. Deze ? laatste blijft werken op het water van de beek. Vooral door het in Apeldoorn met de hand geschepte papier met watermerk "Van Gelder Zonen” kreeg de naam der firma bekendheid in het buitenland.
In 1876 wordt de papierfabriek te Apeldoorn bezocht door koning Willem Ill, die daarbij vergezeld was van zijn broer prins Hendrik (1820 - 1879) en zijn zoon prins Alexander (1851 - 1884). De Eendracht te Apeldoorn groeit gestadig; in 1892 werkt men met niet minder dan 12 schepkuipen, waarmede ongeveer 200.000 kilo handpapier wordt gemaakt. Zeven jaar later komt bij de oude papierfabriek een nieuw gedeelte, waarin een papiermachine en bijbehorende nevenmachines een plaats krijgen.
Langzamerhand wordt de schepkuip vervangen door de schepmachine en in 1913 zijn = er nog slechts twee schepkuipen in gebruik.
De modernisering gaat steeds verder. Zo ontwikkelt zich in de loop der eeuwen uit de waterpapiermolen het tegenwoordige machinale papierbedrijf "Van Gelder Zonen”, dat te midden der hedendaagse Apeldoornse industrieen een vooraanstaande plaats inneemt.

Waar lag in Orden de hieronder genoemde papiermolen van Wilhelm Greve (Willem Greve)?

We hebben in het voorafgaande reeds verteld, dat Wilhelm Greve in 1710 zijn Brouwersmolen verkocht aan Jan Willems Meyerink en Jacob Aerts van Putten en vervolgens vertrok naar Odenkirchen in Duitsland, waar hij pachter werd van de papiermolen "am Kohr”. Greve was in eerste echt gehuwd met Fijtien Reijnders (Reinders). Uit dit huwelijk zijn te Apeldoorn de volgende zeven kinderen gedoopt: Klaas (Claes Wilhelm 17-121693), Janna (24-6-1696), Derk (31-10-1697), Abraham (15-2-1699), Heiltien (3-10~ 1700), Thrijntien (23-7-1702) en Jan (15-6-1704). Na de verkoop van hun Brouwersmolen in Orden —misschien zelfs al eerder - zijn Wilhelm Greve en z’n vrouw Fijtien Reijnders naar het buitenland gegaan, waar de laatste kort daarna moet zijn overleden. Want 0p 18 december 1711 lezen we, dat "ten overstaen van Jacob van Brienen, scholtis van Apeldoorn en getuigen Willem Greve lest Weduwnaar van za.Fijtjen Reijnders en Claes Greve en Derck Janssen resp. oomen en momberen van de seven onmundige kinderen van voorss. fijtje reijnders in Ehestant bij hem Willem Greve verweckt” door deze laatste tot speciale hypotheek wordt verbonden zijn recht van pandschap "aen ’t goet tot Orden sijnde een gedeelte van berghuis bestaende in huys, hoff en camp zaeilandt”. We zien, dat alle zeven in Apeldoorn geboren kinderen eind 1711 nog in leven zijn. Inmiddels is de vader hertrouwd met Maria Geertruid Wolffs.
Nu blijkt echter, dat Willem Greve behalve de Ordermolen nog een molen in Orden had, want op 12 februari 1712 94) wordt gesproken van een "pampiermolen, huijs, schuer en allen getimmer, mitsgaders den hoff eijgen gront en water daer debiteuren althans wonen met vorder recht van erfpacht des waters in order markt te samen in den Ampte en Carspel Apeldoorn staende en gelegen, sijnde vrij allodiael erff en goet toekomende Willem Greve en Maria Geertruid Wolffs.” De molen wordt op genoemde datum "verbonden en tot een speciale hypotheecq gestelt aen en ter behoeve van der selven broeder Claes Greve en Stijntje Cluppel, echteluyden, en derselver Erffgenaemen ende sulcx voor eene summe van twee dnijsent sevenhondert gulden”. In 1716 blijkt deze papiermolen door Teunis Huyberts te worden gebruikt en bewoond, doch is "toecomende Claes Greve q.q. voor sig en als volmr. van sijn broeder Willem Greve. Op 1 juni 1716 95) wordt de molen voor f 3500 verkocht aan Teunis Huijberts en diens echtgenote Marritje Jansen Schut, waarbij we vernemen dat de kopers de molen met ingang van mei 1716 hebben mogen "aenvangen en gebruijcken”. Vermoedelijk is de koopsom pas in 1727 volledig betaald, want op 31 maart van dat jaar verklaart Claes Greve: "in qualiteijt als volmr. van desselffs broeder Willem Greve” dat de "Coopspenningen ten vollen betaelt” zijn.
Het is om deze reden, dat hij "namens desselffs principael en Erfgenamen cedeert, transporteert en opdraeght kracht en mits desen aen en ten erffelijken behoeve van Teunis Huijberts pampiermaecker en Marritje Jansen Schut Egteluijden en haeren Erven een huijs, hoff, pampiermolen cum op en dependentie van dien gelegen in den Ampte van Apeldoorn Buirschap Orden, soo als deselve tegenwoordig gebruikt en bewoont wordt bij gemelde Teunis Huijberts”.
Er lag dus in Orden een papiermolen op eigen grond en water, die toebehoorde aan Willem Greve, gehuwd met Maria Geertruid Wolffs. De molen wordt in 1712 belast met een speciale hypotheek ter behoeve van Willems broer Claes Greve en diens vrouw Stijntje Cluppel. In 1716 woont de papiermaker Theunis Huijberts erop. Huijberts is gehuwd met Marritjen Jansen Schut. Ze kopen in hetzelfde jaar de papiermolen voor f 3500, doch krijgen hem in 1727 pas definitief in hun bezit. Waar lag deze molen in Ordermark? In elk geval had hij te maken met Willem en Claes Greve.
Misschien was het de Ordermolen. We lezen tenminste dat Jan Bitter in 1747 knecht is op de molen van de kinderen van Tom's Huybers. Later wordt hij eigenaar. (zie bij de Ordermolen.) In 1749 behoren de kinderen van Tennis Huiberts (= broers) onder de papiermakers in Orden.
De hier genoemde Teunis Huijberts (T onis Huybers) en Marritje Jansen Schut (Maria Jans Schut) ontmoeten we straks weer bij de papiermolen Hattem. Marritje stamde in rechte lijn af van de bekende papiermaker Marten Orges. g Over Willem Greve vernemen we nog in 1738 96). Dan stelt Claes Greve, meesterj papiermaker en weduwnaar van Stijntje Cluppel, bij testamentaire beschikking aan tot enige en universele erfgenamen zijn neven Claes Wilhelm Greve en Abraham Greve, , kinderen van zijn broer Wilhelm Greve "in Ehestand verweckt bij Fijtien Reinders”. De twee neven hebben ieder recht op de helft der nalatenschap. In het testament wordt bepaald, dat de beide erfgenamen hun vader Wilhelm Greve uit de pachtopbrengsten jaarlijks een som van 75 caroli gulden moeten geven. Aan dit bedrag zal neef Claes Wilhelm per jaar 60 gulden bijdragen, terwijl de resterende 15 gulden voor rekening komen van Abraham. Daarenboven zijn de twee kinderen verplicht Wilhelm Greve "soo Iangh hij leeft eerlijk en fatsoenlijk in linnen en wullen (:2 wollen) klederen te onderhouden” waartoe de erflater zijn ongerede goederen verbindt. Maar indien Wilhelm Greve "sijn kleederen soo linnen als wullen mocht verkopen, verwetten (= verpanden, belenen) verdrincken ofte veralieneren (vervreemden)” zullen de beide erfgenamen "alsdan van het onderhout van klederen . . . onthefft oft ontlast sijn.”

Een papiermaker uit Apeldoorn op de Mallemsemolen bij Eibergen

Over een Apeldoornse papiermaker, die evenals Willem Greve buiten zijn woonplaats gaat werken, vernemen we iets in een artikel van H. Odink, "De molen in de Hof te Mallem, 1941”. Daarin staat op blz. 53, dat aan de Mallemse molen behalve een koren-, olieen runbedrijf, een tijdlang eveneens een papiermolen was verbonden.
In 1670 vestigt zich te Eibergen Jan Peters Rubekamp, die in de kerkeboeken als papiermaker staat ingeschreven. Het bedrijf gaat blijkbaar naar wens, want in het volgende jaar gaat ook de "huysvrouw van Ms. Jans, de papiermulder” naar Mallem.
Enige jaren later (1676) komt er uit Apeldoorn een zekere Theunis, van beroep papiermaker. In het zelfde jaar laten "Tonnis Tonissen, papiermaker op de Mallemse molen” en zijn vrouw Mechtels een zoon dopen in de kerk te Eibergen. Meer gegevens over het papierbedrijf in Mallem heeft de schrijver van het artikel niet kunnen vinden. Zelf is ons over deze Tonnis Tonissen en diens echtgenote Mechtels - en over hun vroegere werkzaamheid in Apeldoorn - tot nu toe niets bekend. Verschillende papiermakers met de naam Theunis Tonis (Tonis Tonissen) komen we tegen op de Winnemolen in Ugchelen doch een met een vrouw Mechtels (Mechteld) niet.
Wat de in 1670 genoemde Jan Peters Rubekamp betreft, is het merkwaardig dat in 1787 - dus meer dan een eeuw later - een Jannes Reuvekamp voorkomt als pachter op de Hennemans molen. Is hij een afstammeling van de Jan Peters Rubekamp uit Mallem? Zekerheid bestaat hierover niet. De Mallemse watermolen op de Berkel bij Eibergen behoorde tot de Hof te Mallem (Mallum). Oorspronkelijk lag er een dubbele molen n.l. een koren- en een oliemolen. Een tijdlang ook nog een runen papierbedrijf.
De korenmolen werd herbouwd, nadat hij in 1746 was verbrand. De oliemolen aan de linkeroever van de Berkel ging in de 18e eeuw eveneens in vlammen op, werd nieuw opgetrokken doch in 1917 afgebroken.
De korenmolen behoort thans aan de Stichting De Mallemse Molen, die het uit 1748 daterende molengebouw in de jaren 1948 en 1949 grondig liet restaureren. Aan de molen, die sinds lang buiten gebruik is, hangt een schilderachtig onderslagsrad.
Nabij de molen ligt het muldershuis uit 1753, het bezit een zandstenen ingangspartij en zandstenen vensteromlijstingen.
Aan de zuidkant van de Berkel bevindt zich hier een oud schutsluisje voor de scheepvaart op dit riviertje.

Een Apeldoornse papiermakerszoon bouwt in het graafschap Bentheim een bedrljf op

Zoals men in het voorafgaande heeft kunnen lezen kochten Steven Jans Muller (Mulder) en zijn vrouw Wijntje Sevenhuysen in 1754 een papiermolen in Orden, die later "de Eendracht” zou heten. Op deze molen werd in 1757 een zoon geboren, die bij zijn doop op 5 oktober 1757 de naam Harmannus kreeg, vermoedelijk naar z’n grootvader Harmen (Hermen) Sebus Sevenhuysen. Deze Harmen Sebus was eigenaar van één der Tiemensmolens en van de Ruitersmolen te Beekbergen.
Steven Jans Muller overlijdt 6 december 1770 (aan de Trekweg) en zijn weduwe Wijntje Sevenhuysen vraagt in 1779 toestemming aan de Nassause domeinraad om te gaan wonen in een der huisjes van de Oude Haven bij Het Loo. Ze wil daar tevens een schooltje houden. We lezen hierover op 20 oktober 1779 in de notulen van de raad: "Gelesen zijnde een Requeste van Weintjen Sevenhuysen wed. van Steven Mulder, versoekende om in het Nomme-huysje op het Loo, hetwelke Tobias Reeneman wegens het afsterven van zijn vrouw heeft moeten verlaaten, te mogen wonen en in het zelve evenals gen. Tobias Reeneman te moogen schoolhouden”. Op het verzoek wordt afwijzend beschikt.
Harmannus de zoon van Steven Jans Muller en Wijntje Sevenhuysen komt eveneens in het papiermakersvak terecht en in 1782 vinden we hem als meesterknecht op de papiermolen van Teunis Dijkgraaf in Wiessel (Dijkgraafsmolen). Zijn aanwezigheid daar blijkt uit een diefstal van bijenkorven. Wat is namelijk het geval? Bij Aart Berends Berneveld (of Oudbier) te Wiessel ligt het echtpaar Bastiaan Janszen Smit en Jannetie Doomeberg in de kost. Bastiaan is geboren te Beekbergen en in de 20 jaren oud, terwijl Jannetje uit Vaassen komt en de ouderdom van 41 jaar heeft.
De leeftijden lopen nogal uiteen. Om eerlijk "de kost te winnen” hebben beiden nog maar "weynig bij de hand genomen”. In de nacht van 4 op 5 juni 1782 stelen ze "met onderling behulp” twee van de vier "immen” (= hier korven met bijen) die Rutger Jansen heeft staan bij de Brink te Apeldoorn. Man en vrouw brengen in het nachtelijk duister de korven met hun levende inhoud naar "haar Camer” te Wiessel. Jannetie gaat de volgende morgen naar de papiermolen van Teunis Dijkgraaf en biedt de bijen te koop aan diens meesterknecht Hermannus Mulder. Deze, die blijkbaar onbekend is met de herkomst der immen, heeft er wel oren naar en nog "dienselven avond” doet Bastiaan hem de korven met bijen over voor 3 gulden en 4 stuiver. De zaak komt aan het rollen en Bastiaan en Jannetie moeten zich verantwoorden voor het Gericht der Hoge Heerlijkheid Het Loo, waaronder Apeldoorn toen behoorde en waarvan de grenzen overeenkwamen met die van de huidige gemeente. Men verklaart dat het een zaak is "die in een Land van Justitie niet ongestraft behoord gelaaten te worden”.
Beide verdachten worden schuldig bevonden en veroordeeld tot een zesjarige verbanning uit het gebied der Heerlijkheid. Vooraf zullen Bastiaan en Jannetie geleid worden "ter plaatse daar men gewoon is criminele justitie te doen” en op die plek de voorlezing van het tegen hen uitgesproken vonnis aanhoren. Met genoemde plaats der "criminele justitie” wordt de Galgenberg bedoeld, die tegenwoordig de Valkenberg heet.
De kwestie met de gestolen bijen vormt onze enigste bron over de werkzaamheid van Hermannus Mulder als papiermaker in Apeldoorn. Hij moet wel een bekwaam vakman geweest zijn, gezien zijn beroep van meesterknecht bij een ervaren papiermaker als Teunis Dijkgraaf in Wiesel. Op 16 april 1784 vertrekt Hermannus Mulder met attest der kerkeraad van Apeldoorn naar Vaassen waar hij op 28 september 1787 in ondertrouw gaat met Hermina de Graaf (gedoopt 16 februari 1766), dochter van Derk de Graaf en Hermina Herms. De toekomende schoonvader is - hoe kon het ook anders - papiermaker en wel op "het Kraaiennest” in Vaassen.
Het huwelijk tussen Hermannus en Hermina vindt plaats op 14 oktober 1787. Uit deze echtverbintenis zijn te Vaassen de volgende kinderen geboren: Hermina (3-121787), Weyntje (11-8-1789), Derkje (17-2-1791), Steven (29-8-1794), Hendrika (6. 5-1797) en Derk (26-1-1800). We zien dat de kinderen naar de vier grootouders zijn genoemd. De vader heet nu eens Muller, dan weer Mulder. Na 1800 zijn in Vaassen geen gegevens meer over hem te vinden. Hij komt niet voor als papiermakersbaas op een der Vaassense molens en zal gedurende zijn verblijf aldaar het beroep van papiermakersknecht (meesterknecht) hebben uitgeoefend. In 1805 vinden we hem in het buitenland. Hij is dan pachter van een nieuw gestichte papiermolen te Wilsum in het graafschap Bentheim. In 1805 verleent Ludwig, graaf van Bentheim "gratis” vergunning aan het dorp Wilsum tot het stichten van een papiermolen op de Hoppenbecke. Deze molen bestaat nog - thans echter in gericht voor graanhandel - en ligt ongeveer 200 m rechts van de weg van Ulsen naar Wilsum aan een grote molenwijer.
Een gevelsteen met Nederlandse(!) tekst vermeldt over de stichting: "Door Gunstige Resolutie van Zijne Erl. Lodewijk Graaf van Bentheim Ad Pios Usus Aan Wilsum Gratis Toegestaan. Den 16 November 1805”. De woorden "Ad Pios Usus” duiden erop dat de pachtopbrengst dienen moest "voor vroom gebruik”, dus ten goede zou komen aan school of kerk.
Vermoedelijk heeft Graaf Lodewijk zelf de stoot gegeven tot de bouw van een papiermolen in zijn graafschap en een ervaren Veluwse papiermaker naar Bentheim laten overkomen om in Wilsum het nieuwe bedrijf op te bouwen.
Hermannus Mulder, die in Apeldoorn en Vaassen het papiermakersvak terdege onder de knie had gekregen, vervaardigde op de Wilsumer molen papier, dat voorzien was van een fraai watermerk, voorstellende twee leeuwen met een gedeeld schild, waarboven een kroon.
Op de rechterhelft van het schild zien we een aantal geldstukken (de Bentheimer penningen), links bevindt zich de zwaan van Steinfurt. Het andere gedeelte van het papiervel bevat de woorden "Grafschaft Bentheim”. De regering van graaf Lodewijk was slechts van korte duur. Reeds in het volgende jaar (1806) werd het graafschap Bentheim gevoegd bij het groothertogdom Berg, later bij het koninkrijk Hannover. Het watermerk onderging toen eveneens een wijziging. Men verwijderde de zwaan en de penningen benevens de woorden "Grafschaft Bentheim” en liet de rest bij het oude.
Hermannus Mulder, die eerst de molen in pacht had, werd later eigenaar. Hij bouwde zijn papiermakerij op tot een bloeiend bedrijf waarin tal van personen een bestaan vonden. Aan Harmannus’ werkzaamheid op dit gebied herinnerde nog lang een stuk grond in Wilsum dat de "papiermakersmoate” heette en eenmaal eigendom was van Mulder. Hij overleed te Wilsum op 28 juni 1840. De papiermolen werd in 1888 door de ongehuwde Harmannus, Derk en Johanna Mulder - misschien kleinkinderen van de Apeldoornse papiermakerszoon - verkocht aan Gageler en door deze ingericht tot korenmolen. De zoon van Gageler drijft thans het bedrijf, dat inmiddels is omgezet in graanhandel.
Op 4 september 1965 bezochten we de voormalige papiermolen van Hermannus Mulder op de Hoppenbecke te Wilsum (Kreis Bentheim). De molenbeek, die door het fraaie golvende landschap kronkelt, loopt even boven de molen uit in een schilderachtige wijer. Eertijds stroomde het water van de wijer door een molengoot op het aan de rechterzijde van de papiermolen draaiende bovenslagsrad. Later werd dit vervangen door een turbine, die ook al sinds jaren buiten gebruik is. In de vermoedelijk uit de tijd van de stichting der papiermolen stammende voorgevel prijkt nog de witte steen met het opschrift uit 1805. Beneden de vroegere molen vervolgt de Hoppenbecke zijn loop door het landschap en stroomt tenslotte in de richting van de Vecht.
De vriendelijke molenaar Gageler en zijn zoon lieten ons bereidwillig molen, wijer en omgeving zien. Bij de gastvrije familie Platte wist de 80-jarige grootmoeder Gerritsen Mulder (wat een echt Nederlandse namen) ons nog te vertellen over haar voorvader Harmannus Mulder die eens uit Apeldoorn via Vaassen naar Wilsum was gekomen, om daar zijn op de Veluwe verworven vakkennis in praktijk te brengen.
Het valt op dat in deze streek, die eens aan de bisschop van Utrecht behoorde en toen deel uitmaakte van het Qversticht (het huidige Overijssel) nog overal de Nederlandse taal wordt gesproken. Op vele plaatsen preekt men des zondags in het Nederlands. Helaas konden we door de voortdurend neergutsende regen niet ten volle genieten van ons bezoek aan de voormalige papiermolen van Hermannus Mulder te Wilsum. Daardoor was het maken van verantwoorde foto’s eveneens niet mogelijk. Na de interessante uitstapjes naar Mallem en Wilsum gaan we ons verhaal over de Apeldoornse papiermolens vervolgen.
 




De papiermolens in de Wormingermark

De molens van Holthuizen (kaart l nr. 18)

Het eerste bericht over een papiermolen op Holthuizen vinden we in een akte van 17 januari 1618. Op die datum geeft de rekenkamer de erfpacht van ’t water van de Grift uit aan Jorrien en Roelof Jansz. voor een papiermolen in "’t guedt op Holthuysen, gelegen in de buurschap Wormingen”. De grond, waarop de molen wordt getimmerd, behoort aan Hendrick Pannekoick. Uit een getuigenverklaring 97) van 20 september 1628 vernemen we, dat destijds door Henrick Pannekoick aan de gebroeders Jurrien en Roloff Jans verpacht was "een muelenplaets gelegenn bidenn Apeldoornschen Enck in het goet Holt huisen Henrick Pannekoick tobehorende ende dat voorgemelde gebroderen daerop hebbenn getimmerd, eenen pampierenmuelen, d welcke sij seer dentit herwardt rustelick hebben gebruikt ende noch tegenwoordich gebruicken”. Reeds op 17 juni 1618 komt er een tweede rad aan de molen, doch de broers krijgen vergunning "met simpelen erfpacht te volstaen niet tegenstaende nu het tweede radt is gehangen”. Meestal werd de erfpacht uitgegeven onder conditie dat nadere overeenstemming over de pacht moest worden verkregen, wanneer meer raden erbij werden gehangen. De naam "Holthuijs” komt al voor in een lijst 93) van de tienden en zetelhoven van



Watermerk van de Papierfabriek Holthuizen
met afbeelding van papyrusplanten


het kapittel van St. Marie te Utrecht, die omstreeks 1339 moet gedateerd worden.
De grens tussen de marken van Orden en Wormingen liep van het huis "de Tent” (bij het Station) tot Holthuizen en vandaar in zuidelijke richting naar een paal bij "de Heeze” (tegenover de machinefabriek Landaal). Het is eigenaardig, dat in 1732 gesproken wordt van een "huijs en getimmer genaamt den Hertog van Gelder, ofte alom genaamt de Tente”. We zouden wel eens willen weten, waarom dit huis - behalve de Tente ook de "Hertog van Gelder” heette.
Bij de hoek van de Holthuizermolens stond in 1748 op de grens der beide marken, die tevens de limietscheiding zou vormen van de nieuw in te stellen Hoge Heerlijkheid Het Loo, een "Ypeboom” middenin een "Eijcke Boschje”. Er wordt een overeenkomst gesloten met Henrick Muller, papiermaker op Holthuizen en eigenaar van het eikebosje, waarbij men bepaalt, dat alle bomen rondom het iepeboompje eventueel door de bezitter kunnen worden weggehakt. Doch de iep zal - met een daaromheen te leggen grenspol of grensheuveltje - altijd "tot een Limietscheijding” blijven staan of bij afsterven door een ander vervangen mogen worden. Daartoe draagt Henrick Muller 0p 3 oktober 1748 het bewuste "ijpeboomtje” met de grond van de grenspol voor 25 gulden over aan de "tijdelijke Heere der Hooge en Vrije Heerlijkheijt het Loo”. Het is merkwaardig, dat langs de beek bij Holthuizen in 1963 nog iepen stonden en wel "kurkiepen”. We gaan thans een aantal jaren terug en lezen in het verpondingskohier over 1648, dat Roelof Jansen en Pouwel Pelen voor een "huysplaetse in Wormingen ende water tot een papiermolenken” zeven gulden moeten geven aan de rekenkamer.
"Het huys en de molen van 4 backen compt Roeloff selfs”. De broer Jorrien moet dan zijn overleden. De "huysplaetse” is blijkbaar van Pouwel Pelen, die we bij andere molens nog weer zullen ontmoeten.
Op een kaart van Justus van Broeckhuysen uit 1708 staan bij Holthuizen twee tegenover elkaar gelegen molens getekend. Volgens een akte van 16 mei 1725 verkopen Wigmonda (Wichmoet) van Lieren en Jan Muller één der Holthuizermolens voor 6000 gl. aan Gerrit Muller. Het water was toen belast met een erfpacht van 3 1/2 gl. ten behoeve van de rekenkamer te Arnhem. In 1738 verwerven Jan Aarts Schut Mr. papiermaker op Holthuizen en diens echtgenote Margaretha Clijn "een molder saijland en hooijlandt van oudts genaamt de Bosjes”. Het terrein is gelegen bij de Brink te Apeldoorn en wordt ten zuiden begrensd door de "Wormsse off Holthuijser Beek”.
terwijl aan de noordzijde "de Brinckwegh” loopt, waarop genoemde bosjes "uitwegende” zijn. We zien, dat dit gedeelte van de Grift toentertijd ook wel de Wormse of Holthuizerbeek heette.
Als papiermaker op Holthuizen komt in 1747 Hendrik Muller voor. In 1808 maakt Jannes Pol op de ene molen 3 soorten papier, terwijl Jan Berends op het andere bedrijf verschillende kwaliteiten vervaardigt. In zijn bekende lijst van ca. 1812 noemt Gunning op Holthuizen de papiermakers Jan Berends en P. Poll. Op 15 juli 1830 koopt Lucas Dijkgraaf van Maria Pol, echtgenote van Merten Kers, uit de nalatenschap van Jannes Pol en Catharina Heering een zesbaks waterpapiermolen met woonhuis, pakhuis, schuurtje, tuin, benevens bouw- en grasland voor de som van f 6140.
Gedurende de 19e en het begin van de 20e eeuw zijn het vooral leden der papiermakersfamilie Dijkgraaf, die op Holthuizen de edele kunst van het papiermaken beoefenen.
Reeds in 1739 vinden we een Jacob Dijkgraaf genoemd onder de Apeldoornse witpapiermakers.
De waterpapiermolen Holthuizen, gelegen aan de linkeroever tegenover de in 1830 aan Lucas Dijkgraaf verkochte molen, wordt in 1841 door Hendrik van Baaren gekocht en komt op 15 mei 1860 in het bezit van Derk de Graaf. Bij akte van 19 november 1897 verkoopt Hermina Kamphuis "de vroegere waterpapiermolen Holthuizen, thans ingericht tot wasserij” onder meer aan Reintje de Graaf. Deze voormalige papiermolen aan de linkerzijde der beek gaat op 29 oktober 1906 over in handen van Derk en Maria de Graaf. Zij verkopen hun wasserij aan Marten Beekman (5 juni 1912). Jan Hendrik Dijkkamp koopt op 1 april 1925 de wasserij, genaamd "Holthuizen” staande tegenover de vroegere papiermolen van L. Dijkgraaf. Want inmiddels had ook de papiermakerij op de molen Dijkgraaf een einde genomen. In 1885 was daar de nieuwe wijze van papiermaken ingevoerd en werd een gebouw voor machinale papierbereiding aan de oude waterpapiermolen verbonden. Toch leverde men nog in 1914 handgeschept papier en op 21 mei van dat jaar bezochten de leden van de Nederlandse vereniging van bibliothecarissen de fabriek van de heer G. Dijkgraaf en leerden er "door de duidelijke en aanschouwelijke voorstelling van de heer L. H. Dijkgraaf, zoon van de fabrikant, een interessant bedrijf kennen”. Zoals uit het bovenstaande valt op te maken, behoorde in 1925 de papiermakerij op de molen Dijkgraaf eveneens tot het verleden. Tien jaar later herinnerde een half in de modder verzonken waterrad nog aan het echt Veluws bedrijf, dat hier eenmaal werd uitgeoefend.

De Tiemensmolens (kaart I nr. 24)

De oudste der twee tegenover elkaar gelegen Tiemensmolens is in 1619 gesticht. Op 6 oktober van dat jaar krijgt Thymen Jacobs van de rekenkamer de erfpacht van , "seeckere beecke” in Wormingen. Vermoedelijk is deze Thymen (Timen) voor die tijd als papiermaker werkzaam geweest op de molen van Jan Jansen op Klein Hattem.
Volgens het verpondingsregister van 1648/49 heeft Timan Jacobs een papiermolen van 5 bakken, "met ’t huijs leggende op de grond van de erffgenaemen van Wormgen”.
Er lagen toen in Wormingen een drietal papiermolens: Hattem (eig. Paul Martens), Holthuizen (eig. Roeloff Jansen) en de molen van Timan Jacobs. In 1665 blijkt, dat Thiman Jacobs destijds de grond van zijn papiermolen voor 25 daalders van de mark heeft gepacht. Zijn erfgenaam Aernt Willems moet echter een hogere erfpacht betalen, waarover een geschil ontstaat. Aernt tracht de geerfden der mark gunstig voor zich te stemmen, want op 1 april staat vermeld, dat hij hen tracteert op een ton bier. Claes Thyman stelt zich borg voor de pacht, waarvan men een nieuw contract wil. De erfgenamen der Wormingermark eisen 25 gulden van de oude pacht, benevens 15 gulden voor de "nieuwen camp”. Veel verschil maakt dit niet met het vroegere bedrag van 25 daalder. Aernt Willems verlangt dat "den nieuwen molen en molenhuys op den nieuwen camp Iiggende, soude in de olde pacht begrepen sijn en voor 6 jaren”. Beide partijen komen voorlopig niet tot een akkoord. Uit het voorafgaande merken we, dat er toen een tweede molen was getimmerd, die dus omstreeks 1660 moet zijn gesticht.
In 1676 zitten Jan Warners en Aert Willems op Tiemensmolens. Deze Jan Warners zal misschien dezelfde zijn, die in 1679 als papiermaker genoemd wordt op de molen "het Hol” in Niersen. In elk geval is hij degene, die in 1676 zijn buren niets minder dan een overstroming "heeft op de hals gesonden”.
Toentertijd behoorden overstromingen op de Hoge Veluwe niet tot de uitzonderingen. Na sneeuwval en vorst gevolgd door een plotselinge sterke dooi met veel regen kon de van de heuvels stromende "sneelooge” niet door de hard bevroren heidekorst dringen. Het smeltwater baande zich dan met geweld een weg door en langs de beken naar de lager gelegen gronden. Vaak werd daarbij het vlotwerk van de molens door de kracht van het water beschadigd of weggeslagen. Geen wonder, dat de watermolenaars op middelen zonnen om zich voor deze overlast te vrijwaren. Nog in 1828 richtten twee Ugchelse papiermakers een verzoek aan de mark tot het mogen graven _ van een sloot met wal langs de sprengenkoppen aan de voet van de Bakenberg, teneinde het van de helling stromende water af te leiden. Deze wal rondom de sprengen is thans nog aanwezig. Maar we keren terug naar Jan Warners. Wat had deze man in 1676 uitgevoerd? De winter van dat jaar had behalve vorst ook veel sneeuw gebracht. Plotseling sloeg het weer om, de temperatuur steeg snel, zware regenbuien kletterden neer. Het overvloedig smeltwater zocht zijn weg naar de lagere terreinen en stroomde in de onderbeken der molens. Hoger en hoger steeg het water en stond al gauw tot boven aan de dijken. De molenhoofden van de papiermolens werden met vernieling bedreigd.
Ook de molens van Jan Warners en Aert Willems liepen gevaar. Om deze bedreiging af te wenden ging Jan Warners iets doen wat hem niet geoorloofd was. Want hij liet namelijk "tijdens die grooten overvloedt van sneeloogh en regen sijne en Aert Willems dijcken doorgraeven”. De gevolgen van de graverij waren niet alleen funest voor de bewoners der beneden gelegen woningen, maar ook voor Jan Warners zelf. Want twee getuigen hadden de snode daad gezien. Een tweetal mannen, Geurt Jansen en Max Gerritsen - meiers op de erven en goederen Westenenk - lopen op die bewuste dag de beek langs en komen bij de plek "daer de komme off waterleijdinge nae Westenencke is”. Er liep vandaar dus een leiding - vermoedelijk van uitgeholde boomstammen naar het goed Westenenk in Wormingen.
Nauwelijks hebben Geurt en Max genoemde "komme” bereikt of ze krijgen in de gaten dat "drie manspersonen sijn komen gaen van Ardt Willems en Jan Warners mole waarvan twe elck een bijll axe of schuppe opt lijff hadde”. Geurt Jansen en Max Gerritsen, die de zaak niet vertrouwen en zich verdekt opstellen, fluisteren elkaar toe: "nu is het tijd dat wij oppassen”. Maar Gerrit Jansen, die dringend een voer mest op Westenenk moet halen, kan niet langer blijven wachten en drukt Max bij ’t weggaan op het hart "past op de pompe (= duiker) en dijck dat die niet overstuijr loopt”.
Kort na het vertrek van Geurt ziet Max, dat twee van de mannen op verscheidene plaatsen "traijen off gaten” in de dijk van de bovenbeek maken. De gevolgen had het drietal echter niet voorzien. Want het door de gaten stromende water spoelde in een oogwenk grote stukken uit de dijk, "smeet de pompe nae Westenengh uit de grond” en overstroomde weldra de hele omgeving. Door dit eigenmachtig optreden - aldus verklaren later de geërfden der Wormingermark voor de scholtis van Apeldoorn - had Jan Warners "den geheelen vloet en macht van waeter henluijden te gelijck op den hals gesonden, waerdoor huijsen en stallen onder waeter geset mensch en vee verdreven, saet ende voeragie verdroncken de schouwbare dijcken overstroomt” en een schade van wel 50 daalders was aangericht. Uit dit bedrag kunnen we opmaken, dat het met de omvang der overstroming nogal meeviel. Het slot van het watersnooddrama speelt zich af voor de rechter, want op 28 april 1677 wordt de papiermaker Jan Warners "gebodet” te verschijnen voor het eerstvolgende gericht te Apeldoorn "ter oirsaecke deselve in den voorleden winter sich heeft onderstaen sijne ende Aert Willems dijcken door te houwen”.
We vervolgen de verdere geschiedenis van Tiemens molens. Op 3 oktober 1700 lezen we, dat "huis, hof en molen, Tijmesmoole”, toebehorende aan Jurrien Jans Warners, gehuwd met Maria Hendriks, op 5 augustus 1700 voor de tijd van 6 jaar verpandschapt was aan Thijs en Hendrik Warners. Jurrien Jansen Warners was in dat jaar tevens eigenaar van de molen ’t Slop en van Brouwersmolen. Thijs Warners woonde toen aan de Kortenbrinck, terwijl Hendrik papiermaker was op de Windemolen.
Deze Tiemensmolen wordt 7 augustus 1706 - met inbegrip van de erfpacht van ’t water - voor f 2300 getransporteerd aan Herman Sebus (Sevenhuizen) en Willem Jans Warners Cortenbrink, ieder voor de helft. De laatste woonde in 1747 op de "Kleine Heze” en huwde met Anna Margrita Lubbers, weduwe van Arnoldus van Houtum. In 1747 zijn Sevenhuizen en Cornelis Meijerink vermoedelijk samen eigenaar van de oudste molen, terwijl de andere Tiemensmolen in het bezit is van een van beiden. Uit een proces van dat jaar kunnen we opmaken, dat Meijerink, weduwnaar, dan 40 jaar papiermaker is. Hij stond bekend als iemand "van een seer driftig humeur sijnde”. Op de lijst van ingezetenen van 1747 staan vermeld: Cornelis Meijerink, weduwnaar, drie kinderen, 1 knecht, 1 meid; Jan Sevenhuizen is een zoon van Hermen. De bovengenoemde personen wonen in 1747 dus op de Tiemensmolens. Jan Sevenhuizen komt nog voor in 1780/ 81, daarna Sebus Zevenhuizen.
De registratie der inwoners van Apeldoorn (sept. 1798) geeft op de ene Tiemensmolen als mr papiermaker Zebes Zevenhuizen, deze is 45 jaar en heeft 7 kinderen. Z’n collega op de andere molen Harm Hendriks telt 48 jaar en bezit 8 kinderen. Zebes maakt in 1808 vijf soorten papier, terwijl zijn buurman Harmen Hendriks onderscheiden soorten fabriceert. De lijst van burgemeester Gunnnig noemt H. Hendriks en Z. Zevenhuizen op Tiemensmolens.
In 1823 zit Lypman van Rees op de molen(s) die dan echter "De Olijphant” heet. Hij heeft 14 arbeiders en maakt o.a. "olifantpapier no. 5”. Van Rees, geboren te Nijkerk in 1791 was ook eigenaar van het Voorslop in Ugchelen (molen nr. 37). Hij komt voor tot 1829. Op de Olijphant wordt tot 1877 nog steeds papier gemaakt, waarbij zowel stoom als waterkracht dienst doen. Een advertentie kondigt in dat jaar een veiling aan in de Moriaan te Apeldoorn, waarop voor de heer L. Quartel verkocht zal worden: "De papierfabriek de Olijphant, gedreven door waterkracht en stoommachine van 10 pk met bijbehorende landerijen gelegen op de Eendragt”. De Olifant en de tegenovergelegen molen worden dan omgezet in wasserijen. Aan de linkerkant van de beek ligt thans het wasbedrijf "De Oude Olifant” (Ugchelseweg 11), terwijl op de rechteroever de wasserij Kamphuis staat (Ugchelseweg 9). Het valt te betreuren, dat daar de oorspronkelijke naam "Tiemensmolen” geheel verloren is gegaan.

De papiermolen De Llere of Het Liertje (kaart l nr. 25)

Op 28 augustus 1691 zijn Hendrik van Roekel, gehuwd met Luitje Jansen Westenenk, 280 gulden schuldig aan Otto Westenenk "tot het copen van ’t Nieuwe Mooltjen bij Tijmans molens verstreckt”. Hier komen we voor het eerst in aanraking met een nieuw molentje in de omgeving van de Tiemensmolens. Het lag echter niet op dezelfde beek, maar ontving zijn water uit sprengen in de Engelandermark, die in 1623 waren gegraven voor de papiermolen "De Winkewijert” (kaart nr. 30). Op 12 november 1696 verpachten Derck Jansen van Otterloo en Jacomina Westenenk, wed. van Steven Jansen van Otterlo, 2/ 3 part van het "papijr molentjen bij thijmans molen” aan de papiermaker Frederick Gerrits Put. Deze stelt als borgen voor de betaling der pacht de papiermakers Jan Jansen Peters van Orden en Marten Jans Schut (zich ook noemende Marten Orgesl). Er waren twee gegadigden voor de molen geweest en bij het vaststellen der conditien 99) in de herberg het Roode Hert te Beekbergen was "eenige knibbelingh” ontstaan tussen Marten Jans Schut en Jan Willemsen Schut. De eerste wilde de molen in pacht hebben voor bovengenoemde Frederick Gerrits Put; de andere voor Jurrien Jansen. De jaarlijkse pacht voor de gehele molen bedroeg 180 gulden.
In 1699 had Frederick Gerrits Put op de inmiddels verschenen pacht nog niet meer betaald dan "eens vijfftigh gulden”. Hierover ontstond een geschil, waarop we straks bij de molen Hattem (nr. 26) nog nader ingaan.
In 1709 is Wichmoet van Lieren, wed. van Aart Muller, deelgerechtigd in "het Nieuwe Mooltje ’t Liertje”. Misschien heeft de naam van het molentje met haar te maken. Wichmoet was een dochter van Huibert Jans van Lieren en Marietje Westenenk. Haar vader en haar man waren pachters van de Wormingerhof, een der oudste deelgerechtigde boerderijen in de Wormingermark.
Wichmoet (Wichmonda) krijgt op 2 augustus 1720 kwestie over ’t Liertje. De molen is door haar verkocht aan Gerrit Schraadt en Theunis Cornelissen, doch deze zijn nalatig gebleven in de betaling. Ze wil nu de papiermolen wel aan Willem Bartols, Otto Gijsbers of een andere tussenpersoon verkopen. De afloop van het geschil blijkt niet.
In 1742 is vermoedelijk Herman Sebes of Cornelis Willems Meijerink van de Tiemensmolen eigenaar van het Liertje, dat gebruikt zal zijn door Wouter Cornelis Nijland (Nieland), papiermaker in Wormingen. Vijf jaar later vernemen we, dat Wouter Cornelis Nijland gehuwd is met Cornelia Jans en 5 kinderen heeft. In 1756 wordt gesproken van de weduwe Wouter Cornelis, terwijl later (1764) Jan Wouters Nieland voorkomt, die in 1798 de leeftijd heeft van 66 jaar en 4 kinderen bezit. Op de lijst Gunning vinden we de molen de Liere niet vermeld.
De Apeldoornsche Courant van 4 oktober 1879 kondigt een veiling bij inzet en toeslag aan op 15 en 19 oktober, zulks voor de erven van de heer S. J. Pannekoek, van "een gebouw De Lier genaamd bevattende 6 arbeiderswoningen, fabrieksruimte en grooten droogzolder. Voorts afzonderlijk staande schuur. Waterkracht, enz.” Hetzelfde blad vermeldt op 11 oktober 1879 onder perceeI 1: "Het Gebouw met de Waterkracht . . . en alle rechten op de blinde sprengen bij de Winkelwijert”. Dit laatste zal wel slaan op de verdwenen koppen van de Lier of Lierdersprengen, waarvan het water even beneden de papiermolen De Winkewijert in de onderbeek terecht kwam. Na de aanleg der Rijkssprengen zijn deze koppen uitgedroogd en later dichtgeworpen (zie hierover bij molen de Winkewijert).

De molen Hattem of Klein Hattem (kaart l nr.26)

De papiermolen Hattem of Klein Hattem is in 1613 gesticht op de bouwhof Klein Hattem door de Arnhemse boekdrukker, boekverkoper en papierhandelaar Jan Jansen.
Evenals Andries van Aelst is hij een vooraanstaande figuur geweest in het papieren drukkersbedrijf in de Nederlanden. Op 24 januari 1594 krijgt Jan Janssen "Bouckvercooper” betaling voor de levering van 5 riem papier en 20 kleine "parchemijne vellekens” (= velletjes perkament) ten behoeve van het kwartier van Veluwe. In 1595 legt Johan Janssen "Boickverkoper” de eed af als burger der stad Arnhem. Gedurende het jaar 1596 levert de "boeckenbinder” Johan Jansen 81/2 riem papier, waarvoor hem 42 £ en 10 st. betaald wordt. Op Oudejaar krijgt Mr. Johan betaling 100) wegens de leverantie van papier voor de ontvanger en de secretaris van het kwartier. Verder voor het inbinden van "dese twee Rekeningen” en het "becleeden” daarvan met een "calfsvel”. Vijf jaar later wordt aan "Meister Jan Jans” 106 .6 en 17 st. betaald voor "pampieren, schrijffboecken ende anders”. Een flinke leverantie! Zijn eerste aanraking met Apeldoorn dateert van 7 februari 1612. Een minuut101) van een door het Hof te Arnhem gezonden schrijven van de Apeldoornse scholtis Georgien Pannekoek vermeldt, dat Johan Jansz. "Boeckvercooper” in Arnhem vergunning heeft gevraagd voor het leggen van "eenige pampieren moelens” in het ambt Apeldoorn. Een later gedateerd afschrift spreekt echter van "enen pampieren moelen” op een in het schrijven nader aangeduide plek. Scholtis Pannekoek krijgt opdracht het verzoek van Jan Jansen op de drie eerstvolgende zondagen in de kerken van Apeldoorn en Beekbergen te laten afkondigen. Allen, die bezwaren menen te hebben tegen het timmeren van de molen(s) moeten deze voor 24 maart indienen bij het Hof. Er blijkt niets van verzet tegen de plannen van de Arnhemse boekdrukker.
Kort daarna moet Jan Jansen tot overeenstemming gekomen zijn met de geërfden van de Wormingermark over het leggen van een papiermolen op hun gebied. Want in de originele perkamenten erfpachtbrief 102) van ’t water - gedateerd 13 januari 1613 - staat, dat de boekverkoper Jan Jansen - ook namens zijn huisvrouw Merry Janssen


Papiermolen met muurankers 1778, gelegen aan de rechterzijde van de Grift en behorende bij het complex De Stinkmolen.
De hoge hangzolder, het kenmerk der meeste Veluwse papierbedrijven, valt direct op.
De molen stond aan de Vlijtsezveg en werd in 1937 gesloopt.
De opname is uit 1935.



h22



Rechts gedeelte van een papiermakershuis uit 1778, behorende bij het complex De Stinkmolen.
Opname uit 1937.


h23



met de geërfden van Wormingen "verdraegen was om int Veen tusschen Begbergen ende Apeldoren inde voorsz. Buirschap Wormgen eenen pappiermoelen te moegen oprichten.” Volgens de erfpachtbrief heeft Jan Jansen daarna van de rekenkamer "gebuerlick consent” verzocht voor de erfpacht van ’t water. Deze instantie staat hem toe "alsz dat hij ter plaetsen voorss. die pappiermoelen sal moegen doen leggen om daerop pappier te maecken sonder anders waer tho te moegen gebruicken”, mits hij of later zijn erven - "jaerlicx ende alle jaer” voor de erfpacht van ’t water een bedrag van 10 pond betaalt aan de rentmeester van de Veluwe. Daar de molen op "Petri toekommende” pas geheel "ganckachtich” zal zijn, moet de eerste pachtbetaling een jaar later geschieden. Het verleende consent duurt "soo lange die moelen daer blijft staen”.
Enige tijd na de stichting van de molen krijgt Jan Jansen onenigheid met de erfgenamen van Ugchelen en Orden over het omleggen en opstuwen van een beekje, hetgeen volgens laatstgenoemden schade toebrengt aan de markegronden en gevaar oplevert voor het vee. Het komt tot een proces 103) tussen Jan Jansen en de buurscholt van Ordermark, die optreedt namens de geerfden van Orden en Ugchelen. Dit proces verschaft ons een aantal interessante gegevens over de bouw en de beginjaren van de molen. Jan Jansen maakt er niet zelf papier - zijn drukkersbedrijf in Arnhem zou dit trouwens niet toelaten - maar heeft als papiermakersbaas in dienst genomen "Timen pampiermaecker”. Deze Timen, die alleen op deze wijze wordt aangeduid, heeft ook de leiding en het toezicht gehad bij de "timmeratie” van de molen en bij het graven van de watervoorziening voor het bedrijf. Want voor het goed functioneren van de papiermolen was een zo ruim mogelijke en tevens constante watertoevoer een eerste vereiste. Misschien zal "Timen pampiermaecker” dezelfde zijn als Thijmen (Timen) Jacobs, die in 1619 de Tiemensmolen (kaart nr. 24) sticht.
We gaan ons nu bezighouden met het zo juist genoemde proces. Volgens de getuigenverklaringen, die Bartholt Willems (30 j.) en Jan Warners (25 j.) op 15 juli 1615 afleggen, heeft Timen in de beek, waarop de papiermolen staat "geleijt seecker kleijn ander beecxken tot vermeerderonge des waters”. Volgens hun zeggen had dit plaats gevonden "eer ende bevorens ijtwes ande muele getimmert” of voordat begonnen was met het graven van de wijers en molenbeek. De getuigen die mee hebben geholpen aan het omleiden van het bewuste beekje, verklaren verder dat dit watertje sindsdien al drie jaar "rustelick” in de molenbeek heeft "geexonereert”, maar dat de geerfden van Orden onlangs deze watertoevoer hebben "affgesneden ende verhindert”. Op dezelfde dag verschijnen als getuigen voor de scholtis van Apeldoorn de ruim 60-jarige Arend Alberts op Veenhuizen (erf in Ugchelen, omgeving Mettaweg), Gerrit Gerrits (Geriet Gerritsen Cruimer ca. 53 j.), Willem Gerritsen (56 j.) en Joichem Jansen (25 j.). Het viertal antwoordt bevestigend op de vraag of zij "altit ende soe langhe hun gedenckt” gekend hebben een beekje, dat komt uit het "Ucheler Veen” en vervolgens vanuit de Ugcheler mark loopt in die van Orden. Ze verklaren verder, dat de papiermaker Timen - of de eigenaar van de molen - destijds het bewuste beekje in de Ordermark met palen, planken en aarde heeft laten bedijken en opstuwen en "datselve bexken zuiderzit (= zuidwaarts) gegraven, ende geleit vuijt Ordermerckt in uchgeller merckt, ende gebracht in de uchgeller beecke daer die pampierenmuele bij gaet”. Naar hun zeggen was deze laatste beekloop - de tegenwoordige beek - toen nog niet "volgraven”.
Op 21 juli 1615 gelast het Hof aan de geerfden van Orden, dat zij het "affgeleyde beecxken” moeten "repareren” en hangende het proces het water laten lopen in de "principaele beeck daer den moelen opleyt”. Ze hebben zich "middeler tijt te wachten eijgener authoriteyt Sulcx meer te doen”.
Een latere (20 september 1616) afgelegde verklaring van de eerder genoemde getuige Aerndt Aelberts - en bevestigd door diens vierentwintigjarige zoon Aelbert Aernts - geeft een enigszins afwijkend beeld van de geschetste gang van zaken. In tegenstelling tot zijn op 15 juli 1615 gegeven getuigenis zegt hij nu, dat de boekverkoper Jan Jansen zijn papiermolen "tweten die Timmeratie des Huises overeinde hadde staen, ende die goeten (= goten) gemaeckt waeren al geriet en veerdich, ende daer nha Timen pampiermaecker mit zijn tijmmerluiden off arbeitsvolck” het beekje in kwestie "mit posten, plancken en andersins” had bedijkt, opgestouwd en "dwars in de groote Beeck” geleid. De zoon merkt hierbij op, dat hij met zijn vaders kar bij het timmeren van de molen en de bedijking van het beekje heeft geholpen. Uit al deze verklaringen blijkt zonneklaar, dat het rad van de papiermolen van Jan Jansen toen niet alleen gedreven werd door het water van de uit Ugchelen komende (omgelegde) beek, maar ook door een watertje dat in het Ugcheler veen ontstond en zijn verdere loop nam door de marken van Ugchelen en Orden. Jan Jansen heeft dit beekje laten opstuwen en het water door een nieuw gegraven bedding boven zijn molen in de eigenlijke molenbeek gebracht. Het is nog steeds niet duidelijk, waar we deze thans geheel verdwenen waterloop moeten zoeken.
Het is ’t omleggen, bedijken en opstuwen van dit beekje geweest, dat Jan Jansen en zijn papiermakersbaas Timen in conflict heeft gebracht met de geërfden van Ugchelen en Orden. Volgens deze mensen worden daardoor hun markegronden "verdroncken en bedorven” en kunnen ze ook geen gebruik meer maken van "den olden hooijwech ende gemenen wagenwech”, die ze altijd plachten "door tgaen eer ende bevorens die pampierenmuell daer gelacht is et”. Want het "questioese” beekje loopt er nu dwars doorheen en de wijer van de molen vormt eveneens een sta in de weg (in een der stukken is sprake van "wijers”).
De erfgenamen van Orden en Ugchelen hebben nog meer klachten. Het hoog opgestuwde beekwater levert een voortdurend gevaar op voor de paarden, koeien en schapen. Van oudsher waren de geërfden gewend hun dieren daar "onbeschroempt” te laten weiden. Zonder voortdurend toezicht was dit nu niet meer mogelijk, want wanneer de beesten in de diepe beek terecht kwamen, zouden ze erin "verdrincken off verblivenn”. Het jonge koebeest van Joichem Jansen was in ’t water gevallen, maar toen de eigenaar het emit had "getooghen” bleek het reeds dood te zijn. Aelbert Aernts had drie schapen langs de beek zien liggen, die "doodt waren vuijt d’Moras getogen”. Reyner Cornelis, die "tusschen Veertich ende Vijftich Jaeren” telt, ondervond veel narigheid met zijn "beste peerdt”. Volgens zijn verklaring van 23 september 1616, was het dier drie weken geleden tijdens de boekweitoogst in de beek gevallen, "die Jan Jansen boeckvercoper t’Arnhem heeft laeten graven vuijt Ordermerckt door Ugchellermerckt”. Het arme schepsel, dat hij nog voor geen 100 pond zou willen missen, kon er "van hemselven” niet uitkomen. Met hulp van de zeventigjarige Aernt Aelberts en van nog twee ijlings toegeschoten mannen had hij geprobeerd "datselve peert” uit de beek te halen. Slechts onder "groote moeiten ende arbeit” was het hun " gelukt het dier met een stel touwen weer op het droge te krijgen. Het paard was "soe deerlick vermartert ende bedorven”, dat Joichem het lange tijd "ledigh opten stal most laeten staen”. Reeds in 1614 had Thonis Teus, de toenmalige buurscholt van Orden, aan de schatter der mark Henrick Timens Spoel opdracht gegeven om namens de geerfden Timen "pampiermaecker” aan te zeggen, dat hij het beekje weer zou "opmaecken als hij toegedickt hadde want die merckten daer door verdroncken werden”. Doch Timen trok er zich niets van aan en liet de waterloop in dezelfde toestand. Tenslotte kregen de , geerfden van Orden er genoeg van. Ze gaven Henrick Timens Spoel bevel het beekje te "openen”. Hij voldeed hieraan, met het gevolg, dat de watertoevoer uit "’t selve beecxken” naar de molen werd "afgesneden ende verhindert”. Zoals we zagen, protesteerde de moleneigenaar Jan Jansen hiertegen bij het Hof te Arnhem. De afloop van dit geschil is ons niet bekend.
In april 1616 dient Jan Jansen een protest in tegen de voorgenomen stichting van een volmolen door Thoenis Theussen en Derck Warners, waarvan bij de geschiedenis der Apeldoornse volmolens reeds gewag is gemaakt.
Jan Jansen (Johannes Janszonius) staat bekend als een bekwaam en vermaard boekdrukker. Van zijn persen zijn tal van fraai uitgevoerde werken verschenen. De collectie van het Hist. Museum Moerman Apeldoorn bevat een zeldzaam boek van de Italiaanse schrijver Lod. Guicciardini over de Nederlanden. Het is in 1616 bij Jan Jansen verschenen en op papier gedrukt, dat zo goed als zeker op zijn molen te Apeldoorn werd geschept. Inmiddels is het museum nog in ’t bezit gekomen van een bij Jan Jansen in 1621 verschenen boekwerk. Jan Jansen verkoopt in 1625 zijn papiermolen in Wormingen aan Paul Martens (Pouwel Martensen), een zoon van de bekende Marten Orges. In 1672 vinden we Daniel Pauls (Schut) als papiermaker op "Klijn Hattum”. Deze benaming slaat oorspronkelijk op het terrein, waarop de molen is gesticht. Daar lag toen de bouwhof Klein Hattem en hieraan ontleent de papiermolen zijn naam. Ook toen in later tijd nog twee papiermolens op hetzelfde erf werden getimmerd (Bouwhof en Methusalem) sprak men meestal van de molens op Hattem. De Hattemseweg is genoemd naar deze bouwhof Hattem of Klein Hattem.
We hebben zojuist gezien, dat Daniel Pauls - de kleinzoon van Marten Orges - de naam Schut bij zijn naam voegt. Marten Orges was gehuwd met Geertje Schut. Uit dit huwelijk werden Paul Martens en Daniel Martens geboren. De laatste overleed in 1636 met al zijn kinderen. Paul Martens, die in 1625 de papiermolen op Klein Hattem kocht van Jan Jansen, had twee zoons Jan‘ Pauls en de hierboven reeds genoemde Daniel Pauls (Schut).
Nu is het eigenaardig, dat de afstammelingen van Marten Orges te beginnen met zijn kleinzoons - zich niet naar hun voorvader Orges noemen, maar de naam van diens vrouw als geslachtsnaam aannemen. Er bestaat naar mijn weten maar één uitzondering. De kleinzoon Jan Pauls Schut had verscheidene kinderen, w.o. Paul, Roelof en Marten Jansen Schut. Laatstgenoemde huwde met Deeltien Hulshoff (Bieltje of Beeltje Gerrits Hulshof). Marten Jansen Schut, die met zijn overgrootvader de voornaam gemeen had, koesterde blijkbaar een grote verering voor zijn voorvader. Want in 1696 - en ook in latere jaren - komt hij als Marten Orges in tal van stukken voor.
Zoals we reeds bij de molen "De Liere” verteld hebben, verpachten Jacomijntje van Westenenck en Derek Janssen van Otterlo 2/ 3 part van een "papijremolen onder Apeldoorn gelegen” aan Frederijck (Frederick) Gerrits Put. Als borgen voor de pachtbetaling stelt deze Jan Peters van Orden en Marten Jansen Schut "anders Marten Orges genaemd”.
De jaarlijkse pacht van "den geheelen molen” bedraagt 180 gulden. Doch in 1699 heeft Put in totaal slechts 50 gulden betaald. 104). Over de "voldoeningh van de rest” kunnen de verpachters met hem en de beide borgen "in der minne niet geraken”. De schuldeisers wenden zich tot het Hof en verzoeken "ootmoedigh” patent, waarbij Frederijck Gerrits Put als pachter en Marten Orges met Jan Peters - ieder voor de helft als borgen voor 2/ 3 der pacht - verplicht worden tot betaling der achterstallige schuld, vermeerderd met de onkosten. Bij besluit van 22 november 1699 moet Peter van Kesteren, gezworen bode van het Hof, naar de pachter en borgen in Apeldoorn gaan, teneinde hen te "citeren” op 13 december voor het Hof in Arnhem te verschijnen waar de zaak dan nader onder ogen gezien zal worden. De bode Peter van Kesteren overhandigt op 28 november 1699 afschriften van dit besluit van het Hof – benevens van het verzoek der schuldeisers - aan "de Huisvrouw van Frederick Gerrits als pachter ende aen de Huisvrouw van Marten Orges en aen de Huisvrouw van Jan Peters”. Het is merkwaardig dat geen der drie mannen dan aanwezig blijkt te zijn. De heren gaven waarschijnlijk "niet thuis”.
Uit de getuigenverklaringen op 12 maart 1700 van Jacob Haes Cuyper (36 j.) en van de papiermaker Willem Bartels (34 j.) ter overstaan van de Apeldoornse scholtis Gerard van Brienen, vernemen we dat beide mannen destijds aanwezig waren "int Herdt tot Beeckbergen”, toen Marten Jansen Schut (Marten Orges) het "molentjen bij thijmanss molen” voor Frericks Gerrits Put pachtte. Met het "Herdt” wordt de herberg "Het Rode Hert” bedoeld die in 1462 al bestond en gelegen was op een stuk grond in Engeland, de Hertsweide genaamd. Niet ver van deze plek bevindt zich nu het woonhuis Engelanderweg 29, dat door het opschrift "Rode Hert” de herinnering levend houdt aan deze historische herberg.
De beide getuigen Haes en Bartels zeggen, dat Jan Westenenk, koster van Beekbergen, de geschreven pachtcedul van het molentje in aanwezigheid van Marten Orges en anderen "overluijdt en openbaer” voorgelezen had. Laatstgenoemde zeide toen "dat se wel was”. Jacob Haes verklaart verder gehoord te hebben, dat Orges daarna de koster verzocht de pachtcedul voor hem te tekenen "set ghij mijn naem eens voor mij, ick kan niet wel”. Marten Orges ontkent echter "absolutelijk” zulks gevraagd te hebben. Hij beschouwt zijn handtekening dan ook van nul en gener waarde en zegt geen duit schuldig te zijn.
Op 13 juni 1733 heeft Pouwel Schut met toestemming van zijn vader Marten Jansen Schut en zijn moeder Dieltje Gerrits Hulshoff een zeker part verkocht in de papiermolen, die bewoond wordt door Pouwel Janssen Schut op Hattem. De zoon verklaart dat zijn vader "kort na die tijd van dien aankoop is inden Heer ontslapen”. Marten V Jansen Schut, die zich ook Marten Orges noemde, is dus voor 13 juni 1733 gestorven.
Met hem verdwijnt de naam Orges weer uit de familie.
Wij blijven bij de molen Hattem of Klein Hattem en gaan even een paar jaar terug.
Op 25 november 1726 laat de weduwe van de Arnhemse koopman Nicolaes Vorster beslag leggen op de ongerede goederen van Daniel Aersen Schut w.o. een 1/ 8 part van "huijs hoff en pampiere molen op Klein Hattum”. Zij doet dit "om betaelinghe te hebben van 536 gulden en 14 stuivers . . . van gecoffte geleverde lompen”.
In 1728 is Paul Jans Schut Mr. Papiermaker op de molen "Kleijn Hattum”. Op 3 april van dat jaar heeft hij "bemaeckt deselfs papiermolen met huis en getimmer, water en grond cum annexis op Hattem aan desselfs nevens Abraham Roelofs Schut soon van Roelof Jans Schut en Huybert Toniss, soon van Tonis Huybers en Maria Jans Schut, ider voor de halfscheid”. We lezen op 5 september 1747 echter van drie papiermolens op "Clyn Hattem”, die toebehoren aan de erfgenamen van Paul Jans Schut.
Op 25 augustus 1732 legt de Apeldoornse scholtis Huybert van Hamel beslag op 31 de gerede goederen van Maritjen Veenhuijsen, wed. van Jan Willems Schut en haar kinderen "met name Jan Dries Schut, Marten Schut custos te Arnhem, Lubbert Schut, Willem Brouwer en Warner Veenhuizen” - en indien zulks nodig mocht blijken ook op de ongerede goederen - "in specie aen een papiermolen cum annexis in de Ampte van Apeldoorn op Clijn Hattem gelegen, gebruijckt bij Rijck Pannekoeck”.
Jan Willems Schut, echtgenoot van Maria Jans Veenhuizen, verkoopt op 12 mei 1738 de molen "Klein Hattem” voor f 4350, - .aan Abraham Roelofs Schut. Begint het u bij al die Schutten langzamerhand ook niet te duizelen? De papiermaker Evert de Graaf zit in september 1798 op de molen Hattem. Hij is dan 44 jaar oud en heeft kind. Gunning vermeldt Bello en Co. als bezitters van "Schutsmolen”. Een der laatste papiermakers was Ruth van Zeist. Op een foto uit 1910, die in de winter is genomen, staat aan de linkerzijde van de beek nog de voormalige papiermolen Hattem met hangzolder en besneeuwd rieten dak. Aan de andere beekoever ligt het vroegere papierbedrijf "De Bouwhof”, dan wasserij. Een dik met ijs bedekt molenhoofd scheidt de beide gebouwen.
Blijkens procesverbaal van inzet en toeslag van 12 en 26 april 1916, opgemaakt door notaris Jhr. Karel Willem Feith te Beekbergen, verkocht op 26 april 1916 de weduwe R. van Zeist de tot wasen bleekerij ingerichte molen "Klein Hattum” aan Derk Kamphuis Senior voor f 1140, - . Derk Kamphuis was wasbaas op de Methusalem.
Het is zo goed als zeker, dat deze molen "Klein Hattum” dezelfde is als de papiermolen, die de Arnhemse boekdrukker Jan Jansen in 1613 stichtte.
Later is de voormalige papiermolen Hattem of Klein Hattem door brand verwoest en niet meer opgebouwd. In 1935 lagen er nog een brok oude muur en een gedeelte van de as van het waterrad. Het molenhoofd was toen al grotendeels verdwenen.

De Bouwhof (kaart l nr. 27)

Evenals de molen Hattem is de papiermolen "de Bouhof moolen” gesticht op het terrein van de bouwhof Klein Hattem. Vandaar stamt de naam. Misschien heeft de oude boerderij van Klein Hattem, gelegen op de plek, waar thans nog tegenover de voormalige wasserij Kamphuis (Methusalem) aan de rechterzijde van de beek een later geheel verknoeid oud papiermakershuis staat met het jaartal 1720. Over de geschiedenis van de papiermolen De Bouwhof zijn we slecht ingelicht. Hij moet in elk geval een der drie molens op Klein Hattem zijn geweest, die in 1747 worden genoemd. In 1798 zit Antonie de Bruin er; later in 1798 de weduwe A. de Bruin en zoon; in 1815 G. en R. de Bruin. Op de bij de vorige molen genoemde foto van 1910 ligt rechts van de beek de Bouwhof, waarvan de hangzolder dan nog herinnert aan de vroegere papiermakerij. Al lang voor 1910 heeft men de papiermolen omgezet in een wasbedrijf, nu wasserij de Bouwhof, Fa E. Uyt den Bogaard, Bouwhofweg 18.

De papiermolen Methusalem (kaart l nr. 28)

Over de beginjaren van deze papiermolen met zijn eigenaardige naam weten we niets.
Zo oud als Methusalem is hij in elk geval niet geweest. Wel bestond hij al in 1747.
Het is een dwarsgelegen molen, die even boven De Bouwhof en Hattem stond. Hij lag wel aan dezelfde beek, maar het rad draaide er niet op. Vlak voor de molen had men namelijk een gedeelte van het beekwater zijwaarts afgeleid naar het op deze nieuwe waterloop draaiende rad. In de omgeving van Methusalem kwamen vroeger enkele korte sprengetjes voor, die thans geheel zijn verdwenen en waarvan het water vermoedelijk op het halve rad van de molen heeft gelopen teneinde het vermogen daarvan te helpen vergroten. Evenals bij de Stinkmolen treffen we op Hattem een complex aan van een drietal papiermolens. Toch bestaat er een groot verschil. Bij de Stinkmolen lagen de drie molens naast en tegenover elkaar Op dezelfde beek. Hier op Hattem krijgen we echter te maken met twee tegenover gelegen molens (Hattem en Bouwhof) terwijl het rad van de derde molen (Methusalem) op een zijwaartse aftakking van de molenbeek draaide. In 1780 zit Hendrik van Lill (58 j.) met zeven kinderen op de papiermolen; hij komt in 1798 en 1812 nog voor. Van Lill was gehuwd met Cornelia Meyerink. De molen komt in die tijd voor als "Koopmans moolen”, terwijl pas tegen 1828 de naam "Methusalem” opduikt.
De molen werd 24 december 1814 eigendom van Jacobus ten Hoove "castelein wonende in de Buurtschap Het Loo” herberg de Keizerskroon aldaar.
Zoals we gezien hebben, waren voor die tijd Hendrik van Lill en Cornelia Meyerink bezitters van de molen geweest. Na hun overlijden bleek, dat de nalatenschap ernstig bezwaard was, want bij vonnis van de rechtbank te Arnhem van 1 augustus 1814 op requisitie van Mr. Staats Evers, officier bij genoemde rechtbank, die de veiling "voor het belang der schuldeisers” had gevorderd, werd de verkoop der bezittingen bevolen.
Hierbij was o.a. perceel I, bestaand uit de vijf bakswaterpapiermolen Hattem (d.i. dus de latere Methusalem) met woonhuis, 2 schuren en 2 schepel tuinland, een en ander l belast met een aandeel van f 63, - jaarlijks met de overige bezitters van Hattem aan de Wormingermark. Het aandeel van het te verkopen perceel daarin was f 15, - . De ; overige vier percelen zijn voor ons van minder belang. Het stuk spreekt later van een vierbaksmolen; een dergelijke verschrijving - ook wat de namen betreft - komt wel meer voor.
In de verkoopsvoorwaarden is het volgende merkwaardig.
Er was namelijk bepaald: "de opbiedingen zullen niet anders aangenomen worden dan met luider stemme en voor zooverre zij gedaan worden door bekende personen van een blijkbare gegoedheid met niet minder dan vijf gulden en men zal bij het Proces Verbaal alleenlijk doen blijken van het laatste en hoogste bod, hetwelk gedurende het branden van ieder waschlicht gedaan zal worden”.
Slechts tijdens het branden van kaarsen kon er geboden en gehoogd worden. Het hoogste bedrag véér het doven der kaarsen gold.
Verder was bepaald dat de "Provicioneele toewijzing der voorschreven goederen zal gedaan worden op zaterdag den 10e december 1814 voormiddags 10 uur ten overstaan van de openbare Notaris Mr. Philip Bernard van Lom, ten huize van den kastelein Jan Tamboer in het Hert in de gemeente Apeldoorn . . . en de finale toewijzing zal plaats hebben 24 Dec. terzelfder plaats en uur . . . . enz”.
De aankondiging der verkoop blijkt op 3 achtereenvolgende zondagen (20 november, 27 november en 4 december) op bij de wet voorgeschreven plaatsen en wijze bekend te zijn gemaakt door het aanplakken van "Biljetten”. De twee "Verkondigingsbiljetten" zijn door de heren Carel van Lichtenberg burgemeester van Apeldoorn en Derk Coerts, burgemeester van Beekbergen "geviseerd”.
Volgens het verslag over de verkoop "op tien December duizend achthonderd en veertien” was eerst voorlezing gedaan van de processenverbaal en nadat "verscheidene kaarsen ontstoken waren en tijdens het branden der derde kaarse heeft de Heer E Jacobus ten Hoove castelein wonende in de Buurtschap Het Loo” gehoogd. Het eerste perceel dat geschat was op f 1250, - kwam toen op f 2000, - .
Gedurende het branden der kaarsen werd niet hoger geboden, "drie waschlichten ontF, steken en uitgebrand zijnde, zonder dat iemand tijdens het branden van dezelfde . . . !”.(zo staat het in ’t verslag!) Daarna volgden de percelen II, III en IV. Het vijfde perceel (een vol Vierendeel op de Wormingermark), aldaar gelegen zijnde (geschat op 400 gl.), werd door R. de Goeyen gebracht op f 405, - , en "doordien na dit gedane bod drie waschlichten ontsteken en uitgebrand waren, zonder dat iemand tijdens het branden derzelve” hoogde, bleef het op 405 gl. staan. Na tekening en registratie was daarmede het eerste bedrijf afgelopen.
Het tweede bedrijf, de definitieve toewijzing, speelde zich af op 24 december 1814.
Alles wordt opnieuw voorgelezen en omschreven. Het blijkt, dat op gelijke wijze als de eerste keer aankondigingen op 11 en 18 december zijn gepubliceerd. Na voorlezing van de omschrijving der te verkopen percelen begint eindelijk de verkoop met weer de ceremonie der brandende kaarsen of - zoals in het verslag staat - "Nadat nu verscheidene waschlichten ontstoken en uitgebrand waren”. Bij elk perceel herhaalt zich dezelfde formaliteit, die tijdens de openbare verkopen in die tijd vaak werd toegepast.
Tenslotte komen alle percelen in het bezit van Jacobus ten Hoove. Deze wees bij testament van 19 maart 1818 zijn zuster Anna Cornelia ten Hoove aan tot erfgenaam.
Als eigenares verkocht zij op 23 januari 1828 ten overstaan van notaris Johannes Muller aan de papiermaker Lambert Slijkhuis en diens vrouw Christina Jansen Sprenkelaar, wonende op Hattem, de vierbaks waterpapiermolen genaamd Methusalem met woonhuis, bouw- en hangschuur en twee stukjes hofgrond, samen groot dertig roeden.
We komen dan voor het eerst de naam Methusalem tegen.
Verder is in de verkoop begrepen een bouwland ter grootte van veertig roeden met daaraanliggend stukje hofgrond groot tien roeden, gelegen tussen de sprengen en de weg. Met deze sprengen zullen misschien de sinds lang dichtgeworpen sprengen zijn bedoeld, waarvan het water op het halve rad van Methusalem liep. Ook wordt een stuk bouwland van veertig roeden genoemd, in de "Wijers, ten eene Derk Kamphuis en ter andere zijde de gebroeders Beerends”. In dit terrein hebben vermoedelijk de wijers gelegen, die de boekverkoper Jan Jansen volgens een op 20 september 1616 afgelegde getuigenverklaring ten behoeve van zijn molen op Klein Hattem (kaart nr. 26) had laten graven.
Als eigenaar van Methusalem treedt in 1868 op Jan Willem Slijkhuis, zoon en erfgenaam van Lambert Slijkhuis en Christina Jansen Sprenkelaar. Hij noemt zich papierfabrikant en verhuurt in oktober 1868 zijn vierbaks waterpapiermolen Methusalem met "annexe woning, bouwen droogschuur enz.” aan Frans Palm tegen f 350, - per jaar.
Op 26 mei 1887 verkoopt J. W. Slijkhuis aan zijn zwager Derk Kamphuis Derkszoon papierfabrikant, de molen Methusalem met huis, gebouwen en landerijen voor f 5000.
Tot de bezitting behoorde toen ook een aandeel (1/ 7) in de zogenaamde "Vischkweekerij” die Slijkhuis op 20 augustus 1850 gekocht had.
Inmiddels was de papiermolen Methusalem stop gezet en veranderd in wasserij. Het bezit werd in 1916 uitgebreid door de aankoop van de eveneens tot wasbedrijf ingerichte molen Klein Hattem, die Derk Kamphuis senior (Derk Kamphuis Derksz) op 26 april had aangekocht van de wed. R. van Zeist. Naar deze Derk Kamphuis is de Derk Kamphuisweg genoemd.
Op de wasserij Methusalem werd na de omzetting in wasbedrijf een eveneens door waterkracht bewogen waskuip in gebruik genomen. Van deze waskuip of draaiton is door J. D. Moerman destijds een schetsje gemaakt, waarnaar een tekening werd vervaardigd, die in het Engelse blad "Power Laundry” van 6 april 1954 staat afgebeeld bij een verslag over een bezoek van jonge Britse wasindustrieélen aan Apeldoorn, waarbij verschillende wasbedrijven werden bezocht.
De omzetting van een groot aantal papiermolens in wasserijen is vooral bevorderd door het feit, dat ingrijpende veranderingen in de inrichting der molens vooreerst niet nodig waren. Het was voldoende een waskuip (draaiton) te plaatsen, terwijl men het beekwater kon blijven benutten voor het drijven der waterraden, die de draaitonnen in beweging brachten. Bovendien bleek het zuivere Veluwse spengenwater bij uitstek geschikt te zijn voor de witwasserij. Verder konden de hangzolders en droogschuren hun functies blijven vervullen; in plaats van de vellen papier kwamen er nu de gewassen goederen te hangen. Nadat de bedrijven zich later meer en meer gingen uitbreiden en de waterkracht toen onvoldoende bleek te zijn, werd de taak van de _ waterraden overgenomen door die der machines. Hierdoor ontwikkelde zich een omvangrijke wasindustrie: "In gang gezet door de voormalige papiermakers, ontstond zo een geheel nieuwe industrie, die zich gunstig ontwikkelde en waardoor op de oostelijke Veluwe een zeker "industrieel klimaat” geschapen werd. De plattelands bevolking stond daardoor minder vreemd en afwijzend tegenover industriéle arbeid dan elders op de Veluwe het geval was en dit had een gunstig effect op de groei en ontwikkeling van bestaande bedrijven. Ook nieuwe industrieén die zich vestigden, von den in Apeldoorn, Loenen, Epe en Heerde jongens en meisjes, die vermoedelijk minder weerstand tegen fabrieksarbeid te overwinnen hadden dan elders op het Veluwse plat teland, doordat het werken in een fabriek (i.c. in wasserijen) reeds min of meer als normaal .aanvaard was” (ir H. K. Roessingh: Beroep en bedrijf op de Veluwe in het midden van de achttiende eeuw, A.A.G. Bijdragen 13, Landbouwhogeschool Wage ningen 1965).
De vroegere papiermolen Methusalem lag op de plek waar nu het gebouw Hattemse weg 123 staat.

Keyertsmolen (kaart l nr. 29)

De beek van deze molen komt op een kaart in het werk van de Gelderse geschied schrijver Pontanus uit een grote plas. Dit meer - de Nagelpoel, in de 16e eeuw Egerpoel geheten - was een heiplas, die thans geheel is verdwenen. Het kan niet meer worden nagegaan of er een afwateringsbeekje is geweest en of we bij de onderbeek van de molen met een echte beek te maken hebben. In elk geval kreeg de molenbeek zijn toevoer uit veel verder naar het westen gegraven sprengen, waarvan het water met een zeer lang dijkwerk naar de molen is geleid. De papiermolen dankt zijn naam aan de papiermaker Hendrick Keijenberg, die in 1702 en 1721 voorkomt op de Cicadellemolen in Vaassen. In 1705 lezen we echter ook van een papiermolen van Hendrick Keijenberg, op grond van de erfgenamen der Wormingermark, waarop hij in 1731 met Gerrit Lubberts blijkt te wonen. Keijenberg mag in 1723 een papiermolen leggen beneden de grote veldvijvers op Het Loo (zie molen nr. 8). De hiergenoemde Gerrit Lubbers was papiermaker op Keijenbergsmolen in Wormingen. In 1732 worden "huijs, schuur, bergh, hangschuur, backhuijsje en pampiermolen, het recht van de pacht van twee kampen, hoff en deurgraven van de beken op een jaarlijcxe pacht aan de Erfgenamen van de Wormse merkt en seven gulden tien stuivers voor erffpacht van ’t water alles met sijn recht en gerechtigheijd en soo als deselve is getimmerd en be seten en naegelaeten bij wijlen Henrick Keijenbergh en Annetje Janssen Veenhuijsenin leven Echteluijden” voor 8000 gulden getransporteerd aan Gerrit Lubbertsen en diens echtgenote Janna Yckman. Deze Gerrit Lubbers vinden we in 1747 nog als papiermaker op de molen in Wormingen, evenals in 1749. Negen jaar later wordt van zijn weduwe gesproken. Geurt Pannekoek zit in 1760 op Keijertsmolen, doch vertrekt 6 mei 1771 naar Eerbeek. De Keijertsmolen komt voor als Keijenbergsmolen, Keizers molen, Kaiersmolen en Kayersmolen.
In 1778 wordt Jochem Schaddenberg vermeld, ook nog in 1801. Hij heet in 1788 Scherrenberg, Mr. Papiermaker, oud 55 jaar en bezit in september 1798 vijf kinderen.
Volgens de lijst Gunning van ca. 1812 zit dan J. Scherrenberg op Keijersmolen; in 1874 is nog een Willem Scherrenberg er papierfabrikant.
Een advertentie in de Apeldoornsche Courant van 29 juni 1878 kondigt echter de veiling aan van: "eenige hechte Fabrieksgebouwen, waarin sinds langen tijd Handpapier wordt gefabriceerd, gelegen te Apeldoorn in de buurtschap Wormingen op ongeveer 20 min. afstand van het station van den Oosterspoorweg en op ongeveer 5 minuten



Onderslagsmolentje op de Orderbeek, waarschijnlijk ’t Hul.
Tekening uit de 18e eeuw.



h24


Waterloo vanaf de Waterloseweg.
Potloodtekening uit 1891 door Willem Lieman (1840-1912).
h24a

De Ordermolen in 1938. De molen is dan al jarenlang als wasserij in gebruik. De hoge hangzolder met de ventilatieluiken herinnert nog aan de vroegere papiermolen.

h24b


Papierfabriek De Eendracht met naaste omgeving
op een kaart van ca. 1807.


h25

afstand van het kanaal, met Woonhuis en omgelegen land”. Ongeveer een maand later (27 juli) lezen we in een andere advertentie over de verkoop ten behoeve van een zekere heer Ingerman van: "eene volledig ingerichte, in werking zijnde Papierfabriek, Keijersmolen genaamd, met een zeer sterke waterkracht gedreven”. De papiermolen verdwijnt daarna en de beek wordt dan gedeeltelijk gebruikt voor voeding van het kanaal Apeldoorn - Dieren.

De papiermolen De Winkewijert in de Engelander mark (kaart nr. 30)

Er heeft in de Engelandermark maar één papiermolen gelegen, waarvan de stichting uit 1623 dateert. Jonker Dirk van Essen dient in 1619 bij de rekenkamer te Arnhem een verzoek in tot het leggen van een korenmolen op de "Wenckemer weijer in Engelander merck”. Hiertegen protesteren zowel de gedeputeerden van Veluwe wegens de Monnikhuizerkorenmolen te Apeldoorn (kaart nr. 14) als de huismeesters van het St. Petersgasthuis te Arnhem, de laatsten vanwege hun korenmolen te Beekbergen (kaart nr. 40). Het protest van St. Peter wordt ontvankelijk verklaard, zulks op grond van de brieven van hertog Karel van Gelre uit 1535, waarbij het stichten van een tweede korenmolen in het kerspel Beekbergen verboden werd. Het leggen van een dergelijke molen op de genoemde wijer ging zodoende niet door. Wel wordt op 29 juli 1623 toestemming verleend aan jonker Wynholt van Salland, holtrichter der Engelandermark, voor het oprichten van een papiermolen "opte Wenckemerwijer”.
De naam "Wenckemerwijer” heeft misschien te maken met de Van Wenckums. Op 30 juni 1573 is een Matthijs van Wenckum aanwezig bij een doodslag 105) ten huize van de scholt van Apeldoorn.
Op de kaart bij Pontanus (1639) zien we de beek van de Winkewijert uit een meertje ontstaan. Inderdaad waren omstreeks 1955 in de bocht van de bovenbeek nog de resten aanwezig van een veen of moeras, dat eveneens op kaarten van de 19e eeuw als zodanig voorkomt. Toch kan deze voorstelling niet juist zijn, want de molenbeek ontstond uit hoger gelegen sprengen en is met een zwaar dijkwerk als een soort aquaduct dwars door en hoog boven dat veen heengeleid, om het verval voor de papiermolen van 1623 te krijgen. Deze twee feiten, het bestaan van een veenplas en een beek, die daarboven overheen liep, zijn ten onrechte met elkaar gecombineerd.
Vermoedelijk heeft deze veenplas vroeger een natuurlijke afvloeiing gehad want er stroomde toen een beekje van de Winkewijert naar de Nagelpoel. Was dit misschien de "Swambeek”, die in tal van oude stukken voorkomt? Het verloop van dit watertje valt niet meer na te gaan; in elk geval was de molenbeek niet de afwatering van het moeras. De sprengen van de Winkewijert aan de Richtersweg leverden buitengewoon zuiver water, doch zijn omstreeks 1955 droog komen te staan als gevolg van het in werking stellen van een pompinstallatie voor een onzer grote fabrieken. De merkwaardige dwars door en boven het veen geleide beek ligt sinds die tijd droog. Men moet uiterst voorzichtig zijn met te veel wateronttrekking aan de bodem. Dit was reeds in 1866 daar in de omgeving gebleken bij de aanleg der z.g. "Rijkssprengen”. Tengevolge van deze sprengenaanleg gaf sindsdien de Lierderspreng geen water meer.
Nu volgen nog een aantal gegevens over de Winkewijert zelf. In het verpondings register van 1648 staat onder "Engelander Buerschap” het volgende: "Willem Bartols kinderen Eijgenaers en Jacob Hendrickx pachter van huijs ende pampiermolen van vier backen, voor de grond en hoff met een kampken van een half molder aen de "Erfgenamen van Engelandt 28 guldens. En voor ’t water aen de Hr. van Win 6 guldens”. Op 2 februari 1698 wordt "seekere pampiermoelens huijs schuer en alle ’t getimmer, mitsgaeders eijgendom des gronts en Erfpacht soo aen water als grondt, soo wel den nieuwen aengegraven camp over de beeck na den bassen moelen (= Bazemolen) als de campen bij ’t huijs moelen in sijn gravinge heggen en wallen op en bij den winckenwijer gelegen”, bezwaard met 600 gulden tegen 6 % ten behoeve van de scholtis van Brienen of diens erfgenamen. De molen met het getimmer en de kampen behoort dan toe aan Willem Bartels en zijn echtgenote Maria Buijtenhuijs. Dezelfde papiermolen was al eerder 106) (19 april 1697) "beswaert met een Capitael van sestien hondert gulden neffens nogh een duijsent gulden”.
In 1747 vinden we er Jacob Meijerink, deze had toen 2 kinderen, 3 knechts en 3 meiden. Hij komt nog voor tot 1764. Dan verschijnt Hendrikus Koldewijn (tot 1801). De lijst der ingezetenen van 1798 vermeldt Hendrikus Koldewijn Mr. Papiermaker 59 jaar en Jacob Koldewijn, papiermaker bij zijn vader, 29 jaar. Men maakt in 1808 zes soorten papier. Omstreeks 1812 wordt gesproken van de wed. Coldewijn en haar zoon Jacob. Op de Winkewijert woont in 1815 de weduwe met 2 kinderen, totaal zijn daar dan 9 personen.
Op 15 mei 1876 verkopen de 6 kinderen van wijlen Hendrikus Koldewijn de papierfabriek en grutterij "de Winkewijert” aan Johannes van Delden Johnz. Genoemde Hendrikus had op 26 maart 1851 het bedrijf door aankoop verworven. De molen wordt in 1877 "nieuw gelegd” en op 14 november 1885 te koop aangeboden. De desbetreffende advertentie luidt o.a.: "een vijfbaks Hamermolen, Iiggende 3 en 2, voor 8 jaar nieuw gelegd, en verder alle soorten papiermakersgereedschappen. Dagelijks te bezichtigen op de Winkelwijert”.
De molen komt dan in ’t bezit van de heer Middelbeek, die hem omzet in wasserij, thans Winkewijertlaan 106.
Helaas heeft men later de oorspronkelijke benaming Winkewijert gewijzigd in de volkomen onjuiste naam "Klarenbeek”. Bovendien geeft deze naamswijziging licht aanleiding tot verwarring met de nader te behandelen papiermolen "Klarenbeek” in Ugchelen (kaart nr. 33). Het valt te prijzen, dat de gemeente Apeldoorn de herinnering aan de molen heeft willen bewaren door de weg langs de vroegere papiermolen te noemen "Winkewijertlaan”.




De papiermolens in de Ugchelermark

De Bazemolens (kaart I nr. 31)

Deze papiermolen dateert van 1618 en is gesticht door Daniel Martens, een der beide zoons van Marten Orges. Daniel mag in dat jaar in Ugchelen, dicht boven de molen op "Klein Hattem” (kaart nr. 26) van de Arnhemse boekdrukker Jan Jansen, een papiermolen leggen, maar geen vol- of hennepmolen "daerdoor het waeter in die beecke onreynight soude connen worden”. De uitgifte van de waterpacht vindt plaats op 27 april 1618 en bedraagt 7 gulden per jaar. Daniels vader Marten Orges verschijnt 21 juli 1618 voor de rekenkamer te Arnhem en verklaart dat "synes Sohn Daniel Martens gepachte Pampier Moelen in ’t Veen tuyschen Begbergen ende Apeldoorn in die Buerschap Uchelen opgerecht, was voeltimmert ende gangbar”.
Kort daarna krijgt Daniel Martens onenigheid met Jan Jansen over het opstuwen van ’t beekwater. Volgens een schrijven van het Hof 107) aan de scholtis van Apeldoorn gedateerd 15 december 1618 moet deze Daniel Martens gelasten zijn pas gelegde molen af te breken of anders te zorgen, dat de papiermolen van Jan Jansen weer evenveel water krijgt als tevoren het geval is geweest. Blijkbaar heeft Daniel Martens het beekwater nogal eens opgestuwd. Na hem komt de molen in ’t bezit 108) van Amdt Peters, die dezelfde pacht geeft. Later vinden we de papiermaker Hendrik Tonissen (Thonis, Teunis) - gewoonlijk "de Baes” genoemd - als eigenaar. Deze bijnaam "de Baes” is in de Bazemolen bewaard gebleven.
Hendrick Thonis "besitter van een pampiermolen gelegen int Veen tussen Begbergen en Apeldoorn in de Buirschap Uchelen” krijgt op 21 januari 1646 van de rekenkamer in Gelderland vergunning om het "veen ofte steenbeecxken sijnen moelen voorbij lopende” in zijn molenbeek te leiden. Voor deze verbetering van water zal hij jaarlijks vier pond geven boven de zeven, die hij - evenals zijn voorgangers - voor het gebruik der "principaele beeck” moest neertellen.
In 1747 zit Jacob Maas Dijkgraaf, gehuwd met Margriet Jans Ritbroek als papiermaker op de Bazemolen. Van 1752 - 1765 is Joost Herkels, Herkert of Harkelens er werkzaam. Na hem komt Claes Crombos (1766 - 1795), die getrouwd is met Nennetje Jans Ritbroek, een zuster van bovengenoemde Margriet. In 1798 vinden we de wed. Crombos op een der Bazemolens want er zijn inmiddels twee naast elkaar gelegen bedrijven gekomen. De opvolger van de wed. Crombos is Lammert Slijkhuis, die in 1808 één kwaliteit papier maakt. Op de andere (bovenste) molen zit Arnoldus van Houten (Houtum), die zich daar tussen 1801 en 1806 heeft gevestigd en in 1808 te boek staat als vervaardiger van drie soorten papier. Deze Arnoldus (geb. te Apeldoorn in 1761) was een zoon van Jan van Houten en Johanna (Janna) Egberts. Hij huwde in 1804 als weduwnaar met Aartje Mulder en kwam kort daarna op de Bazemolen.
In 1808 raakt Arnoldus van Houten zijn meesterknecht kwijt. Gedurende de nacht van 14 op 15 april van dat jaar doet men een poging tot inbraak in de papiermolen van Sebus Sevenhuisen (Tiemensmolen). Door het geblaf van de "brandhond” (kettinghond) ontwaken Sevenhuisen en z’n zoon. Beiden springen hun bed uit en rennen naar buiten. De zoon loopt sneller dan de vader en bij het omslaan van de "hoek” van de molen bemerkt hij een man, die "den kop binnen den moolen stak door een gat, dat daar destijds gebroken was”. De jonge Sevenhuisen schreeuwt "Sta Schurk”, maar de kerel neemt ijlings de benen en verdwijnt in het duister van de nacht. Bij een onderzoek op de molen blijkt er niets vermist te worden. De verdenking valt op Hendrik Buitenhuis, bijgenaamd "de Krakke”, oud 54 jaar en vader van 5 kinderen. Buitenhuis is meesterknecht bij Arnoldus van Houten op de Bazemolen. Wegens het dragen van Oranje had men hem in 1795 veroordeeld tot langdurige tuchthuisstraf en Ievenslange verbanning uit de provincie Gelderland. Voor een dergelijk luttel vergrijp werden destijds zulke onmenselijke straffen opgelegd door de strijders voor "vrijheid, gelijkheid en broederschap” en de "rechten” van de mens. Kort na Pasen 1805 - hij had toen 10 jaar gezeten - was de Krakke vervroegd uit het tuchthuis in Arnhem ontslagen. Van pure blijdschap over het herkrijgen van zijn vrijheid had hij er - volgens zijn zeggen - niet aan gedacht dat de Ievenslange verbanning uit Gelderland van kracht bleef en het verblijf in dit gewest hem dus niet toegestaan was. Na zijn vrijlating werkte hij eerst vier weken op de papiermolen van Bram Pannekoek in Renkum, doch toen deze van de verbanning hoorde, kreeg hij ontslag. De Krakke ging het nu in Boxtel proberen, maar met even weinig succes. Want daar waren vele Geldersen, die wisten dat hij in het tuchthuis had gezeten en een langer verblijf in die plaats bleek daardoor niet mogelijk te zijn. Waarom hij uit Boxtel weg moest is ons niet duidelijk. Boxtel lag immers buiten de grenzen van Gelderland.
Hendrik Buitenhuis, alias de Krakke, trekt vervolgens naar de Zaanstreek met zijn vele papiermolens, maar ook daar achtervolgt hem de pech. Hij krijgt er een "dik hoofd” (de bof?) en is genoodzaakt te vertrekken. Wanneer z’n hoofd de "normale” vorm heeft aangenomen, zoekt hij na enige tijd in Apeldoorn werk als papiermaker.
Tenslotte wordt hij meesterknecht bij Nol van Houten (Arnoldus van Houtum) op de Bazemolen. Baas Nol moet van het verleden van de Krakke op de hoogte zijn geweest, doch heeft dit blijkbaar geen bezwaar gevonden. Op zijn papiermolen werkt Gerrit Gerhard als "koester” (koetser). De Krakke en Gerrit slapen in "eene bedstede in den moolen bij malcanderen”. Misschien kwam dit in die tijd meer voor op de Veluwse papiermolens. In elk geval was het warm en gezellig. Zondags droeg de Krakke een zwart linnen kiel en "een hogen ronden hoed”, doch was in de week "veeltijds” gekleed in "een lappige buis” en had bij het werk een muts op. Buitenhuis staat als zwart schaap bekend, want in het proces, dat op zijn arrestatie volgt, worden hem allerlei diefstallen in de schoenen geschoven. Er is op de papiermolen van Boks (Ruitersmolen) aluin en blauwsel gestolen; op de molen van Van Reel (?) papierstof en op die van Peter Veldhuis een koperen kraan van een lijmton. Maar wat veel erger is voor de Krakke, de rechters ontdekken dat hij destijds tot Ievenslange verbanning uit Gelderland was veroordeeld en zich desondanks toch in de provincie had opgehouden.
Dat zien de heren zelfs na 13 jaar niet door de vingers. Bij vonnis van 20 december 1808 wordt Hendrick Buitenhuis, alias de Krakke, dan ook wegens overtreding van bannissement (verbanning) gecondemneert tot een confinement voor 4 jaaren, zijnde het bannissement voor al zijn leven uit de gehele provincie van Gelderland hem bij ’s Hoves sententie van de 9 Oct. 1795 opgelegd gebleven is in volle kracht”.
Uit het proces vernemen we, dat de werkgever van "de Krakke” de papiermaker Arnoldus van Houten, in 1808 is "in de 40 jaar”. Diens moeder Johanna Egberts, weduwe van Jan van Houten ruim 70 jaar, terwijl Arnoldus’ vrouw Gerritje Muller de leeftijd heeft van goed 30 jaar. In andere stukken komt Gerritje ook wel voor onder de naam Aaltje. Arnoldus van Houten heeft op een keer uit gekheid papier "verkocht” aan zijn koetser Gerrit Gerhard. Laatstgenoemde had "eens over tafel pratende” de baas te kennen gegeven van hem "wel eens een partij van 10 a 12 riem papier” te willen kopen en hiervoor 3 gulden per riem te betalen. Van Houten verklaarde: "daar terstond opgezegd te hebben ’t is verkogt en dus den koop geaccordeerd te hebben”. Dit gebeurde terwijl hij "onder alles lachte”. Op de vraag of de verkoop "uyt kortswijle geschiede”, . dus gekscherend bedoeld was, antwoordde Van Houten later bevestigend. Ook diens moeder verklaarde, dat het "niet in ernst” gebeurde. Want volgens Nol van Houten bezat Gerhard toch geen geld om te betalen en was hij iemand "die geen verstand had van papier te koopen”. Zijn knecht zou immers een strop gekocht hebben, "want het papier was het lange niet waard”. Met betrekking tot deze zaak gaf baas van Houten te kennen "er wel zoo om gelachen te hebben zeggende als het paaschen is dan kan ik Gerrit met papier betaalen”. De koetser weet nog te vertellen, dat zijn baas hem telkens met de vermeende koop had geplaagd, doch dat daarvan niets was gekomen toen het tot hem doordrong "dat hij het papier te duur had en hetselve om die reden niet wilde hebben.” Uit plagerij had Nol van Houten de bewuste 10 a 12 riem papier op een kist bij de bedstede van Gerrit Gerhard gezet "als om hem hetzelve op die wijze te leveren”. In opdracht van de baas zou Gerrit later het papier naar Berend Berghorst in Apeldoorn hebben gebracht aan wie - naar zijn mening - Van Houten het al verkocht had. Bij Arnoldus van Houtum werkten in 1823 vier arbeiders, die zeven stuiver per dag verdienden. Hij maakte toen schrens, schrijfen drukpapier, benevens wit schrijf no. 8 en verwerkte jaarlijks 2000 pond lompen. Op de bovenste Bazemolen is hij in 1835 overleden; zijn zoon en opvolger Jan werd daar in 1807 geboren. Jan van Houtum kocht op 16 februari 1844 de kort te voren weer opgebouwde papiermolen Het Voorslop en vestigde zich er als papiermaker. Naar hem is de Jan van Houtumlaan in Ugchelen genoemd.

In 1860 vinden we op de Bazemolen de papierfabrikant Willem uit den Boogaard. Hij was gehuwd met Hendrika Pannekoek. Het echtpaar had toen de volgende kinderen: Evert, Gerrit, Willem, Egberta, Gerritje, Diena en Hendrik. Er werkten vier papiermakersknechts: Zeger Brouwer, Marinus Mulder, Willem Groeneveld ( uit Vaassen) en Jan Willem Dijkkamp. Verder nog een gewone knecht: Albert Bakker.
Een advertentie in de Apeldoornsche Courant van 10 februari 1866, kondigt aan, dat notaris Termaat op een nader te bepalen tijd en plaats in het openbaar zal verkopen: "Een in volle werking zijnde vijfbaks Papiermolen, de Bazemolen genaamd, met daartoe behoorende gebouwen en daarbij gelegen Bouw-, Weiland en Hakhout, staande en gelegen in de buurschap Ugchelen onder Beekbergen tot 1 Mei 1866, in pacht bij de bewoner den Heer H. van Pannekoek aldaar”. Op een potloodtekening door G. Smits uit 1869 zien we een in tweee'n gedeeld molenhoofd met twee waterraden, benevens een papiermolen met hangzolder en rieten dak. De andere molen is niet zichtbaar. De Bazemolens zijn kort daarna tot wasserij ingericht. Thans ligt op die plek een Textielveredelingsbedrijf, Bogaardslaan 8.

Het Klein Bazemolentje later Steenbeek geheten (kaart l nr. 32)

In het voorafgaande hebben we kunnen zien, dat de papiermaker Hendrik Tonissen "Baes” in 1646 de erfpacht krijgt van het "veen ofte steenbeecxken” om dit in zijn molenbeek te brengen. Tonissen doet zijn bijnaam alle eer aan en gaat heel eigenmachtig te werk. In plaats van laatstgenoemd beekje op zijn rad te leiden, timmert hij in 1654 een nieuw molentje - naar hem het "Klein Bazemolentje” geheten. Later krijgt het de naam "Steenbeek”. In hetzelfde jaar maakt Tonissen op eigen houtje - en tot groot ongenoegen der geërfden van Ugchelen "nieuwe graven” bij ’t Asseler hek (het hek in de noordelijke enkwal) en in Leegschoten, benevens een "rechte graven” over de Apeldoornseweg, .alles "streckende tot merckelicke schade ende verderff van de marke”. De hier genoemde "graven” zijn de mooi gelegen sprengen bij de Hoogbuurloseweg (Geurtssprengen) en de "rechte graven” is het bedijkte gedeelte van de Schoolbeek, ten oosten van de Ugchelseweg. Hendrik Tonissen komt echter tot overeenstemming met de mark. Voor tien gulden per jaar verkrijgt hij de 7 erfpacht van de molenplaats; hij verplicht zich bruggen te leggen en de nieuwe graven ten allen tijde "op gesinne” der geërfden te doen "inwerpen ende slichten”. De latere naam Steenbeek voor de molen is zeer merkwaardig, want hij lag niet op de Steenbeek.maar op een toen nog naamloze beek, die pas in de 19e eeuw Schoolbeek werd genoemd. De eigenlijke Steenbeek was volgens de erfpachtbrief van het Voorslop (thans papierfabriek Van Houtum 8’ Palm) de oude Ugchelse beek, waarop - zoals we straks zullen zien - de eerste papiermolen (kaart nr. 35) in Ugchelen werd gelegd. 1: De geschiedenis van de Steenbeek stelt ons voor tal van problemen, die nog niet totoplossing gebracht konden worden.Hendrik Tonissen leeft nog in 1660, doch twee jaar later betaalt de weduwe van "den f baes” de tien gulden pacht voor de molenplaats. Dit gebeurt eveneens in 1669 dan iser sprake van de weduwe van Hendrik Thonisz. Baes. ” De benaming Klein Bazemolentje komen we tegen in een stuk van 6 november 1696, ; waarbij Jurrien Evers de helft van "’t Kleijn basen Molentien” voor 560 gulden “ verkoopt aan Berent Hendrickx. Deze Berent Hendrickx zal wel een zoon zijn van Hendrik Tonissen Baes. De andere helft van de molen blijkt in 1696 in het bezit te v zijn van Jan Put, gehuwd met Jacobien Daniels Schut. In 1742 komt Berent Hendriks nog voor als eigenaar van een halve molen. Tien jaar later horen we over Jacob en Hendrik Berends. De eerste is zeer zeker een zoon van Berent Hendriks, want in 1781 3 zit Jacob Berends op de molen, die door Hendrik Teunissen in 1654 is gesticht.
Blijkens een verzoek der firma Jacob Berends en Zoon uit 1806, was de molen tot1765 slechts een "Klein zwak moolentjen van drie hamerbakken”; dit aantal werd toen verhoogd tot vier. In 1772 op zes en in 1775 zelfs op acht gebracht. In 1806wordt door Berends en Zoon gezegd, dat "op den Moolen door ons bewoond, daar 8 bakken leggen, nu sedert Eenige Jaaren wegens sterke Vermindering van ’t water, j maar 5 a 6 Bakken hebben kunnen gaan, en bij Extra droogte maar 4, zoodat als dande halve moolen van de meeste tijd 2 a 3 Bakken stilstaan”. De eigenaars hebben "van tijd tot tijd” geprobeerd om "door ’t Ruimen en opmaaken der Sprengen” het watergebrek te verhelpen en zo mogelijk de molen tot "voorige goede staat te brengen”. Dir werk had wel "Eenige Vrngt” opgeleverd, maar het was toch niet gelukt de "geheele Moolen weer aan de gang te krijgen”. Volgens hun zeggen bleven ze daardoor van een aanmerkelijk gedeelte van hun "bestaan en welvaren verstooken”, want ze kondenwegens de "slappe gang der Moolen maar weinig en nog zeer gebrekkig” papier 1 maken. Men had bovendien in "Sommige jaaren” veel moeilijkheden ondervonden er: extra kosten gemaakt "bij een schielijke dooi van ’t sneeuwwater veroorzaakt”; vooral in 1795 toen de sprengen en togtbeek bijna geheel waren toegedreven en ingezakt zoodat toen weder maar 3 Bakken konden gaan”. Dit laatste gebeurde dus in de strenge winter 1794/95, waarin ook de beruchte terugtocht der geallieerde troepen over de besneeuwde Veluwe plaats vond en waarbij veel soldaten van koude omkwamen.
De firmanten Berends vervolgen: "Wat zouden wij in dezen toestand doen, moedeloos hier bij neerzitten, verergerde onzen staat, wij moesten de handen aan ’t werk slaan, wilden wij onze broodwinning niet geheel verliezen en door ’s Hemels Zegen bevonden wij ons nog in staat om de Sprengenbeek in orde te brengen.” Dit had van 1799 tot en met 1803 - dus gedurende 5 jaar - een bedrag gevergd van 1300 gulden, behalve "hetgeen wij voor en na die tijd tot verbetering hebben besteed en hetgeen wij er zelf aan gewerkt hebben”.
Teneinde de capaciteit van het bedrijf weer op te voeren dient de firma Berends in 1806 bij de mark een verzoek in tot verhoging van het molenhoofd en van de dijke; waar tegen de eigenaars der beneden gelegen molens protesteren. Deze zijn bang.dat door de "verhooging van ’t water en de beek, hetzelve in de dijken zoude trekken en dus verteeren en verminderen”. De bezitters van Steenbeek zeggen in antwoord daarop "dit is een waarheid, welke wij niet ontkennen, maar dit duurt ook niet langer, als dat de Dijken met modder en slijk begroeid en bedekt zijn, hetgeen zeker geen lange tijd nodig heeft”.
In 1806 heette de papiermolen niet meer Klein Bazemolentje maar Steenbeek en was in 1771 nieuw opgetrokken. Twintig jaar later lezen we over een "bovenste” en een "onderste” molen. Misschien lag er toen een tijdlang een dubbele molen. De eigenaars van Steenbeek ondervonden ook veel hinder van hun collega’s op de Ordermolen.
Deze ontzagen zich niet bij "het verlengen, verbreeden en verdiepen” van hun in de Ugchelsche mark gelegen sprengen het zand in de beek van Steenbeek te werpen, waardoor de molen "wel van 3 bakken waters” werd beroofd. Voor de stichting in1838 van de papiermolen Klarenbeek (kaart I nr. 33) op dezelfde beek van Steenbeek liep deze waterloop dicht langs een aantal sprengenkoppen van de Orderbeek. In 1838 heeft men ten behoeve van Klarenbeek een nieuwe rechte bedding gegraven, waardoor de beek van Steenbeek (de latere Schoolbeek) verder van de sprengenkoppen der Orderbeek kwam te liggen.
In 1808 maakt de fa. Jacob Berends en Zoon op Steenbeek 3 soorten papier. Een kap op een riemverpakking geeft een fraaie afbeelding te zien van een bereden postiljon met daaronder de letters J. B. en Z. Geheel onderaan in kleine letters: "Gebroeders , Berends. Papier Fabrikeurs”. Een riem is 20 boek a 24 vel papier. De gebroeders Berends werden in 1820 op een tentoonstelling te Gent (voorwerpen van nationale nijverheid) bekroond met een zilveren medaille voor "schoongroot mediaan Velin papier”.

De kozakken nemen Jan Jacob Berends mee

In 1813 is de papiermaker Jan Jacob Berends eigenaar van Steenbeek. Dat jaar bracht de verlossing van het Franse juk, maar tevens de komst der kozakken. Deze "bevrijders” gedroegen zich vaak heel vreemd. Jonge meisjes, jenever, geld en kostbaar.
heden waren voor hen niet veilig. Eind november verschenen ze ook in Ugchelen, waar ze de ingezetenen veel overlast aandeden. Zo moesten op Steenbeek drie meisjes zich op een geheim zoldertje drie dagen lang verborgen houden voor de kozakken. Wel prikten deze met de punten hunner lange lansen tussen de reten door van het vloertje maar niemand werd getroffen en de onderdniksters bleven onontdekt. Een ander meisje uit Ugchelen was minder gelukkig, het kind werd door de ruiters meegenomen en keerde nooit weer terug.
Jan Jacob Berends beleefde ook enige benauwde uren met de kozakken. Nog véér hun komst had hij uitgekeken naar een veilige bergplaats voor zijn geld en » meende die gevonden te hebben onder een in z’n tuin staand beeld, dat hoogstwaarschijnlijk afkomstig was uit de beroemde tuinen van Het Loo. Toen de kozakken na hun komst op Steenbeek nergens geld konden vinden, begonnen ze Berends op alle mogelijke manieren te bedreigen. Desondanks bleef hij hardnekkig ontkennen enig geld in huis te hebben. Tenslotte werd hij bij een der kozakken voor op ’t paard gezet en meegenomen in de richting Beekbergen. In het eenzame Engelanderholt herhaalden de ontvoerders hun dreigementen, maar toen die niets uitrichtten lieten ze Berends los.
Ontdaan en doodmoe kwam Jan Jacob terug op Steenbeek, waar hij door zijn beangste familieleden met vreugdekreten werd begroet en waar het oude tuinbeeld nog altijd waakte over de verborgen penningen. Het beeld bevindt zich thans in de tnin bij de Brinkemolens te Vaassen.
Jan Jacob Berends, die gehuwd was met Jenneken Gerrits, had de volgende kinderen: Jan Jacob (geb. 1803), Wouter (1807), Jacob (1809), Hendrina (1810), Jacomina (1813), Frederika (1815), Aart (1819) en Jannetje (1824). Jacomina tronwde met Johannes van Delden Mz., die later eigenaar werd van de papiermolen Steenbeek. Hun kinderen waren: Jenneken, Martha, Marten, Jan, Jacob, Johannes, Jacomina, Hendrik en Rika. Martha trad in het huwelijk met Reinier van Gerrevink, zoon van Derk van Gerrevink (geb. 1794) en Derkje Bredenoort (1802) uit Nijbroek. R. van Gerrevink was papiermaker op de molen tegenover de korenmolen van Geurts (zie kaart nr. 14 en 15). Jacomina van Delden tronwde met Arnoldus van Houtum, papiermaker op het Voorslop in Ugchelen (molen kaart nr. 37).

Een dominee en een marskramer

In die dagen vond bijna iedereen een gastvrij onthaal op de papiermolen Steenbeek.
Kwam iemand juist tegen etenstijd dan sprak het vanzelf dat hij ook bleef meeéten.
Of men nu familielid, dominee of marskramer was, dat deed er niet toe; als het eten werd opgediend, schikte men doodgewoon mee aan en at wat de pot schafte.
Zo deden het de dominees uit Beekbergen, wanneer zij op huisbezoek in Ugchelen kwamen. De buurschap Ugchelen behoorde toen kerkelijk onder Beekbergen. Een dezer predikanten was een zeer lange man, die zijn Ugchelse gemeenteleden geregeld per ezel bezocht en dan vaak op Steenbeek bleef eten.
Het moet wel een wonderlijk gezicht zijn geweest: dominee op z’n ezel, de vreselijk lange benen hoog opgetrokken tot aan de kin! Maar wat moest de man anders doen, hij kon z’n benen toch ook niet over de grond laten slepen en een paard zat er bij zijn bescheiden tractement niet aan.
Steeds tegen de middagmaaltijd verscheen de marskramer Hartger Licht op Steenbeek.
Licht die in Apeldoorn aan de Eierstreek (nu Beekstraat) woonde, liep om de veertiendagen naar Ugchelen, op z’n rug de zware mars met koopwaar: garen, band, veters, drop, knopen, kruideniersen grutterswaren, sajet en wat dies meer zij.
Onze Hartger wist het altijd zo in te pikken, dat hij tegen half twaalf op Steenbeek kwam. Na een bak koffie ging de mars open en werden de zaken gedaan. Dan was het al gauw tijd om te eten en als iets vanzelfsprekends schikte Hartger mee aan.
Vaak gebeurde het, dat men op Steenbeek met 25 man aan tafel zat - de eigen grote familie, de knechts, meiden en meeéters. Men sprak in die tijd steeds van knechts en meiden en over de papiermaker en diens vrouw als baas en vrouwe. In 1858 had Van Delden op Steenbeek als papiermakersknecht in dienst Willem Kramer uit Ootmarsum, zo goed als zeker een lid van de bekende papiermakersfamilie van die naam.

Een spook op Steenbeek

Gezellig kon het op Steenbeek zijn gedurende de lange winteravonden wanneer de familie met het personeel rondom het knapperend haardvuur zat te luisteren naar de verhalen van een der papiermakersknechts of naar die van een overnachtende gast.
Vertelsels, waarin dikwijls een spook om de hoek kwam gluren. Geinspireerd door een dergelijk verhaal, besloot een der knechts zelf eens voor spook te spelen. Een wit laken was al gauw gevonden en op een donkere winteravond verdween hij ongemerkt met dat voor een spook onmisbaar kledingstuk in het duister rondom de molen. Even later; daar gebeurde het! Een der dienstmaagden, die gauw iets uit de schuur wilde halen, kwam een ogenblik daarna geheel ontdaan de kamer binnenrennen. In het struikgewas langs de beek had ze iets vreselijks gezien: een witte gedaante met dreigend opgeheven armen. Iedereen lachte het meisje uit; ze had zich maar wat verbeeld. Doch de volgende avond werd de rust opnieuw verstoord. Weer zag iemand een geheimzinnige lichtende gestalte die als het ware scheen te zweven over de dijk van de bovenbeek.
Had men de eerste keer om de zaak gelachen, thans werd het wel wat bedenkelijker.
Huiverend drongen allen zich zo dicht mogelijk bij het vnur en bespraken fluisterend de vreemde gebeurtenissen. Het spook begon rond te waren door de hoofden en harten der omzittenden. Toen besloot baas van Delden, de toenmalige eigenaar van Steenbeek, radicaal een einde te maken aan het spookgedoe. Op de eerstvolgende avond wapende hij zich met een stevige knuppel en kroop stilletjes achter een paar tonnen dichtbij de beek. Daar in dat donkere hoekje wachtte hij de loop der dingen af. Eensklaps ritselde het in de struiken; een witte gedaante verscheen . . . Het spook was er weer! . Met een vaart schoot Van Delden uit zijn schuilplaats te voorschijn, greep het spook bij de kraag en begon het met z’n knuppel te bewerken. Oei, oei, wat kon dat spook ineens echt menselijk jammerenl "Au, an, loat mien liis, baas, loat liis, au, ’k zal ’t nooit weer doen!” ; Baas van Delden sleepte de totaal onthutste knecht met zich mee naar Steenbeek en duwde hem daar naar binnen met de woorden: "ziezoo, hier hebben jullie ’t spook”.
Nadien heeft het op Steenbeek nimmer meer gespookt.


Titelblad van het in 1616 bij de boekdrukker Jan Jansen te Arnhem uitgegeven werd:
"Onium Belgii sive inferioris Germaniae” door Lodewijk Guicciardino.
Het boek is gedrukt op papier dat zo goed als zeker vervaardigd werd op de in 1613 door Jan Jansen gestichte papiermolen Hattem of Klein Hattem
(Historisch museum Moerman).






Gedeelte van de stenen muur en de as van het waterrad van de afgebrande papiermolen Hattem.
Foto omstreeks 1936.


h27

De kozakken van Hoog Buurlo

Vol spanning zat iedereen te luisteren, wanneer de baas bij het vuur het vreemde verhaal vertelde over de kozakken van Hoog Buurlo.
De maand november van het jaar 1813 liep reeds ten einde en nog altijd zwierven over de Veluwe de "koezakken” op hun taaie paardjes en maakten het de bewoners der afgelegen gehuchten en boerderijen vaak bar lastig. Tot nu toe was Hoog Buurlo van hun bezoek verschoond gebleven, doch op een nevelige novemberdag verscheen plotseling een troepje dronken kozakken op de eenzame nedetzetting. Direct na hun aankomst vorderen de ruwe klanten op barse toon geld en jenever van de verschrikte bewoners. Ze doorzoeken de woning en schuren, zelfs het bakhuisje en de hooiberg.
Het aardewerk slaan ze daarbij kort en klein. Als het verlangde niet aanwezig blijkt te zijn, ontsteekt hun woede meer en meer. De kozakken slachten een paar schapen en braden het vlees boven een houtvuur. De kerels beginnen de beangste mannen, vrouwen en kinderen te mishandelen en dreigen Hoog Buurlo in brand te steken, wanneer het verlangde niet ten spoedigste verschaft wordt. Het zou met de nederzetting en de bewoners slecht zijn afgelopen, indien niet tijdig hulp van buitenaf was gekomen. Temidden van al het geschreeuw en tumult ziet een jongen de kans schoon er ongemerkt op een paard vandoor te gaan. Hij rent in allerijl naar de bouwhoeve Assel en vertelt het gebeurde aan de pachter van de boerderij. Deze bedenkt zich geen ogenblik, springt te paard en snelt naar Ugchelen om hulp. De bevolking daar wordt inderhaast ingelicht en is direct bereid het benarde Hoog Buurloo uit de greep van de kozakken te verlossen. Al gauw trekt een aantal papiermakers met hun knechts over de eenzame heideweg naar Hoog Buurlo. Bewapend zijn ze met bijlen, schoppen, hooivorken, zeisen, knuppels en messen. Nauwelijks bereikt het troepje de omgeving van Buurlo of men zendt een paar verkenners uit, die weldra met de tijding terugkeren, dat de bewoners gelukkig nog in leven zijn en het grootste deel der gebouwen en van de levende have tot nogtoe gespaard is. Ook brengen de mannen de tijding mee, dat alle kozakken op het hooi in de schuur hun roes liggen uit te slapen . . .
Nu komen de mensen uit Ugchelen volledig in aktie. Geen ogenblik aarzelen ze, maar nemen direct maatregelen voor een grondige "opruiming” der kozakken. Voorzichtig sluipen de Ugchelsen op hun tenen de schuur binnen. Daar bevinden zich de kozakken in diepe rust verzonken. Keurig netjes leggen de bevrijders de dronkaards naast elkaar, met de hoofden in één lijn. Vervolgens wordt een ladder gehaald en precies langs de halzen der slapers geplaatst. Dan flitsen bijlen en messen en even later zijn de hoofden der plunderaars gescheiden van het overige gedeelte der lichamen.
Daarna begraven de mannen uit Ugchelen de stoffelijke resten op een stille plek, niet ver van de tweede schaapskooi. Ook de wapens verdwijnen onder de grond. Voor de paarden wordt een andere bestemming gevonden.
Laat in de avond keren de Ugchelsen naar hun woonsteden terug. Over Hoog Buurlo daalt de rust . . . . Te midden van slank omhoogrijzende berken stond daar nog lang een plek bekend als "het kozakkenkerkhof”.
Aldus het verhaal over de kozakken van Hoog Buurlo, zoals men het in Ugchelen rondom de haardvuren vertelde en van ouders op kinderen overleverde. Het is een legende, maar toch moet er een kern van waarheid schuilen in deze wonderlijke vertelling.

Geheimhoudlng

Sommige papiermakers konden erg geheimzinnig doen met alles wat te maken had met hun papierbedrijf. Nog in 1843 lezen we daarover in een op Steenbeek ondertekende verklaring van de volgende inhoud: "Wij ondergeteek. neemen op ons om te werken in den Nieuwen aangelegden droogerij van J. van Delden Mz waarvoor wij ons verbinden voor een stip geheim houden zaak om er niets van te zeggen of te schrijven of te beduiden hetzij tans of bij vertrek van ongenoegen of met vreden. Zoo er van dit bovenstaande iets met voorbedagzaamheid gezegt of geschreven word ter verbeuren van 30 gulden aan de Beekbergensche Armen het zij per ongelnk in gesprek een woord ontvalt welke op ieder zij konseinsi zal needer koomen ter verbeur 20 cent ter voordeel van de ondergeteekenden kas.
Aldus gedaan en geteekent te Uchgelen den 15 Nov. 1843

J. van Apeldoorn J. van Delden Mz.
D. Groeneveld A. Oudbier
Jac. van Delden J. Berends Jr.
G. J. Meyerink J. Huiskamp
B. Gersen

De naam Gersen is een verschrijving voor Kersen. De opsteller van het stuk springt een beetje raar om met taal en zinsbouw. Het is niet duidelijk waar een dergelijke geheimhouding voor nodig was. De papiermakers waren door onderlinge familiebanden en ook door hun knechts terdege op de hoogte van het fabrikageproces in de molens van hun medepapierbereiders.

De eerste school in Ugchelen stond op Steenbeek

Omstreeks 1844 komen we weer in aanraking met de papiermaker Johannes van Delden op de molen Steenbeek. In zijn dagen begon men in Ugchelen steeds meer het gemis te voelen van een eigen school. De kinderen uit de buurschap moesten in Beekbergen naar school, hetgeen vooral in de winter grote bezwaren met zich medebracht.
Enkele inwoners van Ugchelen staken de hoofden bij elkaar; men ging eens praten met het Apeldoornse gemeentebestuur en het eindresultaat was een contract dat in 1844 tussen de gemeente en de papiermaker Johannes van Delden werd gesloten. Het hield o.a. in: "Voor schoollokaal staat Van Delden at het vrije gebruik van een zijner woningen op het terrein van Steenbeek, totdat een meer geschikt en beter in gericht gebouw zal zijn gevonden.” Namens verscheidene ingezetenen van Ugchelen verbindt Joh. van Delden zich om gedurende de jaren 1845, 1846 en 1847 jaarlijks 25 gulden te verstrekken als toelagen voor de onderwijzer en deze kost en inwoning te verschaffen tegen een vergoeding van twee gulden per week. Toen kon je nog eens goedkoop kostganger zijn! Na de bouw van een nieuwe school is het oude schooltje weer tot woning ingericht.
Het stond toen bekend als "grootmoedershuisje” en bleef lange tijd in de vroegere toestand bewaard. Enige jaren geleden is het schilderachtige woninkje veranderd i2 een landhuisje. Als iets bijzonders bezat het grootmoedershuisje een houten vloer mat "kindervoetjes”. De vloer had men eerst donkerbruin geverfd. Toen de verf bijnadroog was ging er een klein meisje of jongetje op blote voetjes doorheen tippelen.
Tijdens deze rondwandeling doopte het kind telkens z’n voetjes in een gele verf. waardoor geelachtige voetafdrukken op de donkerbruine ondergrond achterbleven. Zo ontstond tenslotte een vloer, waarop zich overal kindervoetjes aftekenden. he:geen ea: uniek effect opleverde.

Koninklijk bezoek werd geen succes

Tot de bezoekers van Steenbeek behoorde ook eens koning Willem Ill, maar zijn verblijf bleef beperkt tot enkele seconden. Tijdens een rijtoer door de omgeving ontstond juist voor de papiermolen Steenbeek een mankement aan het koninklijk rijtuig. Daar herstel van het euvel nog wel enige tijd zou vergen, stapte Willem III uit en wandeldede Ugchelseweg op en neer. Hierbij viel zijn oog op het nabij gelegen Steenbeek en nieuwsgierig vroeg hij aan een voorbijganger, wat het voor een gebouw was. "Een papiermolen, mijnheer”, kreeg de koning ten antwoord.Van zins zijnde het lange wachten wat te bekorten, stevende de vorst op Steenbeek af en stapte naar binnen. Maar een ogenblik later stond hij al weer buiten, want in de molen waren juist een paar knechts bezig met de zogenaamde "stinkpot” en de scherpe, doordringende en vieze geur van het zwavelzuur verspreidde zich snel in hetrond. Tegen zulk een stank was Willem lll niet bestand, hij deinsde achteruit en haastte zich de frisse lucht weer in. Zo eindigde dit koninklijk bezoek aan Steenbeek feitelijk al voor het begonnen was.

Wel een kanaal, maar geen water

Bij de aanleg van het kanaal Apeldoorn — Dieren vormde de watervoorziening het voornaamste probleem. Het kanaal was er wel, maar de deskundigen wisten niet hoe men het vol water kon krijgen! In de Apeldoornsche Courant van 28 maart 1863 vinden we in verband daarmede ook de molen Steenbeek genoemd. "Dezer dagen zijn door den Heer van Riel, opzigter bij den Waterstaat, opmetingen gedaan voor het water, benodigd voor het kanaal van hier naar Dieren; het kanaal geeft voor ’t ogenblik 1 el (!) water; het overige benoodigde zal men beproeven te vinden van den molen van den Heer J. van Delden Mz. op Steenbeek, door het water van daar af te leiden in de sprengen bij de tol aan deze zijde van Beekbergen”. Een later bericht (4 april) in hetzelfde blad zegt, dat bedoelde opmetingen een gevolg waren van voorstellen door J. van Delden aan Waterstaat gedaan. Deze hielden in: "het water van J. van Delden ; te nemen voor het Rijk, en de onderliggende fabrieken te vergoeden, door die hoeveelheid water te graven in de hooger gelegen bronnen, en wel in die, waarvan de ondervinding geleerd heeft, dat ze bijna uitdrogen bij zomerdroogte”. "Die voorstellen”, aldus gaat het blad verder, "zouden geheel in het eigenbelang van genoemden fabrikant zijn, terwijl de onderliggende fabrieken daardoor aanmerkelijk zouden lijden, ja haren ondergang tegemoet gaan, hetgeen niet alleen gansch niet in het belang van het kanaal zelve, maar voorzeker geheel in strijd zou zijn met het doel, waartoe het kanaal is daargesteld: de bevordering der nijverheid op de Veluwe”. Het gevolg van een en ander was, dat het water van Steenbeek niet in aanmerking kwam en het Rijk zelf sprengen liet graven in Oosterhuizen (de nog bestaande Oosterhuizersprengen) en later die van de beek van de Loenense waterval. In het boven aangehaald krantenartikel wordt voor sprengen de onjuiste benaming bronnen gebruikt. Zo als we reeds eerder hebben opgemerkt, is een bron totaal iets anders dan een spreng.

De Wilhelminaboom te Ugchelen

Omstreeks 1870 deed J. van Delden zijn papiermolen Steenbeek met bijbehorende grond over aan Hugh Hope London, die het geheel tot een buitenplaats met fraaie tuinaanleg wilde doen inrichten. London was bevriend met de bekende schrijver Hofdijk, die dikwijls als gast van koning Willem III op Het Loo verbleef. Ter gelegenheid van de geboorte van prinses Wilhelmina (31 augustus 1880) plantten Hofdijk en Loudon de "Wilhelminabeuk” (op de hoek Brouwersmolenweg - Ugchelsegrensweg). Daar het poten van dergelijke herdenkingsbomen toentertijd nog maar weinig voorkwam, is dit één der weinige (misschien de enigste?) beukebomen, die ter herinnering aan dit feit zijn geplant. Ugchelen en vanzelfsprekend de gehele gemeente Apeldoorn mag dus wel heel zuinig zijn op deze historische beuk! Hiermede moeten we ons verhaal over de historie van de papiermolen Steenbeek en over enkele gebeurtenissen uit het dagelijks leven op de molen - besluiten. Andere molens vragen eveneens onze aandacht.

De papiermolen Klarenbeek (kaart I nr. 33)

Zoals eerder is vermeld laat de papiermaker Hendrik Tonissen Baes - zonder vergunning der geërfden van de mark - omstreeks 1654 sprengen en een beek graven, waarop door hem het "Kleine Bazemolentje” (Steenbeek) wordt gelegd. De ontvanger Marten van Heyden, eigenaar van Berghuis en van een daarbij gelegen molen, wil in hetzelfde jaar op deze nieuwe beek eveneens een molentje timmeren. Het verzoek daartoe wordt op 30 mei 1654 door de geërfden afgeslagen 109) "uyt oorsaecke, dal na gewonnen oogenschijn, ’t selve, sonder groote inundatie ende onderstouwinghe van ’t veen niet mogelijk te sijn”. Pas in 1838 wordt door de toenmalige eigenaar van Steenbeek veel hoger op deze beek een tweede molen (kaart I nr. 33) gebouwd, die de naam krijgt van Klarenbeek. De bouwkosten bedroegen f 2076,45 1/2.
Er is een rekening bewaard gebleven van "Gelden betaal door het aanleggen van de Nieuwe Mool Genaam Klaarenbeek”.
In 1837:
Lubbert Estam en A. Beekman een jent (= gedeelte) van de Beek 31,25
It. Hulshof het andere aangenomen 79,22
It. Hulshof boom gehak 1,50
Jan Raad It. Hulshof werkloon 3, —
3 vles Jan never 1,
Ton van Werven en de Bruin zaagloon 21, -
3 vles Jan never 1,20
Kris Timmer boomen gehaald Uchg. bos 10,40
Reijer Schut boomen gevaren en Jan never 14,90
Mouw het Bakhold en 4 vragt hout Jann. 16,40
Voor dak H. J. Muller en dagloonders 15,20
15000 (’3) steen vragt en met het schip 33,95
3 vim Riet en 2 ton kalk bij Bennink 16,30
Pannen en dekheet 36,25
dekloon weer (?) en bandgarden
Jan Wouters 2 vragten v. Deventer 14,10
4 Kley Boeren en 3 slotten aan de deur 12,10
Jan Wouters het waterrad na de mool 20,32 1/2
Voor kleij gevaren 4 man 11,55
4 dagloonders om de klei in te werken 11,40
Voor inlage van Brand waarborg 26, -
Voor Rijz aan de onder beek 3,33
Betaal uit de Boel 782,49

Oudbier een reeknig 166,20
Peter Berends " ` ` 221,77
J. W. Buitenhuis " 253,70
H. Elferink " 186,57
E. van Masse steen 80, -
B. Landaal " 150, -
A. Jonker " 51,95
Cno1 Oosterwijk 13,77
T. Dikschij berekend op 130, -
1293,96
2076,451/2

Voor de aanleg van de molen zijn twee grote bochten in de oude beek door een - gedeeltelijk bedijkte rechte nieuwe bedding afgesneden. De noordelijke bocht verdwijnt thans in het spoorwegravijn en kan verderop voor een deel teruggevonden worden; de zuidelijke bocht bevat nog op enkele plaatsen enig water, maar is verder dichtgegroeid met haarmos en beneden afgedamd. De kronkelende oude bedding, welke bij de aanleg van de nieuwe provinciale weg zal verdwijnen, ligt grotendeels op het terrein van het kampeercentrum "De Veldekster”. Met veldekster wordt de gewone tapuit (oenanthe oenanthe) bedoeld, die vroeger in deze omgeving veel voorkwam.
Deze vogels, die tot de lijsterachtigen behoren, nestelen graag in holen op de grond (konijneholen) en hebben met onze eksters niets uitstaande. Op de molen Klarenbeek werd in de beginjaren uitsluitend papierstof gemaakt. Het was toen een zogenaamd stofen hamermolentje en werkte ten dienste van de lager gelegen molen Steenbeek.
De kuipen met papierstof vervoerde men op een soort vlot door de Schoolbeek naar Steenbeek. Over de Steenbeek lag toen een ophaalbruggetje. Later vervaardigde de papiermaker Wouter Berends op Klarenbeek bordpapier. Hij was gehuwd met Johanna Hendrika van Houtum en gaf 29 januari 1838 de geboorte aan van een zoon Jacob.
Als een der getuigen vinden we Baltus Landaal. In 1858 zat Wouter Berends echter op één van de beide molens van Brouwersmolen, waarheen hij zijn bordpapierfabrikage had overgebracht. Zijn opvolger op Klarenbeek was Arend Mensink, gehuwd met Giesberta Wilhelmina Gosiena Sanders. Het echtpaar kreeg in december 1842 een dochter Rebekka. Ze hadden later (1858) zeven kinderen: Reinder, Teunis, Lotherus Bernardus, Rebekka, Andries, Derk Jan en Hester. Er werkten toen drie papiermakersknechts.
Op 13 februari 1877 vond de verkoop plaats van de papierfabriek van A. Mensink in Ugchelen. Klarenbeek is al sinds lange tijd ingericht tot wasserij, die thans "De Oude Klarenbeek” heet, Veldekster 27, Ugchelen.

De Winnemolens (kaart l nr. 34)

Thoenes Teunissen en diens vrouw Merri Aerts verklaren, dat zij op 7 mei 1616 van de erfgenamen der Ugchelse mark in erfpacht hebben verkregen een "meulenstede” op de Ugchelse beek "beneden den muelen van Jacob Jacobs tsoe voer drie Jaren gemaeckt”. Laatstgenoemde molen was in 1613 door Jacob Jacobs gesticht op de plek, waar nu de wasserij Altena ligt (kaart nr. 35). Pachters zeggen dat de uitgifte der erfpacht geschied is 0p "navolgende conditien nemplicken, dat wij ende onsen erffgenamen opte voomoemde Beeck enen pampieren off anderen muelen tot ons selffs Besten sullen muegen maecken, vuijtgesondert koornmuelen”. De erfpacht voor de grond bedraagt jaarlijks 25 carolus gulden. De mark bepaalt, dat de pachters "het water in de voornoemde beke niet sullen moegen opstouwen en dat die bavenste muelen van Jacob Jacobss. daer doer enige schade lede offte krege.” Op verzoek van Thoenis Teunissen en Merri Aerts tekenen Reijnder Reijnders en de papiermaker Marten Orges g het stuk, dat op deze verpachting betrekking heeft. Het gaat daarin dus uitsluitend over de erfpacht van de grond. Van de beide ondertekenaars Reijnder Reijnders en Marten Orges zijn de grafzerken nog aanwezig in de Ned. Herv. kerk te Beekbergen.
Over de uitgifte van het water door de rekenkamer hebben we niets kunnen vinden.
Wel wordt later (o.a. in 1792) gesproken over betaling aan de rekenkamer voor het recht van ’t water. De papiermolen van Toenes Teunissen (Thonis Tonissen, Thoois Theunisz, Tonis Teus, Thonis Thonis) en Merri Aerts (Merrijken Aerts, Merry Aerts) kwam boven de latere Bazemolen (kaart nr. 31) te liggen en kreeg pas jaren daarna de naam Winne- of Windemolen. De Tonissenlaan, Merrijken Aertslaan en Winnemolenlaan zijn genoemd naar Thonis Tonissen, diens vrouw en naar de Winnemolen.
In de naamgeving Merrijken Aertslaan heeft men tevens alle andere Apeldoornse papiermakersvrouwen willen eren, die - naast haar echtgenoten - in zo belangrijke mate hebben bijgedragen tot de groei en bloei der papierindustrie van Apeldoorn.
Thonis Tonissen moet voor 1646 zijn overleden - misschien zelfs al in 1627 - want in een schrijven van het Hof aan de scholtis van Apeldoorn gedateerd 8 november 1627, wordt gesproken over een Merritgen, weduwe van Thonis Theusz en haar oudste zoon Teus Tonis. In elk geval staat vast, dat hij voor 1646 is gestorven. Op 21 november 1646 lezen we namelijk, dat de erfpacht van de molenstede "van de erfgenamen van Tonis Tonissen enigen tijdt niet was ontfangen”. Hierdoor - zo menen de geerfden van de mark - zijn deze van de pacht "vervallen”. Men wil echter genoemde erfgenamen toch over 14 dagen "ontbieden om over verval van de erfpacht te spreken als ook over het afgraven‘van een stuck lants om den bergh”. Op 5 december 1646 besluiten de geërfden over "dit verval van erfpagt twee ervaren advocaten te consuleren”. Beide partijen worden het tenslotte toch met elkaar eens, want in 1656 betalen de erven van Thonis Theunisz de pacht van de molenplaats. We lezen daarover in de eerste uitvoerige "Specificatie van de molenpachten van Uchgelermark” uit 1658, dat de "Erfgenaemen van Sall. Teunis Tonisz.” 25 gulden jaarlijks betalen "verschenen eersten may, der jaren 56, 57, 58. =75-0-”.
Nu is deze aanduiding "erven van Thonis Theunisz” wel een beetje vreemd. In 1650 vindt namelijk naar aanleiding van een geschil over het verleggen van de Steenbeek door de papiermaker Jacob Jacobs een inspectie plaats in het bewuste terrein. In het verbaal 110) daarover van 26 juni 1650 lezen we echter over de molen van Henderick Toniss (Tonissen), gelegen beneden de molen van Daniel Jacobs (kaart I, nr. 35). Met deze molen van Henderick Tonis zal toch wel de Winnemolen bedoeld zijn. Henderick Tonissen heeft "met believen” van de Ugchelse geërfden een geheel "nieuwe grave” gemaakt en hierdoor het water door het veen tot in de beek beneden de molen van Daniel Jacobs geleid. De nieuwe loop blijkt in de laagte aan beide kanten "seer hooch met zoden opgeset te sijn”. Tonissen zegt, dat hij "sijn moelenraden grooter gemaeckt hadde als sij te vooren geweest waeren ende daerover (= daardoor) int water quaemen”. Er wordt ons hier verteld, dat de molen van Hendrick Tonissen toen met meer dan één rad werkte. In het bovengenoemde rept men met geen enkel woord over "de erven van Thonis Theunisz.”, maar wordt alleen gesproken van Hendrik Tonissen als eigenaar van de papiermolen. Dit gebeurt eveneens in 1652.
Dan lezen we in het verbaal 111) over de ambtslasten van Apeldoorn: "Hendrick Tonis pampiermaeckers huys en een pampiere meule van 5 backen leggende opten gront van de erffgenaemen van Uchgelen ende het water van de Reecken Caemer.” Deze Hendrick Tonissen moet beslist een zoon geweest zijn van de molenstichter; misschien is hij wel dezelfde als de Hendrick Tonissen Baes van de Bazemolen en Steenbeek. Het is vreemd, dat in het bovenstaande gesproken wordt van "het waeter van de Reecken Caemer”. In de akten door deze instantie uitgegeven is daarover niets te vinden.
Op de markevergadering van 27 maart 1654 komt aan de orde een graverij in het veen "bij de benedenste molen” van Daniel Jacobsen (kaart nr. 35) door Hendrick Tonissen Baes en enige papiermakers "gedaen uyt eygen authoriteyt.” In 1659 wordt ons verhaald, welke personen met deze "enige” papiermakers bedoeld zijn. Want dan lezen we weer over het graven "bij Daniels molen door den baes Pauwel Martens en Aert Willems”. Pauwel Martens, een zoon van Marten Orges, zat op Hattem; Aert Willems op een der Tiemensmolens. Willem Beekhuis betaalt in 1659 de erfpacht van de molenplaats. Later (1699) blijkt de molen van Thonis Teunisz. (wie is dit?) van diens weduwe Wendel Jansen overgegaan te zijn op Hendrik Wemers (Warners) en Hendrik Cornelissen. Warners wordt nog genoemd in 1712, dan komt de papiermolen door vererving in het bezit van Jan Stevens Ritbroek. Deze was gehuwd met Aaltje Hendriks Cortenbrink, dochter van Hendrik Warners. Hun zoon Jurrien Ritbroek is van 1772 - 1779 papiermaker op de molen.
De naam Winnemolen (Windemolen, Wienne meulen) duikt pas op tegen 1784. Er werd toen ook van windkracht gebruik gemaakt, vandaar de benaming Winnemolen.
Wanneer deze windmolen is afgebroken, weten we niet. Op de Veluwe werd de combinatie wind-watermolen betiteld met watervluchtmolen.
Op 14 november 1792 kopen Aart Lambers Ploegh en Judith Brouwer, echtelieden, van Hilletje Daniels Schut, weduwe van Arent Daniels Schut en haar 4 meerderjarige kinderen Daniel Arents Schut, Christina Arents Schut, Jacobus Arents Schut en Jacob Arents Schut  "een vijf hamerbaks waterpapiermolen genaamd de Windemolen, met Huis, Hof en kleinen Hof, Molenhuis, hangschuur en bouwschuur alsmede een halve Brouwerij, Lijmketel en Bakoven . . . . . voorts nog een Vierendeel houtmark in de Brucheler markt in het Uchelse deel met den beekendijk met zijn holtgewasch tegen de Zomp de breedte van zes voet en aan ’t rode beekje . . . moetende de sprengen agter de nieuwe molen door de Windemolens zamen geruimd worden.” Het betreft hier dus de molen aan de linkerkant van de beek (thans wasserij Quartel). Er wordt zowel gesproken van de waterpacht aan de rekenkamer als over grondpacht aan de Ugchelse mark. De koopsom bedraagt 5890 gulden.
Volgens de enquéte over Apeldoornse papiermolens van burgemeester Gunning liggen er omstreeks 1812 de "Kleine Winnemolen” en de "Winnemolen”. In 1815 heten ze de "grootte Windemolen” en "kleine Windemolen”. De grote Windemolen lag aan de linkerzijde der beek. In 1839 vinden we Teunis Sanders op de molen aan de rechterbeekoever. Hij doet op 5 maart aangifte van de geboorte van zijn zoon Teunis en is dan 56 jaar; zijn echtgenote Berendina van Pannekoek 45 jaar. Als getuige treedt o.a. op de papiermaker Gerardus Wilhelmus van Milligen, deze is dan 61 jaar oud en zit op de tegenovergelegen papiermolen. Op een situatieschets naar een kadasterkaart ligt bij de Winnemolens onder de naam "Rojan” een sprengetje, dat zijn water niet in de bovenbeek bracht, doch beneden de raden in de onderbeek uitkwam. Deze "Rojan” of "Roojan” - zo geheten naar het ijzerhoudende rode water - liep vroeger op het halve rad van de grote Winnemolen. Genoemd schetskaartje geeft duidelijk de omlegging te zien van de Ugchelse beek ten behoeve van de aanleg der Winnemolen in 1616. De oude loop werd toen als verlaatsloot gebruikt, terwijl een gedeelte tevens de bedding van de Roojanspreng vormde, hetgeen ook nu nog het geval is. Bij het jaarlijkse beekruimen opende men het verlaat in de bovenbeek, het water van deze beek stroomde dan door de verlaatsloot en het gedeelte van het Roojan, liep vervolgens over de weg en kwam tenslotte door een sloot een eind beneden de molen in de onderbeek terecht. Op de plek, waar het Rojan vroeger met een scherpe bocht afboog naar de grote Winnemolen, kon door het plaatsen van een schot verhinderd worden, dat het water uit de bovenbeek tijdens het ruimen via het laatste gedeelte van het Rojan toch direct onder het rad de onderbeek bij de molens bereikte. Het water van het Rojan (in 1792 "’t rode beekje”) doet al sinds jaren geen dienst meer; de sprengen voeren nog wel water aan, doch dit wordt thans door buizen verder naar beneden in de onderbeek geleid. Op de kaart staat aan iedere kant van de beek een molen, links de grote-, rechts de kleine Winnemolen. Boven de molens bevindt zich een wijer, die nu gedempt is. Verder zien we een terrein, dat "zomp” heet, hetgeen duidt op een zompige of drassige plek.
Vroeger stortte het beekwater zich als een bruisende en schuimende waterval vanaf het molenhoofd in de onderbeek. Toen echter onder koning Willem III de paarden van een passerend hofrijtuig voor de neervallende waterstroom schrokken en op hol sloegen, werd een tijdlang een scherm van rietmatten voor de waterval geplaatst.
Een advertentie in de Apeldoornsche Courant van 7 oktober 1882 kondigde de veiling aan "van de - voor weinige jaren nieuw gebouwde - Papierfabriek "de Windemolen”, door zijn helder Bronwater ook zeer geschikt tot Wasscherij en Bleekerij ; met omgelegen Bouw- en Weiland en Houtgewas, alles gelegen tot Ugchelen”, eigendom van Jacobus . Martinus, Willem Frederik en Gerardus Wilhelmus van Milligen, allen papierfabrikanten te Ugchelen onder Beekbergen.
Het geheel omvatte het volgende: "De papierfabriek met tuin en het oostelijk gedeelte van het weiland "de Zomp”, het daarbij behorende 1 / 7 gedeelte in het Hamermolentje (zie kaart nr. 36), het westelijk gedeelte van de bouwgrond tegen de schuur”. Deze veiling betrof de papiermolen Van Milligen aan de linkerkant van de beek (de grote Windemolen). Bij de toeslag op 26 oktober 1882 kwam de molen voor f 4020 in het bezit van Goossen Sanders, die toen eigenaar werd van beide papiermolens.
Op 4 juli 1896 brak brand uit in de papiermolen aan de rechterzijde van de Ugchelse beek (eerste molen Goossen Sanders). Hierover verschaft een krant van 7 juli nadere gegevens: "Zaterdagmiddag te ongeveer 1 uur ontstond door eene tot nog toe onbekende oorzaak brand in de papierfabriek, toebehoorende aan den heer G. Sanders te Ugchelen onder Beekbergen. Door den fellen wind aangewakkerd kreeg de brand weldra een dreigend aanzien, te meer daar de grootte hoeveelheid aanwezige lompen en papier ruimschoots voedsel verschaften aan den grooten vuurgloed.
Spoedig was ook de tweede fabriek, door een beekje van de eerste gescheiden, aangetast, en brandde deze, benevens de drie daaraangrenzende arbeiderswoningen, alsmede de woning van den eigenaar, aan de overzijde van de beek gelegen, geheel af.
De inboedels der woningen heeft men voor een groot gedeelte kunnen redden, doch de machinerién in de fabrieken zijn geheel onbruikbaar geworden en vernield en gingen 15 a 1600 riem papier door het verwoestend vuur verloren. Hoewel behalve de inboedel van een der werklieden, alles geassuradeerd was, is de schade natuurlijk vrij aanzienlijk. Een groote partij ter verzending gereed staand papier werd mede door de vlammen verteerd. Ongeveer 20 menschen zijn door deze ramp tijdelijk zonder werk, en 3 gezinnen van dak beroofd, zoomede de eigenaar.
Twee brandspuiten, één van de Eendracht en één van Apeldoorn, die natuurlijk door den grooten afstand, eerst laat aan het terrein kwamen, vermochten niet anders dan het opvliegen der lompen en papiermassa door het water te beperken.
Eerst laat in den avond was men den brand meester, doch het papier en de lompen zullen zeker nog vele dagen blijven smeulen. Ook voor 25 jaar is deze fabriek afgebrand”. Tot zover het artikeltje in de Apeldoornsche Courant. Beide molens zijn herbouwd en tot wasserijen ingericht, G. P. Duuringlaan 20 en 30, Ugchelen. Jammer, dat geen van de twee wasbedrijven de oude naam "Winnemolen” heeft gehandhaafd. Wel bleef de benaming "Roojan” bewaard in de naam van het woonhuis naast de wasserij Quartel.

De Oude Molen, later Altena (kaart l nr. 35)

Thans komen we toe aan de geschiedenis van de eerste papiermolen in de Ugchelse mark, waarvan de stichting ons in aanraking brengt met de al eerder genoemde papiermaker Marten Orges. Bij akte van 9 februari 1613 krijgen Marten Orges en zijn vrouw Geertgen Schutten (Schut) van de rekenkamer de erfpacht van ’t water voor een papiermolen in Ugchelen. Dit blijkt uit een daarop betrekking hebbend stuk, dat drie dagen later staat gedateerd en waarvan de aanhef luidt: "Wij Marten Orges ende Geertgen Schutten Echteluijden doen kondt allen ende einem jeglicken dat wij voer ons ende onsen Erven van die vander Reckeninge in Naeme der Heren Staten des Vorstendumbs Gelre und Grafschap Zutphen in Erfpacht genommen hebben um tot Uchelen in den Ambte van Apeldom einen Pappier Moelen tho mogen doen uprichten”. .
Aan de voorwaarden, verbonden aan de verlening der erfpacht, verwijzen Orges en zijn vrouw naar de desbetreffende akte van de rekenkamer, waaruit we enkele gedeelten overnemen. Er staat dat "ter Cameren verschenen is Mr. Marten Orges Pappiermaecker tho kennen gevende, dat hij mit den Geerffden tot Uchelen verdragen wasum aldar up seecker waeter einen Pappier Moelen tho mogen uprichten”. Doch daar het recht op dit water de Staten van Gelderland toekwarn, verzocht Orges voor het gebruik daarvan aan de rekenkamer "gebeurlicke consente, under presentatie van darvor jahrlicz tho willen doen dat recht ende behorlick sijn solde”. De rekenkamer willigt zijn verzoek in en bepaalt, dat "Mr. Marten Orges ende Gertgen Schutten Echteluijden ter plaatse vorss. die verzochte Pappier Moelen sullen Mogen doen timmeren ende leggen, um darup Pappier tho maecken, sonder anders waertho te mogen gebrucken”. De pachters moeten voor het recht van het water jaarlijks 7 £ betalen, terwijl de eerste pachtbetaling "sijnen loep ende aenvanck sal nehmen so " wanneer die Pampire Moelen getimmert ende gangbar sal sijn . . . Aldus gedaen then Burele in der Camer van der Reckeninge ’t Arnhem under ’t Cachet derselver Cameren upten IXen dacht Februarij des jahrs XVIc ende darthien, ende was underteickent C. van der Sande . . .” Tot zover de inhoud van de erfpachtbrief van de rekenkamer, zoals deze voorkomt in het drie dagen later gedateerde stuk. Aan het slot daarvan lezen we dat Marten Orges dit stuk, mede namens zijn vrouw, eigenhandig heeft ondertekend en "tot mehrer vestenis gebeden Reinier van Begbergen ende Willem van Ratingen als Geérffden in Veluwen um dese tho besegelen; ’t welch wij Reiner ende Willem vorss. ter bede vorn. gern gedaen . . . Gegeven inden jahre unsers Heren ende Salichmaeckers gebeurt 1613 den 12 Februarij.”

was getekend: Mr Marten Orges ,
Pampiermacher
Reijner van Begbergen Wilhelm van Raetingen

In het bovenstaande hebben we kunnen zien, dat Marten Orges op 9 februari 1613 van de rekenkamer de erfpacht verkreeg van ’t water voor een papiermolen in Ugchelen en dat hij tevoren met de geërfden der Ugchelse mark "verdragen” was om aldaar op "seecker waeter” een dergelijke molen te leggen. Maar op 4 mei 1613 doen de geérfden van Ugchelen aan Jacob Jacobs en Jenneken Reijntgens in erfpacht uit een molenstede "gelegen op de Beeck in Ucheler merck” om daarop op hun eigen kosten "eenen pampieren off anderen meulen, uijtgesondert corenmeulen” te mogen maken. Verder nog een kampje van 1 1/2 molder "gesaaijs omme hetselve tot eenen Hoff off andersins” naar goeddunken te gebruiken. De jaarlijkse pacht voor de molenplaats en het kampje bedraagt 30 gulden. De hiergenoemde Jacob Jacobs was een stiefzoon van Marten Orges, zijn vader heette Jacob Lucas. Diens weduwe Geertje Schut hertrouwde later met Marten Orges. Nu is het eigenlijk een beetje vreemde zaak met de stichting van deze molen. De erfpacht van de grond voor de molen krijgt Jacob Jacobs, terwijl die van het water bij de rekenkamer aangevraagd en verkregen wordt door zijn stiefvader Orges. De pachtbetaling aan de rekenkamer staat ieder jaar steeds op naam van Marten Orges, pas na diens dood op die van Jacob Jacobs. Zo lezen we in de rekening van de ontvanger van Veluwen over 1617/18 "Noch gifft Marten Orghers van een Pampier Moelen, jaerlix tott Erffpacht VII £”. Dit gaat door tot en met 1626/27, doch de rekening over 1627/ 28 vermeldt: "Jacob Jacobsz. vorhen Marten Orghes VII £”. De pacht voor de molenplaats wordt echter altijd door Jacob Jacobs betaald.
Waarom niet een en dezelfde persoon de gronden waterpacht voldoet is ons niet duidelijk geworden. Toch heeft Orges op deze eerste molen in Ugchelen niet zelf papier gemaakt, al zal hij bij de stichting daarvan wel financiéle steun verleend hebben.
Zoals we zagen, was Jacob Jacobs (Jacobsen) gehuwd met Jenneken Reijntgens (Reijners) en hun zoon voegde later de achternaam van zijn grootmoeder Geertje Schut toe aan de zijne, evenals de afstammelingen van Orges’ zoon Paul dit deden (zie bij molen Hattem). De Schutten in Ugchelen zijn dus geen nakomelingen van Marten Orges, maar stammen uit de echtverbintenis van Jacob Lucas met Geertje Schut. Dit in tegenstelling met de Schuts van Hattem, die regelrecht afstammen van Marten Orges en diens vrouw Geertje Schut, eerder weduwe van Jacob Lucas. Ze hebben allen wel dezelfde stammoeder.
Al deze verschillende Schuts of Schutten treffen we dan aan op molens in Ugchelen, Wormingen, Beekbergen, Noord Apeldoorn, Loenen, Eerbeek, Renkum en Heelsum.
Tot op de huidige dag spelen leden van dit geslacht een voorname rol bij de papierfabrikage.
Voordat we ons bezig houden met de verdere geschiedenis van de molen, willen we eerst eens proberen de loop na te gaan van het beekje, waarvan Marten Orges - ten behoeve van zijn stiefzoon - in 1613 de erfpacht verkreeg en welker betaling een aanvang moest nemen op 9 juli 1614. In 1566 kocht het Sint Petersgasthuis te Arnhem een "saelweer” (hofstede of erf op een herengoed, oospronkelijk een horig goed van de Gelderse graven en hertogen) in Ugchelen, waarbij een stuk land behoorde "streckende an die beeck” en ook "den gansen elsen”. Zoeken we dit erf op in het terrein, dan komen we bij de plek, waar de bovenste sprengen van het Voorslop liggen, die alleen zuidwaarts in de hoge dalkant in de mark zijn uitgegraven, daar dit door de landerijen aan de noordzijde niet mogelijk was. Het oorspronkelijke beekje is voor de afvoer van deze sprengen gebruikt, die een halve eeuw later door Jacob Jacobs zullen zijn aangelegd. Vermoedelijk is de beek - toen Steenbeek geheten - gebruikt en omgelegd voor de stichting van de papiermolen van 1613 (Oude Molen, Altena), daarna nog weer voor de Nieuwe Molen (het Voorslop, kaart nr. 37), want in later tijd liep het rad van de Oude Molen niet meer op de Steenbeek, maar op de Koppel- of Blekerssprengen. Bij de aanleg van de papiermolen Het Voorslop heeft men de onderbeek daarvan - d.i. dus de vroegere bovenbeek van de molen van 1613 - vanwege het verval diep uitgegraven, waardoor het water niet meer kon dienen om boven op het rad van de Oude Molen te lopen, maar wel op de onderste helft. De mogelijkheid voor dit door ons reeds eerder genoemde lopen "op ’t halve rad” was kort geleden bij de tegenwoordige wasserij Altena nog aanwezig. De Ugchelse of Steenbeek en ook de enkele andere oorspronkelijke waterlopen in de buurschap Ugchelen zagen er voor de stichting der papiermolens heel anders uit. Ze liepen toen werkelijk door de laagste gedeelten van het terrein, hetgeen nu bij de kunstmatig aangelegde gedeelten duidelijk niet het geval is. Dat de laagten, waardoor ze stroomden moerassig waren, bewijzen namen als Vorsenslot (kikkerpoel), de Zomp bij de Windemolen en de aanduiding "int Veen tussen Begbergen ende Apeldoorn” bij de stichting van de Bazemolen en Klein Hattem.
Van de Koppel- of Blekerssprengen (in 1815 "Kleine Koppelsprengen” genoemd) aan de voet van de Bakenberg in Ugchelen valt te vermoeden, dat die een verbetering van bestaande beekjes zijn. Waarschijnlijk heeft daar een tamelijk diepe plas gelegen, gedeeltelijk door grondwater, maar ook door het van de hellingen stromende regenwater gevoed. Nog in 1828 werd door enige papiermakers aan de geërfden verzocht om een sloot met wal te graven langs de koppen van de sprengen bij de Bakenberg, teneinde het smeltwater, dat bij plotselinge dooi niet in de bevroren ondergrond kon wegzakken, te kunnen afleiden. Op het van de heuvels komende vuile regen en sneeuwwater waren ze niet gesteld (zie ook bij molen nr. 24). Genoemde waterloopjes moeten oorspronkelijk hun afvloeiing gehad hebben door de laagte ten oosten van Altena. Van dit water had Jacob Jacobs in 1613 nog geen profijt en het kwam alleen ten goede aan alle lager gelegen molens. Straks zullen we echter zien, dat ze in 1639 door Jacobs zijn gebruikt voor het drijven van een nieuw papiermolentje (nr. 36) en tevens voor zijn Oude Molen, waarvoor men de beek westwaarts langs en door een hoogte heeft geleid en het graven van sprengen duchtig ter hand is genomen.
Een paar oude paalstompen in de beek beneden een omstreeks 1916 afgedamde rode spreng wezen in 1922 nog de plek aan, waar vroeger een houten schot in de beek kon worden geplaatst om bij dooiweer het overvloedige smeltwater door de laagte te kunnen afvoeren. Voor dit doel was tevens een gedeelte van de rechter beekdijk verlaagd, ook had men boven de Oude Molen (Altena) een inrichting getroffen om het water van bovengenoemde rode spreng apart te houden. Daartoe was bij de samenkomst van de rodolmspreng met het andere ongekleurde water midden door de beek een schot van planken geplaatst, dat de beek tot bij Altena in tweeén deelde en het zuivere van het rode water scheidde. Beiden dreven het molenrad van Altena, maar alleen het heldere water deed dienst bij de papierbereiding. De jongens uit Ugchelen hielden vroeger onder elkaar vaak een wedstrijd wie van hen vanaf de rode spreng tot aan het Kerkbruggetje (nu duiker) over het schot kon lopen en daarbij de minste keren in de beek terecht kwam. Het houten schot is sinds de afdamming van de rodolmspreng verdwenen; tussen de Hamermolen en Altena bevindt zich nog een dergelijke "dubbele” beekloop. Hier wordt de .afscheiding gevormd door een uit aarde opgeworpen dammetje.
De hoeveelheid water, die door een sprengenstelsel geleverd kan worden, blijkt uit enkele metingen, die in de zomer van 1933 door J. D. Moerman bij enige sprengenbeken zijn gedaan. De afvoer van de goed schoongemaakte en verzorgde sprengen van Brouwersmolen, die een normale Sprengenbeek voeden, bedroeg toen 36 liter per seconde.
De sprengen van het Voorslop leverden nagenoeg evenveel, terwijl het vermogen van de sprengen der Schoolbeek (Geurtssprengen) slechts 20 liter was en van de goed onderhouden en rijkvertakte Blekerssprengen nog minder, namelijk 15 liter p. sec.
De rekenkamer te Arnhem heeft nimmer de verplichting op zich genomen om zelf die beken en sprengen te onderhouden en er is dan ook nooit door hen een cent aan ten koste gelegd. Deze instantie liet de papiermakers hun gang gaan en heeft zeker met genoegen gezien, dat door het graven van talloze sprengen in de 17e en 18e eeuw steeds weer nieuwe aanvragen voor watererfpachten binnen kwamen. Het spreekt vanzelf, dat de papiermakers de nieuwe beekvakken en sprengen, die ze zelf met grote kosten hadden gemaakt, volkomen als hun eigendom beschouwden. Toen men in de Franse periode de rekenkamer ophief werden de erfpachten jarenlang niet geind. Nog tijdens het Franse bewind kregen de pachters de gelegenheid hun erfpacht af te kopen. Sommigen hebben dat gedaan, anderen betaalden nog in 1920, de meesten hebben afgewacht zonder te betalen. Er gebeurde echter niets! Volgens het verpondingsregister over 1648/ 49 is Jacob Jacobs dan geen papiermaker meer, maar rentenier. De "olde pampiere molen van 5 backen” alsmede de beide later door hem gestichte molens (Hamermolen en Voorslop) zijn vermoedelijk reeds in 1646 eigendom van zijn zoon Daniel Jacobs. In stukken na die tijd wordt de vader telkens als papiermaker aangeduid. Over zijn verschillende activiteiten horen we straks meer.
Jacob Jacobs leefde nog op 6 augustus 1652, toen hij hout kocht in het Ugchelse bos.
De zoon Daniel Jacobs noemt zich naar zijn moeder Daniel Jacobsen Schut. In 1648 is hij eigenaar en gebruiker van de oude "pampieren molen van 5 backen met huijs en hoff neffens een kampken van 6 schepel . . . Die molen licht opte grond van de Erfg. van Uchelen, gevend jaerlijckschen tot pacht 35 gl. En voor ’t water aen de Reeckenkamer f 7”.
Op 18 november 1671 krijgt Daniel Jacobs van de rekenkamer de erfpacht van de wind tot een molentje voor het maken van papierstof. De mark geeft hem (13 april 1672) in erfpacht "20 voet velts in ’t vierkant, behalve de galderij 8 off 9 voet boven de gront waerop door hem een windmolen is geset om lompen te maken, gelegen aen de noordtwest sydt van syn molen den olden molen genaemt daer hij woont”.
Hij mag in de windmolen "geen huyshoudingh of huyshoudinghen, beesten, schapen off iets ander vee houden.” Daniel Jacobsen Schut was gehuwd met Geertien Janssen. Hij moet omstreeks 1682 zijn overleden, want in dat jaar 112) is sprake van Geertjen Janssen "Weduwe en Boedelhoudersche van Daniel Jacobsen Schut en derselver Erffgenaemen”. In 1698 hebben deze erfgenamen - de 5 zoons - de molens verdeeld en gaan apart wonen.
De Oude Molen komt dan aan de broers Reynder en Gerrit. Op 1 maart 1698 sluit de mark een akkoord met beide laatstgenoemden, aan wie "de onderste van de drie molens genaemt den Ouden Molen ten deel is gevallen, en waer bij maar ene woning is”. Ze krijgen toestemming om de achter het oude woonhuis staande schuur, waarin de moeder destijds gewoond heeft, te verplaatsen "even over de beek aen de noortsyde van voorsyde molen”. De broeders zijn echter gehouden die niet groter te maken en bij de nieuwe woning geen hof aan te leggen. De eigenaars - zowel van het oude als van het nieuwe huis - mogen samen niet meer dan 10 beesten, 2 kalveren en 2 paarden hebben. Ook is het niet toegestaan, dat "meer als twee huyshoudingen in die woningen zijn.” AI deze beperkende bepalingen stonden in verband met het feit, dat op de papiermolens "verscheyden huysgezinnen sigh verhielden, dewelken met beesten houwen (= houden) en plaggen en turff te slaen, alsoo te samen de markt gebruyckten tot groot nadeel van de pagters der olthorige landen en erven”. We zien hieruit, dat met de gestadige groei der papierindustrie ook een voortdurende toename van de bevolking gepaard ging. Deze uitbreiding van het aantal bewoners der Ugchelsemark, dat meestal zonder vergunning van de markegronden gebruik maakte, gaf telkens aanleiding tot klachten van de zijde der geërfden en andere gerechtigden tot deze gronden.
De grote betekenis, die de papiermakerij voor Ugchelen heeft gehad, blijkt in 1749. Toen moet de welvaart in deze buurschap grotendeels afhankelijk zijn geweest van de uitkomsten van het papierbedrijf. Van de inwoners boven de 10 jaar was in f 1749 meer dan 40 % direct betrokken bij de papiernijverheid. Reynder Daniels Schut, de kleinzoon van Jacob Jacobs, woont nog in 1742 op de Oude Molen, dan treffen we daar in 1747 een neef aan, Daniel Jansen Schut, die in 1749 als "capitalist” te boek staat. Ieder die 2000 gulden of meer in roerende of onroerende goederen bezat werd toen als kapitalist aangeduid. Dit hield in dat derge, lijke personen het dubbele bedrag aan hoofdgeld moesten opbrengen. Daniel Jansen Schut was gehuwd met Steynken van Amersfoort uit een papiermakersgeslacht, dat in1648 o.a. voorkwam op de Ruitersmolen te Beekbergen. Hun zoon Arent Klaas Daniels, gehuwd met Hilletje Daniels Schut, zet het bedrijf voort tot ca 4 september 1780, de wed. Hilletje tot omstreeks 1773. Haar zoon Jacob Arents Schut is er nog in 1801. Zijn naam komt voor onder een contract over het ruimen van sprengen in Ugchelen uit 1815, want dit wordt o.a. ondertekend door Jacobus (Arents) Schut als voogd over Maria Schut. We zien uit het bovenstaande dat de afstammelingen van Geertje Schut als weduwe gehuwd met Marten Orges - bijna twee eeuwen lang papier op Altena hebben gemaakt. Met Jacob Arents Schut verdwijnt de laatste papiermaker Schut uit Ugchelen. De naam Altena is dan inmiddels in gebruik gekomen. Volgens de lijst Gunning zit omstreeks 1812 M. van Delden als papiermaker op "Al te Naar”. Dit moet een vergissing zijn, de naam Van Delden klopt hier niet. In 1859 komt de papierfabrikant Jan Terwel voor op Altena. Hij is gehuwd met Maria Johanna Schut. Het echtpaar heeft drie kinderen: Jacob, Bartje en Anna. Hein Tamboer is knecht, verder werken er de papiermakersknechts Willem Gerritsen, Willem Hermannus Weenink (afkomstig uit Vaassen), Rutger Hagen, Hendrik Slijkhuis en Gerhardus Konijnenberg. Na Terwel zit Johannes Lambertus van Delden op Altena. De papierfabriek wordt daarna omgezet in de nog bestaande wasserij "Altena”, nu fa. J. G. Preller en Zoon, Hoenderloseweg 145, Ugchelen. Er bevindt zich nog een sinds lang buiten gebruik gesteld waterrad.

De legende van de "Achterste molen"

Aan de papiermolen Altena is een merkwaardige legende verbonden, die niet onvermeld mag blijven. Deze legende wordt heel juist weergegeven in een "Gids voor Apeldoorn en het Koninklijk Paleis Het Loo en Het Park”, uitgegeven in 1877 bij H. J. ter Gunne te Deventer. De schrijvers vertellen hoe zij "bij de achterste papiermolen inUgchelen” in aanraking kwamen met een landman, die hun de volgende overlevering Jvertelde van deze molen. "Vroeger, aldus verhaalde hij ons, waren de papiermakers jgewoon op zonen feestdagen hunnen molens stil te zetten. Een vreemdeling, welke‘ dien molen gekocht had, besloot ook des zondags met het maken van lompen tot papierstof door te gaan. Maar zie, den 2den zondagnacht daarop, werd in den molen, een helsch leven vemomen en werden zware keien door onzichtbare handen tegen het‘ planken omkleedsel daarvan geslingerd.
Algemene ontsteltenis. Den daarop volgende zondagnacht hetzelfde verschijnsel. .Eindelijk besloot men de hulp van den predikant te Beekbergen in te roepen, teneindeden duivel te bezweren. Toen deze daartoe onmachtig bleek te zijn, werd de kapelaan van "de Horst” te Loenen gehaald. Deze kwam, met wijwater en kwast gewapend,en met een grooten zak over den arm trad hij den molen binnen. Het gedruis daarbinnen vermeerderde op eene ontzettende wijze. Eindelijk hield het geweld op en zag men den kapelaan bezweet en afgemat weer te voorschijn komen, met den zak op den rug waarin zich nu een zwaar en levend voorwerp scheen te bevinden. Een groot gejuich ging onder de verzamelde menigte op, daar een ieder overtuigd was, dat de duivel zich in die zak bevond. De kapelaan stapte met zijn zwaren last naar het niet ver van hier verwijderde Ugchelse bos, waar hij aan den duivel de vrijheid terug gaf onder voorwaarde, dat hij wel weder naar de buurtschap terugkeeren, doch die jaarlijks slechts ééne haneschree mocht naderen. Zijne helsche majesteit schijnt zich trouw aan die bepaling te houden, daar hij de papiermakers, die des zondags tegenwoordig allen hunne papiermolens laten doorstampen, sedert dien dag niet lastig is gevallen”. Aldus deze legende.
De schrijvers besluiten hun verhaal over Ugchelen als volgt: "De brug over de beek bij genoemden "achtersten molen” - wij zouden liever zeggen "den eersten molen”, daar hij de eerste is der vele fabrieken of molens, die door het water gedreven worden, dat niet ver van deze plaats ontspringt - overgetrokken zijnde, bevinden wij ons weldra in de heide en op een aanzienlijke hoogte, vanwaar men, een blik achterwaarts slaande, een prachtig vergezicht heeft over Ugchelen, Orden, Apeldoorn en de ten westen daarvan gelegen bosschen.” Uit het bovenstaande zou men kunnen opmaken, dat met deze, "achterste molen” het tegenwoordige Voorslop is bedoeld. De legende slaat dan niet op Altena, maar op het Voorslop. Volgens Moerman, de beste kenner der Ugchelse molens, heeft het verhaal echter te maken met de molen Altena. De hier genoemde "aanzienlijke hoogte” is natuurlijk de Bakenberg.
In welke tijd zich deze gebeurtenis op de "achterste molen” kan hebben afgespeeld wordt ons niet verteld. Er bestaan verschillende lezingen, die niet met elkaar kloppen.
In de meeste gevallen wordt de vreemdeling, die de molen kocht, met name genoemd.
Hij staat dan steeds als Wettink bekend. Oude ingezetenen konden in het Ugchelse bos nog een plek aanwijzen, die bekend stond als "Wettinksbosje”. Er moet een historische achtergrond aan deze geschiedenis ten grondslag liggen en een werkelijke Wettink bestaan hebben, maar deze naam zijn we op geen der molens daar in de omgeving tegengekomen.

De Hamermolen (kaart l nr. 36)

Jacob Jacobs blijkt een ondememend man te zijn. Hij stelt alles in ’t werk om zijn produktie te vergroten. In 1636 krijgt hij van de rekenkamer de erfpacht van zekere "beeckskens ende stranckskens off well” en op 7 december 1639 het waterrecht van een "beecksken bequaem sijnde om een kleijn pampiermoelentgen daer op te leggen”.
Jacobs moet hiervoor een jaarlijkse pacht geven van 5 gulden. Dit alles slaat op het stichten van "het Hamermolentje”, dat boven zijn Oude Molen kwam te liggen. De hier genoemde "beeckskens ende stranckskens off well” zullen de tegenwoordige Koppel- of Blekerssprengen zijn, die door Jacobs door het graven van sprengen toen zijn verbeterd. Van het "beecksken” uit 1639 wordt gezegd, dat het liep langs "seecker” land, dat hij gepacht had van de geërfden van Ugchelen. Eerder hebben we verteld, dat het stroomde door de laagte ten oosten van Altena. Jacobs had tot nog toe geen profijt gehad van dit water, want het kwam alleen ten goede aan de Windemolen en alle lager gelegen molens. Toen hij in 1639 de erfpacht over dit beekje had verkregen, heeft Jacob Jacobs op vernuftige wijze gebruik gemaakt van een lange lage rug aan de linkerzijde van de beek, die net bij Altena eindigt, en waar de nieuwe loop prachtig langs en doorheen geleid kon worden. Hierdoor waren er maar weinig kostbare zodendijken nodig en was het mogelijk de bovenbeek grotendeels in de vaste grond uit te graven, hetgeen de kans op waterverlies door lekkage veel minder maakte. Door dit alles sloeg Jacob Jacobs een aantal vliegen in één klap. Hij had zich verzekerd van het recht op bijna alle bovengelegen waterlopen en daardoor de beschikking gekregen over de zenuwen van het bedrijf (de sprengen). Hierdoor was hij niet alleen zeker van een regelmatige watertoevoer naar zijn molen(s), maar tevens kregen anderen in de toekomst geen kans meer zich boven hem te nestelen en daar papiermolens te stichten met alle mogelijke nadelen daaraan verbonden. Verder verschafte hij zich een nieuwe wateraanvoer van de andere kant erbij op zijn Oude Molen (Altena), die tot nu toe uitsluitend gedreven werd door het water, dat van de zijde van het (toen nog niet bestaande) Voorslop kwam. Tenslotte was hij in staat een tweede papiermolentje (het latere Hamermolentje) te bouwen. Straks zullen we zien, dat Jacob Jacobs, die niet eens kon schrijven, kans zag in de buurt zelfs een derde molen te stichten. Voor lopig moet het Hamermolentje, meestal het "cleyne” molentje of "Nieuwe Mooltje” genoemd, uitsluitend gebruikt zijn voor het slaan van papierstof, waardoor de produktie op de Oude Molen verhoogd kon worden.
Op 28 juli 1646 krijgt Daniel Jacobsen Schut, de zoon van Jacob Jacobs, van de rekenkamer het recht op "seeckere verlooren waterkens lopende langs en van de huijsen tot in het voorss. beecxken daer sijnen moelen opleijt”. Daniel betaalt voor deze "inlopende Strangetjens” een jaarlijkse erfpacht van slechts 1 gulden, hetgeen duidt op tamelijk onbelangrijke waterloopjes. Blijkbaar is dan de molen niet meer in ’t bezit van Jacob Jacobs, maar eigendom van zijn zoon Daniel Jacobsen (Schut).
Want in 1648 staat Jacob Jacobs "pampiermaecker” niet te boek voor een molen, doch wordt vermeld als eigenaar en gebruiker van een huis en een hof van een schepel.
Volgens het markeboek der Ugchelse Mark betaalt zijn zoon Daniel Jacobsz in 1659 de erfpacht van de "cleyne” molen over de jaren 54, 55, 56 en 57.
Na het overlijden van Daniel Jacobsen Schut (ca. 1682) komt de Hamermolen in het bezit van diens zoon Jochem (1695). Van de Hamermolen als afzonderlijk bedrijf is niets te ontdekken, eerst in 1798 betaalt Peter van Asselt 5 gulden voor de molen.
Deze Peter was daarvoor papiermaker geweest op Tullekensmolen in Beekbergen (1794). Een contract uit 1815 over het opmaken, ruimen en onderhouden der "nieuwe Moolsche sprengen alsmede de kleine koppelsprengen en de windemools zogenaamd de Roojans sprengen” wordt o.a. ondertekend door Peter van Asselt en Arend Klaas van Asselt, papiermakers op "de nieuwe Moolen”. Blijkbaar is de benaming Hamer molen dan nog niet in zwang. Nu is het vreemd, dat Peter en Klaas van Asselt wel meebetalen voor het onderhoud der "nieuwe Moolsche sprengen”, maar niet voor dat van de "kleine Koppelsprengen”. Wat waren deze "nieuwe Moolsche” sprengen, die toen het water voor het molenrad van de Hamermolen leverden en waarom liepen de KoppeIsprengen in die tijd niet tevens op de molen? Het contract van 1815 is gesloten tussen de eigenaars van de navolgende papiermolens: Hamermolen (Nieuwe Molen), Altena, Windemolens, Bazemolens, Hattemse molens en Tiemensmolens. Het Voorslop had eigen beheer over zijn sprengen. Volgens de opstellers van het contract waren toen de genoemde drie sprengenstelsels in groot verval geraakt, hetgeen aanmerkelijke schade opleverde voor de gebruikers der betreffende molens. Voortaan zullen deze de kosten van ruimen en opmaken der sprengen gezamenlijk dragen. Eenmaal per jaar moeten de boven- en onderbeken geruimd worden en wel op twee dagen, namelijk op vrijdag en zaterdag, acht dagen voor "Deventer kermis. Het schouwen zal geschieden door daartoe aangewezen gecommitteerden. Het riet moet er "voor de voet” zijn uitgemaakt, het in ’t water hangende hout opgesnoeid en de zandplaten voor de raden en op andere plaatsen in de beek weggeruimd zijn.
Voor het schoonmaken der Roojansprengen behoefden de bezitters der bovengelegen molens geen bijdrage te betalen. Ze profiteerden immers niet van dit water, evenmin als kleine de Windemolen. Dit was wel het geval met de grote Windemolen, want hier liep het water van ’t Roojan op het "halve rad”. De kosten voor het ruimen der sprengen waren nog te betalen. Zo moest o.a. de Nieuwe Molen (Hamermolen) vier stuivers bijdragen. Altena zeven, de Grote Windemolen acht en ieder der Hattemse molens vier stuivers. Zoals we straks zullen zien, is het contract van 1815 nog in 1908 vernieuwd.
In 1828 richtten Arend Klaas van Asselt en Theunis Sanders een verzoek aan het markebestuur om een sloot te mogen graven langs de koppen van de sprengen bij de Bakenberg om het regenwater te kunnen afleiden. Op het van de hoogte stromende vuile regen- en sneeuwwater waren ze niet gesteld. Deze wal vormt daar nu nog de grens van de Blekers- of Koppelsprengen. De hier genoemde Theunis Sanders kwam uit Eerbeek en staat daar op een Franse lijst: "Registre de la population de la commune de Loenen” van 9 februari 1813 nog vermeld als "garcon papetier”, woonachtig te Eerbeek, oud 28 jaar.
Omstreeks 1854 komt het Hamermolentje nog steeds voor als "Nieuwe Molen” en is dan een tijdlang gedeeltelijk ingericht tot korenmolen. In 1854 kwam Jan Geerlings er als korenmolenaar. Hij was afkomstig uit Twello en vertrok in 1859 naar Wilp. Geerlings was gehuwd met Wilhelmina Hovens. Er worden twee zoons genoemd Elias en Willem. De laatste werkte in de maalderij, evenals de knecht Jan Willem va: Hondhorst. Allen verhuizen in 1859 naar Wilp.
In 1866 vinden we nog steeds de naam "Nieuwe Molen”. Dit blijkt uit een advertentie in de Apeld. Courant van 7 februari van dat jaar. Men is voornemens in de maand maart te veilen: "De Papierfabriek, ook ingerigt tot Koornmolen, genaamd de Nieuwe Molen, gelegen te Ugchelen. Is inmiddels uit de hand te koop of te huur. Franco te bevragen bij den Notaris Muller te Apeldoorn”. Een latere advertentie (14 april 1866 verschaft meer gegevens. We lezen, dat notaris Muller op zaterdag 21 april "bij inzaag” en zaterdag 5 mei "bij Toeslag” voor de heer P. Kok Ankersmit zal verkopen "de Papierfabriek de Nieuwe Molen met Huis, Bouw- en Weiland te Ugchelen." waaronder ook het houten gebouw op de rechterzijde der beek met hamerbak en waterkracht. Verder o.a. het stenen gebouw en 1 schuur aan dezelfde kant van de beek en de woning aan de grintweg met erf en tuin”. Op 1 december 1866 is er geen korenmolen meer in werking, want dan is er sprake van de verkoop van "23 eiken, 1 kersen- en 1 essenboom bij de vorige korenmolen te Ugchelen”.
Later doet het Hamermolentje weer uitsluitend dienst voor het maken van papierstof en is dan gezamenlijk bezit van een aantal papiermakers. Vandaar ook het in de advertentie van 7 oktober 1882 genoemde 1/ 7 gedeelte in het Hamermolentje bij de aangekondigde veiling van de papierfabriek de Windemolen. Tegen het eind der 19e eeuw brandt de Hamermolen af en gedurende lange ligt daar niets meer en blijft het verval onbenut. In een contract van 1908 – een vernieuwing van dat uit 1815 - en dat weer te maken heeft met het ruimen van dezelfde sprengen - lezen we dat de daarin met name genoemde blekers (dus geen papiermakers!) aandeelhouders en gezamenlijke eigenaren zijn van de "Nieuwe Molensche- en Koppelsprengen”. Het zijn:
1. Johann Gotlieb Preller (de molen Altena)
2. Arnoldus Pieters (de grote Windemolen of "de Hoop”)
3. Cornelis Quartel Leendertszoon (de kleine Windemolen); de aanduiding achter


Waterpapiermolens De Bazemolens met twee raden,
tekening uit 1869 door J. G. Smits (1823—1910).


h28


Merk op de riemkap van Gebrs. Berends, papierfabrikanten op de molen Steenbeek
(Hist. Museum Moerman).

h29

2 en 3 kloppen niet. Pieters zat op de Kleine Windemolen, toen "De Hoop” geheten, terwijl Quartel het wasbedrijf uitoefende op de voormalige grote Windemolen aan de linkerzijde van de beek.
4. Gerritje Berends van Loenen, wed. van Lammert Dijkgraaf (de Bazemolen, vooraan liggende)
5. Willem Uyt den Boogaard Gerrits zoon (de Bazemolen, achteraan liggende)
6. Dirk Kamphuis Senior (Hattem, de Koopmansmolen, d.i. Methusalem)
7. Elberta Geertruida van Tongeren, wed. van Rutger van Zeist (Hattum, de Schutsmolen)
8. Willem Uyt den Bogaard Evertszoon en Cornelis Uyt den Boogaard (Hattum, de Bouwhofmolen)
9. Albert Cornelissen (de Tiemensmolen, vooraanliggende)
10. Dirk Kamphuis Jr. (de Tiemensmolen, achteraanliggende).

Van alle kosten ten behoeve der Nieuwe Molensche- en der Kleine Koppelsprengen gedaan, betaalt ieder een gelijk tiende deel. We lezen verder, dat in de kosten van het ruimen en schoonhouden der sprengen van het Voorslop, eigenaar de heer A. van Houtum Jzn., zowel de eigenaar als een ieder "onderteekenaar dezer akte of opvolger van een gelijk deel” bijdraagt, Wat het Roojan betreft betalen alleen degenen, die van dit water profiteren. In een latere aantekening zonder jaartal staat dat de Roojansprengen zijn "dichtgemaakt”. Natuurlijk was de kleur van het ijzerhoudende water voor de wasbedrijven minder geschikt. Het is merkwaardig, dat in 1908 nog altijd gesproken wordt van de "Nieuwe Molensche” sprengen, hoewel op de plek van het voormalige Hamertje al sinds geruime tijd geen bedrijf meer lag. Pas na 1910 werd daar een wasserij gebouwd, "De Hamermolen”, Hoenderloseweg 155, die waterrecht moest betalen aan de eigenaren der bovengelegen sprengen. Tot voor enige jaren draaide er nog een klein ijzeren waterrad, dat dienst deed voor de compressor. De Hamermolen was toen de enige wasserij in de gemeente Apeldoorn, die van waterkracht gebruik maakte. De wasserij "De Hamermolen” is inmiddels opgeheven, doch het waterrad hangt thans (1967) nog altijd beneden de molengoot.

De Nieuwe of Bovenste Molen, later het Voorslop (kaart l nr. 37)

In 1644 zet de papiermaker Jacob Jacobs de kroon op het werk door dichtbij zijn twee reeds bestaande molens in Ugchelen nog een derde molen te timmeren, het latere Voorslop. Op 10 oktober 1644 tekenen Jacob Jacobs en zijn vrouw Jenneken Reijntgens een stuk, waarin zij verklaren van de geërfden van de Ugchelse mark in erfpacht ontvangen te hebben "een ledige plaetse van omtrent een mudde gesays landts opte Ugcheler beek boven onsen muelen gelegen, om aldaer enen nijewen doch gheen Coornmuelen te setten”. Bovendien nog "stijff twee mudden geseys landts tusschen ’t Uchgelensche beeksken ende ’t kleijne hull achter onsen camp genaemt Bartolts camp om tot landt aen te graeven”. Deze Bartolts kamp, geheten "Het Hoge Hull”, had Jacobs destijds gekocht van de erfgenamen van Anna Bartols. Jacob Jacobs en zijn vrouw verwijzen vervolgens naar de door de geërfden van Ugchelen op 23 februari 1641 uitgegeven erfpachtbrief. Daarin staat, dat door de mark aan hen in erfpacht was uitgedaan "een ledige plaetse van omtrent een mudde geseijts landts opte Uchgeller beeck, genaemt die Steenbeek, boven der Eheluyden muelen gelegen, om aldaer een nijeuwen pampieren off anderen muelen (doch gheenen koimmuelen) te mogen timmeren”. Dan nog "stijff twee mudden geseijs Iiggende tussen ’t Uchgeller beecksken ende ’t cleijne hull, achter Bartolts camp, die Jacobs voorss nu toebehoort om tot Land aen te graven”. De jaarlijkse pacht bedraagt 30 carolus gulden. Het eerste pachtjaar zal "vervallen en verschenen sijn opten iersten dach Meij inden jaer van XVIc twee ende veertich.” Om een ons niet bekende reden moet er echter een vertraging zijn opgetreden, want de ondertekende verklaring van Jacob Jacobs en Jenneken Reijntgens, waarvan het laatste gedeelte met de handtekeningen door een andere hand en met andere inkt is geschreven, staat gedateerd op 10 oktober 1644. Als datum voor de aanvang van het papierbedrijf op het Voorslop kan men derhalve 10 oktober 1644 aannemen.
Uit de handtekeningen onder de brief blijkt, dat Jacob Jacobs - in tegenstelling met zijn vrouw Jenneken - de schrijfkunst niet machtig was en met zijn huismerk tekende.
Op verzoek van het echtpaar wordt het stuk mede ondertekend door de oud rentmeester Huybert Henricks en de burgerhopman Henrick Wijnen. Voor het schrijven "van den erffpachtsbrief van den tweeden molen” van Jacob Jacobs betaalt de mark later een bedrag van 5 gulden aan Henrijck Wijnen. Feitelijk was het niet de tweede maar de derde molen. Voor de stichting van de derde molen (het latere Voorslop) moest natuurlijk de opzet van de Oude Molen (Altena), aangelegd op verval en bijbehorend dijkwerk vanaf de kant van de nieuw te bouwen molen, grondig worden gewijzigd.
Toch wist Jacobs het zo in te richten, dat het water van de nieuwe molen niet ongebruikt in de onderbeek van zijn Oude Molen liep, maar eerst nog op halve hoogte een aantal schoepen van het rad -— nu draaiend op het water van het Hamermolentje - hielp vullen en daardoor de capaciteit van het waterrad deed toenemen. Deze toestand, het lopen op het halve rad, is daar eeuwenlang zo gebleven.
In 1646 heeft Jacob Jacobs blijkbaar de bouwkosten van de molen nog niet betaald, want op 25 juni wordt voor de Bank van Apeldoorn een kwestie behandeld tussen Pouwel Peelen en Jonas Pauwels - vermoedelijk vader en zoon - contra Jacob Jacobs "pampiermaeker”, die voor zichzelf en namens zijn huisvrouw Jenneken Reijners optreedt. Het gaat over "het leveren en doen van opdracht nae Landtrecht” tegen ontvangst van 1000 gulden voor de eerste termijn en betaling van de resterende 2300 gl. "van de pampiermuelen tot Uchelen Iiggende met desselves toebehoren, recht und gerechtigheit”. De hier genoemde Pouwel Peelen zal wel dezelfde zijn, die in het Verpondingsregister van 1648/ 49 vermeld staat als eigenaar en gebruiker van een huis en hof Apeldoorn, waarschijnlijk de boerderij bij Holthuizen. De Mr. Pauwel Peelen, die in 1658 te maken heeft met de pacht van de molen van de papiermaker Cornelis Hendricks in Loenen, is zo goed als zeker identiek met bovenstaande Peelen.
Op 26 juni 1646 - een dag na de kwestie met Peelen - verschijnt Jacob Jacobs opnieuw voor het gericht. Nu is het de timmerman Hermen Henricksz., die van hem betaling eist van 8O gulden en 13 stuivers wegens dagloon "met timmeren verdient aenden meulen ende andersins”. De eis wordt toegewezen. Ook met de geërfden der mark ligt Jacob Jacobs voortdurend overhoop. Hij heeft in 1646 de beek weer opgestouwd en "den elst” (= het elzenhout) daar langs afgehouwen, waartoe hij niet gerechtigd was. De boswaarder der Ugchelse mark krijgt opdracht de verhoogde wallen "in te slichten” en het weer "opmaken” der dijken wordt hem bij boete van 50 gulden verboden. Maar Jacobs trekt zich van dit alles niet veel aan en heeft in 1651 het beekje "uyt de buerschap Uchelen komende” alweer geleid en opgestuwd. De mark treedt nu krachtdadig op en laat de beekdijk op drie plaatsen doorsteken, omdat "door ’t selve graven principaelick het groene velt ten eenenmale bedorven wierdt”. In een request aan het Hof schrijft een verontwaardigde Jacobs, dat het niemand betaamt hem in de "vredige possissie” van de "beeckskens ende stranckskens off well”, in 1639 en 1646 van de rekenkamer verkregen, te "turbeeren”, de dijk van het beekje op vier plaatsen door te steken en het beekwater "tot sijnen grooten schaede” op zijn mestvaalt te laten lopen. We zien, dat Jacob Jacobs - ondanks zijn gerentenier - zelfs in 1651 nog bezig blijft met het verboden opstuwen en omleiden van het beekwater.
De derde molen van Jacob Jacobs komt tot in de eerste helft der 18e eeuw meestal voor als de "Nieuwe Molen”. In 1652 heet hij de "nieuwe pampier Muele”; in 1659 behoort hij tot de "beyde groote molens”, waarvoor jaarlijks 65 gulden erfpacht betaald moet worden aan de mark. De andere grote molen is de Oude Molen (Altena). Zelfs in 1717 lezen we over een stukje grond, gelegen voor de "nieuw molen”. Een tijd later (1736) heet hij de "bovenste molen”. Dan verschijnt langzamerhand de benaming "Voorslop”, die tot op heden gehandhaafd is. Deze - in de loop der tijden verbasterde - naam vinden we daar al veel eerder. In 1649 heeft Jacob Jacobs een morgen grond "int Vorschen Slot”; in 1652 is sprake van "het vorssen slot”. Derck Daniels Schut woont in 1691 op het "Voorslodt”. Met "slot” of "slat” werd vroeger een drassig terrein aangeduid. Vorssen slot betekent dus zoiets als "kikkerpoel”. Later, toen men de juiste betekenis niet meer kende, ontstond daaruit de naam Voorslop.
Omstreeks 1646 komt de nieuwe molen van 4 bakken in ’t bezit van Daniel Jacobs, de zoon van Jacob Jacobs. Zoals we reeds zagen, noemde hij zich naar zijn moeder Daniel Jacobsen Schut. Daniel, die gehuwd was met Geertje Jans (Janssen), fabriceerde wit papier van uitstekende kwaliteit. Op een bewaard gebleven dekblad van een riem papier uit zijn bedrijf - met jaartal 1663 - vermeldt hij: "Dese Fiene Papieren worden gemaekt op de molens van Mr. Daniel Jacobsen Schut”.
In 1668 wil Daniel Jacobsen een schaapschot zetten en schapen gaan houden, doch bij monde van de bosbewaarder Derk Jurriens wordt hem zulks door de mark verboden.
Op 31 augustus van het volgend jaar komt er echter een akkoord tot stand tussen de geërfden van Ugchelen en Daniel Jacobsen Schut, waarbij de laatste vergunning krijgt om op het goed, dat door Geerligh Willems bewoond wordt, drie vierdel schapen (= 75 stuks) te houden. Hij mag een "schot” (= kooi) zetten op eigen grond, maar niet op terrein van de mark. Latere eigenaars van het Voorslop blijven pachters van het goed, want in 1737 betaalt Daniel Schut 10 gulden voor "Jan Geerlighs hofstede”.
Blijkbaar wordt het goed bezit van het Burgerweeshuis te Arnhem, want op 6 augustus 1791 verkopen de huismeesters van dit weeshuis aan Beemt Berghorst en Maria Wassink "het Erf en goed Geerlings hofstede en Veenhuijsen genaemd, bestaande in " Huijs, Schaepschot, Schuur met circa 11 1/2 molder bouwland met de Eijke hegge daerom staende, en een aengemaekte weijde als meede het regt van schaepsdrift, zoo ten aenzien van Geerlings hofstede als Vheenhuijsen”. De koopprijs bedraagt 1450 gulden, benevens de kosten der "reparaties, die thans aan het huijs en de berg geschieden.” Enige jaren geleden is de bezitting Geerlings hofstede eigendom geworden van de fa. Van Houtum, die de daarop staande gebouwen verhuurd heeft aan de "Marba Apeldoorn N.V.”, Hoenderloseweg 78. Door deze aankoop is de‘ geschiedenis van Geerlings hofstede opnieuw verweven met die van het Voorslop. Het stemt tot verheuging, dat de oude benaming daar weer in ere is hersteld. Bij de ingang van het terrein aan de Hoenderloseweg lezen we op een bordje de woorden "Geerlings hofstede”. Een dergelijke handelwijze verdient navolging. Daniel Jacobsen Schut overlijdt omstreeks 1682 en dan vindt in 1698 de al eerder vermelde verdeling der molens onder zijn vijf zoons plaats. Zoon Derk woonde in 1695 al op "het Voorslodt”; diens broer Jan vermoedelijk ook, want de mark stond in 1703 toe de schuur tegenover zijn voordeur "een gebint langer nae sijn huys aen te maken, omdat hij qualyk plaetse hadt in syn schuer, die te klyn was om het voer voor syn vee en syn brant in te leggen”.
In 1708 maakt de papiermaker Dirk Daniels Schut aan de beek boven de molen een "tuyn” (= omheining) om de beesten van de beek te "keren”. Daar er echter op die plek "voor desen nooyt een tuyn gestaen hadt” en deze nu buiten consent der geërfden was gezet, moet Dirk Daniels de omheining "aenstonts wegh breken” en nog bovendien boete aan de mark betalen. De weduwe van Jan Daniels Schut krijgt op 6 april 1717 vergunning om op een stukje grond, gelegen voor de nieuwe molen, "een kamer te setten tot een woninge”.
Op een bijeenkomst der Uchgeler mark van 8 april 1732 verklaarde burgemeester Brantsen van Arnhem en Jan Aerts Sprenkeler, dat door het "excessest” afgraven van de beek "gehele sandtbergen werden opgesmeten”, waardoor niet alleen de markegronden, maar in het bijzonder hun eigen erven veel schade zouden oplopen. Want het was "binnen korten” te vrezen, dat het zand "daer in soude storten”. De geërfden besluiten in de "beecken off graven”, die het water brengen op de molen van Jan Gerrits Hissingh, in tegenwoordigheid van genoemde persoon enige palen te plaatsen en hem te gelasten daar niet voorbij te graven of "enige ingestorte aerde op te smijten”.
De gezworenen en boswaarders der mark krijgen opdracht nauwlettend toe te zien dat de palen niet worden "versedt, verandert off wegh gehaelt”. Om een ons onbekende reden is genoemde Jan Gerrits Hissingh gedurende korte tijd eigenaar geweest van ’t Voorslop. Twee jaar later (30 maart 1734) blijkt de papiermolen in ’t bezit te zijn van Jan Derksen Schut, een zoon van Derk Daniels Schut. Want op die datum vermeldt het markeboek, dat de palen wel op enkele plaatsen zijn gezet, maar niet "in de graven, die het naest aan de erven van de Heer Brantsen en Jan Aerts Sprenkeler waren”. Men besluit dan in de beken bij deze erven eveneens palen te plaatsen en er op te laten letten, dat "niet verder werde gegraven”. Ook zal Jan Derks Schut, "die thans bezitter van de papiermolen is”, in kennis gesteld worden van het besluit van 8 april 1732.
Enig resultaat levert dit niet op, want op 10 april 1736 klaagt burgemeester Brantsen, dat Jan Dirksen, papiermaker op de bovenste molen, nog steeds doorgaat met zijn ongeoorloofd graven. Hem wordt aangezegd, dat hij voor het beekruimen de gezworenen der mark en ook de meiers op de erven van Brantsen, St. Peter en Jan Aerts Sprenkeler eerst daarvan op de hoogte moet brengen. Deze personen zullen dan bij het ruimen aanwezig zijn en erop toezien, dat het werk "ordentelijk geschiedt”. Het Burgerweeshuis en het St. Petersgasthuis te Arnhem hadden aanzienlijke bezittingen in de Ugcheler mark, terwijl burgemeester Brantsen er ook enkele terreinen bezat.
Vandaar dat steeds enige Arnhemmers zitting hadden in het markebestuur, waarvan in die tijd ook burgemeester Brantsen deel uitmaakte.
Jan Derksen Schut blijft de voetsporen volgen van zijn vader en grootvader. Hij trekt zich van alle "resolutien” niets aan en gaat (1738) doodgewoon verder met z’n verboden graverij, waardoor het water "uyt de marckt werde getapt” en de "vaerwegh” naar de naastgelegen erven "seer benauwt” wordt. Bovendien graaft hij tot ver "agter de palen”. De geërfden besluiten, dat - onder toezicht der gezworenen - de boswaarders, al hetgeen achter de palen gegraven is, zullen "insligten en toemaken”. Ze moeten er streng op toezien, dat Jan Derksen (Schut) zich "in toekomende” gedraagt naar de voorschriften der mark.
Op de holtspraak van 28 maart 1738 beloven de gezworenen zich nauwgezet van hun opdracht te kwijten. Deze keer zijn het echter laatstgenoemden, die zich nalatig tonen.
Want op 6 maart 1740 vernemen we, dat "bij oculaire inspectie” was gebleken, dat ze zulks niet hadden gedaan. Hun wordt uitdrukkelijk gelast daarin niet langer "in gebreke te blijven, maar ten spoedigste hetgeen agter de palen te verre is gegraven geweest door de boswaarders onder haar opsigt te doen sligten en behoorlijk toe dempen”. De werkzaamheden van Jacob Jacobs en zijn nazaten aan de Ugchelse sprengen, voornamelijk aan die van het Voorslop, zijn over een tijdvak van ruim een eeuw te volgen. Dan is het sprengenstelsel gevormd, zoals het tot nu toe in hoofdzaak is gebleven. De gronden, waarin de gegraven koppen liggen, zijn van de mark verkregen, maar de erfpacht van het water is door de rekenkamer uitgegeven. Jan Derks Schut woonde in 1747 nog op het Voorslop met zijn zuster Cornelia Derks Schut. Vermoedelijk was hij vrijgezel. Hij had toen 3 knechts, evenals in 1749. Jan Derks Schut komt in de belastinglijsten voor tot 1765, dan verkoopt hij zijn papiermolen aan Harmen Kop, die in het volgend jaar op de molen zit. Harmen Kop was in 1747 papiermakersknecht op de Windemolen, daarna had hij in 1764 - samen met Hendrik Cornelis gedurende één jaar de Tepelenberg "bewerkt”, zoals men dat toen noemde. Harmen Kop vinden we in 1781 nog op het Voorslop, dan zet zijn weduwe Luitje Meijerink het bedrijf voort. Er worden in 1808 vijf soorten papier gemaakt. Gunning noemt omstreeks 1813 nog de weduwe Kop op het Voorslop. De erfgenamen van de wed. Kop verkopen in 1822 de 4 baks papiermolen voor f 2571 aan Lipman van Rees, die toen eigenaar en bewoner was van een der molens van Waterloo. Misschien zijn Jannes en Gerrit Kop, zoons van Harmen Kop, na de verkoop nog korte tijd werkzaam geweest op het Voorslop. Jannes Kop kreeg in 1834 van de mark in pacht een stuk grond van 42 Ned. roeden bij de Kerkbrug over de bovenbeek van de Hamermolen "ten westen en zuiden de beken, ten noorden de Kerkbrug, ten oosten de mark”. Hiermede werd het stuk land langs de beek aangeduid, dat vanaf die tijd als "Kops wei” bekend stond en dus naar Jannes Kop heette. In 1823 heeft Lipman van Rees op het Voorslop 4 knechts in dienst, er werden 6000 pond lompen verwerkt. In 1841 brandde het Voorslop af, waarna de restanten op 6 oktober 1842 door aankoop in het bezit kwamen van de Apeldoornse koopman Frans Dikschei. Op 19 augustus 1843 is sprake van de nieuw aangelegde papiermolen, die door Dikschei op 14 februari 1844 voor 4000 gulden verkocht wordt aan de papiermaker Jan van Houtum van de bovenste Bazemolen (kaart nr. 31). Reeds in 1843 had J. van Houtum grond bij de nieuwe molen gepacht van de Ugcheler mark en hamerbakken gekocht van Derk Boks, voormalig papiermaker op de Ruitersmolen te Beekbergen. Het Voorslop is vanaf het begin in het bezit gebleven van slechts enkele papiermakersfamilies en we vinden hier dan ook niet een komen en gaan van telkens weer andere eigenaars. In de ruim drie eeuwen van zijn bestaan hebben feitelijk maar drie families het Voorslop bewerkt, namelijk Schut, Kop en Van Houtum. De afstammelingen van Geertje Schut van 1644 - 1765, de Kops van 1765 - 1822 en de Van Houtums sinds 1844. Een "Lijst van Werklieden in de Fabriek van J. van Houtum Az. te Ugchelen over de Jaarre 1844” en verder doorlopende tot 1864, noemt over het eerste jaar een negental namen van papiermakersknechts, waaronder vier, die op 4 februari al in dienst gekomen waren, dus nog voor de aankoop van de molen. A. Dijkgraaf kwam 20 oktober 1845 als knecht, doch verdween reeds drie dagen later. Wel een bijzondere kortediensttijd. In een boekje, dat van 1860 dateert, vermeldt de "buurtmeester” J. van Houtum Azn de namen van al de ingezetenen van Wijk Ugchelen met die van hun gezinnen en dienstpersoneel. We lezen, dat de papierfabrikant Jan van Houtum gehuwd is met Sophia Sibilla van Dodeweerd en drie kinderen heeft: Arnoldus, Jacob en Aartjen Johanna. Er zijn 5 knechts en 2 fabriekarbeidsters (Antje Pannekoek en Mientjen Boekaart). Bij het doorbladeren van het geschrift zien we - het is reeds eerder vermeld - dat in mei 1858 bij de papierfabrikant Johannes van Delden op Steenbeek als papiermakersknecht in dienst is gekomen Willem Kramer uit Ootmarsum. De Kramers (Cramers) hadden daar in de buurschappen Hezinge en Mander een vijftal waterpapiermolens. Waarschijnlijk is deze Willem naar Ugchelen gekomen om zich op Steenbeek verder in het papiermakersvak te bekwamen. Bernardus Kremer (Cramer), advocaat te Ootmarsum, had in 1711 in de buurschap Mander de eerste waterpapiermolen in die omgeving gesticht. Het waren echter Apeldoornse papiermakers - en ook iemand uit Vaassen - die de kunst van het papiermaken naar Mander brachten. In 1844 kocht H. G. D. Cramer de Berghuizerpapierfabriek, gelegen op de Grift te Wapenveld. Dit bedrijf is in de loop der jaren uitgegroeid tot de Berghuizer Papierfabriek v.h. B. Cramer N.V.
Jan van Houtum, die ook aan de Tiendaagse Veldtocht van 1831 had deelgenomen en daarvoor het metalenkruis verwierf, was in 1872 president van de toenmalige "Vereeniging van handpapierfabrikanten genaamd Marten Orges”. In 1874 kocht hij te Loenen aan de Vecht een windmolen voor het in beweging brengen van een tweetal hollanders tot verhoging der produktie. De molen zou 1 november 1874 in werking komen. Het beekwater bleef echter de krachtbron vormen voor de hamerbakken. Een tijdlang was het Voorslop dus een gecombineerd bedrijf voor water- en windmolen, een zogenaamde watervluchtmolen. Op een schilderij van G. ten Pas uit 1896 komt de windmolen nog voor. Tevens zien we een fabrieksschoorsteen boven het geboomte uitsteken. Want toen had de stoom ook al zijn intrede gedaan op het Voorslop. Op 24 augustus 1891 was namelijk aan J. van Houtum en Zoon vergunning verleend tot het oprichten van een "horizontale locomobile” van 6 pk voor het maken en koken van grondstoffen en het drogen van papier. Binnen 6 maanden na dagtekening kwam de "Locomobile” in werking. De schoorsteen moest minstens 16m hoog zijn. Toch bleef de handpapiermakerij - naast de machinale papierbereiding - tot ongeveer 1921 in stand. Toen kwam de eerste eigenlijke stoommachine de hamerbakken verdrijven, waarvan er tot die tijd een zestal in werking waren gebleven.
Inmiddels had in 1880 een der belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van het Voorslop plaatsgevonden. De Firma J. van Houtum en Zoon - de zoon Arnoldus (1845 - 1921), gehuwd met Jacomina, dochter van Johannes van Delden op Steenbeek.
was in het bedrijf opgenomen kreeg 1 april 1880 opdracht tot het leveren van papier voor de vervaardiging van bankbiljetten. Sindsdien maakt men te Apeldoorn bankpapier, dat heden ten dage gerekend wordt tot het beste ter wereld. Toch was omstreeks 1840 reeds te Apeldoorn papier voor bankbiljetten gemaakt op de papierfabriek van J. H. Ameshoff, gelegen op de Grift (kaart nr. 12).
Op 31 maart 1928 vond op het Voorslop een niet alledaagse huldiging plaats. Toen waren Joh. Jonker (Hans Jonker) en H. Vels vijftig jaar in dienst der firma. Aan beide werknemers werden ’s morgen op de fabriek door de heren Van Houtum onder het uitspreken van enige "toepasselijke woorden” enveloppen met inhoud ter hand gesteld. Ook mevr. van Houtum-van Delden gaf blijk van haar belangstelling door "het aanbieden van een enveloppe met inhoud”. De Kamer van Koophandel vereerde de jubilarissen een diploma in lijst en een medaille, terwijl van "verschillende andere zijden taarten en bloemstukken werden aangeboden”. Voor H. Vels bleek de drukte al gauw te veel te zijn en men moest hem toen "maar stilletjes” naar huis laten gaan. De "altijd montere Joh. Jonker gaf echter geen kamp” en nodigde al zijn patroons en collega’s met hun vrouwen of meisjes in de zaal van U(ghelens) B(elang), om daar een genoeglijk avondje door te brengen. Van dit aanbod werd druk gebruik gemaakt en de zaal was ’s avonds geheel bezet. Tijdens de tractaties werd "een onuitputtelijke stroom van voordrachten, toneelstukjes, muziekstukken” ten beste gegeven. De jubilaris zat te midden der feestvierenden in "een met groen en bloemen versierde makkelijke stoel”, een geschenk van de werknemers op de fabriek. De muziekvereniging "Kunst na Arbeid” bracht voor het gebouw de heer Jonker een serenade. De voorzitter complimenteerde Jonker met zijn zeldzaam jubileum. Hij wenste patroons en werknemers geluk met dit feit "daar dit voor beiden een eer was”, voor de patroons doordat deze bewezen humane werkgevers te zijn, en voor de werknemers wegens hun "vijftig jaar lang volgehouden trouwen arbeid”. Zijn woorden werden met een "langzal hij leven” door de muziek onderstreept. Toen kwam een rijmelaar uit Ugchelen naar voren, die het volgende "liedje” ten beste gaf:

Heel ons dorpje staat op stelten,
Alles is in rep en roer,
En de lucht is zwaar bezwangerd
Door een prettig feestrumoer.
leder zingt "Lang zal hij leven
Iedereen is stapel dol.
Narigheid heeft men verbannen
Alle hoofden slaan op hol.

’t ls ter eer van Hannes Jonker,
’t Is vandaag zijn gouden feest,
Daar hij vijftig jaar in betrekking
Bij één firma is geweest.
Hulde voor zoo’n trouwe werker
Alle eerbied voor dien man.
Daar hij ons in ’t verder leven
Wel tot voorbeeld strekken kan.

De voorzitter van U.B., de heer J. W. Witteveen huldigde eveneens Jonker en Vels.
Vooral Jonker noemde hij een persoonlijkheid in Ugchelen. "Zonder Jonker was Ugchelen niet compleet”. Verder werd Jonker o.a. nog toegesproken door een diaken der Ned. Herv. Kerk, die hem schetste als een plichtsgetrouw lid zijner kerk. Precies 3 half twaallf maakte de ceremoniemeester een eind aan de feestvreugde "daar men op 1 verzoek van den jubilaris voér twaalf uur eindigen zou”.Een prettige avond was daarmede geéindigd en de "gulle royale wijze waarop ! Joh. Jonker als gastheer zijn gasten ontving, zal niet door hen worden vergeten”.
Deze avond had tevens "weer eens aan zoovelen getoond, dat men ook zonder sterken drank wel gezellig en pleizierig bijeen kan zijn”. Hans Jonker heeft later op een geheel eigen wijze en stijl onder de titel "Voorheen en thans” een bijzonder aardige beschrijving gegeven van het oude Voorslop en over het niet gemakkelijke leven op de vroegere papiermolen. Ik geef enkele gedeelten uit dit met beverige hand geschreven briefje in Jonkers eigen woorden weer.
"Het Vabrik was in planken opgetroken en had een strojen dak, het Woonhuis was van steen, en de Boerderij was weer van planken, het Woohuis was boers”. Onder de ouderwetse schoorsteen stookte men een vuur "dat wir aangeleg met plakken” (= plaggen). Om het vuur bevond zich een grote plaat, "daar konje op zetten en die weeren dan werm, en daar zat de baas met de knegs omheen.” Jonker spreekt steeds van de baas en vrouwe. De kinderen "Nolle en Aartje” hadden het niet gemakkelijk.
Ze moesten ook in het bedrijf werken en "kouw lyjen net zoo goed als het volk.” Nadat hij verteld heeft over de natpers zegt Jonker, dat de "kuipjongens” in zijn jeugd niet elke dag werk hadden wegens gebrek aan voldoende stof, want er was maar één stofbak. "Maar als die kuipjongens niet konden werken kreegens ook niet betaalt dan haddens 3 Gulden in week”. Later kwam er "uitkomst, in 1874 wier de Windmolen gebouw, toen ging het beter, maar toen moesten wij de stof dragen naar het beekhuisje, daar kwam het in een grote ton en als die vol was, dan werd toegemaak met twee grote dekzel”. In het midden zat een rond gat met een loden "pipe”, die van de stookpot kwam. In deze pot bevond zich bruinsteen met zoutzuur "en daar moest onder gestook worden, en moest ik doen met hui (= hooi). Een uur stoken was voldoende en de volgende dag was "de stov wit”.
Jonker gaat gezellig door met z’n verhaal en komt naar aanleiding van het strodak op de molen met de vraag: "Maar zal iemand vragen uw sprak van een strojen daak op de Vabriek, was dat niet gevaaluk, met brant”. De schrijver geeft een geruststellend antwoord. Men was 0p het Voorslop altijd heel voorzichtig. Doch toen de nieuwe molen (= Hamermolen) afbrandde, werd het "wel gevaarluk, het volk lij toen maar grote zijlen op het dak en wier nat gehouden en zoo bleven wij vrij.” Dan voert Jonker de geheimzinnige figuur van Wettink uit de legende van de achterste molen ten tonele, doch haspelt daarbij de zaken wel erg door elkaar.
"Maar zal iemad vragen hoe dat de Niewen avbrande, wel dat zal ik uw zeggen dat heev Wettik gedaan, want hij zat nog boven in de haannebalken toen Molen nog brande, hij was te gevaaluk en toen hebben hem maar weg gebrag, maar hij kwam zo weer en dan haalde hij de menschen het spek uit de pot en dan dan dee een stuk turf weer in”. Het zal wel waar zijn, schrijft Jonker, want ik heb het in een boekje gelezen.
"We behoeven echter niet bang meer voor Wettik te zijn”, zo gaat hij verder "want een pastoor uit Loenen heev hem begraven in de Ucheluse bos van daar de naam Wettikbusje”.
We laten Wettink daar maar rustig liggen en luisteren nog even naar het verhaal van Jonker over het Voorslop. In plaats van een strodak kwamen er pannen op de fabriek; er werd een knopenmachine geplaatst, waarvan het ijzeren rad met de hand gedreven moest worden. Er zat een zeef in, die elke avond door Jonker buiten schoongemaakt werd "of het kouw was of niet moes gebeuren”. In de zomer hinderde dat niet, maar ’s winters "dan kreeg ik zulke kouwe handen”.
Later toen Jonker "al groot” was geworden, kwam hij bij de baas en vrouwe in de kost. Hij verdiende 65 gulden per jaar en had "een goed koshuus”.
Naast de deur van de molen bevonden zich twee bedsteden "een voor mij een voor de boerenkneg”. ’s Morgens was het voor Hans Jonker steeds om half vijf opstaan geblazen, want op dat uur diende hij de deur voor het volk ontsloten te hebben en "dan moest ik ook beginnen”.
De kuipjongens werkten tot 3 uur, doch voor Hans Jonker was de dagtaak lang niet ten einde. Het reinigen van de knopenmachine en van "dat zeev daar de stof op kwam”, dat in de buitenlucht geschiedde, lag nog op hem te wachten.
Over de vervaardiging van het "Geldpapier” wil hij zich niet uitlaten "dat blijv een gehiem voor degenen die het niet weet”. Hij eindigt zijn leuke verhaal over het Voorslop met de woorden: "nuw hebs vertelt van het ouw, het nuwe kunt uw alle dagen men .
Het merkwaardige stuk was getekend: "De ouwe papiermaaker J. Jonker.” Met het aanhalen van enkele gedeelten uit de huldiging van Jonker en Vels en het verhaal van Hans Jonker heb ik niet alleen iets willen mededelen over het Voorslop, maar is het tevens mijn bedoeling geweest de aandacht te vestigen op het "volk” in de Wasserij Altena te Ugchelen in 1938.

Op deze plek stichtte Jacob Jacobs in 1613 de eerste papiermolen in Ugchelen.
Op de voorgrond de beek van het Voorslop, waarvan het water vroeger tegen de onderste schoepen van het rad liep en zodoende het vermogen hielp vergroten.
Van dit lopen op het halve rad geeft de afbeelding een duidelijk beeld.







h31



Jacob Jacobs en zijn vrouw Jenneken Reijntgens verklaren op 10 oktober 1644, dat zij van de geerfden van Ugchelermark de erfpacht verkregen hadden van een "ledige plaetse . . . opte Uchgeler beeck” boven hun molen gelegen, teneinde daarop een nieuwe, doch geen korenmolen te timmeren.
Op deze plek is toen de Nieuwe Molen, later het Voorslop geheren, gesticht.



h32


Merk op de kap van een riem papier, die in 1663 vervaardigd werd op een der drie molens van Daniel Jacobsen Schut te Ugchelen.


h33

molens. Zij aan zij met de papiermakersbazen hebben deze werksters en werkers - vroeger knechts en meiden genoemd - in harde en nauwgezette arbeid het Veluwse handpapier gemaakt tot een alom in den lande en daarbuiten bekend en gevraagd produkt. Een aardige bijzonderheid is, dat het Veluwse papier ook bij uitstek geschikt bleek te zijn voor het maken van knipsels. De knipselkunst werd vooral in de 176 en 1 18e eeuw in ons land veel beoefend. Prachtige voorbeelden daarvan zijn nog in onze musea te zien. Bekend is o.a. het knipwerk van Johanna Koerten, huisvrouw van Adriaan Blok, die zo trots op de kunst van zijn vrouw was, dat hij in 1686 een bundeI lofuitingen, geschreven door haar vele klanten en bewonderaars, publiceerde. Johanna Koerten zelf vertelde dat men de knipsels het beste kon knippen uit "Veluws papier” en dat het verkregen werkstuk het meest tot zijn recht kwam op "blauw suikerbakkerspaplel‘ .
Op 8 mei 1967 bezocht koningin Juliana tijdens een werkbezoek aan de gemeente Apeldoorn ook het Voorslop te Ugchelen, waar zij tijdens een rondgang "veel belangstelling toonde voor het apparaat, dat de watermerken in het Nederlandse bankpapier aanbrengt”. De rondleiding in de fabriek werd voorafgegaan door "een korte theevisite in een knus vertrek”, waar de directeur Jac van Houtum "zonder enig spoor van verlegenheid of aarzeling een verhaal afstak over de fabricage van waardepapier. De Koningin onderbrak hem herhaaldelijk met geinteresseerde opmerkingen, die de heer Van Houtum geen moment van zijn stuk brachten.” Aldus de Nieuwe Apeld. Courant van 9 mei 1967.
Het wordt thans tijd ons verhaal over het Voorslop te beéindigen. De eenvoudige 4 baks papiermolen van Jacob Jacobs, waarop men vanaf 1644 tot op de huidige dag steeds papier heeft gemaakt, is - in combinatie van de papierindustrie Brouwersmolen der Fa. Gebr. Palm - onder de naam "Papierfabriek Van Houtum en Palm N.V.” uitgegroeid tot een der modernste machinale papierbedrijven hier ter plaatse. Het is thans het oudste papierbedrijf in de gemeente Apeldoorn.
Tegen een der muren van de fabriek in Ugchelen prijkt weer de oude naam "Voorslop”.
Hiermede heeft men de herinnering aan en de verbondenheid met een rijk verleden tot uiting willen brengen.

De oudste kern van Ugchelen

Bij het gedeelte van de buurt Ugchelen in de omgeving van de sprengen van het Voorslop moeten we even stilstaan. Want hier "achter in Ugchelen” lagen de oude boerderijen met de aangrenzende bouwlanden van de "grote enk”, het oudste deel en de eigenlijke kern van de buurschap. Op deze "hoek” niet ver van de tegenwoordige Cantharel gingen de vroegere wegen over Assel naar Harderwijk, langs en door de enk (Mettaweg) naar Apeldoorn, op Beekbergen (via Kerkbrug) en naar Otterlo (door de vallei). De huidige weg op Hoenderlo, met een dijk en duiker dwars over het diepe ravijn, is echter een verbinding uit de vorige eeuw die een eind langs en nergens door de oude nederzetting loopt. In april 1740 vervaardigde de landmeter G. Verbeek een kaart van de bezittingen van het St. Petershuis te Arnhem, die gelegen waren in de Ugchelse enk. Op deze kaart komt een groot deel voor van de oude kern van Ugchelen. Vergelijken we de tegenwoordige toestand van dit terrein met die van 1740, dan blijkt dat de kaart van Verbeek nu nog heel goed als wegwijzer gebruikt kan worden en dat bijna de gehele oude Ugchelse enk met zijn woonhuizen, bouwlanden, enkwallen en wegen daar ter plaatse is terug te vinden.

Laten we maar eens de Mettaweg te Ugchelen inslaan waar al gauw het huis "Prinsenberg” bereikt wordt, gelegen op de splitsing Mettaweg - Van Heeckerensweg. We blijven echter op de Mettaweg; gaan even een stukje bos door en zien dan plotseling de vroegere enk van Ugchelen voor ons liggen. De weg, waarop we staan, komt op de kaart van Verbeek voor als "den Apeldoornsen of plagh wegh” en is nu nog niet veel beter dan een plaggenweg. Deze "plagh wegh” vormt een overblijfsel van de oorspronkelijke oude weg, die van de buurschap Ugchelen naar Apeldoorn leidde. Links in de verte ligt het vroeger bezit van het St. Petersgasthuis, thans het landbouwbedrijf van Melissen. Op de achtergrond - tussen het bos en de bouwlanden - loopt de prachtige begroeide enkwal, die daar nog geheel intact is gebleven. De sprengen van het Voorslop zijn op de kaart niet ingetekend, het terrein wordt aangeduid met "de Sprengen”.
Een perceel grond ten westen van dit sprengengebied herkennen we als de Cantharel met omgeving. De tegenwoordige van Goldsteinlaan heet in 1740 "Den Bekbergsen Wegh”.
Het St. Petersgasthuis en het Burgerweeshuis te Arnhem bezaten ieder een boerderij in de Ugchelsemark. Het gasthuis was er eigenaar van het eerder genoemde goed St. Peter, binnen de enk gelegen. Reeds in de eerste helft der 16e eeuw komt het gasthuis door aankoop in het bezit van goederen binnen het ambt Apeldoorn o.a. in Beekbergen (Gasthuismolen) en eveneens in de buurschap Ugchelen. Zoals we al zagen, kocht in 1566 het St. Petersgasthuis een "saelweer” (= grond met huis) in Ugchelen, waarbij inbegrepen was een stuk land "streckende aan die beeck”.
Aan het Burgerweeshuis behoorde de "Wezenhof”, die buiten de eigenlijke enk lag, waar nu het huis Van Golsteinlaan 26 staat. Wel komt de naam Wezenhof tegenwoordig voor op een ander huis daar in de buurt, doch dit ligt helemaal niet op de plek, waar eens de Wezenhof stond. Deze bezittingen gaven ieder der bovengenoemde instellingen recht op een vol deel in de Ugchelse mark, die uit 5 delen bestond.
Vandaar dat we geregeld Arnhemmers aantreffen onder de geërfden van de mark van Ugchelen.
Het is vooral te danken aan de stichting der papiermolens (Altena, Windemolen, Bazemolen en Steenbeek), dat in Ugchelen nieuwe centra van bewoning zijn ontstaan en de bevolking zich heeft verplaatst en uitgebreid. Ugchelen groeide daardoor uit tot een echte papiermakersgemeenschap.
De naam Ugchelen komt het eerst voor in een schattinglijst van ca. 1326, waarin we lezen van een zekere Metta van Ugchelen. Naar deze vrouw, over wie verder niets meer vermeld wordt, is de Mettaweg genoemd.




De papiermolens in de Lierdermark te Beekbergen

De Tullekensmolen (kaart l nr. 38)

De geschiedenis van deze molen brengt ons in aanraking met Marten Orges, die - evenals zijn kinderen Daniel en Paul Martens en zijn stiefzoon Jacob Jacobs een voorname rol heeft gespeeld in het papierbedrijf binnen het ambt Apeldoorn. Over zijn afkomst is tot op heden niets bekend. Voor het eerst komen we hem in 1601 tegen te Beekbergen. Op 22 februari van dat jaar verpachten de huismeesters van het St. Petersgasthuis te Arnhem hun volmolen op de Beekbergerbeek (kaart nr. 38) voor 12 jaar aan Marten Orges "tot een papieren meulen”. Orges moet ieder jaar op Petri (22 febr.) een pachtsom geven van 25 daalder. Bij "quade betaelinge” zal men hem echter van de molen "mogen ontsetten sonder eenich tegenseggen”. De huismeesters zullen de molen laten vertimmeren en ook een "camerken daerin setten met een schoorsteen op haere costen”. Het molenwerk - en al wat daarbij hoort - moet de pachter daarentegen zelf betalen "ende voorts alles zowel het huys als anders” goed onderhouden tot aan het einde der 12 pachtjaren.
De hier vermelde volmolen is dezelfde, waarvoor hertog Karel van Gelre in 1535 vergunning tot het stichten had gegeven. Over de papiermolen van Marten Orges horen we - behalve omstreeks 1613 - pas weer in een proces, dat in 1625 tussen Orges en het Gasthuis gevoerd wordt voor het Hof van Gelderland. Hieruit blijkt, dat Marten Orges van de huismeesters een grote en een kleine molen heeft gepacht en een jaar met de pachtbetaling ten achter is. Hij wordt veroordeeld om te komen "in naerde handelunge van nieuwen pacht” of de onkosten te vergoeden en de grote molen te verlaten. De grote molen is de papiermolen van 1601 en de kleine molen moet de daar beneden in 1606 gestichte molen (nr. 39) zijn geweest, waarover we straks meer zullen vertellen.
Marten Orges is op 9 september 1626 overleden. Op zijn grafzerk in de Ned. Herv. Kerk te Beekbergen bevindt zich een drietal figuren die misschien met zijn weduwe en met zijn beide zoons Paul en Daniel Martens te maken hebben. Het grafschrift op de zerk luidt: "anno 1626 den 9 september is inde Here gherust Meister Marten Orges, den olsten pappyeremaecker ghewest in Gelderlandt.” Bij zijn overlijden moet hij de oudste der toenmalige Gelderse papiermakers zijn geweest. Zoals we in het voorafgaande zagen, was hij beslist niet de eerste. Die eer komt aan Hans van Aelst toe.
Uit een akte van 1618 blijkt, dat de ene zoon van Orges - Daniel Martens - niet kan schrijven maar in plaats van een handtekening een merk gebruikt, waarvan varianten voorkomen op twee latere akten (uit 1626 en 1629). Het merk uit 1629 is ongeveer gelijk aan de ene figuur beneden op de grafzerk. Ook "Geerken Schut, die wed.frou van zalige meyster Marten Orges”, was de schrijfkunst niet machtig en tekende in 1629 met haar huismerk, dat een handboog voorstelt. Deze handboog, die dus niets met Orges zelf te maken had, vinden we op de zerk naast het merk van haar zoon Daniel. De bovenste figuur zou dan moeten duiden op de andere zoon Paul. Het is waarschijnlijk dat op de grafzerk de initialen staan van de echtgenote en beide kinderen van Orges,doch volkomen zekerheid bestaat hierover niet.
De handboog moet in verband staan met de naam Schut. Deze benaming komt in Gelderland reeds voor in 1450. Schutten zijn in de 14e eeuw kringknechten te Arnhem. Tegenwoordig wordt een jachtopziener nog wel "schut” genoemd. Een akte van 20 juli 1637 laat ons zien, dat Marten Orges en Geertje Schutten op 18 maart 1611 aangekocht hadden een herengoed in het kerspel Beekbergen, genaamd Boenincx Erve. Dit goed komt onder de benaming Beuninck- of Beuninks erf al voor in een Gaakorenregister uit 1488. In 1637 draagt Geertje Schut het Boenincx goed over aan haar kinderen Jacob Jacobs en Pouwel Martens "dat sy beyde even nae daertoe gestelt mochten worden.” Het Beuninksgoed vinden we in 1672 op naam staan van de erfgenamen van Paul Martens en Daniel Jacobs.




… dit is het Merck van
Geerken Schuts die wed-
frou van zalige meijster
Marten Orges (1629)


Geertje Schut was eerst gehuwd geweest met Jacob Lucas. Uit deze echtverbintenis was de zoon Jacob Jacobs geboren. Later hertrouwde zij met Marten Orges. Uit dit huwelijk stammen de twee zoons Daniel en Paul, die dus stiefbroeders waren van Jacob Jacobs. Behalve het Boenincxgoed behoorde ook het Voortakkers- of Buurmanserve te Beekbergen aan Marten Orges. Het stond in 1672 gedeeltelijk op naam van Orges’ kleinzoon Daniel Pauls, papiermaker in "Klyn Hattem”. Eén der 17 delen in de Lierdermark was in 1819 nog als "Geertje Martens deel” bekend (naar Marten Orges vrouw Geertje Schut).
In het kort laten we nog enkele gegevens volgen over Marten Orges en zijn kinderen.
Enige daarvan zijn in het voorafgaande reeds vermeld. Orges timmert in 1606 een tweede papiermolen te Beekbergen. Hij krijgt in 1613 de erfpacht van ’t water van een zeker beekje in Ugchelen om daarop ten behoeve van zijn stiefzoon Jacob Jacobs een papiermolen te leggen.
De oudste zoon van Orges - Daniel Martens - mag in 1618 in Ugchelen - dichtboven de in de Wormingermark gelegen papiermolen van Jan Jansen - een papiermolen timmeren (de latere Bazemolen). Hij koopt in 1626 de molen van Caspar Weydeman op de Orderbeek. Daniel overlijdt in 1636 met al zijn kinderen. De naam van zijn vrouw is ons niet bekend.
De tweede zoon Paul Martens koopt in 1625 de papiermolen van Jan Jansen op Klein Hattem, waarvan in 1672 zijn zoon Daniel Pauls eigenaar is. Paul Martens leeft nog in 1654.
Hoewel Marten Orges niet de eerste papiermaker op de Veluwe is geweest - en evenmin van Apeldoorn - moet hij met de Van Aelsten gerekend worden tot die Apeldoornse papierbereiders uit het begin der 17c eeuw, die de naam van het Veluwse papier overal bekendheid hebben doen verwerven. Zijn grafzerk in de kerk te Beekbergen lag vroeger in de vloer van het bedehuis en dreigde door afslijting geheel vemield te worden. Op aandringen van Jan van Houtum - papiermaker op het Voorslop in Ugchelen en toentertijd kerkmeester te Beekbergen - is de zerk omstreeks 1900 in de zuidmuur aan de koorkant gemetseld.
De waterpapiermolen in het Openluchtmuseum te Arnhem - geschenk der Veluwse papierfabrikanten - heet naar Marten Orges. De molen is echter geen getrouwe copie van Orges’ molen, evenmin van een papiermolen uit de 17e eeuw. Er bestaat geen enkele afbeelding van een der molens van Marten Orges; niemand kan zeggen hoe ze er hebben uitgezien.
We keren thans terug tot de papiermolen van 1601 op de Beekbergensebeek. Op 3 december 1622 verklaart 113) Diderick van Essen, dat hij omstreeks 1613 met Marten Orges gereisd is naar de huismeesters van het St. Petersgasthuis te Arnhem in verband met de verlenging der erfpacht van grond en water van zijn papiermolen en op welke grond hij tegenwoordig woont, zulks tegen een jaarlijks bedrag van 26 daalder (in 1601 werd 25 daalder berekend). Marten Orges woont in 1613 dus bij zijn eerst gestichte molen in Beekbergen.
Uit een getuigenverklaring uit 1622 van de timmerlieden Mr. Jan Everts en Hermen Henrikx vernemen we dat zij "lange jaeren herwaerts Mr. Martens Muelen ende alle die omliggende pampierenmuelen, ende voertnamentlick Mr. Jan die ses nhije muelen daerbij, ende ellick bisonder nhien gelacht ende vertimmert” hebben. Hieruit blijkt, dat beide mannen ook molenbouwers waren en niet alleen de molen(s) van Orges timmerden, maar eveneens een aantal later in de omgeving gestichte papierbedrijven.
Hermen Henrikx is degene, die in 1646 een geschil heeft met Jacob Jacobs over de betaling van 8O gulden en 13 stuiver voor timmerwerk aan de molen het Voorslop in Ugchelen. De twee timmerlui Everts en Henrikx zeggen verder "seer goede kennis” te hebben van de molengronden en beken, omdat zij "daechlicx” daarmede doende zijn. Ook vertellen ze, dat de Beekbergensebeek "een harde lopende beecke” is. Na het overlijden van Orges in 1626 komt de papiermolen in het bezit van zijn weduwe Geertje Schut, die dan de waterpacht - met die voor huis en grond - aan het Gasthuis blijft betalen. Later worden haar zoons Paul Martens en Jacob Jacobs eigenaars van de molen op de Beekbergense Beek, want op 20 juli 1637 114) verpachten de huismeesters - met ingang van 1 mei 1638 - voor 12 jaar aan Pouwel Martens en Jacob Jacobs "kinderen van Geertje Schutten, wed. van Mr. Marten Orges zal. en hare Erven, des Gasthuijses meulenwaeter met het huijs en hoffstede, gelegen tot Beckbergen, so zij van haer moeders voorss. ercregen, tegenwoordich sijn gebruickende”.
De pacht bedraagt per jaar 60 caroli gulden, heel wat meer dan Marten Orges in 1601 moest geven. De in die tijd overal optredende pachtverhogingen - vooral in Loenen zullen we dat straks zien - waren een gevolg van de verbazend snelle groei der Veluwse papierindustrie en de daaruit voortvloeiende behoefte aan geschikte waterkracht. In steeds toenemende mate probeerden gegadigden zich te verzekeren van ’t recht op het gebruik van het water der bestaande beken, of - indien zulks niet » mogelijk was - vergunning te krijgen voor het graven van nieuwe sprengen en beken. .
Dit alles vormt een duidelijk bewijs voor de grote betekenis van de toenmalige handpapiermakerij te Apeldoorn en elders op de Veluwe. Behalve de pachtbetaling voor water, huur en grond, zijn Paul Martens en Jacob Jacobs ook verplicht het houten bruggetje over de beek boven de molen op hun kosten te onderhouden. Met toestemming van de huismeesters dragen de beide stiefbroers op 6 maart 1645 de pacht over aan Bastiaan Otten. In 1649 blijkt het Gasthuis "Eygenaer” te zijn en Janus Otten pachter van het huis en hof van 1/2 schepel "en de pampiermolen van 4 backen”. Er staat bij: "Den molen kompt Janus Otten, uitgenomen ’t vlottwerck”. Eerst wordt verteld, dat het Gasthuis eigenaar en Janus Otten pachter is van de papiermolen terwijl men even later zegt, dat "den molen kompt Janus Otten”, uitgezonderd het vlotwerk.
Dit is duidelijk met elkaar in tegenspraak. Waarom het vlotwerk niet aan Otten behoorde wordt ons niet duidelijk gemaakt. Iets dergelijks kwamen we tegen bij de geschiedenis van de Monnikhuizer korenmolen op de Grift te Apeldoorn (kaart nr. 14).
De hier genoemde Janus is dezelfde als de Bastiaan uit 1645. Hij moet voor 1676 zijn overleden, want in dat jaar is Willemtjen Tonis, huisvrouw van Bastiaan Otten nog 130 gulden pacht schuldig.
Op 6 maart 1679 gaat de water- en grondpacht van de eerste papiermolen in Beekbergen over aan Willem Tulleken en diens vrouw Johanna Otten. In die tijd zal de naam "Tullekensmolen” zijn ontstaan. De Apeldoornse scholt laat op 5 juli 1724 ten verzoeke van Nicolaes Vorster, koopman te Arnhem, beslag leggen op het derde part van twee papiermolens in Beekbergen,  het erf en goed Praastinck, waarvan dan Jacob Derksen Broekhuijs pachter is en tevens op alle ongerede goederen van Everhard Tulleken in het ambt Apeldoorn "om daer aen te verhalen” een bedrag van 334 gulden en 1 stuiver wegens in 1722 geleverde en niet betaalde lompen. De linnen lompen vormden in die tijd de grondstof voor de papierbereiding. Een rijmpje van die dagen spreekt over het maken van het handgeschept papier

"uit afgesleeten linnen doeken,
hier op te koopen, daar te zoeken;
gewassen en tot pap gebracht.” .

Op 25 september 1724 lezen we over een "welgelegen pampiere molen in den Ampte van Apeldoorn staende ende gelegen onder Beckbergen bestaende in een nieuw getimmer, neffens de camer, kelder en opkamer de halve schuer halve hankschuer, anderhalve korenberg, de geregte helffte van beijde de hoven bij oft omtrent de molen, gelegen toekomende Evert Tulleken en Trijntjen Bouschoten soo als sij met de swager Gerrit Westrick gedeelt hebben”. Vermoedelijk liggen er dan twee molens tegenover elkaar.
De op 25 september 1724 genoemde "welgelegen pampiere molen” met toebehoren wordt op die datum voor de tijd van 12 jaar voor de ene helft verpandschapt aan Claes Schuerinck en diens vrouw Geertjen Henricx en voor de andere helft aan Pouwel Jansen Schut tegen een som van f 3700. Pouwel Jansen Schut staat in het stuk als "Jonkman” te boek en blijkt in 1724 dus ongehuwd te zijn.
In 1742 zit Reynder Luytjes op de molen van Willen Tulleken, waarvan Claes Schuirinck en Paul Jansen Schut ieder 1/ 3 deel in eigendom hebben. Reyner Luytjes is gehuwd met Jacomina Bartholds. Ze hebben in 1747 vier knechts,twee meiden en één kind.
Later (1760) vinden we er Reynder en Gieliam Luitjes genoemd op Tullekensmolen.
A. W. Krepel en W. Dijkhuizen zijn in 1796 eigenaars van de papiermolen, die door Peter van Asselt wordt gebruikt. Twee jaar later zitten op de Tullekensmolens Jacobus Schut, die de leeftijd heeft van 32 jaar en 2 kinderen bezit; en de ongehuwde 24-jarige Berend Luitjes. Schut maak in 1808 twee soorten papier.
Volgens Gunning zouden de molens omstreeks 1812 onbewoond zijn. In de 19e eeuw vinden we Marten van Delden en Braakman als papiermakers op Tullekensmolens, daarna Daan Dijkgraaf, gehuwd met Jantje van Delden. Beide molens branden af, doch men bouwt maar één molen op, die later omgezet wordt in de wasserij "Tullekensmolen”. Gelukkig heeft dit bedrijf toen de oude naam in ere gehouden. Het tegenover de wasserij gelegen oude papiermakershuis "de Kikvorschenbrink” geheten, is voor 1940 door verbouwing geheel verknoeid. De Wasserij "Tullekensmolen” is als zodanig niet meer in werking.

De Ruitersmolen (kaart l nr. 39)

Op een holtspraak van 4 juni 1606 verpachten de geërfden van Lierdermark voor de tijd van 12 jaar aan Marten Orges een plaats of stede voor een papiermolen. Het gaat hier dus om een nieuwe molen. Orges moet - behalve de pacht van 18 daalders aan de mark - ook nog 2 daalders per jaar betalen aan het St. Petersgasthuis, voor welk bedrag de geërfden het water of de beek voor de molen van de huismeesters "in pacht hebben genaemen”. Tot dit laatste was het Gasthuis echter niet gerechtigd.
Uit de geschiedenis van de Tullekensmolen hebben we reeds vernomen, dat het St.Petersgasthuis in 1625 een proces voert tegen Marten Orges over de pacht van een grote en kleine molen op de Beekbergensebeek. Orges wordt veroordeeld om te komen tot een nieuwe regeling van de pacht of anders de grote molen te verlaten. Aangaande de kleine molen luidt de uitspraak, dat hij het water daarvan dient "te verlaten die schutten (schotten of stuwen) op te nemen ende ’t voorss. waeter synen vryen cours te laeten”. Hierdoor komt de kleine molen buiten werking en vervalt meer en meer.
Straks zullen we zien, dat het molentje niet wordt afgebroken. Voor het Gasthuis zelf heeft de zaak ook nog een staartje. Want naar aanleiding van het proces van 1625 komt het twee jaar later (10 december 1627) tot een rechtsgeding tussen het Hof en het St. Petersgasthuis. Want intussen was het Hof gebleken, dat de huismeesters destijds wel het water van de kleine molen via de mark aan Orges hadden verpacht, doch daartoe niet bevoegd waren. In de uitspraak wordt dan ook bepaald, dat St. Peter alleen het recht heeft op het beekwater voor zijn koren- en volmolen, doch het verdere water van de beek niet mag verpachten ten behoeve van andere molens.
Kort na dit proces krijgen de weduwe en kinderen van Marten Orges in 1629 van de rekenkamer de waterpacht 115) van de beek "daerop een klein pampier-moelen gelacht is”. Hiermede is het molentje bedoeld, dat Orges in 1606 heeft laten timmeren en in het proces van 1625 wordt genoemd en dat later de Ruitersmolen zal heten. Want de erfpacht van de Ruitersmolen - afgekocht in 1906 - was gevestigd bij akte van 27 januari 1629. Ook volgens de overlevering is de molen van Marten Orges geweest en moet de naam in enig verband staan met deze papiermaker. Mr. Marten zou vanuit zijn woning steeds te paard zijn eigen molens en die van zijn kinderen bezocht hebben.
In zijn huis - aldus het verhaal - bevond zich een deur, waarin een gebrandschilderd raam met een voorstelling van Marten Orges te paard. Men brengt dan de naam Ruitersmolen in verband met de ruiter Marten Orges. Hoeveel waarheid in deze mondeling overgeleverde geschiedenis schuilt, valt niet na te gaan.
Op 24 januari 1629 - drie dagen voor het verkrijgen van de waterpacht - had de rekenkamer aan de weduwe en kinderen van Marten Orges consent verleend voor "een klein pampiermoelen vorhen bij ’t leven van denselven Marten Orges geleijt und doen timmeren op seecker Beecke tot Begbergen int Ampt van Apeldoorn, die deur het stilstaen vervallen, ende nu gern weder souden toerusten.” Uit de nogal uitvoerige akte van consent vernemen we "hoe dat die weduwe und kinderen van za. Marten Orges ter cameren bij supplicatie hebben toe kennen gegeven, dat haer voorss man und Vader op seecker Beecke tot Begbergen . . . had doen timmeren een clein pampier moelen”, waarvoor hij - ten aanzien van het water - een zeker bedrag moest geven aan de huismeesters van het St. Petersgasthuis te Arnhem "ende sulcx voer enige Jaeren”. Na afloop van deze termijn Wilden de huismeesters met Orges geen nieuwe pachtovereenkomst aangaan "waer aver den voorss. moelen een tijtlanck moiste stilstaen”. Naderhand was bij sententie van het Hof echter bepaald, dat het water niet het Gasthuis maar "den Heer competierden”.
Geertje Schut, de weduwe van Marten Orges, benevens haar kinderen Daniel en Paul - van zins zijnde de vervallen molen "weder toe te rusten” - wenden zich nu tot de rekenkamer om "in billicke compositie wegen desselver waters te moegen kommen”.
De kamer verwijst hen naar het Hof en deze instantie laat in de kerken van Apeldoorn en Beekbergen op drie zondagen telkens om de veertien dagen - allen oproepen, die tegen het leggen van "desen moelen” bezwaar maken. Slechts de huismeesters van het Gasthuis dienen een protest in tegen het opnieuw in gebruik stellen, doch bij uitspraak van het Hof van 12 januari 1629 wordt gezegd, dat "d’opposanten haer interesse bij ’t leggen van den voorss. moelen niet genoch en hadden bewesen”.
Het Hof staat de aanvragers toe "denselven moelen te voltrecken, mits stellende volgens gedaene presentatie genoechsame cautie” voor alle schade en overlast, die het Gasthuis te eniger tijd van de kleine molen mocht kunnen lijden. Indien zulks het geval blijkt te zijn, zal men het molentje moeten afbreken. Voor de prompte naleving stellen Geertje Schut en haar kinderen als borgen Arndt Claessen en Henrick Gerrits. Nadat aan alle formaliteiten is voldaan, sluit de rekenkamer met een der zoons van Orges , "alsz last hebbende van d’anderen”, en geassisteerd door Doktor Gerhard van Staverden, het akkoord. Hierin wordt bepaald dat de familie Orges voor "den gelachten moelen, die sij nu weder sullen moegen reparieren um alleen daerop pampier ’t maeI cken wegen idt recht vant water . . . jaerlicx und alle jaer betaelen sullen vier ponden 1 tot XL groten vlems ’t pont”. Wanneer meer dan één rad "aende voorss. moelen gel hangen worde” dienen de pachters "naer advenant” een hoger bedrag te geven. Aan , het slot lezen we, dat een ieder "de wed. mit hare kinderen ende oeren erven de l voerseijde pampiermolen rustelick ende vredelick” zal laten "genieten”.
In 1648 is Jan van Amersfoort eigenaar van een "huis ende pampiermolen van 4 backen”, later wordt Hendrik Jansen van Amersfoort als bezitter genoemd. De 4 baks waterpapiermolen "van oudts genaemt de Ruytermolen” behoort in 1735 aan Willem Jansen (Beeckhuys), gehuwd met Annetje Abrahams Westenenck, door hem aangekocht van de erfgenamen van Henrick Janssen van Amersfoort. In 1742 liggen er twee molens, dan is Willem Jans(en) papiermaker op de "halve Ruytermolen”. Vijf jaar later lezen we, dat Willem Janssen Beeckhuis en zijn vrouw Annetje Westenenck nog steeds de halve molen gebruiken. Ze hebben 2 kinderen, 2 meiden en 1 knecht.
Op de andere papiermolen zit Evert van Oorspronck, die gehuwd is met Janna Everts Sprenckelaar. Het echtpaar bezit 2 kinderen, terwijl er twee meiden in dienst zijn.
Een lijst van 1749 noemt Willem Jansen Beekhuys als vader van één kind van 10 - 15 jaar en één boven de 15. Er zijn dan 2 knechts of meiden in dienst. Van het echtpaar Van Oorspronk worden in 1749 geen kinderen boven de 5 jaar vermeld, vermoedelijk waren de in 1749 genoemde kinderen nog heel jong. Er werken op de molen totaal 4 knechts en meiden. In 1756 worden Jan Willems Beekhuys en Coenraad Beumer vermeld op de Ruitersmolen; in 1762 zijn dit Jan Willems Beekhuys, de weduwe Beumer en Aart Schut (de laatste tot 1766). Vier jaar daarna J. W. Beekhuys (nog tot 1789), de wed. Beumer en Herman van Lill. Laatstgenoemde treffen we aan tot l 1772, daarna volgt Jan Berent Capel tot 1788, vervolgens diens weduwe Aaltje Reinders Wondenberg, die op 19 juni 1789 ondertrouwt met Berend Dirk Boks, papiermaker uit Loenen.
In 1790/ 91 zitten de weduwe van Jan Willens Beekhuys en die van Jan Berent Capel op de beide molens. Kort daarna komt de Loenense papiermaker Berend Derk Boks, de tweede man van Aaltje Reinders Wondenberg op de molen van zijn vrouw. We vinden in 1798 op een der Ruitersmolens de 65 jaar oude weduwe Beekhuis met haar zeven kinderen en daartegenover de 45-jarige Berend Derk Boks met diens vrouw Aaltje Wondenberg en hun vier kinderen. Berend Boks maakt in 1808 vier verschillende soorten papier. Jacob Beekhuis werkt in 1815 als papiermaker op de ene molen, later wordt hij als zodanig opgevolgd door L. van Gerrevink. De andere papiermolen is in dat jaar nog steeds in ’t bezit van Berend Box (Boks), gehuwd met Aaltje Woudenberg. Hun zoon Derk Boks, geboren 5 oktober 1791, is tot 1839 papiermaker op de Ruitersmolen, daarna papierhandelaar. In 1843 zet hij zijn papiermolen om in een korenmolen met 2 raden. De hamerbakken verkoopt hij aan Jan van Houtum op het Voorslop in Ugchelen. Van Gerrevink zet op zijn molen het papierbedrijf voort; in 1856 werken op de Ruitersmolens nog steeds L. van Gerrevink en D. Boks. Van Gerrevink was geen eigenaar, maar pachter. Zijn molen werkte met 2 raden en behoorde toe aan mevr. Hackfort te Loenen. De papiermolen van Van Gerrevink brandde later af en werd niet meer opgebouwd.
Derk Boks was gehuwd met Aaltje Ruimerman. Uit deze echtverbintenis werd op 18 april 1838 een zoon Evert Jan geboren, die - hoewel eerst bestemd voor de handel - zich al spoedig aangetrokken voelde tot de schilderkunst. Zijn eerste lessen op dit gebied kreeg hij te Apeldoorn van Arie Lieman en A. W. Riem Vis. In 1863 behaalde Evert Jan een eerste prijs aan de Koninklijke Akademie voor Schilderen Tekenkunst te Antwerpen. Naar aanleiding van dit succes bereidde men hem op 23 mei 1863 bij zijn komst in Beekbergen een feestelijke ontvangst met een toespraak van de gemeentesecretaris van Apeldoorn en opgevrolijkt door muziek van de Harmonie. Boks was een bekwaam schilder en overleed te Antwerpen op 14 juni 1914. Naar hem is in 1964 de Evert Jan Boksweg genoemd. Zijn vader Derk Boks stierf in januari 1862; een andere zoon was korenmolenaar.
Gedurende de oorlog 1940/45 werkte de Ruitersmolen nog als korenmolen met een houten bovenslagsrad, dat toen één steenkoppel in beweging bracht. In 1954 bleek de molen al sinds jaren niet meer in gebruik te zijn. Het waterrad en molenhoofd verkeerden in verwaarloosde toestand; het binnenwerk was voor het grootste deel gesloopt.


Situatieschets Winnemolens met wijer en Rojan,
toestand vorige eeuw.


h35


Tullekensmolen Beekbergen in 1936.


h36

Hebben de huismeesters van het St. Petersgasthuls te Arnhem hertog Karel in 1535 beetgenomen?

In het voorafgaande gedeelte is meegedeeld, dat het in 1627 tot een rechtsgeding kwam tussen het Hof en het St. Petersgasthuis over de verpachting van het water van de , Beekbergense beek voor de kleine molen van Marten Orges. Uit de processtukken komen merkwaardige dingen naar voren, waarover nooit eerder is geschreven en die niet onvermeld dienen te blijven. Zoals reeds voldoende bekend is, lag er een eind beneden de Ruitersmolen 0p dezelfde beek een waterkorenmolen in de buurschap Voshuizen, die al in 1294/ 95 genoemd wordt (de latere Gasthuismolen). Het was een dwangmolen, die tot in de eerste helft der 15e eeuw eigendom bleef der Gelderse vorsten. Na 1433 verdwijnt de molen uit de hertogelijke rekeningen en zal toen in particulier bezit zijn gekomen.
Bij een scheiding van goederen op 4 juli 1487 tussen Jacob ten Have aan de ene kant en de gebroeders Albert en Amt ten Have anderzijds wordt de molen toegewezen aan Albert en Arnt. In verband met het overlijden van Amt vindt in 1499 een verdeling van goederen plaats tussen de broers Jacob en Albert ten Have, benevens hun zuster Mechtelt en haar man Johan van Heerde. Albert wordt nu eigenaar van de korenmolen.
Op 27 oktober 1533 verkopen Mechtelt ten Have, weduwe van Johan van Heerde, Rijck van Heerd met diens vrouw Margaretha, en Derek Jacobss. met zijn vrouw Jutte aan Hendrick Thonissen, provisor van het Sint Petersgasthuis te Arnhem, ten behoeve van dit hospitaal "Eenen Watermolen, mitten gemael ind gerechticheijt . . . gelijck Nijel ten Have ind sijne voorolderen voor, ind Albert ten Haeff mit Mechtelt ten Haeff voorss. nu nae tot desen daege toe beseten ind gebruijckt hebben, soo die . . .mit allen sijnen rechten ind toebehoren, gelegen is inden Ampte van Apeldoorn, ind inden Kerspel van Begbergen . . .” Hier staat heel duidelijk, dat op 27 oktober 1533 Mechtelt ten Have, Rijck van Heerd en Derck Jacobss de watermolen verkopen aan het St. Petersgasthuis te Arnhem. Broer Albert is dan overleden, zoals trouwens in het stuk vermeld wordt. Aan het slot lezen we: "Beheltelijck mijn Gen. Lieven Heeren Hertoge van Gelre hieraen sijner genaden queden rechten”. Er wordt hier nog even gewezen op de rechten van hertog Karel. Dit zal mogelijk slaan op een vereiste bekrachtiging van de verkoop door de hertog en misschien ook op het recht van ’t water.
Tot zover schijnt alles wel in orde te zijn. Maar enige tijd later ontstaat er een vreemde situatie random de overdracht van de molen. Want op 7 januari 1535 - ruim een jaar na de verkoop in 1533 - bekrachtigt de Gelderse hertog op verzoek van de huismeesters van St. Peter de verkoop door een zekere Lutgert ten Have en haar kinderen van dezelfde watermolen aan hetzelfde Gasthuis te Arnhem! Er wordt bij bepaald, dat niemand anders "einge kairmoelen op ’t selve water ind int kerspell vursz. hiemaemaels maicken laeten sullen”. Verder mag het Gasthuis bij de molen een volmolen leggen. Dit is de molen, die in 1601 door Marten Orges gepacht wordt voor papiermolen (de latere Tullekensmolen).
Uit de bekrachtiging blijkt, dat de huismeesters aan de hertog "to kennen hebben doen geven dat zij onlanxleden van Lutgert ten Haeve ind van hoeren kinderen” de watermolen hebben gekocht! Hoe valt dit met het voorafgaande te rijmen? Eerst verkopen in 1533 Mechteld ten Have, Rijck van Heerd en Derck Jacobss. de molen aan het Gasthuis en bij de bekrachtiging van 7 januari 1535 verschijnt ineens een onbekende Lutgert ten Have met haar kinderen ten tonele. Een Lutgert ten Have vinden we nergens eerder genoemd en van de verkopers uit 1533 rept men met geen woord meer. Dit is toch wel een raar geval, waar iets anders achter gezeten moet hebben. Zo goed als zeker kan er geen sprake geweest zijn van een vergissing.
Vermoedelijk zullen de huismeesters, die - behalve hun pas verworven korenmolen - 0p dezelfde beek ook graag een volmolen wilden doen timmeren, tot hun schrik bemerkt hebben, dat zij in 1533 vergeten hadden de molenkoop door hertog Karel te laten bekrachtigen. De heren, bekend met het lastige humeur van de vorst, zullen terecht bevreesd zijn geweest, dat deze nalatigheid wel eens in hoge mate de ontstemming van Karel van Gelre zou kunnen opwekken. De mogelijkheid bestond, dat hierdoor niet alleen de koop nietig verklaard werd, maar tevens de gewenste stichting van de volmolen van de baan zou raken. De huismeesters zullen toen de koopbrief van 1533 maar gewoon achtergehouden hebben en - met of zonder voorkennis van een van Karels ambtenaren - de niets vermoedende hertog of een "nieuwe” koopakte getoond hebben met de naam Lutgert ten Have en gedateerd 1535 Of hem alleen maar mondeling de zaak voorgedragen. Hoe het ook zij, prompt volgt de bekrachtiging van de verkoop van de korenmolen en tevens de vergunning tot het leggen van de volmolen. Het stuk met de gefingeerde(?) naam Lutgert ten Have, keurig voorzien van ’s hertogs handtekening en zegel, wordt daarna door de huismeesters veilig opgeborgen in het archief van St. Peter naast de koopbrief van 1533. De heren hadden hun zin gekregen en de hertog bleef onkundig van de juiste toedracht.
Toch zou ruim 80 jaar later deze vreemde gang van zaken weer aan het daglicht treden tot onaangename verrassing van de toenmalige huismeesters. Wat was namelijk het geval? Zoals reeds een paar keer is vermeld, verpachtten in 1601 de heren van het St. Petersgasthuis de in 1535 genoemde volmolen op de Beekbergense beek - met inbegrip van het water - aan Marten Orges om die voor papiermolen te gebruiken.
Tot dit alles waren de huismeesters volkomen gerechtigd. Maar vijf jaar later sticht Marten Orges met toestemming der geërfden van de Lierdermark beneden zijn molen van 1601 een tweede papiermolen (de Ruitersmolen). Hij moet voor de pacht van de grond aan holtrichter en geerfden der mark jaarlijks 18 daalder geven. Bovendien - en hier ligt het begin van de narigheid - neemt Orges de verplichting op zich om voor het recht van ’t water ieder jaar een bedrag van 2 daalder te betalen ten behoeve van het Gasthuis. Hiermede gingen de huismeesters buiten hun boekje; ze mochten wel het water van hun eigen koren- en volmolen aan anderen verpachten, maar over het verdere beekwater hadden ze niets te vertellen. Het recht daarop behoorde uit, sluitend tot de competentie van de rekenkamer te Arnhem. Orges blijft nalatig in de pachtbetaling en daarover komt het tussen hem en het Gasthuis tot een proces (1625), waarbij hij in het ongelijk wordt gesteld. Dit alles hebben we bij de geschiedenis van de Ruitersmolen reeds verteld.
Maar ook voor het St. Petersgasthuis zelf heeft het proces een minder prettig gevolg, want bij het bestuderen der stukken ontdekt men, dat de huismeesters in 1606 geheel ten onrechte het water van de tweede papiermolen aan Marten Orges hebben verpacht.
Het komt over deze zaak tot een proces, nu tegen het Gasthuis (1627). Tot staving van hun vermeend recht brengen de huismeesters alle op de molens en het water betrekking hebbende stukken ter tafel. Daaronder bevinden zich ook de twee volkomen met elkaar in strijd zijnde brieven van 1533 en 1535. Het Hof ontgaat het verschil tussen beide stukken niet en het komt tot de conclusie, dat aan hertog Karel bij de bekrachtiging "den coop end Opdrachtsbrieff niet en is vertoont worden, maar dat hem alleen simpelick te kennen gegeven is bij de huismeijsteren van ’t hospitaell, dat sijden watermoelen, daer men coorn op maelt, onlangxleden van Lutgert ten Have end haeren kinderen gekoft hadden”. Het bewijs, dat de vorst of zijn raad de koopen opdrachtsbrief "niet vertoont en is”, aldus het Hof, "kan mede hieruth affgenomen werden, dat hem aengegeven is dat de Coornmeulen gekofft is van Lutgert ten Have ende hare kinderen, daer nochtans den coop en opdrachtsbrieff spreeckt van Mechtelt ten Haeff, weduwe Johan van Heerd, Rick van Heerd ende Derek Jacobsen”.
Volgens het Hof zou een dergelijk abuis niet zijn voorgekomen "indien den coop en opdrachtsbrieff doemaels ware bijgebracht geweest. Maer hebben de huismeijsteren denselven liever willen terugholden, als den furst met soedane brede ongeriembde geinserierde clausulen oorsaeck van misnoegen te geven, om haere verhoepte vordere vergunninge om te stoeten”. In scherpe bewoordingen wordt hier de vermoedelijke gang van zaken geschetst.
Geen wonder dat de huismeesters van 1627, die natuurlijk niet verantwoordelijk waren voor de daden hunner voorgangers uit 1535, toch met de handen in ’t haar zaten. Hun verweer tegen de conclusies van de tegenpartij klinkt niet bijster overtuigend. Naar de mening der huismeesters doet het verschil in namen bij de stukken van 1533 en 1535 er weinig aan af "doordijen die aldaer ter beijden genomineerde persoenen een ende het selve geslachte ten Haeff genoempt werden”. Een wonderlijke en weinig steekhoudende bewering. Even later komen de heren met de veronderstelling, dat het "gelijck dan oeck wel sijn can dat d’een off ander onder des (= in' tussen) gestorven” is of dat een dergelijke "faulte” door de schrijver van het stuk kan zijn gemaakt.
Vooral dit laatste argument is verre van steekhoudend. Bij het overnemen van namen kunnen wel eens vergissingen voorkomen, maar dat daarbij die van een aantal personen weggelaten worden en een totaal andere figuur naar voren wordt geschoven, valt niet te wijten aan een verschrijving.
Het proces van 1627 eindigt met de uitspraak, dat het Gasthuis geen ander recht kan doen gelden op het water van de beek dan tot zijn eigen koren- en volmolen en derhalve het overige water niet aan anderen mag verpachten. Aan de zaak van de niet eensluidende stukken uit 1533 en 1535 gaat het Hof voorbij. Toen ik in verband met het naspeuren van de historie van de Gasthuisen Ruitersmolens bedoelde stukken onder de ogen kreeg, viel mij het verschil in namen op tussen de daarin genoemde personen. Uit het daarop gevolgde verdere onderzoek naar dit merkwaardige feit kreeg ik sterk de indruk, dat in 1535 de heren van St. Peter hertog Karel doodgewoon om de tuin hebben geleid!




De papiermolens in Loenen en Zilven

De stichtingsjaren der meeste Loenense papiermolens zijn niet precies aan te geven.
Uit de stukken is vaak moeilijk na te gaan, welke molen op een bepaald moment bedoeld wordt. In het begin heten ze vaak naar de eerst daarop werkzame papiermakers, doch later verschijnen andere eigenaars of pachters, waarna de naam van het bedrijf zich opnieuw gaat wijzigen. In Loenen kwamen nogal eens papiermakers voor, die niet steeds op een en dezelfde molen bleven, doch als sprinkhanen van de ene papiermolen naar de andere hipten. Dit maakt vaak het schrijven van een doorlopende geschiedenis van een molen uitermate moeilijk. In Apeldoorn en elders op de Veluwe ontbraken dergelijke springers evenmin. Het maken van een doorlopende geschiedenis van iedere Loenense papiermolen is dan ook verre van gemakkelijk; insommige gevallen zo goed als onmogelijk. Misschien kan een meer uitgebreid archief‘ onderzoek uitkomst brengen, doch momenteel ontbreekt daarvoor de tijd. Aan de hand der nu beschikbare gegevens zullen we proberen een aantal belangrijke en interessante gegevens uit de historie van de in dit deel der gemeente Apeldoorn gestichte papiermolens naar voren te brengen. Wat de juiste ligging en de namen van de daarop gevestigde papiermakers betreft, doen we dit met het nodige voorbehoud.
Het water van de papiermolens in Loenen en Zilven - in sommige gevallen eveneens het getimmer en de grond - is later in het bezit der Hackforts. In 1763 behoren onder Terhorst "’t water en gront van zes waterpapiermolens”, die aan papiermakers verpacht zijn. Op een kaart 116) van ca. 1807 zien we in Loenen een zevental papiermolens. Het zijn Hunekampsmolen (1), Slatsmolen (2 of 3), Bovenste Molen (2) en Achterste Molen (2). De tussen haakjes geplaatste cijfers geven het werkelijke aantal molens aan. Zodoende komen we omstreeks 1807 op een totaal van 10 of 11 papierbedrijven in Loenen. De komst der papiermakerij gaf de eerste stoot tot een langzame, doch gestadige groei van het dorp. Thans nog nemen de Loenense papierfabrieken een voorname plaats in onder de in de gemeente Apeldoorn gevestigde bedrijven.

De papiermolen van Wolf Gabriels (Wolfsmolen)

De molen van Wolf Gabriels - de eerste papiermolen in Loenen - is omstreeks 1628 gesticht in de omgeving van het kasteel Terhorst en zal misschien gelegen hebben in de buurt van de nu verdwenen waterkorenmolen van Wilbrink in het Slat, Molen Allee 27. In 1627 vraagt Alardt Hackfort - de toenmalige eigenaar van Terhorst - het waterrecht van een "klein beeksken, dat by syn Huys tot Loenen was loopende waerop by gelegentheyd wel een pampiermoelen soude konnen gelegt worden, ’t welk hy onder syn huys niet geerne van een vreemde solde sien”. Hackfort wil zich bij voorbaat verzekeren van ’t recht op het water, teneinde de zeggenschap over het beekje te hebben en zodoende te verhinderen, dat een ander daarop een molen gaat leggen. Hij kan dan zelf bepalen, wie hij onder de rook van zijn kasteel als papiermaker wil hebben en tevens de pacht in eigen zak steken. Want bij het indienen van het verzoek zal - al zegt hij zulks niet - het geldelijk voordeel wel de voornaamste rol hebben gespeeld. De rekenkamer keurt de aanvraag goed en Hackfort verwerft zo de erfpacht van het beekje. Zijn zoon en opvolger Olivier Hackfort probeert in het bezit te komen van het recht op al het water in Loenen en Zilven en op 12 oktober 1657 ontvangt hij daar in erfpacht een aantal beekjes en waterlopen, benevens de vergunning die in de oude molenbeken te leiden. De bedoelde watertjes zijn:

1. Het water of beekje onder Jan Goessens molen naar het Loenensche broek lopende
2. het beekje dat uit den Ruiterenberg spruit lopend door het Loenensche veen (in een afschrift op het Algem. Rijksarchief staat Vrijenberg in plaats van Ruiterenberg; heeft deze laatste benaming ook iets te maken met het gevecht bij de Vrijenberg?.
3. het recht boven en onder de molen van Hackfort.
4. het water waardoor de papiermolen van de pachters van Cornelis Hendrickx wordt gedreven.

Kort na 1627 moet met de bouw van de eerste Loenense papiermolen zijn begonnen, want in het rekenboek 117) van Olivier Hackfort over 1630/1661 lezen we, dat voor de tijd van negen jaar aan "Mr. Wolliff Gabriels” verpacht is de gerechtigheid "van den waeter, alwaer den pampiren Muelen opgaet”. De pachtbetaling waaronder ook die van de grond - zal ingaan met Pasen 1630 en per jaar 32 gulden bedragen, benevens hetgeen verder in de pachtcedul bepaald is. Later vernemen we, dat Gabriels behalve ’t geld jaarlijks een gerookte zalm en een suikerbrood van 8 pond moet leveren.
De pas gereedgekomen papiermolen is geen lang leven beschoren geweest, want tijdens de inval der Spanjaarden op de Veluwe in 1629 steken deze hem in brand, waarbij tevens de gehele voorraad lompen verloren gaat. De molen wordt spoedig nieuw opgetrokken en op 7 juli 1631 is sprake van de plek, waar "de Wolfsmeulen op staet”. Gedurende "een helderen middach” van het jaar 1640 kraait weer de rode haan op de papiermolen, die door "een groot ongelick ten eene maelen tot as” verbrandt. Hiervoor krijgt Wolf Gabriels twee jaar kwijtschelding van pacht. In 1643 leent "Mr.Wolliff” 31 gulden van Hackfort voor de aankoop van lompen, welk bedrag hij op 21 november "eerlix” blijkt te hebben teruggegeven. Het verpondingskohier van het ambt Apeldoorn over 1648/ 49 vertelt ons, dat de molen toebehoort aan Wolf Gabriels en met 3 hamerbakken werkt. Het waterrecht heeft Olivier Hackfort. Met ingang van Pasen 1650 worden water en grond - nu voor 6 jaar - opnieuw verpacht aan Wolf Gabriels, doch thans voor 50 gulden per jaar; bovendien de "gereuckte sallim” (gerookte zalm) en het suikerbrood van 8 pond. Over Wolf Gabriels vernemen we nog op 24 april 1656, doch daarna niet meer. Wel komt enige jaren later de benaming Wolfsmolen weer voor.
Zijn opvolger is misschien Hendrick Bernts, die met Pasen 1659 de pacht betaalt van ’t water "lopende over het rat van synen Mullen”. We hebben hier te doen met een bovenslagsmolen. De jaarlijkse geldpacht bedraagt 45 gulden. In 1659 geeft Hendrick Bernts in opdracht van zijn pachtheer vijf gulden van het pachtbedrag aan Jan Elberts van Renes te Beekbergen. Deze 5 gulden had Renes nog tegoed van Wolter Gerits op de Woeste Hoeve, die door Hackfort van laatstgenoemde was gekocht. Bernts, wiens molen onder het hoofd "Hendrick Bernts pampire Mulen” voorkomt in het pachtboek van Terhorst, heeft in 1659 eveneens de verschuldigde 10 pond suiker "eerlick betaelt ende voldaen”. Hackfort bestelt voor rekening van Bernts bij Jacob Reijnders 1 molder mout, waarvan de kosten 5 gl. 8 st. bedragen. Hiervoor levert Hendrick Bernts aan Hackfort in natura 3 spint spurriezaad (waarde 2 gl.) en voldoet het resterende bedrag in geld. In 1669 brengt Bernts uit Amsterdam voor 9 gl. 18 st. aan specerijen mee; de rest van zijn pacht verrekent hij met 11 zilveren dukaten ter waarde van 34 gulden en 13 stuivers.
De pachtboeken (N.B. Bij de historie der Loenense molens steeds inplaats van pachtboek(en) te lezen: rekenboek(en)) van Terhorst vertellen ons een schat van merkwaardige dingen over de Loenense papiermakers. Ze geven tevens een verhelderende kijk op het papierbedrijf van die dagen. We zien, dat de papierbereiders regelmatig de lang niet gemakkelijke reis ondernemen van Loenen naar Amsterdam. Daar worden zaken gedaan, contacten met afnemers verstevigd en nieuwe relaties aangeknoopt. Vaak zullen ze meegereisd zijn met de eigen voerlui, wanneer deze met paard en wagen het papier vanaf de molens over de Veluwe naar Amsterdam brachten. Misschien ging het soms tot Harderwijk of Kampen en vandaar per schip naar Amsterdam. In die stad doen de papiermakers op verzoek van Hackfort dikwijls de meest uiteenlopende boodschappen, die ze dan op de thuisreis meebrengen. Een enkele keer doet ook de "boer” (= voerman) een opdracht voor de kasteelheer van Terhorst.
We merken uit dit alles, dat de vroegere papiermakers van Loenen - en ook hun collega’s in het overige Apeldoorn en van de Veluwe - voor het merendeel echte zaken- en vaklieden zijn geweest, die niet tegen een lange reis opzagen om hun produkten aan de man te brengen. Vermoedelijk zijn hun wagens op de terugreis niet leeggeweest, maar voor de papierfabrikage onontbeerlijke lompen hebben meegenomen.
Wat voor boodschappen werden er nu wel in Amsterdam voor de Hackforts gedaan? Ze waren van de meest uiteenlopende aard, doch de specerijen vormden het leeuwendeel. Deze kon men in die tijd in het ambt Apeldoorn nauwelijks of in het geheel niet krijgen, evenals vaak de sinaasappels en citroenen.
Vooral papiermaker Hendrick Bernts is een echte boodschappenjongen. Uit de pachtlening van mei 1669 vernemen we, dat hij te Amsterdam in het afgelopen pachtjaar voor rekening van Olivier Hackfort heeft gekocht: 10 pond ris (rijst) voor 1 gl. 10 st., 2 pond krenten 10 st., 2 pond lange rozijnen 5 st. p.p., 2 pond "coock” rozijnen 6 st., 1 pond peper 13 st., 1/2 pond "muschaeten (muskaatnoten) 1 gl. 8 st., 1/2 pond foelie 3 gl. 6 st., 1A pond nagelen 1 gl., 1/2 pond "suickercandi” (kandijsuiker) 5 st., voor 12 stuiver "sasseraen” (saffraan). Het "benneke” (mandje), waarin de kruiden zijn vervoerd, kost 9 stuiver. Een jaar later doet Bernts opnieuw een aantal boodschappen, waaronder een half pond "gimber” (gember) voor slechts 3 stuiver. Een 124 pond kaneel kost heel wat meer 1 gl. 6 st., 4 pond "corte amandelen” doen 1 gl. 4 st. Verder heeft hij nog een "tonneke ansovis” (tonnetje ansjovis) gekocht voor 2 gl. 15 st., 2 pond "stiffel” (stijfsel) 5 st. en M1 pond "blausel” (blauwsel) 2 stuiver.
In 1661 zorgt Arijen Goesens "pampiere maecker op de Ondersten Mulen” voor een slijpsteen uit Amsterdam, die 3 gl. 12 st. heeft gekost. Hij laat er voor het luttele bedrag van één gulden twee spiegels voor Hackfort veranderen en brengt bovendien twee pond nootmuskaat mee.
We keren terug tot de papiermaker Hendrick Bernts. Deze heeft omstreeks 1661 van Hackfort 6 molder rogge gekocht voor 49 gl. 4 st. Bernts laat dit bedrag door zijn huisvrouw Lisbet voldoen. De zaak klopt echter niet "het sijn maer gewest 48 gulden di si gegeven heeft” tekent Hackfort aan "eenen gulden blieft quaet”. Hij wil deze gulden korten aan de specerijen, die de vrachtrijder van Bernts voor hem te Amsterdam zal kopen. Maar voor de gulden "die te quaede bleef” levert vrouw Lisbet echter spurriezaad.
Met toestemming van Olivier Hackfort verkoopt Hendrick Bernts in 1661 "synen pampire muelen” aan Teunis (Tonis) Hendricks. Hendrick Bernts vinden we later (1668) op de papiermolen op de Horsterkamp. De pacht voor Teunis Hendricks is hoger en bedraagt 61 gulden, benevens 10 pond poedersuiker, een riem schrijfpapier en een gerookte zalm. Ook moet de nieuwe pachter "eens voor een ransoen eenen rosenobel” geven. Op 25 juli 1662 betaalt Teunis Hendricks de rosenobel van het "ransoen” met elf gulden, terwijl hij op 1 mei 1663 voor het eerst de pacht verrekent.
Hij doet dit ook in 1664. In 1666 lezen we, dat de "Wolfsmoelen” dan verpacht is aan Tonis Henrix voor 61 gulden, 1 gerookte zalm, 10 pond suiker en een halve riem schrijfpapier. Behalve het verschil van een halve riem papier klopt dit alles precies met de pachtvoorwaarden bij de verkoop in 1662 van Hendrick Bernts "synen pampiere muelen” aan Tonis Hendricks. Er bestaat alle reden om aan te nemen, dat met de Wolfsmolen en de papiermolen van Hendrick Bernts een en dezelfde molen is bedoeld.
Een akkoord van 4 mei 1668 tussen Alardt Hackfort en een zestal papiermakers in Loenen over het maken van verlaten in de molenbeken noemt Toenes Henderic Hendricksen als papierarbeider op de "oude moele”, terwijl Toenes Hendrix op de "nuwe” molen zit. In 1664 geven de erfgenamen van Loenen en Zilven vergunning voor het leggen van twee papiermolens, waarvan een onder "Tonis Hendricks Mulen”. Hiermede zal dan de Wolfsmolen zijn bedoeld. Het is nog steeds niet volkomen duidelijk waar we deze oude en nieuwe molen moeten zoeken.
In de jaren 1672/ 74 drukt de hand van de Franse bezetter zwaar op de bevolking der Veluwe. Ook Tonis Henrix moet dan meebetalen aan de "Koninklijke schatting”.
Voordat we ons verhaal over de Wolfsmolen besluiten volgt in het kort iets over de telkens genoemde suikerbroden. Dit uitsluitend uit suiker vervaardigde produkt had de vorm van een brood, vandaar de naam. In het bedrijf van de Wester Suiker Raffinaderij te Amsterdam was tot voor kort nog een afdeling, die zich bezig hield met het maken van suikerbroden. Het normale gewicht daarvan was toen 2 1/2 kg. Grotere broden werden slechts in kleine aantallen aangemaakt. De Wester Suiker Raffinaderij is inmiddels opgeheven en er worden in ons land geen suikerbroden meer gemaakt. Suikerbroden waren het eerste produkt van de Amsterdamse raffinaderijen. Het oudste bedrijf was gevestigd in de huidige Suikerbakkersteeg, tussen N.Z. Voorburgwal en Nieuwstraat. In 1700 waren er in Amsterdam niet minder dan 113 raffinaderijen.
Sinds lang waren de suikerbroden niet meer bestemd voor binnenlands gebruik. Maar export was gebleven en ging nog altijd naar dezelfde gebieden. De afnemers van suikerbroden waren uitsluitend de Arabische landen. De suikerbroden werden verpakt in donkerblauw papier, waarop een etiket kwam met Arabische tekens en een oude driepijper, een ouderwetse stoomboot. Om het blauwe papier werd een touwtje gewikkeld met een lusje eraan, zodat men de broodjes kon ophangen bijvoorbeeld in een tent of aan weerszijden van de rug van een kameel.

Jan Goesens molen (de Bovenste Molen?)

Op 12 oktober 1657 krijgt Olivier Hackfort de erfpacht van "het water of beekje onder Jan Goessens molen naar het Loenensche broek lopende”. Dan bestaat deze molen al. We lezen op 9 mei 1658 dat Pauwel Peelen aan Hackfort de waterpacht schuldig is van "Jan Goessens Mulen”. In het verbaal 113) der ambtslasten van het ambt Apeldoorn over 1661/ 63 komt een Arijen (Aryen, Aryan) Goesens voor als "pampire maecker”.Deze zal misschien dezelfde zijn als Jan Goesens. Een persoon met deze laatste naam komt ook in het verbaal voor, doch zonder vermelding van beroep. In het pachtboek 119) van Olivier Hackfort over 1657/1665 is sprake van "den Ondersten pampire Mulen daer Jan Goesens op gewoent heeft”. Het water van deze molen wordt ingaande mei 1659 verpacht aan Tennis Eynberts en Roliff Janss. Til van Hoochsoeren, ieder voor 100 gulden per jaar, benevens 5 pond poedersuiker en 30 appelen van "oranijen” en citroenen. We zien dat het hier een dubbele molen betreft. In 1660 voldoen beide pachters aan hun verplichtingen. Twee jaar later betaalt Teunis Eynbers de pacht van zijn molen, terwijl - in plaats van Roeliff Janssen van Til - die van de andere molen verrekend wordt door Arijen Goesens, een schoonzoon van genoemde Roeliff. Omstreeks 1661 koopt Arijen Goessens de leermolen "staende bi syne pampiere muelen” voor 100 gulden en een okshoofd wijn van Hackfort. lets eerder hadden de geërfden der Loenermark aan Hackfort overgedaan "het land of de plaats van de Onderste papiermolen met hof en droogplaats van de Leerenmeule”.
Zoals reeds is verteld, brengt Arijen Goesens, die "pampier maecker op den ondersten Mulen” wordt genoemd, in 1661 een slijpsteen mee uit Amsterdam voor de heer van Terhorst. Een jaar later betaalt Roeliff Jansen van Til de waterpacht voor zijn schoonzoon Arijen Goesens; hij doet dit ook in 1663 en 1664. In 1665 geeft Arijen 90 gulden, de ontbrekende 10 gulden levert de schoonvader.
Teunis Eijnberts, de pachter van de andere molen kwijt zich in de jaren 1662, 1663 en 1664 eveneens van zijn verplichtingen. Hij is dezelfde, die in de verbalen der ambtslasten over 1661/1663 voorkomt als Teunis Eijnbelts "pampiermaecker”. We vinden hem ook in 1668, wanneer Roeliff Jansen een verlaat mag zetten tussen de molen van Toenis Ambrosius en die van Toenis Enckbers. Het blijkt dat Tennis Eijnberts en Arijen Goesens nogal eens moeilijkheden hebben met de levering van de verschuldigde sinaasappels en citroenen. Bij de andere pachters is dit eveneens het geval. Deze vruchten moesten in Holland worden gekocht en waren daar misschien ook niet regelmatig te krijgen.
In het pachtboek 120) van Alardt Hackfort zien we, dat er op of bij het "Kijveen” (Kieveen) een dubbele molen ligt, waarvan in 1666 een zekere Willem (Cornelis?)" die in Arien Gosens plaets is gecomen” de jaarlijkse pacht van honderd gulden betaalt voor "syn halve gepagte molen”. Ook geeft hij de toebaten.Hieruit valt op te maken, dat de "onderste pampire Mulen daer Jan Goesens op gewoent heeft”, dezelfde moet zijn als de molen op of bij het Kieveen.
De tegenovergelegen papiermolen blijkt nog steeds voor 100 gulden verpacht te zijn aan Tonis Eijnberts (Engberts), die "dese geltpagt op mei 1666 verschenen ten vollen betaelt heeft”.
Beide molens samen brengen Hackfort per jaar 200 gulden op, de toegiften niet bij gerekend. Wanneer we de pachtopbrengsten van al zijn molens in Loenen en Zilven over één jaar eens bij elkaar optelden, zouden we zien welk een rijke en jaarlijks terugkerende bron van inkomsten deze voor hem vormden. Geen wonder, dat de Hackforts - en anderen met hen - erop uit waren zich tijdig te verzekeren van de erfpacht van al het water in hun omgeving en door het laten graven en omleggen van beken nieuwe mogelijkheden te scheppen voor het leggen van nog meer molens. De daarin gestoken gelden brachten een steeds toenemend bedrag aan interest op. De groeiende vraag naar papier werkte het stichten van nieuwe molens in de hand. Een voortdurende stijging der wateren molenpachten was daarvan weer het gevolg. De hoge pachtprijzen waren in tijden van slapte en tegenslag er vaak de oorzaak van dat sommige papiermakers in moeilijkheden geraakten en niet aan hun verplichtingen konden voldoen. Tot delging der steeds meer oplopende pachtschulden moesten ze tenslotte hun molens tegen taxatieprijzen van de hand doen. Op deze wijze kwamen in de 18e eeuw de meer dan 20 papiermolens te Vaassen en omgeving in het bezit van de heren van Cannenburch, die er het waterrecht van alle beken bezaten en dit recht dikwijls uitbuitten ten koste van hun pachters, de papiermakers. Een dergelijke handelwijze vernemen we niet van de Hackforts in Loenen. Maar in elk geval leverde hun het luttele bedrag, dat ze jaarlijks voor het waterrecht der Loenense beken aan de rekenkamer te Arnhem verschuldigd waren, een uitzonderlijk hoge rente op! In de kerspelen Apeldoorn en Beekbergen lag de zaak anders, daar bleef het grootste deel der molens bijna altijd het eigendom der papiermakers. Dit lag hoofdzakelijk aan het feit, dat deze mensen zelf vroegtijdig de erfpacht van water en grond verworven hadden. Een uitzondering vormden de molens van Het Loo en een aantal papiermolens in Orden.
In 1667 betaalt Tonis Engberts nog altijd de 100 gulden voor zijn molen, terwijl dan in plaats van de Cornelis uit 1666 Peter Jansen hetzelfde bedrag geeft voor de andere molen, benevens 10 pond suiker. Het volgend jaar voldoet Tonis eveneens zijn pacht; er staat vermeld, dat hij de suiker "tot dit jaer toe” verrekend heeft. Volgens het pachtboek over de jaren 1666 - 1686 geeft Tonis Engberts in 1672 aan Alardt Hackfort een "ordenantie” van honderd gulden op zijn "factoor” te Amsterdam. De meeste Veluwse papiermakers hadden een vaste agent in Amsterdam, soms ook in Rotterdam of andere plaatsen, de zogenaamde factoor, die als groothandelaar in allerlei soorten papier contacten legde en onderhield met de binnenlandse afnemers. In de bloeitijd der handpapierindustrie was de capaciteit der Veluwse papiermolens vaak niet voldoende om de vele opdrachten uit te voeren, die de handpapiermakers door bemiddeling van hun factoors ontvingen. Op 29 mei 1623 beklagen zich twee Rotterdamse kooplieden over Lodewijk van Aelst wegens het niet nakomen van een contract, waarbij laatstgenoemde zich had verplicht "omme voor den tijt van twee achtereenvolgende jaeren aen henlnyden te leveren alle het pampier, dat hij, van Aelst, op syn twee molens, staende tot Rosendael in Gelderland, alsmede op eene molen staende tot Apeldoorn, soude laten maecken”. Er bestaat een contract uit 1654 tussen een andere Veluwse papiermaker en een Amsterdams koopman, waarbij de eerste op zich neemt het maken van "soo veele witte ende grauwe kardoespapieren, mitsgaders blaauwe snijckerbakkerspapieren als hem doenlik sal sijn.” De hier genoemde "blaauwe snijckerbakkerspapieren” zullen voor een deel wel gediend hebben voor de verpakking van suikerbroden. .
Een enkele keer zien we, dat papierinkopers en factoors een vordering hebben op, een papiermaker. Op 13 december 1675 121) wordt een "seeckere pampire molen” in Loenen, waarvan Alardt Hackfort de grond toebehoort - en die eigendom is van Cornelis Henderiksen (Hendricks) en diens echtgenote Willemken Henricksen - bezwaard met een bedrag van 1300 gulden a 5 % "ten profijte van Sinjeur Anthonij de Haes, pampiercoper en Sinjeur Matijs Hooghuijs, factoor van de Veluwsche pampieren”. Tot zover de factoors en kooplieden.
Het is mogelijk, dat de hierboven vermelde "Onderste pampire Mulen” van Jan Goessens, die later voorkomt als de molen op en bij het Kieveen, dezelfde is als de Bovenste Molen, nu stoomwasserij Tabor, Molenallee 20, Loenen. De onderste molen van Jan Goesens heeft vanzelfsprekend niets uitstaande met de tegenwoordige Achterste of Onderste Molen bij de Deelsum (thans fabriek Schut en Berends), want de stichting van deze laatste papiermolen dateert enige jaren later.
We slaan thans een groot aantal jaren over en vinden in 1812 Jan Gijsberts ten Buurkes (geb. 1 januari 1774) als papiermaker op een der Bovenste Molens. Hij woonde in huis no. 42 (toenmalige nummering). Op Bovenste Molen II zat in 1808 de papiermaker Derk Ligt, de vervaardiger van 5 soorten papier. In 1813 komt Jan ten Buurkes nog voor op Molen I, evenals in 1815. Het volgend jaar moet hij wegens overtreding van de patentwet zijn molen sluiten op last van de burgemeester van Loenen, dat een tijdlang een afzonderlijke gemeente heeft gevormd. Jan Gijsberts ter Buurkes richt een verzoek aan Gedeputeerde Staten van Gelderland waarin hij vraagt"dat de molen weder moge worden ontsloten”. Gedeputeerden beschikken goedgunstig op het verzoekschrift en gelasten de wederontsluiting van de molen. In 1819 is sprake van een 5 baks papiermolen "de bovenste molen”. Later (1823) zit A. Aamink als papiermaker op Molen I, in 1847 J. Aamink (ook nog in 1851). De Bovenste Molen is al sinds geruime tijd omgezet in stoomwasserij. Slechts de naam en een waterval houden de herinnering levend aan de vroegere waterpapiermolen.

De papiermolen(s) van Cornelis Hendricks (molens op of achter de Horsterkamp bij de Heselheg)

Van een andere papiermolen in Loenen vernemen we op 12 oktober 1657. Dan geeft, de rekenkamer aan Olivier Hackfort o.a. de erfpacht van ’t water, waardoor de papiermolen van de pachters van Cornelis Hendricks wordt gedreven. Deze papiermolen - die reeds in 1657 als zodanig bestond - was toen door Hendricks aan anderen verpacht. Wie deze mensen zijn, wordt ons niet gezegd. Hendricks zelf staat ook als papiermaker te boek, want op 9 mei 1658 rekent de "pampiermaecker” Cornelis Hendricks met Hackfort de jaarlijkse pacht van 10 gulden af voor de "hooff” (= l hof). Die van de molen - 30 gulden jaarlijks - komt gedurende de eerste acht jaar uitsluitend Mr. Pauwel Peelen toe. Deze Pauwel Peelen zal wel dezelfde zijn, die in 1646 kwestie heeft met de Ugchelse papiermaker Jacob Jacobs. Het is vreemd, dat in ’t begin wel gesproken wordt van de pacht van hof en molen, maar niet over die van ’t water. Een jaar later is het precies andersom. Behalve de tien gulden voor de hof moet Cornelis ieder jaar aan de heer van Terhorst geven: een gerookte zalm, een riem schrijfpapier en tien pond "pachtsuiker". In 1658 komt hij met Hackfort overeen in dat jaar - in plaats van het schrijfpapier - 10 pond "potsuiker” (= poedersuiker) te leveren en voor de gerookte zalm een aantal specerijen, waarvan de prijzen vermeld worden.
Zo geeft Hendricks 1 pond rompen (misschien de schalen of basten van muskaatnoten) ter waarde van 2 gl. 16 st., 1 pond peper 11 st., 1 pond foelie 1 gl. 15 st., 14 pond nagelen 1 st. en 8 penningen, 4 pond "corinte” (= krenten) 1 gl. 1 st., 2 pond "lange” rozijnen voor 9 st. (dit waren grote langwerpige rozijnen met pit, die o.a. in de kruidmoes gebruikt werden), 2 pond "coock” rozijnen voor 3 st. 8 penningen. Met "coock” rozijnen werden de kleine rozijnen bedoeld, die men - na eerst koken - vaak op sterke drank zette.
Verder staat aangetekend, dat Cornelis Hendricks de pacht voor de hof bij assignatie van Hackfort ter hand heeft gesteld aan Jan Ponsen "op reeckeninge van het huis op de Woeste Hoeve te decken (dus voor verrekening der kosten van een dakbedekking op het huis op de Woeste Hoeve).
Zoals we straks telkens zullen zien heeft de hier genoemde Cornelis Hendricks nogal wat betekent in de historie van de Loenense papiermolens der 17e eeuw. We vinden hem o.a. bij de molen op het Slat, de Middelste en Achterste Molens en bij de Hunekampsmolen.
Op 3 augustus 1663 komen de geërfden van Loenen met Cornelis Hendrickx en diens huisvrouw Willemken Hendrickx overeen, dat Cornelis van nu af "de Beecke aen sijn Pampieren meulen tot Loenen gelegen oostwaert aen den Heer van der Horst sijnen kamp, soo wijtt sijnen beeckendijck is streckende” zodanig zal maken, dat het water daarvan "genoeghsaem binnen boorts” kan blijven. Bij overvloedig water of tijdens noodzakelijke timmerij aan de molen mag hij "de Silvoltse beecke aen het Sladt” op twee plaatsen "lossen” en het water door de oude bedding leiden. Ook moet Hendrickx zijn "beeck en dijk tot tegen het Schaer en oostenhoek vant Veenh” goed onderhouden. Hij dient ieder jaar in mei de beek te ruimen en gedurende 14 dagen "die hoijlanden ende broecklanden tot genoegen te wateren”. Verder moet hij des zondags "eersijde beecke laten uijtlopen” en bij de eerste beekruiming of schouw drie tonnen "mollen” (droge turfmolm) geven aan de geërfden. Wanneer Cornelis Hendrickx zijn beek op de bovengenoemde twee plaatsen laat "nijtloopen” is hij gehouden het water "schadeloos te leveren inde oude beecke tot aen de koemate toe”. In het bovenstaande wordt gesproken over de "Silvoltse beecke aen het Sladt” en over een "oude beecke”. Voor de aanleg van nieuwe papiermolens - waaronder die van Cornelis Hendrickx - werd omstreeks 1657 een "nieuwe Silvolse” beek gegraven, waardoor ook de molenbeek uit Zilver het water op die molens kon brengen. In een proces 122) uit 1663 lezen we, dat op de (oude) Zilvense beek oorspronkelijk alleen een korenmolen heeft gelegen en dat beneden deze molen een ander beekje "daerin loopt, genoemt die Moerbeecke ofte bruijtbeecke”. Volgens de huislieden was de laatste benaming ontstaan, doordat "een bruijt (= bruid) weleer daerinne verdroncken is”. Later is de naam verbasterd tot Bruisbeek.
Het water van genoemde twee beken uit Zilven werd tussen 1655 en 1660 door een nieuw gegraven bedding - de nieuwe Silvolse beek - gebracht in de "Loense” of "Lunse” beek bij het kasteel Terhorst. Dit was in opdracht van Olivier Hackfort geschied "tot beneficie van sijne nieuwe pampierenmuelens”. Door deze omlegging kwam een gedeelte van de oude Zilvense beek zo goed als buiten gebruik.
Uit de pachtafrekening van mei 1668 blijkt dat Olivier Hackfort dan van Pauwel Peelen diens recht op het halve water van de molen heeft gekocht. Voor die tijd had hij dit met Peelen "halliff” gehad. Deze laatste was Hackfort ook jaarlijks de waterpacht schuldig van Jan Goesensmolen.
Ingaande mei 1668 verpacht Olivier Hackfort het recht op ’t water en de plaats "daer een pampire mulen op leyt” voor 22(!) jaar aan Cornelis Hendricks tegen 120 gulden per jaar, benevens 10 pond poedersuiker en een halve riem schrijfpapier. Verder moet Hendricks driemaal per jaar "twintich appelen van oranijen (sinaasappels) ende citroenen” geven. Er wordt behalve over de pacht van de plek, waarop de molen staat - deze keer eveneens gesproken van de waterpacht. Over die van de molen rept men niet. De pachtsom ligt nu beduidend hoger; later zullen we zien, dat Cornelis dan 60 gulden verschuldigd is, dus de helft. Hieruit valt op te maken, dat we ook in dit geval met een dubbele molen te doen hebben. In het verbaal 123) der ambtslasten over het ambt Apeldoorn - lopende van 5 februari 1661 tot 4 november 1663 - komt een Cornelis Hendricks niet voor, wel Cornelis Hendricksen Huscamp. Deze zal misschien de papiermaker Cornelis Hendricks zijn, hij wordt als zodanig echter niet vermeld.
Olivier Hackfort verpacht in 1662 nog een plaats aan Cornelis Hendriks "om een pampiere muelen te leggen tegens sijne muelen over”. Er komt dus een tegenoverliggende molen bij. Hackfort schrijft, dat bedoelde molens gelegen zijn achter zijn "camp ofte omtrent de Heselheg”. Met deze "camp” wordt de Horsterkamp bedoeld, doch waar de Heselheg lag, hebben we niet kunnen vinden. Hesel zal wel slaan op de hazelaar. Omstreeks 1660 zijn er bomen omgewaaid in de "heselheg”.
De pacht voor de beide molenplaatsen met het water bedraagt 100 daalders aan geld; te weten voor de molen "die der leyt” 120 gulden en voor "die der geleyt sal worden” 30 gulden. Bovendien 10 pond suiker, een riem schrijfpapier, een gerookte zalm en 3 x per jaar 25 citroenen en sinaasappels. Indien de nieuwe molen over "een jaer ofte 1 langer niet ree of getimmerd waer” moet Cornelis toch de gehele pacht en de toebaten "ten vollen” betalen. Ook wordt bepaald, dat Hendrik niemand "mit graeven” schade mag berokkenen en wanneer er bruggen dienen te komen "sal hi Cornelis deselve op syne kosten te leggen geholden syn”. Hieruit valt op te maken, dat men een nieuwe bedding heeft gegraven of een bestaande loop omgelegd. Er moeten daar dan eigenlijk drie molens hebben gelegen. De ligging zoeken we bij Slat of bij de Bovenste Molen. Op 6 juli 1664 rekent Cornelis Hendricks met Hackfort de pacht af van "beyde muelens achter min camp aen de Heselheg gelegen”. Cornelis geeft zijn pachtheer‘ 100 gulden en bij "ordinante” van Hackfort de resterende vijftig gulden aan de predikant Holtius te Beekbergen. In mei 1666 betaalt Cornelis Hendricks weer een bedrag van 150 gulden, benevens 60 gulden pacht "wegens de onderste molen int broek” (de huidige Achterste Molen). Hendricks is in die tijd pachter of eigenaar van minstens 3 molens in Loenen. Hij verkoopt echter in 1666 zijn molens op de Horsterkamp (bij de Heselheg?) aan Tonis Ambrosius, die in 1667 de volle pacht van 150 gulden voldoet. Een jaar later betalen Tonis Ambrosius en de al eerder genoemde Hendrick Berndts ieder de helft. Berndts moet dan pachter zijn geworden van de andere molen. Hij geeft in 1669 - behalve de 75 gulden - een bedrag van 5 gulden, benevens 5 pond suiker voor "het halve oxhooft wijn voor de pagtcednl, synde twintick gulden”. Tonis Ambrosius levert zijn halve riem papier en ook de suiker, maar schenkt voor de 20 gulden van het okshoofd 8 gulden aan geld, terwijl het restant door hem is "verschoten aen cruit en loot”. Vreemd dat hij deze schuld afdoet met het leveren van kruit en lood!

Een papiermolen op het Slat

In een rekenboek 124) van Terhorst vinden we de "Moelen op ’t Slatt”. De opbrengsten nemen met mei 1671 een aanvang. Dan verrekent Tonis Hendriks met Alardt Hackfort de verschenen pacht voor een molen op het Slat met het luttele bedrag van 2 rijksdaalders. In de marge staat: "een oxhooft wijn van Cornelis gehadt, sal voor ’t overdoen sijn”. Vermoedelijk is de pacht overgedaan aan deze Cornelis. Daarna horen we pas in 1675 wat over de molen. Hackfort krijgt nu 5 gulden van "Marriken”, niet van Cornelis. In mei 1677 duikt ineens de Cornelis van het okshooft wijn weer op en betaalt 100 gulden. Drie jaar later geeft Hendrik Cornelissen, misschien een zoon van Cornelis Hendriks, 16 dukaten en 50 gulden. Er wordt bij het jaar 1680 in de marge vermeld, dat hij voor Hackfort een koe "vet geweit” heeft. Vervolgens vertelt ons het rekenboek, dat Hendrik Cornelis in 1682 een bedrag zal geven van 75 gulden, waarmede "dan de bovenstaende jaeren tot mei 1682 incluis betaelt sijn”.
Er "schiten nog 12 stuivers over” tekent Hackfort hierbij aan. Misschien heeft deze molen iets uitstaande met de door Cornelis Hendricks omstreeks 1662 getimmerde nieuwe papiermolen bij de Heselheg. De molen is dan gelegd op een beekje, dat gevoed werd door een tweetal sprengenstelsels. Na de afbraak van de molen, hetgeen in veel latere tijd is geschied, heeft men de onderbeek gedempt en het water onder de bovenbeek van de andere papiermolen door naar beneden geleid. Mogelijk was dit het molentje van Jan Limpers Hilbrink, die in 1786 op een der molens van het Slat zat. Limpers had in Loenen een klein papierbedrijf van 2 a 3 bakken, waar hij in 1808 één soort papier maakte. Hij was geboren 26 april 1751 en gehuwd met Aaltje Kluiver. Het echtpaar had 5 kinderen. In 1798/ 99 betaalt Jan Limpers 6 gl. 15 st. voor zijn molen maar ook 1 gld. voor "het kleijne Mooltjen”. Jan Limpers werkte met 1 knecht en verwerkte 600 pond lompen. Het gereedgekomen papier bracht hijzelf met de kruiwagen naar Zutphen, vanwaar hij telkens weer een portie lompen mee terug nam naar Loenen. In 1823 vinden we Hendrik Limpers Hilbrink (3 arbeiders), eveneens in 1851.
Naast grotere papiermakerijen vond men op de Veluwe ook enkele kleine papiermolentjes met een geringe produktie, waarin slechts een paar mensen werkten. Vaak waren dit uitsluitend familiebedrijfjes. Volgens Limpers zou de eerste papiermolen in Loenen destijds in de omgeving van het Slat zijn gesticht.

De papiermolen van Rutger Swarthoff achter de Horst gelegen

De onderscholtis Rutger Swarthoff wordt in 1690 125) genoemd als eigenaar en bewoner van een papiermolen achter het kasteel Terhorst. We lezen, dat "seker huijs, hoff, schuijr, pampiermolen met sijn recht en toebehoren, in Loenen agter die Horst gelegen, soo en als die tegenwoordig bij den Eijgenaer selffs bewoent wordt . . . Toebehorende Rutger Swarthoff en Metje Janss Echtelieden” op 21 mei 1690 in onderpand gesteld is ten behoeve van diens broer Jan Swarthoff. Deze laatste staat wegens vier "distincte genegotieerde obligatien ter somme van drie en twintig honderd en dertig gulden”, borg voor zijn broer Rutger. Op 11 juni 1690 worden "huijs, hoffstede, moelen recht van water met sijn aencleven van dien recht en gerechtigheden, omtrent de kerck tot Loenen gelegen, met het papier daer in gelegen” en eigendom van Rutger Swarthoff, bezwaard met 825 gulden, benevens "de costen en drie rijmen schrijff pampier”. Verder nog een bedrag wegens "verdient jura en verschot, die den Scholt Brienen toecomt”. Zulks ten behoeve van Jan Tomessen (Tomessen).
We zien hieruit, dat Rutger Swarthoff in 1690 eigenaar is van een papiermolen achter het kasteel Terhorst, waarvan gezegd wordt, dat deze ligt in de omgeving van de kerk te Loenen en recht van water heeft. Misschien een der molens op het Slat. Maar daarvan bezat Hackfort het waterrecht.
In elk geval is dit laatste in 1713 in handen van de heer van Terhorst, want in een pachtboek 126) der Hackforts wordt dan de opbrengst vermeld van "Ruetger Swaerthoefs muelen”. Bij de betaling komt geen Rutger te pas, doch wel een Metien Swaerthoef, die op 8 mei 1713 vijftig gulden pacht geeft. Met deze Metien is Rutgers vrouw Metje Janss. bedoeld. Rutger Swarthoff moet voor die tijd zijn overleden. In augustus 1715 - zo schrijft Hackfort heeft "mijn vrouw van Liepes Swaerthoefs vrouw op rekeninck van de verschenen pacht vieftigh guldens” ontvangen. Er is blijkbaar een achterstand in de betaling, want op 22 november van hetzelfde jaar laat Hackfort de dan nog verschuldigde pacht bij Liepes aan huis halen. Het is niet Liepes zelf maar weer diens echtgenote die betaalt. We lezen tenminste "aen Liepes huies doer sien vrouw ontfaengen 50 guldens op rekeninck van de verschenen pacht”. Waarom vrouwlief altijd met de duiten voor de dag komt is niet duidelijk. Hield zij de beurs of was Liepes misschien ziek? Zijn voornaam moet eigenlijk Philippus zijn geweest. Dergelijke verbasteringen vinden we ook bij andere namen: b.v. Maas voor Thomas; Rasmus of Asmus voor Erasmus. Op 8 december 1716 komt Liepes Swarthoff echter zelf z’n schuld afdoen.
De in het begin genoemde onderscholtis Rutger Swarthoff zal mogelijk een zoon geweest zijn van de custos (= koster) van Hall J. Swarthoff. Naar aanleiding van een kwestie, die gerezen was tussen de katholiek Hackfort en de meerderheid der hervormden te Loenen over de aanstelling van een lutherse schoolmeester door de heer van Terhorst, richtte de onderscholtis Rutger Swarthoff omstreeks 1680 in het dorp een bijschool op. Het geschil liep nogal hoog, zelfs de scholtis van het ambt Apeldoorn kwam er aan te pas. Hoe de zaak tenslotte is afgelopen, valt niet precies te zeggen. Straks zullen we zien, dat Rutger Swarthoff een tijdlang ook pachter was van de Achterste Molen II.

De papiermolen in het Strobroek

De papiermolen op de Strobeek - ook wel Strootbeek of Strobroeksebeek genoemd - stamt waarschijnlijk uit de 18e eeuw. Stroot, stroet of stro betekent drassig land. Het oorspronkelijk beekje zal verbeterd zijn door het graven van enkele diepe sprengen niet ver van de boerderij "de Vrijenberg”. Op 12 oktober 1657 verwerft Olivier Hackfort van de rekenkamer de erfpacht van een aantal waterlopen in Loenen, waaronder t het beekje, dat "uit den Vrijenberg spruit”. Zoals men zich zal herinneren, staat ineen ander stuk over dezelfde verwerving "Ruiterenberg”. De vrouwe van Terhorst geeft op 7 augustus 1670 vergunning tot het leggen van een volmolen op de "Vrijen, bergsche beek”. Misschien is dit de molen, die op 8 juni 1739 door W. Box gekocht wordt van de wed. A. Hackfort en toen tot papiermolen zal zijn ingericht. Willem Box heeft in 1749 drie knechts en meiden. Wegens geleverde en niet betaalde lompen komt hij diep in de schuld te staan bij Jan Everts Vierevant te Arnhem. Op 24 september 1762 verkopen Willem Box (Boks) en zijn vrouw Bartoldje Meijer hun papiermolen aan Jan Everts Vierevant. Boks wordt in 1766/ 67 nog genoemd op de molen, misschienwas hij toen pachter of werkte voor Vierevant. Hendrik ter Hoeve (Hoeven), gehuwd met Aartje Dries, koopt op 4 juni 1767 de papiermolen van Evert Vierevant. Ter Hoeve blijft daar werkzaam tot 1776/77, naar hem heet de molen dan het "Troeven meulentje”. Zijn weduwe zet daarna het bedrijf voort (tot 1792/93), vervolgens de zoon H. ter Hoeve. Deze heet in 1798 "Mr. papiermaker”, is 29 jaar oud en gehuwd met Willemina Meijerink, die in 1777 van Apeldoorn naar Loenen kwam. Het echtpaar heeft in 1798 twee kinderen.
H. ter Hoeven en G. de Groot zijn in 1808 papiermakers in Loenen, waar ze 5 soorten papier maken. Volgens een lijst uit 1823 zit H. ter Hoeve op "Stroobroeksmolen” met 3 arbeiders, die 7 stuiver per dag verdienen en per jaar 10 000 pond lompen tot 320 riem papier verwerken. Later vestigt men in de molen een wasbedrijf. In het begin van 1919 hing er nog een waterrad, dat kort daarna verkocht werd aan G. J. Bomhoff van de Middelste Molen. Op de plek van de vroegere papiermolen ligt thans het kampeerhuis "de Strobroeksmolen”, Hoofdweg 94, Loenen.

De Middelste Molen(s)

De voorgeschiedenis van de Middelste- en Achterste Molens brengt ons weer in aanraking met Cornelis Hendricks. Op 8 december 1663 dienen Bernt Alberts en Isac Muijs namens de mark een klacht tegen hem in bij de onderscholtis wegens het "op eigener anctoriteit” leggen van nieuwe molens in Loenen en Zilven, het zonder toestemming graven van beken en het omleggen van waterlopen in de gemene velden.
Hendricks gedraagt zich daarbij "of hij alleen Souverein Heer waer van Loenen en Sylven”. De klagers vinden "sulke souvereiniteit ten enen mael onlidelick” en laten Cornelis Hendricks bij monde van de onderscholt aanzeggen: "dat ghi u niet en sult hebben te onderstaen in ’t alderminste door gemeine velden te graven ofte wateren te verleiden”, en dient op te houden met "soo onbehoorlike actie”. Hendricks verklaart, dat hem zulks "niet aengaet, dat hij daer niet op antwoord, dat het den Heer van der Horst aengaet”. Hij beroept zich dus op Hackfort, die - blijkbaar zonder de geerfden erin te kennen opdracht heeft gegeven tot het graven en omleggen van beken in de markegronden. Partijen worden het echter met elkaar eens, want op 2 maart 1664 zeggen de erfgenamen van Loenen en Zilven "te kunnen liden en toestaen”, dat Olivier Hackfort "twe pampiermuelens den enen op den deelsum en den anderen onder Tonis Hendricks muelen” laat leggen. Het gaat hier over de stichting van de Middelste en Achterste Molens hetgeen kort na 1662 moet zijn geschied.
Want op een kaart 127) van 1662 door H. van Gelder komen beide molens nog niet voor en is van een beekomlegging geen sprake. De beek beneden de vierde molen op de kaart is dan ook niet de tegenwoordige loop, maar de bedding zoals die liep voor het leggen der Middelste- en Achterste Molens. De hierboven genoemde molen van Tonis Hendricks zal misschien de Bovenste Molen zijn.
Over de Middelste Molens - later liggen er twee afzonderlijke bedrijven naast of tegenover elkaar - volgen thans enkele verdere gegevens. Klaas Nikkels is in 1749 papiermaker op een der Middelste Molens, hij staat in 1776/ 77 nog te boek "voor 1 jaar”. Op het andere bedrijf wordt Hendrik van Veelen genoemd (o.a. in 1739 en 1756). In 1774 is daar de weduwe van H. van Veelen, ze wordt nog vermeld in een lijst over 1780/ 81 "voor 1 jaar”. Vermoedelijk komt als haar onmiddellijke opvolger Jan van Delden, want in de zojuist genoemde lijst vinden we Jan van Delden niet alleen genoteerd staan voor de beide Achterste Molens, maar eveneens voor de ene Middelste Molen "nog voor een jaar”. Hij is daar kennelijk ook in 1784/ 85, eveneens in 1792/93, dan (1794/95) de weduwe van Delden. In 1798 is de weduwe er niet meer, maar Hendrik Jans van Delden, blijkbaar haar zoon. Hendrik Jans van Delden was gehuwd met Geertje Huiskamp uit Apeldoorn. Hij heet in 1798 Mr. papiermaker en heeft 1 kind. In 1808 vervaardigt hij 3 soorten papier; bij hem zijn in 1823 drie arbeiders in dienst, die 8 stuiver verdienen en 6000 pond lompen verwerken.
Op de molen van Klaas Nikkels (zie boven) komt in 1777 Hendrik Meijerink. In 1798 was hij 53 jaar en had 7 kinderen. Meijerink was gehuwd met Hendrika Dijkhuis, die in 1783 uit Apeldoorn kwam. Hendrik Meijerink leeft nog in 1812, drie jaar later wordt de wed. Meijerink genoemd. In 1823 zit H. de Goeij met drie arbeiders op de molen, evenals bij zijn buurman krijgen ze 8 st. Ioon en verwerken 6000 pond lompen.Beide molens branden in de middag van 26 juli 1886 af; het volgend jaar wordt er slechts één bedrijf weer opgebouwd, de huidige Middelste Molen. Teneinde het heldere van het afvalwater te scheiden was tussen de Middelste en Achterste Molens een houten schot in de beek gemaakt, dat de bedding over de gehele lengte in tweeén deelde. Hierdoor kon laatstgenoemd bedrijf eveneens zuiver water voor de papierfabrikage krijgen. Deze afscheiding is nu nog aanwezig. Nadat de papiermaker G. J. Bomhoff op 18 april 1908 zijn papiermolen te Apeldoorn - de bovenste der drie Stinkmolens - had verkocht, vestigde hij zich als papierbereider 0p de Middelste Molen. Al spoedig werd hij hier de vertrouwensman der gehele dorpsbevolking. Jarenlang was Bomhoff een gezien lid van de Apeldoornse gemeenteraad.
Door aankoop kwam de Middelste Molen in het bezit van de Cartonfabriek Wed. J. W. Schut N.V. te Loenen, die het oude bedrijf gelukkig intact liet. Wel werd de molen opgeknapt - uiterlijk helaas geen verfraaiing - en het waterrad vervangen door een ander. Het interieur bleef zoveel mogelijk in de vroegere toestand, hetgeen ten zeerste gewaardeerd moet worden. In de fabriek bevinden zich twee fraaie oude papierpersen en een unieke stoommachine. De Middelste Molen is thans de enige papierfabriek in ons land, waar nog van waterkracht gebruik gemaakt wordt. Een waardevol historisch bezit, waarop de bevolking van Apeldoorn trots en zuinig moet zijn..

De Achterste Molen of de Onderste Molen in het Broek bij de Deelsum

De achterste papiermolen dateert uit dezelfde tijd als de Middelste Molen. We weten dat Olivier Hackfort in 1664 van de geërfden vergunning had gekregen voor het leggen van twee papiermolens, waarvan een op "den Deelsum”. Met deze molen wordt de tegenwoordige Achterste Molen bedoeld, die nabij het erf de Deelsum is gesticht. De boerderij "de Deelsum” is onlangs afgebroken; bij eventuele naamgeving in die omgeving dient men aan de benaming Deelsum te denken.
De molen moet in 1665 gereed zijn gekomen, want een jaar later betaalt de ons bekende Cornelis Hendricks zestig gulden voor "de Onderste Moelen int Broeck bij den Deelsum”. In 1667 geeft Cornelis eenzelfde bedrag voor "sijn gepagte moelen”; hij doet dit ook nog in de jaren 1668, 1669 en 1670. Bij de afrekening over het laatste jaar is op 27 juni 1674 bij geschreven: "van Cornelis ontfangen negen ducatons en een half”. Naast de molen komt in 1670 een tweede papierbedrijf met een gemeenschappelijke trap naar beide zolders. Voor de nieuwe molen wordt in 1671 een pacht van 30 gulden betaald door Meister Rutger. Met deze Meister Rutger bedoelt Alardt Hackfort de reeds eerder genoemde papiermaker en onderscholtis Rutger Swarthoff. Hij wordt al gauw als pachter van molen II opgevolgd door Gerrit Reijnders Pannekoek. Deze komt juist in een moeilijke tijd terecht. Want een paar woorden in het pachtboek van Terhorst herinneren ons aan het beruchte jaar 1672, waarin de Fransen met hun bondgenoten Munster en Keulen ons land binnenvielen en een groot gedeelte daarvan veroverden. Gedurende de jaren 1672/ 74 legden de bezetters de bevolking , ongehoorde lasten op. De bewoners der Veluwe kregen het eveneens hard te verduren. Vandaar dat Gerrit Reijnders Pannekoek over 1672 wegens "de slechte tijd” vermindering van pacht ontvangt. In 1675 128) wordt nog gesproken over de molen van Gerrit Reijnders Pannekoek. Na zijn overlijden (na augustus 1676) hertrouwt de weduwe Aeltjen Peters met Mathijs van Heil. Mathijs verschijnt in 1716 op molen II; hij betaalt in 1717 een pacht van 100 gulden voor "maeties Heils muelen” en komt nog voor tot 1719. In dat jaar moet Heil zijn molen overdoen aan Jacob Jansz. van Til. Deze stamt uit een papiermakersfamilie, die werkzaam was op verschillende molens in Loenen. Hij zal een familielid geweest zijn van Jan Jacobs van Til - of zoals Hackfort hem noemt - Jaen Jaekoep van Tiel. Diens molen komt in een der rekenboeken 129) van Terhorst voor onder het hoofd "jaen jaekoep Moelen”. Het is ons niet bekend, welke molen hiermede bedoeld wordt. Deze Jan Jacob geeft in 1713 voor zijn papiermolen een jaarlijkse pacht van 140 gulden. Bovendien moet hij ieder jaar nog een bepaalde hoeveelheid suiker en een "gaens” (gans) leveren. De van Tils zullen wel afstammelingen zijn van Roliff Jansen van Til uit Hoog Soeren, die in 1659 een der pachters is van Jan Goesens molen. De papiermaker Cornelis Hendricks, de eerste pachter op de Achterste Molen, is in 1658 verplicht een gerookte zalm - of de geldswaarde daarvan - te geven. We hebben eerder kunnen zien, dat de molenaar op de waterkorenmolen op de Grift in 1658 en volgende jaren op St. Martini 2 vette ganzen en tegen Pasen een varken van minstens 100 pond schoon aan de haak moest leveren. Vaak hadden deze ganzen, varkens en zalmen iets te maken met de visvangst bij de watermolens. In tal van Veluwse beken werd vroeger veel vis gevangen - meest paling. De ergerlijke waterverontreiniging, veroorzaakt door de lozing van afvalstoffen der fabrieken, heeft gedurende deze eeuw hierin verandering gebracht. De watervervuiling schept overal in ons land problemen, die om een spoedige oplossing schreeuwen. In onze streken heeft de verontreiniging tot gevolg gehad, dat uit de meeste Veluwse beken de vis totaal is verdwenen. Nog in de 2e helft der 19e eeuw werd regelmatig paling gevangen bij de korenmolen op de Grift te Apeldoorn, terwijl nog niet zo lang geleden deze vissoort voorkwam bij het rad van de Middelste Molen in Loenen. Hoe belangrijk de palingvangst in onze omgeving kon zijn, zien we bij de nu verdwenen koren- en oliemolen op de Grift te Vaassen (Griftse molen), waar omstreeks 1900 op donkere onweersachtige zomernachten vaak meer dan 50 pond paling werd gevangen, een enkele keer , zelfs 200 pond! Beneden de waterval van de voormalige kopermolen op de Oosterhof te Vaassen - thans wasserij, het rad is verdwenen - bevond zich in 1936 nog een rooster voor het opvangen der palingen. In de Kayersbeek komt zelfs heden ten dage een enkele keer paling voor. De molenaar de heer te Riele van de Cannenburchmolen te Vaassen vertelde mij bij een bezoek aan zijn molen op 17 september 1965, dat hij af en toe nog wel forellen door de onderbeek zag schieten of een snoek onbeweeglijk in het heldere water had zien staan. Ook vorens kwamen een enkele keer voor. Een fraai gekleurde ijsvogel zat af en toe op een paaltje bij de molenwijer op prooi te loeren.
Pijlsnel schoot dan de sierlijke vogel eensklaps op een vis af en altijd was het raak. In vroeger tijd vond men ook zoetwaterkreeften in de Veluwse beken. Zo bepaalde de mark van Hall en Eerbeek in ’t begin der 17e eeuw, dat men geen dammen of dijken in de beek mocht leggen "omme kreeften toe vangen.” Behalve het recht op het water en de wind hadden in de middeleeuwen de landsheren tevens het recht op de visvangst.
Om deze vangst bij zijn molen te mogen uitoefenen, hetgeen vaak een aardige bij verdienste opleverde, moest de molenaar aan de landsheer - of in later tijd aan andere rechthebbenden op ’t water - een vergoeding geven, hetzij in geld, hetzij in natura. In het laatste geval leverden de pachters boven de verschuldigde geldpacht een gemest varken, gevogelte, eieren of een bepaalde hoeveelheid vis. Misschien heeft de verplichting van sommige papiermakers tot het geven van zalmen of ganzen in enkele gevallen iets te maken gehad met het recht van visvangst.



De Middelste Molen te Loenen. vanaf de onderbeek (1937).
Het huidige gebouw dateert uit I887, doch reeds omstreeks 1662 is op die plek een papiermolen getimmerd.
Het schot in de lengte van de beek scheidt het heldere water van het vuile afvalwater.
De Middelste Molen is de enige papiermolen in ons land, die nog van waterkracht gebruik maakt.
Hij vormt een der belangrijkste historische monumenten in de gemeente Apeldoorn.






Watermolens te Loenen op een schetsje naar een gedeelte van een kaart uit 1662 door H. van Gelder.
Het valt niet met zekerheid te zeggen, welke molens op de kaart staan.
Misschien moeten we in de benedenste molen de huidige "Bovenste Molen” zien.
Op de Stroobeek ligt in 1662 nog geen molen.
Met de "Silvolse korn mullen” wordt de voormalige waterkorenmolen in Zilven bedoeld.






Het in 1629 door Lodewijk van Aelst verscheurde briefje van D. Heuft te Dordrecht.

h39


Gedeelte uit een kaart van 1807, waarop de beide kopermolens te Wenum met bijbehorende wijers voorkomen.
Geheel rechts staat de windkorenmolen aan de huidige Marleweg.
De prachtige tuinaanleg bij de Rotterdamse kopermolen is op de kaart duidelijk weergegeven.


h40

Het wordt tijd, dat we ons verhaal over de Achterste Molens vervolgen. Ook de papiermaker Jacob Jansz. van Til heeft niet veel succes op z’n molen en verkoopt deze in 1722 voor 5000 gulden aan Claes van Amersfoort en Heymerinck van Til.
De Achterste Molen had - na de stichting van de tweede molen in 1670 - als pachter Jurrien Jansen (1716), daarna diens zoon Lambert Jurriens Ritbroek. Laatstgenoemde vertrok omstreeks 1748 naar de papiermolen ’t Slop in Apeldoorn, waar hij failliet ging. Op de Loenense molen wordt hij opgevolgd door Hendrik Simons (Simonis). In 1756 verschijnt op molen Jan van Delden, gehuwd met Jenneken 3 (Jannetje) Put. Hij komt omstreeks 1778/ 79 gedurende korte tijd voor op beide molens. Op 15 oktober 1788 koopt hij van 0. G. W. J. Hackfort een 5 bakspapiermolen voor 2600 gulden, die dan in pacht is bij Egbert Schunrman. Jan van Delden overlijdt in 1797 en z’n zoon Teunis neemt dan zijn plaats in. Deze had bij magescheid van 7 maart 1797 de van zijn vader afkomstige molen gekregen. Teunis, geboren 18 april 1757, was gehuwd met Gerritje Derks uit Brummen. Hij maakte in 1808 vier verschillende soorten papier. Een Teunis van Delden wordt in 1823 nog op de ene Achterste Molen genoemd. Het laatst komt hij voor op een patentlijst van 1849 met 7 werklieden. Als dat dezelfde Teunis is van 1757, dan was hij toen ca 92 jaar! Op de andere Middelste Molen vinden we in 1827 Hendrik Jans van Delden, die in , 1823 op een der Middelste Molens zat. Dit herhaaldelijk wisselen van molens maakt het uitzoeken van de historie der Apeldoornse papierbedrijven zo bijzonder lastig! In de eerste helft der 20e eeuw worden de beide Achterste Molens verkocht aan Hennebram (Hendrik Abraham) Schut, die afkomstig was van het Kerstensmolentje in Eerbeek, waarvan alleen het verval nog over is. Zijn opvolger op de Achterste Molen(s) is Paul Jan Schut. Op 18 december 1881 vernielt een brand een groot gedeelte van het bedrijf. De Apeldoornsche Courant van 24 december heeft daarover een kort berichtje: "Loenen 18 dec. Heden brandde alhier, de papiermolen en boerderij "de achterste molen” af, bewoond en toebehorend aan de Wed. S. Alleen het vee gered. Alles verzekerd.” ,Paul Jan Schut, die reeds een stoomketel en stoommachine gebruikte, verloor het leven bij een ketelontploffing. Zijn moeder en een broer zetten de papierfabrikage voort. In 1905 brandt de Achterste Molen opnieuw af. De fabriek wordt in 1907 weer opgebouwd en groeit geleidelijk uit tot de moderne industrie "Papierfabriek Schut en Berends N.V.”, die een eervolle plaats inneemt onder de papierbedrijven van ons land.

Hunekampspapiermolen in Zilven

De molen bij de Hunekamp (Hune- of Huinekampsmolen) stamt van omstreeks 1665.
Toen moet tevens de aanleg zijn geschied van de hooggelegen sprengen in Zilven, wier afvoer om en over een steile helling naar de papiermolen is geleid. In het pachtboek van Terhorst over 1666/ 73 wordt de molen vermeld onder het hoofd "Huinekampse pampiermoelen”. Bij het jaar 1666 staat alleen de aantekening: "hier is met Cornelis en Lubbert een half jaar in dispuit”. Er is dus verschil van mening ontstaan over een half jaar pacht. Lubbert Arnts (Aernts) verrekent in mei 1667 met Alardt Hackfort een jaarlijkse pacht van dertig gulden voor zijn molen. Dit bedrag is in verhouding tot de pachtbedragen voor de andere Loenense papiermolens laag te noemen. Als "toe baten” geeft Arnts in 1668 een "halven rhim papier en thien pont suiker”. Hij voldoet z’n pacht ook in de jaren 1669, 1670, 1671, 1672 en 1673; in plaats van de toebaten betaalt hij in 1671 vijf gulden boven de gewone geldpacht.
Alardt Hackfort krijgt over het graven en leiden van beekjes in Zilven kwestie met Gijsbert Schimmelpenninck van der Oye, heer tot Hunderen. Het geschil tussen beide edellieden spitst zich meer en meer toe. In juni 1681 trekt heer Gijsbert er zelfs met "gewapende ruiters of soldaten” op uit en laat onder bescherming van deze kring lieden "de dammen of wallen van de nieuw gegraven beek” in Zilven doorsteken.
Hackfort neemt de "begane geweldadigheid” niet en protesteert bij het Hof. Hij zegt "in erfpacht te hebben verkregen het recht van verschillende beekjes en wateren om die in de oude molenbeken te mogen leiden, en dat hij voor 10 of 11 jaren en ook in de afgelopen winter "een beekje in het veld van Silvolden had doen leiden in de oude molenbeek”. Het omleggen van dit laatste waterloopje gaf aanleiding tot het gewapend optreden van Gijsbert Schimmelpenninck, die hiertoe natuurlijk niet gerechtigd was.
Het gegraaf in Zilven geeft omstreeks 1679 ook aanleiding tot een geschil tussen de papiermaker Hendrick Cornelis (zie over hem o.a. bij de papiermolen op het Slat) en de geërfden van Zilven. Hendrick Cornelis, vermoedelijk een zoon van Cornelis Hendricks, heeft namelijk een beek aangelegd om het water van "de sylvese becke op syn papiermolen toe brengen”. Op 25 april 1679 komen beide partijen tot een akkoord waarbij Hendrick Cornelis de bewuste beek zal mogen gebruiken "gelick als hij dije alreets begonnen heft”, mits dat bij "de alrede gemaeckte brugge en dick in dije rijtte sal leggen bequam om met een wagen daer oever te vaeren van 20 voet breet”. Hij moet dus door de "rijtte” (= laag met riet begroeid terrein) een "dick” (=dijk, doch betekent hier een verhoogde weg) aanleggen, waar men met wagens over kan rijden.
Verder verplicht Hendricks zich tot het maken van een tweede brug naar de kant van het veen, die breder zal wezen dan de eerste en "an beijde sijden . . . wool angehoegt” (= opgehoogd). Ook moet hij "in dee rijtten” dijken leggen "bequam om oever te vaeren”, hetgeen duidt op het maken van nog meer wegen in de bovengenoemde"rijtten”.
Aan dergelijke wegen door vochtige lage terreinen herinneren in onze gemeente talrijke benamingen met dijk, zoals Binnendijk, Drostendijk, Koedijk, Krommedijk, Knipersdijk, Langedijk, Slatsdijk, Sprenkelaarsdijk, Traandijk, Veendijk, Vellertsdijk en IJsseIdijk. Wat de woorden "Rytte” of "Rijtten” betreft, in Uddel bevindt zich een stuk grond, dat vroeger met riet en struikgewas begroeid was en de "Rieten” heette. Bij naamgeving van wegen heeft men een weg in die omgeving "de Rieten” genoemd. In 1635 vinden we bij het Woudhuis een plek "De Rijte”. De naam Ritbroek (Rijtbroeck) in Apeldoorn wijst eveneens op een drassig met riet bewassen stuk grond. Een dergelijk terrein met veel riet zal hier in Zilven ook zijn bedoeld.
Toen de papierindustrie zich in de 17e eeuw steeds meer ging uitbreiden, groeide met de dag de behoefte aan een grotere watertoevoer naar de molens. Vandaar het voortdurend gegraaf van de Loenense papiermakers met de daaruit voortvloeiende geschillen met andere belanghebbenden. Uit die tijd stammen ook de al eerder aangehaalde gezegden, die in verband staan met het molenwater. In een proces uit 1663 over het leggen van een nieuwe watermolen over de Emperstrang zegt Johan van Steenbergen tot Nijenbeek, dat het "aftrecken van ’t water van iemants Molen so nauw lnistert, dat daeruyt het Spreeckwoord comt, dat niemand het water van sijn Molen wil laten trecken”. Even later noemt Van Steenbergen een Duits gezegde:

"Wie kein Schaeffer weijde genugh hette,
Also hette anch keijn neuwen Muller wasser genugh”.

Met "Schaeffer” bedoelt hij een schaapherder.
Drie jaar voor de beruchte kwestie tussen Hackfort en Gijsbert Schimmelpenninck van der Oije komt een akkoord 130) tot stand tussen de papiermakers van Loenen en de kasteelheer van Terhorst (augustus 1676). Hierbij krijgt Hackfort het recht om uit de beek boven "Rutger Swarthoof en Aert Jorriens (Jurriens) moele” te leiden "een half back water om te gebruicken tot sijenen schoonsten”.
In de overeenkomst worden - behalve Swarthoff en Jurriens - als papiermakers genoemd: Tonis Engberts, Hoege Roelufs, Cornelis Hendricks en Gerret Reijnders.
Ook bepaalt men, dat de beek "alberiets (= reeds) door het veen lopende” naar de molen van "den groten tonis”, die nu toebehoort aan Cornelis Hendricks "sijen loep sal mogen houden sonder teegensprecken van der vorschreven papirenmackers”. Wordt met deze "groten tonis” misschien bedoeld de papiermaker Tonis Engberts (zie Jan Goesensmolen) of slaat de benaming op Tonis Henrix van de Wolfsmolen? Verder staat in het bovenaangehaalde stuk van 1676, dat de daarin genoemde papiermakers "sullen helpen graeven in en boven den pol tot Sijlven om waeter tee soecken dat voorbij het hof ende goet sal loepen daer Jan Tonis teegenwordich op wont om het broeck tee weeteren” (= om het broekland bij droogte van water te voorzien).
Ook zullen ze "boven den pol” nog naar meer water graven "tot profit van dee molens” en dit helpen "onderhouden”. Lubberts Aerts van de Hunekampsmolen en Engbert Wolters, korenmolenaar op de Zilvense molen, dienen steeds drie a vier dagen tevoren de overige watermolenaars in te lichten, wanneer het ruimen in mei en augustus zal geschieden van "het geene dat alberiets gegraeven is”. Indien iemand hierin nalatig blijkt te zijn, moet men de heer van Terhorst daarvan in kennis stellen. Deze zal dan een arbeider sturen om bij het beekruimen te helpen, waarvoor "den gebreck, haftigen” aan Hackfort "dubbelt dachloen” dient te geven.
In 1739 zit Jan Capel op de Zilvense papiermolen; hij komt daar nog voor in 1772.
H. J. Capel maakt er in 1808 twee soorten papier. Op 3 december 1881 wordt de veiling aangekondigd van "de Hunenkampmolen vierbaksmolen met wrijfbak voor Baron Hackfort tot Ter Horst, gelegen te Loenen op de Veluwe, buurschap Zilven, bestaande in huis, molen, koeschuur, hangschuur, tuin-, bouw- en grasgrond”. Veel animo bestaat er niet voor de molen, want op 17 december lezen we over "de Hunen kampsmolen te Loenen staande op de geringe som van f 1011, - ”. De papiermolen is daarna omgezet in wasserij; alleen een gemetselde waterval herinnert aan het verval.Thans ligt er de stoomwasserij "De Hunekamp”, Imbosweg 30. De oorspronkelijke benaming bleef gelukkig behouden.
De grote betekenis van de papiermakerij voor Loenen blijkt in 1749. Toen was van het aantal inwoners boven 10 jaar 12.6 % direct afhankelijk van de papiernijverheid.
Geen wonder dat tussen 1650 en 1749 de bevolking toenam van 290 tot 640. In laatstgenoemd jaar worden in Loenen als papiermakers genoemd:

Hendrik Simons Huybert Zebussen, wedr.
Egbert Evers Willem Box
Nicolaas Nickels Reijnder Conselaar
Hendrik van Veelen Hendrik Ligt
Willem Meijerink Jan Capel (Zilven)

Er lagen toen in het kerspel Loenen 10 papiermolens.
Met de geschiedenis van de Hunekampsmolen sluiten we het gedeelte over de Loenense papiermolens af. Jammer genoeg moest dit overzicht zeer onvolledig blijven.
Veel hiaten konden niet overbrugd worden; tal van vragen bleven onbeantwoord. Een uitgebreid archiefonderzoek zal het misschien mogelijk maken de oudste molens - zoals die van Wolf Gabriels, Jan Goessens, Cornelis Hendricks, Hendrick Bernts en anderen - in te passen in de historie van de later onder andere namen vermelde papiermolens te Loenen. Hierdoor kan tevens klaarheid komen over de juiste ligging der alleroudste molens.

De windpapiermolen "De Halve Maan" bij de Koudhoornse Sluis

Een enkel woord gaan we zeggen over de windpapiermolen "De Halve Maan”, gelegen aan het nu buiten gebruik gestelde kanaal Apeldoorn - Hattem, niet ver van de Koudhoornse sluis. De molen werkte zowel met stoom als met windkracht. In 1863 werd het bedrijf door brand verwoest. De Apeldoornsche Courant meldt daarover: "Op woensdag 3 aug. brandde de papierfabriek van J. M. Pannekoek aan de 2e schutsluis af. Was verzekerd voor f 2800, ”. De papierfabriek maakte ook gebruik van windkracht. Op een tweetal foto’s uit 1880 en 1881 aanwezig in het gemeentearchief Apeldoorn kan men de papierfabriek met windmolen duidelijk zien. De afbeeldingen hebben betrekking op de toenmalige vernieuwing van de Koudhoornse sluis. De windmolen is later verdwenen, thans ligt op die plek de papierfabriek "De Halve Maan”, Fa. K. Schenk en Zn.


 

Meesters in de edele kunst van het papiermaken

Nu willen we nog even het volle licht laten vallen op de papiermakers van de Veluwe, een groep van harde werkers en gedegen vaklieden, die eeuwenlang een goede naam hebben weten te verschaffen aan het Veluwse papier. De kunst van het handpapiermaken vereiste een jarenlange opleiding en een gedegen vakmanschap. Het valt dan ook volkomen te begrijpen, dat de papiermakers trots waren op hun beroep. Het vak van papiermaker was echter lang niet altijd rozegeur en maneschijn. De werktijden van bazen en knechts duurden soms van half drie ’s morgens tot zeven uur in de avond.
Het verblijf in de vochtige ruimten bevorderde niet bepaald de gezondheid; het voortg durend gebukt staan bij het werk - vooral voor de leggerjongens - was oorzaak, dat vele papiermakers kromme benen, "papiermakersbenen” kregen. ~ Tegen hard werken en wat moeite zagen de papierfabriekanten echter niet op. Vaak liepen de Apeldoornse papiermakers - een pak papiermonsters op de rug - vanuit hun woonplaats naar Harderwijk. Daar namen ze de boot op Amsterdam, bezochten in die stad hun factoors en andere relaties of reisden naar elders gelegen plaatsen voor het aanknopen van nieuwe connecties. Soms reden ze mee met hun eigen voerlui, wanneer deze het af te leveren papier naar Harderwijk of Amsterdam brachten.
In de tweede helft der 19c eeuw gaat door de invoering der papiermachine de handpapiermakerij met snelle schreden de ondergang tegemoet. De waterpapierbedrijven .
leveren geen lonend bestaan meer op en worden in de meeste gevallen omgezet in wasserijen. Weldra komt het einde van de eens zo bloeiende handpapierfabrikage.
Nu ben ik in dit stukje over de Veluwse handpapiermakers jammer genoeg genoodzaakt nader in te gaan op enige publikaties, waarin door onbekendheid met de juiste omstandigheden en feiten, een volkomen foutief beeld wordt gegeven van de vroegere papierbereiders op de Veluwe 131). De schrijvers daarvan trachten ons wijs te maken, dat de papiermakerij eigenlijk niet de voornaamste bron van bestaan vormde voor de Veluwse papiermakers. Volgens hen was voor deze mensen de landbouw hoofdzaak en de papiermakerij slechts bijzaakl Ze zouden in de grond van de zaak niet anders dan boeren zijn geweest! Een dergelijke onjuiste en dwaze bewering, die kant nog wal raakt, menen deze schrijI vers te moeten gronden op het feit, dat de papiermakers op de Veluwe in de regel bij hun molens een boerenbedrijf hadden. Maar dat was niet alleen het geval in onze streken; een dergelijk gedoe bezat iedere papiermaker, of hij nu woonde op de Veluwe, in het overige Gelderland, in Duitsland of Frankrijk. Of waren die buitenlandse papierbereiders met hun vaak wereldberoemde namen in de grond van de zaak ook alleI maal boeren? Het overgrote deel der Veluwse molens lag niet in de steden, maar op het platteland, dikwijls ver verwijderd van de kom der dorpen. Voor de voedselvoorziening van depapiermaker en zijn gezin, benevens voor die van de inwonende knechts, leerjongens en dienstmaagden was het landbouwbedrijf een welkome aanvulling. Het was echter niet groot genoeg om het belangrijkste middel van levensonderhond voor het gezin te vormen.
Maar niet alleen de papiermakers, ook scholten, predikanten en chirnrgijns, ja letterlijk alle bewoners van het Veluwse land hadden een dergelijk agrarisch gedoe. We lezen zelfs dat stadhouder Willem III bij het Loo een landbouwbedrijf bezat met "Sijne Hoogheids .
koeien”. Zou iemand naar aanleiding hiervan in ernst durven beweren, dat Willem III eigenlijk een boer was en zo tussen de bedrijven door ook nog een beetje voor stadhouder speelde? Waarom laat men een dergelijke vreemde conclusie wel gelden voor de Veluwse papiermakers, doch niet voor de scholten, geestelijken en doktoren? Waren lieden met namen als Van Aelst, Orges, Munnickhuysen, Potgieter, Tonissen, Schut, Pannekoek, Van Delden, Berends, Sanders, Van Gerrevink, Van Houtum - om er slechts een paar te noemen - in hoofdzaak landbouwers? Neen, deze mensen waren geen boeren van beroep, maar uiterst vakbekwame werkers, l die met algehele inzet van hun persoon in dagelijkse noeste arbeid en met grote kennis van zaken hun bedrijven leidden en opbouwden en het Veluwse papier bekendheid gaven in de wereld. Vooral het hier vervaardigde witpapier genoot zowel in ons land als ver over de grenzen een goede naam.
Hoe hoog de kundigheid der Veluwse papierbereiders in het buitenland stond aan geschreven blijkt uit een stuk van 26 augustus 1688, dat ridderschap en steden " van het kwartier van Veluwe op verzoek der gezamenlijke Veluwse papiermakers richten aan stadhouder Willem III. Hieruit vernemen we, dat een zekere Daniel Roussillon - handelende in opdracht van de "compagnie der papiermaeckers van Suthampton (Southampton) in Engeland” - probeerde door "schone beloften” de papiermakersknechts te bewegen hun dienstverb‘and voortijdig te verbreken en op papier:molens in Engeland te gaan werken. De Veluwse papiermakers verzoeken de prins ; door zijn "hoogh gesagh” de voomoemde Daniel Roussillon te doen aanzeggen "dathij voortaen geene papiermaeckers kneghts sal hebben te misleijden om buiten tijts van haere meesters te lopen, ten eijnde geen meer luiden daerdoor in verlegenheijt mogen geraecken”. Aldus de korte inhoud van het verzoek aan Willem III, dat de bekwaamheid der Veluwse papiermakers in een helder licht stelt. Roussillon zou geen moeite gedaan hebben voor het ronselen van "prutsers”. Boeren waren er genoeg in Engeland, ervaren papiermakers niet. Deze laatste zocht men blijkbaar in de eerste plaats op de Veluwe. Nu moet men uit het bovenstaande volstrekt niet opmaken, dat ik geringschattend zou denken over de landbouwers en hun bedrijf. Verre van dat. In tal van publikaties over het vroegere papierbedrijf in Nederland lezen we, dat in het rampjaar 1672 een groot aantal Veluwse papiermakers bij de nadering van het Franse leger de Wijk nam naar Holland en daar aan hun Zaanse collega’s de kunst van het wit papiermaken leerden. Dit laatste lijkt me in elk geval onjuist; ik kan me niet voorstellen dat men toentertijd aan de Zaan nog niet zover was. Wat het gedeelte over de vlucht van 2 de papiermakers betreft, hierin schuilt slechts een kern van waarheid. Bij de komst der Fransen zijn inderdaad veel papiermakers naar de omringende steden gevlucht, enkele misschien naar Holland. De eersten keerden - vrijwillig of onder dwang - al gauw op E hun molens terug.Wat de naar Holland uitgewekenen aangaat, hun aantal kan niet groot geweest zijn, want voor de inval der Fransen in 1672 en na hun vertrek (1674) vinden we op de papiermolens in Apeldoorn en omgeving nog steeds dezelfde namen van papiermakers. Het is merkwaardig, dat een stuk uit 1672 over het wangedrag der Franse troepen op de Veluwe heel duidelijk onderscheid maakt tussen "huisluyden en pampiermakers”. Hier wordt scherp de nadruk gelegd op het uitzonderlijk beroep van laatstgenoemden en terdege het verschil aangegeven, dat er bestond tussen het vak van papiermaker en de werkzaamheden der "huysluyden”, waarmede in dit geval de overige bewoners zijn bedoeld.
De stichting van een papiermolen vergde vaak belangrijke uitgaven. Reeds in de begintijd der Veluwse papierindustrie was dit het geval. De bekende Arnhemse boekdrukker Jan Jansen, die in 1613 een papiermolen liet timmeren op de bouwhof Klein Hattem, zegt dat hij deze aldaar met grote kosten "jae mit ettelicke duysenden” heeft doen stellen. De timmering van een molen, de inrichting, het graven en het geregeld onderhoud der beken en sprengen, de jaarlijks terugkerende en vaak zeer hoge erfpachten van water en grond, benevens de noodzakelijke vernieuwingen aan gebouwen, molenhoofd en werktuigen vroegen telkens weer belangrijke bedragen. Al die rompslomp en kosten alleen voor een nevenbedrijf? Dwaasheid, dan hadden de papiermakers zich beter uitsluitend bij hun "hoofdberoep” - het landbouwgedoe - kunnen bepalen. De genoemde schrijvers beroepen zich tot staving van hun vreemde beweringen vooral ook op een mededeling in een boek uit het midden der vorige eeuw. Ze vergeten daarbij, dat in die tijd de handpapiermakerij door toenemende concurrentie der machinale papierbedrijven dikwijls al een kwijnend bestaan leidde. Sommige molens- meestal de kleinere - lagen een enkele keer voor een deel van het jaar stil, het landbouwbedrijf hield de desbetreffende papiermakers nog in leven. Vandaar dat deze mensen uit gingen zien naar een ander middel van bestaan. Nu zou het volkomen Iogisch en voor de hand liggend zijn geweest, wanneer de papiermakers hun molens maar gingen afbreken of verkopen en zich uitsluitend bepaalden bij hun "voomaamste beroep”, de landbouw. Vreemd genoeg doen ze dit niet, bijna alle papiermakers, die volgens bedoelde schrijvers eigenlijk in de eerste plaats boeren zouden zijn, handelen precies andersom . . . en werden wasbazen! Ze zetten hun molens om in wasserijen en ploeteren dag en nacht teneinde een nieuw bestaan op te bouwen. Dit vond zijn oorzaak in het feit, dat deze mensen geen landbouwars waren maar fabrikanten in hart en nieren! Heel deze gang van zaken vormt alleen al een afdoend bewijs voor de onjuistheid der boven gesignaleerde beweringen. Ik heb gemeend hiertegen stelling te moeten nemen.Want naar mijn vaste overtuiging doet een dergelijk dwaas geschrijf schromelijk tekort aan de verdiensten der Veluwse papiermakers (zie in verband met het bovenstaande ook: H. K. Roessingh, Beroep en bedrijf op de Veluwe in het midden der 18e eeuw, _ H. A. G. bijdragen 13, Wageningen 1965 en eveneens het artikel "Apeldoorn, Centrum der Veluwse watermolens” van mijn hand in het "Gelders Molenboek”, Doetinchem 1967).

Rekwest van Veluwse papiermakers tegen een invoerverbod op lompen (1721)

Evenals hun vakgenoten elders in Nederland kochten de Veluwse papierbereiders de benodigde linnen lompen meestal bij lompenhandelaars in de steden van het oosten en westen des lands. Deze leveranciers betrokken de voor de papierfabrikage onontbeerlijke grondstof niet alleen uit de steden en dorpen van het eigen land maar voor een zeer groot deel ook uit het buitenland. Vooral de gebieden langs de oostgrens leverden l veel linnen lompen. Op een geregelde aanvoer zijn de vele oorlogen vanzelfsprekend van ongunstige inl vloed geweest. Maar de herhaaldelijk in Europa optredende pestepidemieén hebben telkens in veel sterkere mate de invoer van lompen gestagneerd en zelfs gedurende geruime tijd geheel doen ophouden. De gevreesde pestziekte, die meestal grote delen van Europa teisterde en waartegen men toen zo goed als machteloos stond, eiste steeds duizenden slachtoffers. In de winter van 1635/ 36 betrokken slecht geklede en E gevoede Franse hulptroepen winterkwartieren in de dorpen en gehuchten op de Veluwe.
Onder de soldaten brak een pestziekte uit, die ook de bewoners van de Veluwe aantastte en bij honderden wegrukte. De ziekte sloeg over naar de steden in het oosten en westen van ons land met alle vreselijke gevolgen daaraan verbonden. In Deventer maakte de pestilentie in een half jaar tijds ongeveer 3000 slachtoffers, in 1656 viel er meer dan de helft der bevolking aan ten offer.
Vanzelfsprekend stelde de overheid alles in het werk om de pest buiten de landsgrenzen te houden. Vandaar de telkens uitgevaardigde plakaten tegen de invoer van lompen, die in hoge mate een ’bron van besmetting voor de bevolking konden vormen. De papiermakers werden natuurlijk de dupe van deze invoerverboden. Ze deden dan ook alle mogelijke moeite om verzachting of opheffing van de afgekondigde maatregelen te verkrijgen.
In dit verband moeten we het contract zien, dat op 12 mei 1721 door een aantal Vaassense papiermakers werd gesloten en waarbij ze de predikant Samuel ab Hoogland en twee hunner collega’s machtigden namens hen op te treden, teneinde alles te doen om verlichting van het plakaat te krijgen, dat "kort geleden tegen de invoer van lompen is uitgevaardigd”. Uit dit laatste blijkt duidelijk, waarover het hier handelt.
Het gaat zonder twijfel om het plakaat van 7 april 1721, waarbij de Staten van Gelderland de invoer van lompen in hun gewest met wagens, schepen en door vodden dragende joden verbieden wegens de pest, die op verscheidene plaatsen in Europa is uitgebroken en zich meer en meer verspreidt. Bij overtreding zullen zowel de lompen als de schepen en wagens onmiddellijk worden verbrand. Voor de Gelderse papiermakers bracht een invoerverbod op lompen al gauw stilstand der molens met zich mede, hetgeen op de duur zelfs tot volkomen ondergang van hun papierbedrijven zou -‘ kunnen leiden. Vandaar dat wel gezegd werd, dat de papiermakers een gebrek aanlompen meer vreesden dan de pest! We weten niet of inderdaad een rekwest door de Vaassense papierbereiders is inl gediend. Waarschijnlijk hebben ze over de zaak contact opgenomen met de andere f collega’s op de Veluwe. Een gezamenlijk optreden van alle Veluwse papiermakers zou 'i bij de overheid misschien meer effect sorteren dan een zuiver plaatselijke actie. Hetgemeenschappelijk overleg heeft geleid tot het richten van een rekwest der Veluwse papierbereiders aan de Staten van Gelderland. Bij een afschrift van dit schrijven bevindt zich een lijst met de handtekeningen van 87 meesterpapiermakers op de Veluwe, waaronder 19 uit Vaassen en 45 a 48 uit het ambt Apeldoorn. Deze getallen vormen opnieuw een duidelijk bewijs van de grote betekenis van de toenmalige papierindustrie in Vaassen en Apeldoorn.
De rijksarchivaris in Gelderland was zo vriendelijk mij attent te maken op dit nog niet eerder gepubliceerde stuk, (Oud archief der gem. Arnhem, inv. nr 4952 nr 22 berustend in Rijksarchief in Gelderland) dat onze kennis over de papiernijverheid op de Veluwe ten zeerste verrijkt. In genoemd rekwest vinden we de papiermakers zelf aan het woord. Zonder enige opsmuk vertellen ze ons van de uiterst nadelige gevolgen, die de voortzetting van een totaal invoerverbod op lompen voor henzelf en voor tal van andere mensen met zich mede zal brengen. De papiermakers en hun gezinnen zullen door het stilstaan der molens geruineerd worden en tot armoede vervallen. De moleneigenaars missen voortaan hun pachtgelden, de papiermakersknechts zullen "verlopen” en buiten de Veluwe werk gaan zoeken, waardoor de goede vakmensen van de Veluwe verdwijnen. Het buiten werking zijn der molens veroorzaakt grote schade aan het molenwerk. De talrijke ambachtslieden, die voor een geregeld onderhoud van molens en werktuigen zorgen, benevens de daghuurders en anderen, zullen "haar werck verliesen en haar dagelix loon missen soo dat er eenige duijsenden menschen om soo te spreecken, bijnae aan geen broodt sullen weten te komen.” Volgens de papiermakers is het zelfs niet ondenkbaar, dat de provincie Gelderland door een langere "continuatie” van het verbod op de invoer van lompen "de papiermaeckerije” geheel zou "quijt raecken” aan Holland en andere provincies. Om al deze redenen wenden de Veluwse papiermakers zich met een rekwest tot de Staten van Gelderland, waarin zij opheffing of verzachting vragen van het invoerverbod op lompen. Wegens het belang van dit stuk lijkt het ons gewenst de inhoud daarvan in zijn geheel weer te geven:

,Aan die Edele Mogende Heeren Staeten des Furstendombs Gelre en Graeffschaps Zutphen.
Edele Mogende Heeren,

Vertonen met schuldigh respect de onderges.. meesters papiermaeckers in Veluwen en Veluwenzoom, door het emaneren van het placaat van desen Furstendom Gelre en de Graeffschap Zutphen in date den 7 april 1721 waarbij absoluten invoer van lompen is worden verboden, in een seer slegten miserabelen staat sijn gebragt. Dewijl op de papiermolens sedert die tijt alle den voorraad ver' werkt sijnde, seer veele en ontallijcke (= ontelbare) menschen daarbij albereeds 3 een irreparabile (= onherstelbare) schaede geleden hebben, en bij continuatie van dat absolute verbot al verder sullen kennen te lijden. Doordien de papiermolens stil staende niet alleen de papiermaeckers totaliter sullen werden geruineert, en met haere familien tot d’uiterste armoede vervallen.Maar oock dat de Eijgenaars sullen moeten missen haere pachten, het molenwerck door het stilstaan sal bederven, de knegten sullen moeten verlopen, en allerleij ambachtsluijden, daghuerders en anderen haar werck sullen verliesen ende haer dagelix loon missen, soo dat’er eenige duijsenden menschen om soo te spreecken bijnae aan geen broodt sullen weten te komen, ende alles dien aangaende te niet sal lopen, soo daar inne niet wordt voorsien. En dewijl bij ’t emaneren van ’t placaet van Haer Ho: Mog: de Heeren Staeten-Generael deser Vereenigde Nederlanden in dato den 12 September laestleden alleenlijk absolute verboden is den invoer van waaren vallende in een gedeelte van ’t Coningrijck van Vranckrijck naementlijck in die provintien, die aen de Middellantse Zee leggen te reeckenen van ’t Coningrijck van Spanje tot aen Piemont toe, en dat de waaren vallende in andere oorden van Vranckrijck mogen worden ingevoert, _ als daarbij vertoont word, behoorlijcke beéedigde attestatie, waarbij blijckt, waer deselve goederen sijn van daan gekomen, ende dat die niet sijn gekomen, noch .
gevallen in eenige plaetsen, daar eenige infectie is, off in twee jaeren herwaards gewest is, als te sien bij den 5e articul van ’t selve placaet.
, Ende dat oock uijt Vranckrijck immers niet uijt die geinfecteerde plaatsen geen lompen in deze provintien kunnen komen, off getransporteert worden, omdat de costen thienmael soo veel soude bedraegen, als de waarde der lompen.
Jae dat selffs oock uijt de naest gelegene provintien van Vranckrijck noijt lompen E in dese geunieerde provintien gekomen sijn, maar wel uijt dese provintien veri voert sijn geworden tot de naest bijgelegene provintien van Vranckrijck ut sub A. En dat om hetselve te beletten oock door de Hooch Mogende Heeren Staeten! generael een groot beswaar gelegt is op de uijtgaande lompen nae Vranckrijck en Engelant. Cunnende de Supplianten Uw Ed: Mog: met waarheijt verseeckeren, dat maar seer weijnige lompen even boven Keulen vandaan komen, ende dat alle de anderebeneden Keulen als tot Dusseldorp, Ordingen(?), Duesbergh, Wesel en Embrick (Emmerik) ende die omliggende kleinder plaetsjes vallen, en vandaar herwaards gevoert worden, gelijck er noch wel komen uijt het Twente en Vrieslant, in alle welcke plaetsen door Gods goetheijt geen besmettelijcke Sieckte bij off omtrent is.
En dat daar en boven bij alle Duitse Vorsten alle behoorlijcke precautien (= voorzorgsmaatregelen) tegen de doorbreeckinge van de smettende Sieckte wordende genomen, die lompen van daar komende, soo veel te minder verdagt konnen gehouden worden. Dat het oock eijntlick niet sonder redenen te vresen is, dat langer continuatie van ’t absolute verbot vanden invoer der lompen dese ? provintie van Gelderlant geheel en al soude kunnen genomen worden en quijt E raecken de papiermaeckerije, en overgebragt worden in Hollant en andere pro? vintien daer het niet verboden is te negotieren in lompen mids leverende be‘ hoorlijcke attestatie als boven. Om alle welcke redenen de supplianten seer dieni stelijck en ootmoedigh sijn versoekende en smeeckende, dat Uw Ed: Mog: l wederom gelieve te permitteren en open te stellen den invoer van de lompen,mids dat met behoorlijcke attestatie worde aangetoont, dat die lompen komen van l plaetsen, alwaar bij off omtrent geen infectie is, off in twee jaeren niet geweest ’is, en dat in soo verre het Landelijcke placaat van den 7 April 1721 magh werden verandert.

Dit Doende

De bij het bovenstaande rekwest gevoegde lijst met handtekeningen van Veluwse papiermakers bevat de volgende namen:

Heerde (de andere plaatsen zijn niet Neuij Kornelus
aangeduid) Aalbert Jansen Schuuringh
Sebus van der Beek Reinder Korthals
Derck Meijer Loogh Korthals
Dries van Ernst Willem Pannecoek
Hendrik Jurriens van den Dullink Tonis Huijbers
Jan Jansen van Koven (?) Gerret Hessels Leemhorst
Derck Reijdes Willem Jacobs Krijt
Derk Aars Klaas Klaasen Weegenaar
Pietter Douwe Jan van Munnikhuijsen
Jan Dockter Willem van Munnikhuijsen
Jan van Noorle Heijmen van Vemde
Jacob Luussijnck Jansen Korthals
Wijghman Krijns Klaas Schuringh
Abraham Broekhuijsen Hendrik Dries
Petrus van Gerrevink Jurren Jans Aelt Berrevelt Hermen Klein Hendrick Barenst Theunis Velthuisen
Wilhelmus van Laar ` Jan Willems Meijringh
Lucas Wolbrink Cornelis Lubbers
Jan Berghorst Jacob van Putten
Wolter Muller Jan Stevens Ritbroek
Lucas Coldeweij Cornelis Willems Meijrinck
Jacob Hagedoom als meede voor Klaes Greeve
Gerret Brouwer Hermen Sebis
Willem Oculij Theus Cornelis
Johannis Kluppel Jan Hermens
Derek van Merder Maas Sanders Trijl
Geurt Pannekoek `Hendrick Wemers
Willem Bitter Berren Hendrijsk
Gerrit Kroon Bertolt te Water
Willem Kroon ` Daniel Jansen Schut
Ambrosius Abraham Broeckhuijsen Jan Gerres Hyssijnck
Johannes Ledeboer Gerrit Westerik
Jurijan Bloemkolk Evert Tulleken
Gerrit Lubberts Lambertus Ritbroek
Klaes van Amersfoort Peeter Cornelijssen
Aert Lubberts Hermaenys Lijch
Jan Jacob van Till Johanis Lubberhuisen (?)
Peter Jans (?) Derk Schoonman
Teunus Comelessen Kasper Schoonman
Jacob Wemers Bitter Jan Maassen de Goeijen
Hendrick Light Maas Henderikx de Goeijen
Berend Anthonij Jan Hummen
Jacob Jansen van Till

Uit de handtekeningen blijkt, dat de meeste papiermakers behoorlijk of zelfs uitstekend kunnen schrijven. Het vormt een bewijs te meer van hun aparte sociale status. Verder bevestigt het rekwest nog eens overduidelijk, dat de Veluwse papierbereiders geen boeren waren maar industriélen, die door hun bedrijven aan vele mensen werk verschaften.

Bij het rekwest is een op 30 september 1721 gedateerde ondergetekende verklaring gevoegd van een aantal Amsterdamse kooplieden en factoors in papier en van handelaren in lompen en vodden, die als volgt luidt:

"Wij ondergeschreeven alle kooplieden en factoors in papieren en in Lompen of Vodden, zijnde Burgers en Inwoonders binnen deese stad, verklaren Dat bij ons onbekend nogh ooijt gebleeken is, dat eenige Lompen of Vodden uijt Vranckrijk (’t zij te water of te landt) in de Provintie van Holland of in deese stad zijn ingebragt, ofte gekogt, verkogt, verwerkt ofte versonden naar andere quartieren, omme aldaar verwerkt te werden.
Dat wij ook nooijt eenige lompen of vodden uijt Vranckrijk hebben ontbooden, , ofte binnen deese stadt off Provintie hebbe laten komen ofte brengen, ’t zij om verkogt, verwerkt ofte naa andere plaatsen gesonden te werden.
Dat wij reeds van competente ouderdom zijnde, verklaren, dat wij ooijt off ooijt van onse ouders hebben gehoord practicabel te sijn geweest, datter lompen of vodden, uijt eenige Staten van Vranckrijk, naa deese Provintie, zijn gebragt: te meer om dat sij haar stoffen selfs noodigh hebben door de meenigte van molens die daar sijn, dienvolgens word ons verseekert dat se selfs daar niet moogen uijtgevoert worden. Alle ’t welcken wij verklaren d’opregte waarheijt te sijn, met presentatie omme des noodt sijnde, hetselve ten allen tijden, met solemneelen Eede te bevestigen: ’T oirkonde deese geteekent in Amsterdam den 30e September A0 1721. was o.a. getekend door de volgende personen:

Charles Sebille Matthijs Simons & Soon 1
De Wed. Ysb. Vincent & Soon David Raket Cais (?) Zoon
David Wilmerdonx Junior Tho Walton
Jacob Raket Josias Zoon Fredk & Gerards Stegman
B. van Gerrevink Jan Swart
J. D. Winter Pieterszoon Jacobus Ligthart
Harmanus Put & Zn., factoors Paul Sebille
Engelbert Haak, factoor Paulus van Hemert Jz.
Lambertus van Laar, factoor Jan Veltman

Het Historisch Museum Moerman en de handpapiermakerij in onze woonplaats

Het museum te Apeldoorn bezit een kleine maar unieke verzameling over de oude Veluwse handpapierindustrie. Al direct valt het pronkstuk der collectie op: een bijzonder fraai en uiterst nauwkeurig uitgevoerd model van een der drie papiermolens van het inmiddels verdwenen molencomplex "De Stinkmolen” op de Grift te Apel' doom. Dit waardevolle kunstwerk - lang 1.34 m, breed 1 m, grootste hoogte 0.75 m en vervaardigd door de meubelmaker Huigen bevat zo goed als alle in een papiermolen gebruikte werktuigen. Ook de hangzolder en hangschuur ontbreken niet, terwijl het waterrad de hamers in beweging kan brengen. Alleen al vanwege dit model kan men een ieder die belang stelt in de oude papierindustrie, een bezoek aan het museum aanraden. Verder bevindt er zich een originele hamerbak, waarvan nog maar een enkel ! exemplaar in ons land voorkomt. De thans overleden molenmaker G. J. Post schonk enige jaren geleden aan het museum een door hem gemaakt model van een "hamermolen”, bestaande uit vier hamerbakken en een hollander. Een interessant stukje werk, vooral ook doordat het ons laat zien op welke wijze door één waterrad een viertal hamer _. bakken in beweging wordt gebracht.
In enkele vitrines bevinden zich modellen van voorwerpen, die de eerder genoemde molenmaker Post eveneens ter beschiking stelde van het museum. Hiertoe behoren een kollergang, een lompenzeef en een natpers.
Zeer merkwaardig is het kasboek van een Apeldoornse papiermaker uit het midden der 19c eeuw, waarin de dagelijkse ontvangsten en uitgaven - ook die van het gezin - staan opgetekend. We lezen over de verkoop van papier, de aankoop van een kalf en een "hoed voor Reinier”.
Een aantal fraaie reproducties naar tekeningen van de bekende kunstschilder Willem Bastiaan Tholen (1860 - 1931) verschaft ons een duidelijk beeld over de oude handpapierbereiding. De talentvolle Tholen heeft nog juist op tijd (ca. 1907) in tal van , buitengewoon mooie afbeeldingen de sfeer in de oude Veluwse papiermolens op onnavolgbare wijze en volkomen natuurgetrouw weten vast te leggen. Deze thans wereldberoemde tekeningen zijn door Tholen op de Stinkmolen te Apeldoorn vervaardigd.
De complete serie originelen bevindt zich in het museum Boymans-Van Beuningen te Rotterdam.
Er is in het Hist. Museum Moerman nog meer te vinden over de handpapiermakerij van Apeldoorn en omgeving. Gaat u er zelf maar eens kijken.




De kopermolens van Apeldoorn en Wenum

Geheel andere bedrijven, die van waterkracht gebruik maakten, waren de kopermolens.
Over de inrichting van de Veluwse kopermolens; de juiste werkwijze en de daarbij benodigde werktuigen; de produkten, die er vervaardigd werden en de arbeiders, die in deze molens hun taak verrichtten, is naar mijn weten tot nu toe in Nederland niets gepubliceerd. Het is te hopen, dat in de nabije toekomst dit nog bijna onbekende gebied ontsloten mag worden. Voor speurders op het terrein der historie ligt hier een machtig arbeidsveld.
In Apeldoorn zijn een drietal kopermolens in werking geweest, die jarenlang behoord hebben tot de grootste en bloeiendste bedrijven van onze woonplaats. Op de geschiedenis van ieder van deze drie molens wil ik thans nader ingaan.

De kopermolen op de Grift te Apeldoorn (kaart l nr. 12)

Zoals bekend is, stichtte Johan Steenbergen in 1593 op de Grift te Apeldoorn de eerste papiermolen hier ter plaatse. Reeds in 1618 ligt er bij deze molen een kopermolen, die dan gepacht is door de gebroeders Andries en Lodewijk van Aelst. We hebben reeds gezien, dat de Van Aelsten een voorname rol speelden bij de papiermakerij van hun dagen. Eigenaars van de kopermolen zijn Matthijs van Serrik en Jan Gerritsen, die tevens de bij het koperbedrijf gelegen papiermolen in bezit hebben.
Op 11 februari 1623 verkopen zij de papier- en kopermolen aan Andries Jansz. van Aelst en Lodewijk Jansz. van Aelst. Onder de beide broers groeit de koperfabriek op de Grift te Apeldoorn uit tot een bloeiende industrie, die regelmatig opdrachten uitvoert voor koperslagers en andere afnemers in Nederland.
Een wijziging, die op 4 augustus 1627 wordt aangebracht in een contract tussen de 3 gebroeders van Aelst en een tweetal Dordse kooplieden, verschaft ons enige bijzonderheden over het vervoer van koper vanuit Dordrecht naar de Apeldoornse molen en terug. Hieruit blijkt dat voor de verandering in het contract het koper eerst naar Amsterdam of Amersfoort werd gezonden en vandaar naar Apeldoorn. Thans verplichten Andries en Lodewijk van Aelst zich "het Coper . . . nu voortaen te laeten brengen ende halen mette wagens van Apeldoorn tot Arnhem." In een later stuk lezen we dat de "karvrachten van 1500 ponden tot aen ende wederom van den molen tot Arnhem” zeven gulden en tien stuiver bedragen. De Van Aelsten moeten in Arnhem "eenen expressen schipper” huren, die "terstonts” met het te Apeldoorn gereed gemaakte koperwerk naar Dordrecht kan afvaren. Op de terugreis neemt de schipper vandaar weer een lading van 3100 of 3200 pond koper mee terug tot Arnhem. Vanuit deze plaats gaat het dan met paard en wagen naar Apeldoorn. Door de veel kortere afstand zal de route Arnhem-Apeldoorn voordeliger geweest zijn dan die vanaf Amsterdam of Amersfoort.
Uit alles bemerken wij, dat de Van Aelsten in het zakenleven van hun tijd een actieve rol speelden. Dit komt eveneens tot uiting in een akte van 24 april 1627, waarbij de gebroeders Van Aelst aan Samuel Bloemers afstaan een octrooi "omme den tijt van vijff achtereenvolgende jaeren te mogen in deze landen brengen en voeren de quantiteyt van 100.000 ponden cooper ende 100.000 ponden calmus elcken jaer”. Voorwaar geen kleine hoeveelheden! Met calmus (calmijn, galmei) wordt zinkerts bedoeld. Het werd gedolven in de omgeving van Stolberg, niet ver van Aken. Door koper te mengen met zink verkreeg men het zogenaamde geel koper of messing. Dit procédé dateert niet vroeger dan van 70 n. Chr.
De twee broers zijn steeds doende het fabrikageproces in hun molen te verbeteren. Op 2 december 1627 verlenen de Staten-Generaal aan Andries en Lodewijk Janssen van Aelst, resp. wonende te Zutphen en Apeldoorn, octrooi voor de tijd van 10 jaar voor een nieuw soort gloeioven.
De oven is vervaardigd naar "hunluider inventie” en volgens de uitvinders nooit "voor desen hier te lande gebruijckt”. Het is jammer, dat er geen afbeelding meer bestaat van deze nieuwe vinding. De omschrijving in de octrooiverlening is verre van duidelijk.
We lezen van "een gloyoven, daerinne sy de ketels gloien sonder deselve opt vier (= vuur) te setten, gelyck voor desen, maer door de hitte van de vlamme spelende aen den back vanden oven”. In het eigenlijke octrooi is sprake van "een backoven daerover het vier en de vlammen spelende de copere ketels beter en bequamer connen werden gegloeit als oijt voor deesen geschiet es”. In 1629 werken op de kopermolen te Apeldoorn zes "Coperslagers knechts” en twee jongens. Men kan met behulp van 6 hamers per week 1500 pond "ketelenwerck slaen”. Iedere week is voor 22 gulden en 10 stuivers brandhout nodig "om het coper 30 mael te geloijen eer de ketelen gereet sijn”. Onder "ketelenwerck” verstaat men o.a. koperen ketels, nappen en pannen.
De van Aelsten sluiten in 1629 een nieuw contract met de eerder genoemde Dordse koop lieden. Hierbij wordt overeengekomen, dat Andries en Lodewijk met ingang van februari 1629 gedurende 2 1/2 jaar "achter malcanderen” zullen doen "slaen op haeren Meulen tot Appeldoren, ofte elders, soo veele Copere draetbanden, bequam omme draet af te maken”. Het gaat dus ook over de vervaardiging van een soort koperdraad. Verder lezen we in het stuk over het maken van ketels en pannen, of in plaats daarvan over de levering van 6000 "brabantse ketelen”.
Al spoedig na het sluiten van dit contract zijn Andries en Lodewijk van Aelst niet bij machte aan de in de overeenkomst omschreven verplichtingen te voldoen. Want in de nacht van 22 op 23 juli 1629 beginnen de Spanjaarden onder bevel van graaf Hendrik van den Berg hun beruchte inval op de Veluwe. Alle pogingen der Staatsen om de vijand de overtocht over de IJssel te beletten falen. IJlings proberen de bewoners van het platteland van Veluwe hun have en goed binnen de omringende steden in veiligheid te brengen. De Van Aelsten stellen alles in ’t werk om zoveel mogelijk koper uit handen der Spanjaarden te houden. Wolbert Beerndts, een vertrouwd dienaar van Andries en Lodewijk, gaat ettelijke keren naar Apeldoorn, eer het dorp en ook de woningen der beide broers met het huisraad door de vijand worden verbrand - om te trachten karren of wagens te krijgen, teneinde daarmede "het Cooper vanden Meulen ’t Apeldoorn te brengen ofte laeten haelen”. Wolbert slaagt hierin niet; de vluchtelingen uit Apeldoorn hebben elk vervoermiddel in beslag genomen. Want een ieder had "met het zijne selfs genoech t’ doen” zegt Beerndts. Kort voordat de Spanjaarden in Apeldoorn verschijnen, rijdt Lodewijck van Aelst "met groot perijckel (= gevaar) van gevangen te worden en syn leven te verliesen” naar de kopermolen om middelen te beramen tot "salvatie” (= redding) van het koper. Op aandringen van zijn werkgevers treedt Wolbert Beemdts na de bezetting van onze woonplaats in dienst bij een vijandelijke kapitein "om des tvrijer op de cooper muelen tbliven mogen” en daardoor gelegenheid te vinden het koper in veiligheid te brengen. De trouwe knecht weet met veel moeite een tweetal mannen - Berendt Wouters en Jan Peters - te overreden met hun wagens naar Apeldoorn te gaan "aen de Copermuelen om Cooper op ’t laeden”. Onderweg komen alarmerende berichten en de beide voerlui willen met hun gerij onmiddellijk "ledich huiswaerts vaeren”. Slechts op herhaald verzoek van Wolbert en tegen "groote beloften van geldt” zijn de mannen bereid 2700 pond "gemaect” koper op te laden, dat in de "eerde verborgen ende begraven lach”. Maar Berendt Wouters en Jan Peters bedingen, dat ze bij "swaricheit oft perickel” van ’s vijands zijde de lading mogen afwerpen en de vlucht nemen. Al met al belooft het een gevaarlijk karwei te worden, doch de weersomstandigheden werken mee. Want de nachtelijke tocht naar Deventer geschiedt "in groten tempest ende onweder”. Bij dit ruwe weer met storm en bliksem wagen de Spanjaarden zich liever niet buiten en het drietal komt in de morgenuren veilig met het koper binnen Deventer.
Na deze geslaagde tocht dringt Wolter Beemds er "verscheidenenmael” bij dezelfde voerlui op aan nog meer koper te halen, maar deze durven zulks "overmits den groten oorloch ende onvrede” niet opnieuw te doen "niettegenstaende oire gedaene vrachten t vooren al betaelt waeren”. Lodewijk van Aelst spaart moeite noch kosten om het koper - waarvan voor de inval 11000 pond op de kopermolen aanwezig was - uit handen van de Spanjaarden te houden. Hij laat daarbij "sijn eigen goet, bloet, ongesalviert ende onverborgen”. Met een paar knechts van de molen slaagt Wolbert Beerndts erin het nog overgebleven koper op verscheidene plaatsen in de grond te verbergen. Een gedeelte wordt zelfs in "die beeck onder het water” verstopt. De Spanjaarden krijgen bij hun komst op de molen er weet van. Ze graven het koper op en slepen de buit weg. Op deze manier valt 5528 pond koper ter waarde van 3040 gulden in handen van de rovers. Andries van Aelst, die dan in Kampen vertoeft, laat het er niet bij zitten en zendt direct een tamboer naar het Spaanse legerkamp met de eis tot teruggave van het geroofde goed. De tamboer komt helaas te laat, reeds twee dagen tevoren was het koper over de grens naar Rijnberk gebracht. Bij hun aftocht steken de Spanjaarden het grootste deel van het dorp Apeldoorn in brand, waarbij eveneens het bezit der gebroeders van Aelst in vlammen opgaat. Vermoedelijk is de kopermolen gespaard gebleven, anders zou dit wel speciaal vermeld zijn. Het valt te begrijpen, dat Lodewijk en Andries in verband met de voren geschetste gebeurtenissen tijdelijk krap in hun geld komen te zitten. Het bedrijf in Apeldoorn had maandenlang stil moeten liggen; de voorraden waren grotendeels geroofd; het arbeidsloon voor het gereedgekomen - doch daarna gestolen - koperwerk was uitbetaald; grote kosten had men gemaakt bij de pogingen tot redding van het achtergebleven koper, terwijl tenslotte hun bezittingen ten prooi aan de vlammen waren gevallen. Vandaar dat Lodewijk en Andries van Aelst "verscheiden” brieven schrijven naar hun afnemers in Dordrecht, waarin zij verzoeken, dat hun "eenich gelt van haer lange te voeren verdient loen” gezonden mag worden, daar zij "het selve in die troubelen tijt tot onderhout der knechten ende andere hoechlick van doen hebbende”. In antwoord daar op zendt Diderick Heufft pas op 17 oktober 1629 zijn knecht Gillissen Lantmeter naar Lodewijk van Aelst te Apeldoorn. Echter niet met geld, maar met een briefje, waarvan de inhoud niet bepaald tactvol is te noemen. Het vangt aan met "Ersame vrunden”. De schrijver heeft vernomen, dat de "viandt nu Gott Loff van de Velue” is en hij verlangt (!) te weten hoe de zaken in Apeldoorn erbij staan. Hoeveel koper de Spanjaarden hebben meegenomen, wat er overgebleven of in de steden in veiligheid is gebracht. Welke hoeveelheden gewalst of gegoten zijn. Hij heeft "expresselick” z’n knecht Gillissen Lantmeter naar de Apeldoornse kopermolen gestuurd "om van alles bescheijt te hebben”. Het aanwezige koper moet in tegenwoordigheid van de knecht gewogen worden "op dat ick Recht bescheijt krijge”. Hij wil "strax” ook nog zijn zoon Mattheus naar Apeldoorn laten gaan. Met de woorden "Nae groetenisse Gott Bevolen, Den 17 October 1629 in Dordrecht” eindigt het schrijven. Het is te begrijpen dat de "Ersame vrunden” in Apeldoorn niet bijster ingenomen zijn geweest met de inhoud van het briefje. De aanmatigende toon, het met geen enkel woord reppen over geld en het verlangen alles in tegenwoordigheid van de knecht te laten wegen "opdat ick Recht bescheijt krijge” moeten in hoge mate de verontwaardiging gewekt hebben.
Nauwelijks heeft Lodewijk van Aelst dan ook het schrijven gelezen of hij snauwt Gillissen Lantmeter toe "het waer beeter dat ghij mij gelt brachten als dit briefken”.
Dan scheurt hij het briefje doormidden en steekt de beide stukken in z’n zak. "In plaetse van hulpe, ende assistentie van de voorss. Van Aelsten te genieten, werd mijn knecht "sonder yets te verrichten naer huys te rugge gesonden” zegt Heufft later.
Over dit alles ontstaat tussen de gebroeders Van Aelst en Diederick en Mattheus Heufft te Dordrecht een proces waarop we even in ’t kort zullen ingaan. Onder de processtukken bevindt zich nog heden ten dage het door Lodewijk van Aelst verscheurde briefje "dat tot tuychnisse der waerheit ende letter "C” daarbij is gevoegd.
In genoemd proces maken enkele getuigen nogal wat aanmerkingen over de afwerking van het in Apeldoorn vervaardigde koperwerk, dat volgens hen niet aan behoorlijke eisen heeft voldaan. Zo verklaren op 3 juli 1630 Corstiaan Vlam en Jurrien Swijncke, koperwerkers te Dordrecht, ten overstaan van een notaris aldaar dat zij in opdracht van vader en zoon Heufft "sedert twee ofte drije jaeren herwaerts . . . verwrocht, ende verarbeijt hebben alle ende iegelijcke de copere ketels, ende beckens, soo sij ordinair lijck becomende waeren van Appeldoorn”. Maar - zo gaan de getuigen verder - de afgeleverde goederen waren doorgaans geweest "vol vuyrgaten ende onbehoorlijck dick”. Soms zat meer dan de helft vol met breuken. Hierdoor moesten ze dergelijke ketels "tot veel minder prijse als de andere” van de hand doen. Ze zaten nu nog steeds met een grote partij onverkoopbare "quade ketelen ende beckens” in hun maag. Dit alles was niet zo fraai voor de Van Aelsten. Maar het zal wel minder erg geweest zijn dan hier wordt voorgesteld. Anders had men al veel eerder geprotesteerd tegen de slechte afwerking en zouden de afnemers immers geweigerd hebben dergelijke minderwaardige produkten in ontvangst te nemen en te betalen. _ In het bovenstaande wordt ons de gang van zaken in het koperbedrijf te Apeldoorn enigszins duidelijk gemaakt. De nog onbewerkte grondstof - en vaak ook het oude koper - ging eerst per schip van Dordrecht naar Arnhem en vandaar met wagens naar de Apeldoornse kopermolen. Hier werd het materiaal in de gloeiovens en onder zware hamers verwerkt tot ketels, pannen en schalen. Vervolgens vervoerde men de gereedgekomen produkten weer met paard en wagen naar Arnhem en verder per vaartuig naar Dordrecht. In deze laatste plaats legden ervaren koperwerkers de laatste hand aan de voorwerpen om ze uiteindelijk voor de verkoop geschikt te maken.
Uit een getuigenverklaring van 10 maart 1641 vernemen we, dat Andries en Lodewijk van Aelst oorspronkelijk op de Grift hadden doen maken "een schoffelmeulen die op schoffelraederen gingh, ende met een geringh water door artificie ende konst lichtgaende gemaeckt was, en omgingh”. lets eerder wordt gezegd, 'dat het water van de Grift en andere beekjes toen nog "nyet machtich ende bestant genoech” was om "een so swaeren copermuelen om te drijven en te doen gaen, gelijck die tegenswoordich is en gaet”. Later horen we, dat de kopermolen eertijds "van onder gingk met twee schuffelraeden”. Het was dus toen een onderslagsmolen, die door twee waterraden werd gedreven. Door "experientie” had men naderhand bevonden, dat de molen gemakkelijk "swaerder ende beter” gemaakt kon worden door het beekwater op te stuwen, hetgeen dan ook gebeurd was.
Met de uitbreiding der bedrijven nam de behoefte toe aan het "trecken” van grotere hoeveelheden water nodig voor het drijven van meer of zwaardere raden. Dit ging wel eens ten koste van andere molens. Naast vele watermolenaars heeft vooral Lodewijk



Wijer van de Rotterdamse kopermolen in 1846.
Geheel rechts vermoedelijk een gedeelte van de molen.
Tekening door Arie Lieman (1816—1893) in Historisch Museum Moerman. .







Houtzaagmolentje op de Grift te Apeldoorn.
Het bovenslagsrad was afkomstig van een der Stinkmolens.
Opname 9 maart 1945.


h42

van Aelst meegedaan aan het trekken en stuwen want in 1633 wordt ons verteld, dat de moleneigenaars eerst vragen om "die helfte” van ’t water "ende de helfte hebbende, gelijck met Lodewijck van Aelst ende dergelijcke Moelenmeisteren d’experientie sulx leert, eerst in alteveel water te trecken ende daernae van een voll of papiermoelen een eeckmoelen off een gortmoelen ende eyntelijck een Coornmeulen om der neeringe wel t’ontrecken gelijck d’anulatie van all voortgaet”.
In 1637 overlijdt Andries van Aelst; zijn erfgenamen zetten - misschien enige jaren samen met hun oom Lodewijk - het koren- en papierbedrijf te Apeldoorn voort. Al spoedig blijkt Steven Jans Potgieter, die gehuwd was met Claesken - een dochter van Andries van Aelst een der voornaamste figuren op de molen te zijn.
Deze Steven Potgieter (Steven Jansen Potgieter, Steven Jans Coperslager) krijgt omstreeks 1640 onenigheid met Mr. Berndt Matthijsen en de geerfden der Ordermark over het opstuwen van het water. Vooral tussen Steven Potgieter en de kort aangebonden Apeldoornse geneesheer Berndt Matthijsen komt het telkens tot hooglopende ruzie. Het geschil leidt tot een proces voor het Hof te Arnhem, waarin een aantal uiterst belangrijke gegevens over de vroegere waterlopen in Apeldoorn voorkomen, die ons echter voor moeilijk op te lossen problemen stellen. Uit de stukken krijgen we een boeiend relaas te horen over de gespannen verhouding tussen Steven Jans Potgieter en dokter Matthijsen. Enkele getuigen weten te vertellen dat Berndt Matthijsen door zijn tuin was "koemen gaen off sluypen” om op de koperslagers te schieten. De zoon had toen geroepen "schyet niet ende hielt zijn vader vaste om het middel in zijn arm”. Een andere getuige, die met een schop in de beek aan ’t werk was, kreeg de waarschuwing "gaet doer uijt off ick sall u met de schuppe den kop in stucken houwen”. Dezelfde persoon had Berndt Matthijs horen zeggen "wil Steven wat laet hij mij aenden haerencamp tegen coomen, wij sullen met malcanderen een koegel wisselen”. Jammer genoeg kunnen we wegens de beperkte plaatsruimte hier niet verder op dit interessante proces ingaan. In de uitspraak van het Landgericht in de Bank van Apeldoorn wordt gezegd dat Steven Janz. Copersmit een "quade verweringh” heeft gedaan. Hij zal "zijne Schutten een cleijn duijmbreet leger, ijder van de selve tot twaalf in eenen voet genomen, alsz nu sijn, van nu voortaen te maecken”.
Op 26 juni 1646 moet Steven Potgieter met nog 22 anderen voor het gericht verschijnen omdat zij in de afgelopen winter "op de IJsel oire wachten nijet en hadden waer genomen”. Misschien wegens ijsgang op de rivier? .
Het verpondingsregister van 1648/ 49 vermeldt, dat Steven Potgieter dan in ’t bezit is van een "coopermolen met een pampiermolen van 22 backen, als nog een vervallen vulmoleken, met huysen enz., staende op den gront en ’t water van ’t Convent van Munnickhuijsen”. Dit is maar gedeeltelijk juist; Steven Potgieter was - zoals we reeds zagen - niet alleen eigenaar. In 1648 wordt hij ook genoemd als pachter van een papiermolen in Wiessel (kaart nr. 2).
De historie van de kopermolen op de Grift loopt vanaf ca. 1618 voor een groot deel parallel met die van de daarbij gelegen eerste papiermolen van Apeldoorn, waarover in het begin van dit werk reeds uitvoerig is geschreven. Ook bij de geschiedenis van de Stinkmolens (kaart nr. 11) zijn we telkens in aanraking gekomen met de koren- en papiermolens. Op 3 november 1653 verkopen Steven Jansen Potgieter en zijn onmondige kinderen bij zijn echtgenote Claesken van Aelst verwekt - aan Willem Jansen (ook wel Van Munnickhuysen genoemd) en diens vrouw Judith van Aelst de helft en aan Abraham Verhoef, gehuwd met Maria die Bardt, en Francientje die Bardt de andere helft - vormende het gerechte vierde part - dat zij hebben aan de "copper en pampiermolen”. Steven Jansen en zijn echtgenote was dat aangeérfd van hun broer Isaac van Aelst. In 1663 verkoopt Catharina van Aelst aan haar zwager Willem Jansen van Munnickhuysen de helft van de "coopermolen en de pampier, meulen genaemt de Munnickhuyser meulen, ten deele van de ouders geérfd, ten deele aangekocht”. Het gehele complex - bestaande uit 1 kopermolen en 2 papiermolens - is op 23 juli 1663 dan eigendom van Willem Jansen van Munnickhuysen en diens vrouw Judith van Aelst.
Na het overlijden van Willem Jansen van M. zet zijn weduwe Judith van Aelst met haar zoon Andries van Munnickhuysen het koren- en papierbedrijf voort. Zij verwerft op 25 augustus 1678 de erfpacht van het water en de grond van de molens en slaagt er later in ook de Stinkmolens in haar bezit te krijgen. In het voorgaande is daarover het nodige reeds vermeld.
Judith en Andries zijn vermoedelijk voor 1691 overleden, want op 17 oktober van dat jaar tekent haar zoon Jan van Munnickhuizen een contract over een peil in de Grift tussen de kopermolen en de Stinkmolens. Op 16 februari 1705 geven Jan. v. M.,weduwnaar van Anna Kemp, moeder van vier kinderen - en tevens over de 2 onmondige kinderen van Andries van Munnickhuysen uit diens huwelijk met Catharina Kemp, die in 1701 hertrouwd was met Adriaan Buitenwegh - in pandschap aan Gerard van Brienen, scholtis van Apeldoorn 1 vol Vierendeel in het Soerensebos wegens een schuld van 2000 gulden door Van Brienen betaalt als enige jaren loon voor Claes Wegenaer "meesterknegt coperslager”. De koren- en papiermolens worden op 12 mei 1706 tot onderpand gesteld voor een andere schuld aan Gerard van Brienen, ditmaal van 5000 gulden. Eigenaars van de molens zijn dan Jan van Munnickhuyzen, wedr. van Anna Kemp; Adriaan Buitenwegh, gehuwd met Catharina Kemp; Willem en Suzanne van Munnikhuyzen, kinderen uit het huwelijk van wijlen Andries v. M. met Catharina Kemp. In hetzelfde jaar (1 november) volgt een dito onderpand aan Benjamin Potgieter, scholtis van Doornspijk voor een schuld van 3900 gulden. Potgieter is gehuwd met Anna van Brienen. Het zijn dezelfde eigenaars van de molens die genoemd worden. Willem en Suzanna van Munnikhuysen zijn inmiddels mondig geworden. Het gemeenschappelijk bezit is dan zwaar belast.
In 1732 stond tussen de kopermolen en de Apeldoornse korenmolen (kaart nr. 14 )een peilpaal, waarbij een verlaat lag. De eigenaars van de kopermolen mochten niet boven dat peil stuwen. Het water, dat over het verlaat stroomde, kwam later in de onderbeek terecht. Reeds in een brief van hertog Arnold van Gelre uit 1452 - inzake een geschil tussen de geërfden van Orden en het Convent van Monnikhuizen over het opstouwen van het Griftwater - is sprake van een waterpaal in de Grift. Er bevond zich toen een "Elsstobbe” (Elzenstobbe) bij de stok, waaraan de "meulen sloetel” hing. Het waterpeil was in de elzenstobbe "gekerft”. Deze stond beneden de plek, waar vroeger de beek van het Slop en de Grift bij elkaar kwamen. In het verpondingskohier van 1747 vinden we de navolgende gegevens, die op de toenmalige bezitters en bewoners slaan van het koren- en papiermolencomplex op de Grift:

4 gl. belasting :
Suzanna van Munnickhuyzen Jans dochter; Eleonora Catharina Potgieter
Knegt Beemt Jans - 2 meyden.

6 gl. belasting :
Suzanna van Munnickhuyzen Andries dochter. .
Catrijne Buitenwech
Johanna Ebenouw coperknegt, nog 1 knegt en 2 meyden. ,

5 gl. belasting :
Carel Landale, geh. met Judith van Munnickhuyzen, 2 knegten;
Laurens Landale en Evert Jans, 1 meyd. ,

5 gl. belasting:
Andries Buytenwech, geh. met Hendrina Aleyda Muller, kind, .
2 knechten, 1 meyd.

Uit de "Registratie der Ingezetenen van Kerspel Apeldoorn” van 1798 zien we, dat dan de kopermolen geheel omgezet is in papiermolens. Op 1 april 1808 verkopen Jacob van Wechel - gehuwd met Catharina Buitenweg - en familie een kopermolen, sedert geruimen tijd papiermolens, voor f 32.900, - aan Pieter van Herzeele te Leiden en Johannes Hermanus Gunningh, de latere maire (burgemeester) van Apeldoorn. Bij een verkoop van domeingoederen (16 maart 1812) koopt J. H. Gunningh "maire de la Commune” voor 4472 francs de erfpacht "de la Source qui sy trouve”; dit is de erfpacht van het water van de Grift. Daarmede wordt de Grift - tenminste een gedeelte daarvan - door Gunning als eigendom beschouwd volgens de pachtbrief van 2 juli 1670. We hebben deze pachtbrief tot nu toe niet kunnen vinden en de juiste inhoud is ons zodoende onbekend. We kunnen dus niet beoordelen op welke gronden Gunning zich eigenaar noemt. Z’n compagnon Pieter van Herzeele doet op 16 mei,1816 zijn aandeel in de papiermolen over aan Gunning, die op zijn beurt op 25 februari 1824 het papierbedrijf dan "de Vlijt” geheten verkoopt aan Jan Hendrik Ameshoff. Deze laat (ca. 1825) in de nabijheid van de Vlijt de grote villa Marialust bouwen op het daarbij behorende terrein, dat in het westen door de grintweg op Hattem (de tegenwoordige Koninginnelaan) werd begrensd en in het zuiden door de Pasch. Op het landgoed stonden reeds tijdens Gunning een chinese tent en een heuvel met koepel. In 1886 blijkt de koepel te zijn vemield door "jongelieden uit den fatsoenlijken stand”. Een molen, die dienen moest "om het water van de eene kom in de andere te brengen, bleek, toen men het werktuig wilde gaan gebruiken, stukgerameid te zijn.” Ook hier waren de daders "voor een groot deel althans onder dezelfde knapen te zoeken, die zich verlustigen in den edelen kampstrijd met cricket en velocipede”.
In 1840 verandert Amershoff zijn papiermolen de Vlijt in een naar de eisen des tijds ingerichte stoompapierfabriek die echter niet aan de hooggestelde verwachtingen voldoet. Reeds drie jaar later (15 februari 1843) verkoopt hij de Vlijt aan Willem Hendrikus de Heus, fabrikant te Utrecht. Deze had daar een koperbedrijf en gasfabriek op het Vreeburg. De papiermolen de Vlijt wordt door hem omgezet in een gelijknamige koperpletterij, die als zodanig nog steeds in werking is. De Heus woonde te Utrecht, doch verbleef gedurende de zomermaanden op Marialust. Hij heeft dit verkocht toen hij een gasfabriek in Arnhem ging exploiteren en ’s zomers op de Pietersberg te Oosterbeek vertoefde. In Apeldoorn bouwde hij daarna Sophia’s hoeve (gelegen aan de oostzijde van de Van Heutzlaan en omstreeks 1915 afgebroken). De Heus bezat ook veel grond in het tegenwoordige Berg en Bos. In 1858 heeft hij de put daar laten maken (diep 149 voet, wijd 1.40 el, begroot op ruim 3000 gulden). Zijn bedrijfsleider op de koperpletterij was Peter Kok Ankersmit. Willem Hendrikus de Heus bleef eigenaar van de Vlijt tot 1872. Toen werd het bedrijf veranderd in de Commanditaire Vennootschap H. de Heus en Zn.; sinds 1902 N.V. Koperpletterij en Metaalhandel v/h H. de Heus en Zn., Vlijtseweg 101.

De Rotterdamse Kopermolen (kaart l nr. 3)

De tweede kopermolen in Apeldoorn dateert van omstreeks 1753. Dan heeft Daniel de Jongh, koopman te Rotterdam, de Pannekoekspapiermolens te Wenum gekocht, die al in 1626 bestonden. De Jongh, die de papiermolens gaat omzetten in een kopermolen, probeert terzelfder tijd ook de molen van Rade, gelegen op de Grift te Vaassen, in eigendom te verkrijgen. Dit vernemen we uit een schrijven, dat Eva Wateringe, weduwe van Rudolphus Knuyse, op 2 juni 1753 richt aan de heer van Cannenburch. Hierin deelt ze mede, dat voor "haar koren- en korenmolen, met "het getimmerte, het huys Raade, hof, landerijen, Vijvers en houtgewassen” geboden is door de heer Daniel de Jongh te Rotterdam een som van 28000 gulden contant. De heer van Cannenburch heeft echter het recht van voorkeur. Hij maakt hiervan gebruik en komt zodoende in het bezit van de molen van Rade. Deze molen heet later "Griftsemolen” en is ca. 1940 helaas afgebroken.
Daarentegen boekte Daniel de Jongh meer succes met de Pannekoekspapiermolens in Wenum. Want op 30 juli 1753 transporteren de erfgenamen van Cornelis Dries Nijland voor f 3990, - een waterpapiermolen te Wenum aan Daniel de Jongh en diens echtgenote Anna Eduardina Elisabeth Jordan. Al eerder (13 januari 1753) hadden de geerfden der Wenumermark aan Daniel de Jongh als "coper van de pannecoecksmolens”, uitgedaan in een "stedigen, vasten en altoosdurende erfpagt, een stuk grond boven de voorss. pannecoecksmolen, schietende van de beeck af tot aan de moeras of veen, vandaar regts om lopende tot aan den Apeldoornssen en Vaassense weg, voorts wederom Iings af dan langs die weg over de brug of beeck heen schietende en weder regts af tot langs en voorbij de doelens tot aan den Wenumssen Nijen Enck dus in sig sluytende het veld tussen het moeras of veen, de onderbeek, het veldt genaamt de camer en de bomen bij de voors. molens”.
Daniel de Jongh wordt vergund "daar rontom” een dijk te doen leggen, een vijver te laten graven "tot de aan te leggene coperrnolen, te bedijken, bepoten, beplanten ende daar mede tot zijn voordeel en genoegen te doen na welgevallen”. Voor het aan hem uitgedane terrein moet de Jongh jaarlijks een pacht betalen van 70 carolus gulden.
Tegen deze verpachting wordt ten scherpste geprotesteerd door de molenaar Elbert Wijnbergen van de beneden gelegen Wenumerkorenmolen (kaart nr. 4). Wijnbergen verklaart voor de scholt van Apeldoorn, dat hij "in een rustige en vredige possessie is van een vrije en onbespierde waterloop” op zijn molen en dit ook wenst te blijven. Hij heeft met "veel verwondering” kennnis genomen van de plannen van de heer de Jongh om op het water, dat "altoos vrij en onverhindert” op zijn molen had gelopen, een kopermolen te leggen en dat er zelfs een begin was gemaakt met het graven van een "wijer of vijver” voor ’t opstuwen van het beekwater. Hierdoor zou zijn molen "ten eenenmael stil en onbruykbaar” worden. Als medegeérfde der mark eist Elbert Wijnbergen inzage van de erfpachtbrief van ’t water die door de mark was uitgegeven, doch waartoe deze volgens hem het recht niet had. Blijkbaar zijn partijen het met elkaar eens geworden, want er wordt toch een grote wijer gegraven, waarop een kopermolen komt te liggen met 3 raden achter elkaar. Het is zo goed als zeker dat Daniel de Jongh - om Elbert Wijnbergen tevreden te stellen - op zijn kosten een wijer heeft laten aanleggen bij de Wenumerkorenmolen. Zodoende kon laatstgenoemde steeds de beschikking hebben over voldoende water voor zijn bedrijf.
Daniel de Jongh heeft vermoedelijk met de bepalingen in het contract, door hem op 13 januari 1753 met de Wenumermark gesloten, nogal de hand gelicht. Want op 23 juni 1756 komen de geerfden van de mark bijeen "onder de Linde” en beloven "alles wat onze Boerscholt Lubbert Goutkuil en de gezworenen zullen ondernemen tegen het gewalt (van den heer de Jongh) te zullen steunen door te vergoeden verschot en moeyte en diensten . . . ieder na quota dat sy geerft zijn.” De Jongh had namelijk "goet gevonden om een heel stuyck (= stuk) van onse marckt te graven en met boomen toe te pooten en mit een ryggelwerk aff te schutten, alles buyten en boven het velt dat syn edele was uytgesteken en in erffpacht verpacht was”.
Hoe bovengemelde kwestie verlopen is, staat niet beschreven. In 1754 wordt de grondpacht aan de mark betaald door Baltus Landal, die dit ook nog doet in 1758. Deze Baltus Landal zal bedrijfsleider geweest zijn op de Rotterdamse kopermolen. Daarna is Laurens Landaal met de leiding belast. Misschien moeten we in Laurens een zoon van Baltus zien. Op 9 juli 1774 wordt hij aangesteld tot buurscholtis van de Wenumermark. Straks volgen nog enkele bijzonderheden over hem. In verband met het opstouwen van ’t water in zijn molenvijver sluit Daniel de Jongh op 19 januari 1753 een overeenkomst met de eigenaars van de twee bovengelegen papiermolens in Wiessel. In dit akkoord wordt gezegd dat op genoemde datum een overeenkomst van kracht was geworden tussen Daniel de Jongh - als bezitter van de "Pannecoex molens in Wenum nu tot een Copermolen gemaakt” - en Jan Huygen en Tonis Dijkgraaf als eigenaars van "de daar boven leggende twee Water Papiermolens in Wijssel”. Volgens dit stuk zou de omzetting van papier- in kopermolen op 19 januari 1753 reeds een feit zijn geworden. In het contract werd o.a. bepaald, dat op "de beek lopende van de Wijsselse papiermolens op de Wenumse Coper Molen, souden worden gelevert een verval van twee voeten hoogte”. Met deze beek is de waterloop bedoeld, die vanaf de samenvloeiing der beide Wiesselse beken het water daarvan afvoerde naar de wijer van de kopermolen. Verder was overeengekomen, dat in genoemde beek gezet zou worden "een altoos duirende pijl, om zig daar na ten desen opzigte voor altijd nu en in ’t vervolg te connen regulieren”. Op 3 mei 1753 vindt ten overstaan van de scholtis der Hoge Heerlijkheid Het Loo en in tegenwoordigheid van Daniel de Jongh, Jan Huygen, Tonis Dijkgraaf en van "twee onpartijdige Meesters Papiermakers Jan Aarts Schut en Henricus Velthuysen” het zetten van het peil plaats.
Dit werk geschiedt door de "Meesters Molenmakers en Timmerlieden” Henrick Wouters van Apeldoorn en Andries Heijmans van Hafkamp. Het peil komt te staan aan de rechter- of zuidzijde van de beek op ongeveer 107 roeden "van de Copermolen af na Wijssel op” en wordt geplaatst in "twee eyken Palen ijder lanck vijf voeten op welke twee palen is gelegd een Dwarsbalck van agt voeten, welke dwarsbalck vastgekloncken is met drie ijsere anckers en waar op de Pijlpaal selfs gezet, Bestaande in een Eijcken Paal of post aan die voorss. dwarsbalck van onder afgereeckent Langh, twee en dartigh en een halve duijmen alles Hollandse Maat, Boven op voorsien met een ijsere plaat, vier veeren en een pin”. Het plaatsen van het peil geschiedde, nadat het water door de beide "Molen Timmerlieden afgepeijld en afgemeten was twee voeten of twee en twintig duijmen Hollandse Maat”. Toen ik omstreeks 1950 een bezoek bracht aan de inmiddels overleden heer Zwerus van de wasserij Palm te Wiessel (eerder de Huygensmolen) vertelde hij mij jaren geleden in de beek nog een overblijfsel van een peilpaal gekend te hebben.
Al voor de overeenkomst van 19 januari 1753 had Daniel de Jongh een contract gesloten met Teunis Dijkgraaf Mr. papiermaker op Dijkgraafs molen in Wiessel (kaart 1 nr. 2). Want door het opstouwen van het water in de nieuwe wijer van de kopermolen zou het waterrad van Dijkgraaf last krijgen van "onderslag”. Het dicht boven het wateroppervlak van de onderbeek draaiende rad ging dan met de onderkant door het water slaan en werd daardoor in zijn werking "gelamt” (geremd). Dijkgraaf belooft "zijn rad en molenhoofd zodanigh te verhogen en de Beeck daartoe te bequamen, dat het water in deselve lopende na de pannecoex molens van gemelte Heer de Jongh, en sullende worden geapproprieert (= ingericht) tot een Copermolen, twee voeten hoger worden opgestuwt en opgedrongen, als het thans bij Ordinaer water is”. Hiertoe zal _ een peil gezet worden bij het verlaat, waar het ruimen der beek ophoudt. Alle lasten en kosten van de "timmeragie” en het doorgraven of verhogen der beken komen voor rekening van Tennis Dijkgraaf, evenals de jaarlijkse "halve ruijming” daarvan. Bepaald wordt echter, dat het "blinde Beeckje door ’t Veen lopende nooijt werde geruijmt”. Waar dit blinde beekje liep wordt niet gezegd. Daniel de Jongh belooft van zijn kant aan Dijkgraaf voor de kosten der gemaakte veranderingen een som van 250 gulden te betalen, benevens nog een gouden ducaat voor diens vrouw. Het overige ruimen der beken en sprengen is ten laste van Daniel de Jongh. Na het gereedkomen van wijer en molen laat de Jongh de omgeving daarvan met verschillende boomsoorten beplanten, Vijvers en wandelpaden aanleggen en het geheel inrichten tot een voornaam landgoed met herenhuis, bestaande uit vijf aaneengebouwde paviljoens.
In 1768/ 69 worden genoemd als werknemers op de Rotterdamse Kopermolen (zo geheten naar de plaats van herkomst van Daniel de Jongh) Laurens Landaal, Willem de Koperslager, Gerrit Lange, Hendrick Gerrits, Loog Korthals, Frederik van Luik en Jan Brink. Als bedrijfsleider treedt op Laurens Landaal, hij zal wel dezelfde zijn, die in 1747 voorkomt op de kopermolen op de Grift te Apeldoorn. Hendrick Gerrits heet "Uitwermer”. Enige jaren later (1770) doet Daniel de Jongh wiens huwelijk kinderloos was gebleven, zijn koperbedrijf in Wenum over aan z’n gelijknamige neef. In 1779 brengen enige reizigers tijdens een "toertje” door Gelderland een bezoek aan de kopermolen van de heer de Jongh te Wenum, waar "het oude koper gesmolten, in vormen gegoten en tot platen geslagen wordt. Het water . . . doet de groote blaasbalgen en de ontzaggelijke beukhamers bewegen: het vuur van houtskolen, die hier ook bereid worden, is verschrikkelijk, en men is verwonderd dat mensen het lang daarbij kunnen uithouden.
De baas was evenwel een gezond man en had 6 frissche kinderen”.
De kopermolens beleefden toen een gouden tijd, vooral door de vervaardiging van koperen platen voor de bekleding van de houten rompen der zeeschepen. Verder maakte men er de grote koperen suikerketels voor de suikerplantages in West-Indie.
Op een enkele Veluwse kopermolen werden tevens de koperen plaatjes gefabriceerd voor de in Oost-Indié als geldmiddel gebruikte koperen duiten. In het begin der 17e eeuw werd een zekere Pieter van de Haegen te Rotterdam beschuldigd van het maken van valse Spaanse koperen munten. Op 19 januari 1614 lezen we, dat het koper, waarvan deze munten vervaardigd waren, afkomstig was "van Facen (Vaassen) tusschen Harderwijk en Deventer”. In de volksmond heetten dergelijke kopermolens vaak "duitenknipperijen”.
Wanneer enige jaren na de vrijwording van ons land in 1813 de Nederlandse Handelmaatschappij, die dan voor het herstel van het toenmalige Ned. Oost-Indié van uitzonderlijke betekenis wordt, haar werkzaamheden begint, levert dit aanvankelijk ook voordeel op voor de kopermolens. De hoge vrachtprijzen werken de bouw van nieuwe en grotere schepen in de hand en dit doet een verhoogde behoefte ontstaan aan koperen platen voor het dubbelen der scheepswanden. Hiervan profiteren eveneens de Veluwse waterkopermolens, doch deze moeten het weldra afleggen tegen de door stoom gedreven koperpletterijen.
Omstreeks 1835 wordt de koperbereiding op de Rotterdamse kopermolen gestaakt.
Daniel de Jongh, Adriaansz., die - zoals uit het voorgaande bekend is - in 1770 het bedrijf van zijn oom had gekocht, was in 1774 gehuwd met Lucia Maria Raeber, de Iieftallige dochter van de intendant van Het Loo. Uit deze echtverbintenis werden 10 kinderen geboren. Daniel woonde ’s winters op de Blaak te Rotterdam, doch verbleef gedurende de zomermaanden op zijn landgoed "De Rotterdamse Kopermolen” in Wenum. Daniel de Jongh overleed in 1809, zijn zoon Johannes erfde de kopermolen. Hij trouwde met Elisabeth Maria van Hoytema, het huwelijk bleef kinderloos.
Na de opheffing van zijn koperbedrijf bleef Johannes de Jongh als ambteloos burger het landgoed bewonen, dat volgens een reiziger uit die dagen eenmaal als een oase was gelegen langs de weg naar Vaassen. In zijn reisverhaal uit omstreeks 1850 lezen we o.a. het volgende: "En volkomen zal een ieder (hiermede) instemmen wie zich herinnert hoe toenmaals dit landgoed met hoog geboomte, uitgestrekte Vijvers en eigenaardig uit vijf aaneengebouwde paviljoens gevormd heerenhuis lag als een oase aan den eenzamen weg op de onmetelijke heidevlakte”. Uit deze beschrijving valt op te maken, dat het bezit eertijds veel fraaier moet zijn geweest.
Al eerder (1841) hadden de predikant Heldring en zijn reisgenoot Graadt Jonckers een bezoek gebracht aan de molen. Beiden zijn verrukt over de fraaie aanleg. Heldring schrijft: "Wij bezochten de kopermolen aan gene zijde van het Loo. Ofschoon vreemdelingen, werden wij als bekenden ontvangen, Ofschoon slechts omdwalende en zoekende naar hetgeen ons hier of ginds zoude kunnen bekooren - bekenden wij beiden, dat het ons op onze gansche reis nergens zoo aangenaam geweest was als hier. Ofschoon de regen allerhevigst was, en donkere wolken elkander opvolgden, was het ons als of wij in zonneschijn rondwandelden, zoo lieflijk is het geheel in zijnen eenvoudigen smaakvollen aanleg. Op het bergje gezeten, waar het oog over een effen water met wellust op heuvelen en bosschen rust, was het er ons zoo aangenaam, dat ik geen tweede plekje mij weet te herinneren, waar ik op ons togtje met meer genoegen toefde.
De kopermolen stond stil, doch de werklieden zullen hun brood wel vinden in de velden, die hier bereid worden voor den toekomstigen oogst. Van de grote wijer maakte de Apeldoornse schilder Arie Lieman in 1846 een potloodtekening, die zich in het Hist. Museum Moerman bevindt en waarop achter het sierlijke bruggetje nog iets van de voormalige kopermolen te zien is. Op de thans nog in het terrein aanwezige heuvel zal vroeger een tuinkoepel gestaan hebben. In deze heuvel heeft sinds 1957 een latere eigenaar een rustplaats gevonden.
Johannes de Jongh stierf op 21 juli 1857 in de ouderdom van 78 jaar; zijn weduwe Elisabeth Maria van Hoytema volgde hem in 1865. Op donderdag 27 en vrijdag 28 april van hetzelfde jaar vond op "het landhuis de Rotterdamse Kopermolen” het erfhuis plaats van de "gehele inboedel van wijlen mevr. de wed. de Jongh” terwijl in oktober en november 1865 de inzet en toeslag volgde van de buitenplaats de Rotterdamse Kopermolen met bos-, bouw-, weien heidegronden.

De Nieuwe Kopermolen in Wenum (kaart 1 nr. 4)

Daniel de Jongh, de eigenaar van de Rotterdamse kopermolen, breidt in 1768 zijn bedrijf in Wenum uit door de aankoop van de beneden gelegen Wenumse korenmolen.
De Jongh laat dan een uitgestrekte molenwijer graven boven "de op nieuws aan te leggen twee copermolen” te Wenum. Met deze molenwijer is de prachtige door hoge bomen omzoomde vijver boven de huidige korenmolen Van Bree bedoeld. Het maalbedrijf wordt omgezet in kopermolen met 3 raden boven elkaar. Zodoende kan de Jongh op de Wenumse beeck in totaal met 6 waterraden werken door het water zowel op de Rotterdamse kopermolen als op het beneden gelegen nieuwe koperbedrijf dienst te laten doen. Naar deze "Nieuwe Molen” heet de tegenwoordige "Nieuwe Molenweg” in Wenum.
In 1770 worden beide kopermolens door Daniel de Jongh voor f 40.000, - verkocht aan zijn reeds eerder genoemde gelijknamige neef. Aan deze laatste herinnert een steen met het jaartal 1798 en de letters D. de J. in de oude stenen brug boven de korenmolen Van Bree. In 1858 komt de Nieuwe Kopermolen in het bezit van Peter Kok Ankersmit en wordt dan ingericht tot "leerlooijerij” annex runmolen en tevens tot korenmolen. Dit betekende het definitieve einde van het laatste koperbedrijf in Wenum.

Bezoeken aan enkele Veluwse Kopermolens

Over de werkwijze in de kopermolens op de Veluwe vernemen we iets uit een tweetal beschrijvingen. In juli 1740 maken vier Groningers een "Plaisir”-reisje van Groningen naar Kleef. Ze maken een speciale omweg om Het Loo en de tuinen te bezichtigen. Over hun tocht wordt door Theodorus Beckering, een van het viertal, een boeiend dagverhaal geschreven. Het is zelfs nu nog een genot dit journaal te lezen. Op 14 juli tegen 5 uur ’s morgens - het zijn geen langslapers - vertrekken ze uit Hattem en bereiken om half zeven het dorp Heerde. In de herberg "het Wapen van Overijssel” wordt gepleisterd, waar de heren zich "verfristen met een Spaans Wijntje en een warm brootje, zijnde de bakker vroeg bij zijn werk geweest”. Warme broodjes om half zeven ’s morgens, kom daar nu eens om! Een uur later gaat de reis verder langs de rechteroever van de Grift en na vijf kwartier bereiken ze een kopermolen, die gedreven wordt door het Griftwater en ter hoogte van het dorp Vaassen ligt. De hier genoemde kopermolen is de molen van Rade, die in 1740 toebehoorde aan Rudolphus Knuyse en later de Griftse molen heette. We hebben over deze molen al gesproken bij de geschiedenis van de Rotterdamse kopermolen in Wenum. De Groningers verlaten het rijtuig en bekijken de molen "als mede de manier op welke het geel en rood koper, na eerst drie of meer malen an koeken gegoten is om taij te worden, tot platen van allerhande groote en dikte gehouwen wierde, door een hamer van twee of drie hondert pond, die door een groot waterradt zijn werking deede, wordende daar door zo schielijk opgeligt en weder neergeploft als geen smidt met een kleinen hamer slagen kan, hetwelk zulk een geraas veroorzaakte, dat malkander bijna niet beroepen konden, dit bezigtigt hebbende, gingen weer opsitten en vervolgden onze cours langs de Grift, alwaar even agter het gehugt Wenum weder overreden door laag wateragtige en veenige heide en kwamen te half elf op het Loo in de herberg de Keisers Croon, bestelden anstons wat dien middag eten Wilden en gingen nog voor den middagh onze nieuwsgierigheid eenigzins voldoen, met het beschouwen van het palais van deze beroemde uitnemende vorstelijke Lustplaats, gebouwt op het bevel van den grooten William,Koning van GrootBrittannién en Stadhouder dezer Vereenigde Nederlanden . . . . .” Een tweede en meer uitvoerige beschrijving van een Veluws koperbedrijf betreft de Amsterdamse kopermolen op de Oosterhof te Vaassen en dateert uit de eerste helft der vorige eeuw. Heel raak worden de fabrieksarbeiders en de molenbaas Heering getekend, terwijl de schrijver op een uiterst boeiende wijze enkele geheimen van de koperfabrikage weergeeft. Zeer typisch is de eigenaardige zinsbouw.
"0, dat toenmaals een schilder of teekenaar de fabriek hadde bezocht! Wat karakteristieke koppen hadden die Veluwenaars, helpers van Paul Heering, de molenbaas! Niet griezelige producten van bedorven stadslucht, van gehaast, morrend verrichten arbeid en daarna bruut genieten, maar stoere, rustige werkers, ernstige, vrome mannen, opgevoed en levende in de vrije natuur . . .
Als in heilige handeling, bewogen zich bij hun dagelijksch werk in het halfduister der fabriek, zwijgend, geruischloos en langzaam de gezellen van baas Heering. Die taak bestond in het uitpletten van dunne platen van de platte koeken roodkoper, welke leverden buitenlandsche smelterijen. Hoofdzakelijk waren de platen bestemd tot het bekoperen van de houten huid onzer Oosten West-Indiévaarders.” Dan geeft de schrijver een beeld van de smeltoven en het smelten "Die smeltoven was een jongens-paradijs! Opgesteld in een .afgeschoten deel der fabriek, en weinig gebruikt; want slechts zelden was het geelkoper noodig, dat daarin werd gesmolten. Om geel koper te maken was bij het rood koper zink te voegen. Dit werd aangevoerd in den vorm van "schuitjes”, met grauwe oppervlakte, doch op de breuk zilverachtig kristallijn.
Het smelten behandelde de baas in eigen persoon. Paul Heering was verreweg de meerdere van het personeel, hoewel even boersch gekleed. Zijn overgrootvader was indertijd uit Duitschland overgekomen met de geheimen van het vak, hetwelk ook zijn grootvader en vader beoefende. Heering zelf had iets voomaams; een peinzend gelaat, glad geschoren, gegroefd; hij sprak zacht, bedaard en weinig, sober waren ook zijn bewegingen . . . hij had een Geldersche schommel - een echt boerekind - tot vrouw genomen, een flinke Veluwsche, die hem een zoon schonk en vele dochters, en bij feestelijke gelegenheden heerlijke spekpannekoeken bakte met krenten er in . . .
Als geel koper was te maken, stond de geheele fabriek stil. Want Paul Heering had daartoe al zijne aandacht noodig. Koper en zink werden door hem in de vereiste verhouding gevleid in een vuurvasten steenen pot, gesloten met een steenen deksel. Daarna gesteld in den oven en verhit, stegen er wittige vlammen uit den kroes, als deze even werd geopend om te zien in hoeverre het smelten was gevorderd. Nu en dan werd er een stukje koper of zink bijgevoegd, hetwelk zich dan oploste in de vloeiende, gloeiende , massa als ware het een klontje suiker. Onderwijl stond het heele personeel, evenzeer in spanning als de baas, zwijgend voor den oven te wachten.
Eindelijk als Heering de smelting hield voor voltrokken, rees de ovendeur voor het laatst omhoog, bevestigden een paar gezellen zwijgend den kroes in een ijzeren vork, en werden de snel verdonkerende scorién met een ijzeren pollepel verwijderd van de oppervlakte, welke dan plotseling lichtte als vloeiend goud. De pot werd vervolgens onder plechtig zwijgen uitgegoten met dunne straal in den gereed gemaakten leemen vorm.
Het blok achterlatend ter bekoeling, ging dan een ieder heen met een opgelucht hart; want het was steeds of het lot van de heele fabriek in de weegschaal had gehangen.
Zelden - maar dat was dan ook de grootste gebeurtenis - hoorden men de doffe slagen van den reuzenhamer. Het was alsof de molen wakker werd, zoo daverde en schudde alles door die forsche stooten. Van verre kon men ’t hooren, en alle spel werd gestaakt, op een drafje naar de fabriek geloopen, om bij te wonen hoe de groote rondgesneden koperen plaat werd gehamerd tot een bodem met opstaanden rand.
Een zwaar werk en een moeilijk werk, waarvoor de kopermolen beroemd was bij alle suikerraffinaderijen hier te lande. Want het waren bodems voor suikerpannen, die aldus ontstonden. Aan een langen, zwaren, vierkanten balk - een bijzonder taaie stam werd hier toe . uitgekozen - was het zware ijzeren hamerblok bevestigd: een reuzen timmermanshamer, die door eigen zwaarte neersloeg op een ijzeren aanbeeld, als de steel of staart, , langzaam opgelicht door een nok, aangebracht op de as van het waterrad, plotseling werd losgelaten door die nok. Een grootere of kleinere watertoevoer op de schoepen regelde de snelheid der slagen. Eerst werd door hameren de plaat uitgedijd langs de rand. Dan een krijtcirkel getrokken, en onder de schaar afgeknipt het overtollige koper. 0, die griezelige schaarl Deze stond tussen de wals en den hamer, daar zij beiden was van noode. Het eene schaarbeen was vast; het .andere gaapte op en neer, bevestigd aan een langen balk, welke een genokt rad ophief en neer drukte. Lang voor dat de plaat was te snijden, werd de schaar in beweging gezet; en dat langzaam openen en zich sluiten van denscherpen bek, hongerend naar een prooi in die donkere ruimte . . . Het was als een , monster dat den .armen kleinen jongen, die nieuwsgierig de werkzaamheden gadesloeg een arm of been wilde afhappen!En altijd ging dan ook de kleine jongen er in eerbiedigen halfcirkel omheen; want zelfs nadat het snijden was afgeloopen, bleef het monster happen, alsof herkauwende w zijn buit. Eens de plaat rondgesneden, kwam het moeilijkste; het omkrullen van den rand. Daar toe versnelden de hamerslagen; hooger en hooger rees de rand, sneller en sneller deden' de ijzeren tangen, vastgehouden door zweetbeparelde mannen, den koperen plaat rond cirkelen op het aambeeld. Paul Heering hanteerde zelf één der tangen; want door één verkeerde beweging kon heel het werk mislukken! Eindelijk klonk de laatste slag! ’t Zweet werd van de voorhoofden geveegd en voor dien dag de fabriek stopgezet.
Eene welverdiende vacantie ’ De kopermolens waren minder talrijk dan de papiermolens en ze maakten dan ook een veel kleiner onderdeel uit van de plattelandsindustrie van de Veluwe. Toch waren het belangrijke bedrijven, die - zoals we reeds zagen bij de kopermolen op de Grift te Apeldoorn - meestal leverden aan kooplieden in Holland. De Apeldoornse molen werkte in 1629 met 6 hamers; men had toen 6 koperslagers en 2 jongens in dienst.
De bewering, dat de kopermolens ieder maar één hamer gebruikten, klopt dus niet met de werkelijkheid. Op de kopermolens werd koperwerk vervaardigd voor de binnenlandse branderijen, brouwerijen en suikerraffinaderijen (o.a. bodems voor ketels) en kleinere bladen en bodems ten dienste der plaatselijke koperslagers. In 1763 werd te Epe een duitplaatjesmakerij ingericht, die met waterkracht werkte en waarop 6 a 7 man een bestaan vonden. Uit het bladkoper, dat op de molen werd geplet, knipte men plaatjes of stroken, waaruit op de munt duiten werden geslagen. Dergelijke plaatjes leverde men ook aan de Oostindische Compagnie. We vertelden al eerder, dat een kopermolen te Vaassen reeds in het begin der 17e eeuw zulke plaatjes of "repen” zou hebben gesneden en naar Holland verzonden.
We verlaten thans de kopermolens en komen bij enkele bedrijven uit de vorige eeuw die eveneens van waterkracht gebruik maakten. De eerste twee staan in verband met de voormalige Rotterdamse kopermolen, doch zijn van totaal andere aard.

De Rotterdamse Kopermolen wordt houtzaagmolen

De vroegere Rotterdamse kopermolen komt in 1865 in ’t bezit van M. C. de Waal, die hem laat inrichten tot een fabriek voor machinale houtbewerking, waarbij ook het waterrad gehandhaafd blijft. In 1879 brengt de bekende schrijver en wandelaarJ. Craandijk er een bezoek en vertelt in een zijner "Wandelingen door Nederland” daarover het volgende: "vrolijk stroomt het beekje voort, brekende over de groote steenen, » die het in zijn bedding ontmoet. Zonderling zien die stenen er uit, zwart en blauw en geel geadert en gestreept. Kopererts is het, wat wij hier vinden in de beek (dit laatste is niet juist, het was geen kopererts, maar het afvalprodukt, de koperslak). Craandijk gaat dan verder: "Wij zijn hier bij de Rotterdamse Kopermolen, waar in 1753 een belangrijke koperpletterij werd gevestigd en thans een fabriek van houtbereiding in werking is. Nu zien wij ook den witten molen met het roode dak en het wentelend rad, half onder ’t groen verscholen, terwijl voor den gevel beelden prijken, hel afstekend tegen den donkeren achtergrond.” Craandiij metgezel, de tekenaar P. A. Schipperus, heeft een afbeelding van de molen gemaakt, die voorkomt in de genoemde "Wandelingen door Nederland”, dl. IV 1887.
Op 26 oktober 1881 doet M. C. de Waal zijn houthandel, houtdraaierij en machinale houtbewerking op de Rotterdamse kopermolen over aan Pannekoek. Tenslotte wordt de houtzaagmolen met bijbehoorende terreinen eigendom van de houtkoper W. van de Ven, die het grootste gedeelte van het fraaie geboomte laat kappen. De voormalige zaagmolen komt nog voor op een afbeelding uit ca 1926. We zien daarop een gebouw en een waterrad boven de beek en beneden de stuw een houten huisje, waarin eens een turbine draaide. Toch moeten er in die tijd twee waterraden zijn geweest, want toen ik in het late najaar van 1936 een bezoek bracht aan het terrein van de voormalige kopermolen, lagen er boven de onderbeek nog twee assen van waterraden.
Beneden de stuw prijkte een vreemd ijzeren voorwerp. Op mijn vraag waarvoor dit gediend had, vertelde een daar werkende arbeider: "we hebben hier vroeger ook een tribune gehad”. Hij bedoelde natuurlijk een turbine! De houtzaagmolen was toen al jaren geleden afgebroken. Het inrijhek aan de ingang dateert uit de tijd van Daniel de Jongh, de stichter van molen en landgoed. De door hem aangelegde molenwijer is eveneens bewaard gebleven.

h43

Watermerk uit de 15e eeuw




 

Zwavelstokken en houtzaagmolen

Een fabriek van "strijkzwavelstokken" op het terrein van de Rotterdamse kopermolen

Een lucifersbedrijf, dat eveneens van waterkracht gebruik maakte, en gedurende korte tijd een uitzonderlijke bloei beleefde, verrees in 1873 op het landgoed "De Rotterdamse Kopermolen”. In de notulen van burgemeester en wethouders van Apeldoorn komt daarover op 9 juni 1873 het volgende voor: "Een verzoek van H. C. Hoogendijk, fabrikant wonende op het landgoed de Rotterdamsche Kopermolen, buurtschap Weenum, Gem. Apeldoorn ad. 12 mei 1873, om vergunning tot de oprichting eener fabriek van strijkzwavelstokken in het molengebouw en aangrenzende loods van gezegd landgoed.
Gelet op de te voren gedane afkondiging in de Apeldoornsche Courant aan de ingezetenen die daartegen geen bezwaren hebben aangebracht. In aanmerking genomen, dat er geen belendende gebouwen in de nabuurschap zijn dan die, welke behoren aan de eigenaresse, die hare toestemming geeft tot de oprichting der fabriek. Overwegende dat er dus geen termen aanwezig zijn om het verzoek te weigeren.
Gelet op het Koninklijk Besluit van 18 Februari 1846 (St. bl. no. 9 en op art. 3 van ’s Konings Besluit van 31 Jan. 1821 St. bl. no. 19).
Hebben Burgemeester en Wethouders besloten tot de uitoefening eener strijkzwavelfabriek in het perceel kadastraal bekend gem. Apeldoorn Sectie D. 269 en 270 aan de heer H. C. Hoogendijk vergunning te verlenen onder voorwaarden van zich te zullen onderwerpen aan al de zoodanige bepalingen als later blijken mochten in het belang eener goede politie noodig te zijn.” Nu is het vreemd, dat nergens gesproken wordt van M. C. de Waal, die in november 1865 de kopermolen had gekocht. Wel over H. C. Hoogendijk "wonende op het landgoed de Rotterdamsche Kopermolen” en van een eigenares aan wie "de belendende gebouwen toebehoren”. Wie was deze laatste persoon? Craandijk rept bij zijn bezoek in 1879 niet van een lucifersbedrijf, doch zegt dat er toen een fabriek van houtbereiding in werking was. Zoals we straks zullen zien, klopt dit wel met de feiten. In elk geval wordt te Wenum reeds in 1873 begonnen met de fabrikage van "strijklucifers”, waarbij vermoedelijk het waterrad een apparaat in beweging bracht, dat op vernuftige wijze blokken hout versplinterde tot lucifershoutjes, die daarna van een "zwavelkopje” voorzien werden.
Aanvankelijk werken er 28 arbeiders, doch in het volgend jaar 1874 is dit aantal reeds verdubbeld. Het bedrijf maakt in die jaren een ongekend snelle groei door en krijgt een omvang, zoals in Apeldoorn tot nog toe niet was voorgekomen. In 1876 zijn er 52 mannen, 3 vrouwen, 69 jongens en 31 meisjes werkzaam (totaal 155 werknemersl) Van heinde en ver komen de arbeidskrachten opdagen. Elke morgen lopen groepen mensen uit Wapenveld (I) en Vaassen naar Wenum en gaan daar in de zwavelstokkenmolen van Hoogendijk werken.
Het maken der doosjes vond ook in de omgeving plaats. Zo werden in een schuur te Vaassen doosjes vervaardigd voor de Wenumse lucifersfabriek. Het vullen der doosjes geschiedde vanzelfsprekend op het bedrijf in Wenum. Voor elke 100 gevulde doosjes kreeg men 3 cent. Er waren werklieden, die het brachten tot 2500 a 2800 doosjes per dag en zodoende een dagloon haalden van f 0,75 a f 0,84.
Kort daarna komt er plotseling een totale verandering. In die tijd ontstaat een overproduktie aan lucifers, waardoor een lonende exploitatie der lucifersbedrijven onmogelijk wordt. In onderling overleg besluiten de fabrikanten enkele fabrieken op te heffen of samen te voegen om zodoende tot een beperking der produktie te komen.
De fabriek van Hoogendijk te Wenum wordt gesloten en opgenomen (7) in het bedrijf van Fromberg te Apeldoorn, dat dan gaat werken onder de naam "Lucifersfabriek Hoogendijk, Fromberg en Cie”. Deze fabriek kwam te liggen aan de westzijde van het kanaal Apeldoorn - Dieren, niet ver van de spoorbrug. Vermoedelijk zal ook de veel gunstiger ligging vlak bij het station Apeldoorn aan de pas (1876) in gebruik genomen spoorlijn Amersfoort—Apeldoorn— Zutphen de opheffing van het bedrijf in het meer afgelegen Wenum in de hand hebben gewerkt.
Hoewel we daarover geen voldoende zekerheid bezitten, zal de gang van zaken, die geleid heeft tot de sluiting van de zwavelstokkenfabriek in Wenum, wel ongeveer geweest zijn zoals in het bovenstaande is geschetst.
In de Apeld. Courant van 20 april 1878 lezen we over de aanbesteding van het "bouwen der vier Hoofdgebouwen hunner fabriek te Apeldoorn, met de levering der materialen” ten behoeve van de lucifersfabriek Hoogendijk, Fromberg en Cie.
Het lucifersbedrijf heeft in 1881 een voor Apeldoorn record aantal werkkrachten in dienst, namelijk 30 mannen, 145 jongens en 115 meisjes (bijna 300 personen). Wat zal er toen een geweldige massa lucifers zijn gemaakt. Geen wonder dat we op 14 januari 1882 het volgende lezen in de Apeld. Courant: De Heeren Hoogendijk, Fromberg en Co zullen woensdag 18 jan. e.k. te elf uur ter plaatse aanbesteden "Het vergrooten van hun Houtvijver”. Met deze houtvijver wordt geen molenwijer bedoeld, de fabriek te Apeldoorn werkte niet met waterkracht.
Op 15 september 1883 bieden de werkgevers op hun kosten het personeel een gezellige dagtocht aan naar Amsterdam. Het houden van dergelijke reisjes was niet zoals menigeen denken zal alleen iets van deze tijd, doch kwam reeds voor in de 2e helft der vorige eeuw.
Een advertentie in de Apeld. Courant van 22 september 1883 vertelt ons enkele bijzonderheden over het Amsterdamse uitstapje. Onder het hoofd "Dankbetuiging” lezen we daar: "Wij ondergeteekenden gevoelen ons ten zeerste verpligt onzen opregten en welgemeenden dank te betuigen aan onze Hooggeachte Patroons de Heeren Hoogendijk en Fromberg, voor de genoeglijke en pleizierige dag geheel en .al ten hunnen kosten ons j.l. zaterdag 15 september te Amsterdam verschaft.
Niet alleen dat wij in de gelegenheid gesteld werden de Tentoonstelling te bezigtigen, ook Artis werd bezocht, terwijl voor een heerlijk Diner in het Hotel Krasnapolsky tevens gezorgd was. Een havenstoombootje dat den geheelen dag voor ons disponibel _was, bewees ons uitstekende diensten en verhoogde de vreugde van dien voor ons zoo aangenamen dag.
Het Personeel der Apeldoornsche Lucifersfabriek”.
Na 1890 komt er bijna abrupt een einde aan het lucifersbedrijf te Apeldoorn. In de Apeld. Courant van 1 april 1896 staat dat de "voormalige lucifersfabriek werd gemijnd op f 11550., doch niet gegund”. Op 31 oktober van hetzelfde jaar wordt gesproken over de "Apeldoornsche Lucifersfabriek” onlangs aangekocht door de Hollandsche lJzeren Spoorweg Maatschappij.

Het houtzaagmolentje op de Grift te Apeldoorn

Nog in de loop van deze eeuw is door de dienst gemeentewerken Apeldoorn een houtzaagmolentje getimmerd, dat gedreven werd door het water van de Grift. Het heeftgedurende korte tijd dienst gedaan voor het zagen van blokken hout, die tijdens de barre oorlogswinter 1944/45 gebruikt werden voor de verwarming van enkele gemeentebureaus, o.a. die van gemeentewerken en politie.
Het molentje lag op de Grift tussen de Stationsstraat en Deventerstraat. Als waterrad fungeerde een der vier raden van het voormalige molencomplex "De Stinkmolen”, die na de afbraak van deze molens op de gemeentewerf waren opgeslagen. Na de bevrijding in april 1945 is het houtzaagmolentje gesloopt, waarbij helaas ook het rad verloren ging. Door onverschilligheid en onbegrip voor het historisch belang ervan verdwenen eveneens de drie overige waterraden. Wat zou een dergelijk rad van een zo bekende Apeldoornse papiermolen de verzameling van ons Hist. Museum Moerman over de papierindustrie verrijkt hebben. Met de geschiedenis van het houtzaagmolentje op de Grift sluiten we de historie van de afzonderlijke Apeldoornse watermolens af.


 

Naschrift

Zoals bekend is, staat op de grote kaart in dit boek de ligging van de vroegere watermolens van Apeldoorn en Beekbergen aangegeven. De grote veranderingen, die zich echter na het gereedkomen van tekst en kaart in het centrum van Apeldoorn hebben voltrokken of in de nabije toekomst nog zullen plaats vinden, maken het uiterst moeilijk aan de hand van de kaart de standplaatsen van de eens in dit gebied gelegen molens te bepalen ten opzichte van het straks ontstane nieuwe stadsbeeld. Dit des te meer nu inmiddels ook de Grift geheel uit het centrum is verdwenen. Toch lijkt het gewenst de ligging van enkele in dit terrein gestaan hebbende watermolens bij benadering te plaatsen in de komende situatie.
Zo moet de ligging van de waterkorenmolen op de Grift, later molencomplex van Christiaan Geurts (kaart nr. 12 en 14), gezocht worden ten zuid-oosten van de Prins Willem-Alexanderlaan en wel aan het stukje weg, dat in de naam Christiaan Geurtsweg de herinnering aan deze bekende molenaar blijft bewaren. De standplaats van de papiermolen Tepelenberg (kaart nr. 15) is re vinden niet ver ten oosten van de Koning-Stadhouderlaan bij de hoek, die gevormd wordt door deze laan en de noord.zijde van de spoorlijn Apeldoorn-Amersfoort. De papiermolens van het Slop (kaart nr. 17) hebben gelegen aan de noordrand van de Prins Willem-Alexanderlaan, even ten westen van de kruising met de Koning-Stadhouderlaan.


 

Een ongelooflijk aantal!

Thans willen we nog een berekening maken van het aantal watermolens, dat in onze gemeente in werking is geweest. Daarbij zijn dubbele molens, die aan afzonderlijke eigenaars toebehoren of door verschillende personen gepacht waren, natuurlijk als aparte bedrijven beschouwd. Wanneer een watermolen een andere bestemming krijgt doch van waterkracht gebruik blijft maken, hebben we deze molen dan vanzelfsprekend onder de desbetreffende categorie gerangschikt. De wasserijen zijn door ons buiten beschouwing gelaten. We komen tot de volgende cijfers:

Oliemolens 3
Korenmolens 9
Volmolens 6
Leer- of zeemmolens 5
Hennep- of kipmolens 1
Papiermolens ca 59
Run- of eekmolens 5
Mosterd- of snuifmolens 1
Houtzaagmolens 2
Lucifersmolens 1
Kaasmolens (Zwitsersekaas) 1

Totaal 96 watermolens

Bij de 59 papiermolens zijn die van Loenen inbegrepen. Het juiste aantal papier“ bedrijven daar valt niet precies op te geven, doch heeft meer dan 10 bedragen. Bij het cijfer van 96 watermolens gaan onze ogen wijd open van verbazing. Met dit aantal staat de gemeente Apeldoorn in ons land onbetwist aan de spits. Want nergens in Nederland kan men een plaats aanwijzen, waar zoveel waterradmolens gedraaid hebben. Men moet in de goede dagen der Apeldoornse watermolens alom het geklater van vi water, gestommel van molenraden en het gebonk en gestamp van allerlei machinerieén gehoord hebben! Uit het grote aantal blijkt wel heel duidelijk de uitzonderlijke betekenis, die de door waterkracht gedreven molens voor onze woonplaats hebben gehad. Het laat ons zien van hoeveel betekenis hier ter plaatse de industrie al eeuwen geleden is geweest. Het tekent definitief af met het nog telkens opduikende dwaze gepraat van onwetende lieden over het "onbetekenende en armoedige heidedorpje Apeldoorn”.
De historie der Apeldoornse waterradmolens brengt ons in aanraking met een boeiend en interessant stuk industriéle geschiedenis, niet alleen van belang voor de historic .
van Apeldoorn maar evenzeer voor de verruiming van onze kennis over de vroegere industrieen van Nederland. Want de molens waren immers de fabrieken van weleer.
De uitzonderlijke betekenis, die de molens - vooral de papiermolens - voor onze woonplaats hebben gehad, kan niet hoog genoeg aangeslagen worden. In 1749 was in het kerspel Apeldoorn 9.4 % der bevolking boven de 10 jaar direct afhankelijk van de papiermakerij. Voor het kerspel Beekbergen bedroeg dit cijfer 7.3 %. Indirect verschaften de koper-, papieren andere molens nog meer bedrijvigheid in de‘ dorpen en buurschappen. Timmerlieden, metselaars en smeden waren betrokken bij de bouw en _het onderhoud der molens en bijbehorende gebouwen. De hamerbakken, kuipen, schepramen en verdere werktuigen werden meestal door plaatselijke ambachtslieden vervaardigd. De geelgieters (vervaardigers van geel koper) leverden het metaal voor deolieen witpapiermolens, waarin verschillende onderdelen niet van ijzer maar van koper moesten zijn. Bij de papierfabrikage zou ijzer roestvlekken kunnen veroorzaken.
Andere personen waren betrokken bij het graven en onderhouden der beken en sprengen. De voerlieden brachten lompen aan en vervoerden de gereedgekomen produkten naar de steden. De winkeliers, tappers, schoenen kleermakers in de dorpen waar de papiernijverheid een grote bestaansbron vormde, kregen de gunstige of ongunstige resultaten in de papiermakerij onmiddellijk in liun beurs te voelen. Een groot .aantal ingezetenen had dus direct of indirect te maken met de papiernijverheid eneveneens met de goedeof slechte uitkomsten in andere door waterkracht gedreven bedrijven. We hebben dat ook gezien bij het rekwest der Veluwse papiermakers uit 1721.
De tijd van de watermolens is voorbij. Het gezellig gestommel van de waterraden heeft reeds lang plaats gemaakt voor het geraas der machines. De technische vooruitgang bracht geheel nieuwe methoden in het fabrikageproces van het papier, bij de leerbereiding, in de graanmaalderij en bij het koperbedrijf, waardoor de waterkracht overbodig werd. Toch dienen we nooit te vergeten, dat het de eenvoudige, doch vernuftig uitgedachte watermolens zijn geweest, die de grondslag legden voor de industriéle ontwikkeling van Apeldoorn en die onze plaats al eeuwen gelegen bekendheid deden krijgen tot ver over de grenzen van het Gelderse land.
Het is dan ook volkomen te begrijpen, dat het Hist. Museum Moerman te Apeldoorn ; alles in het werk stelt om de daar aanwezige collectie op het gebied der watermolens - “ speciaal over die der papiermolens zoveel mogelijk uit te breiden. Bij dit lofwaardig “ streven rekent men vanzelfsprekend op veler medewerking. Want in welke plaats in Nederland horen voorwerpen en afbeeldingen op het gebied der watermolens meer thuis dan in Apeldoorn.
Het valt in hoge mate te betreuren, dat vroegere gemeentebesturen van onze woonplaats niet tijdig de noodzaak hebben ingezien van het instandhouden van enkele oude Apeldoornse papieren ander soort watermolens als historische monumenten. Men vindt wel een waterpapiermolen in het Openluchtmuseum te Arnhem maar geen enkel exemplaar in de plaats, die eeuwenlang aan de top heeft gestaan van het papierbedrijf op de Veluwe en die eens met recht genoemd kon worden het centrum van watermolens van ons land.
Het boek "Koornmullenaers, Pampiermaeckers en Coperslaghers” laat ons zien, dat reeds eeuwen geleden niet alleen in het westen van Nederland, maar evenzeer op de Veluwe in industrieel opzicht .al "heel wat” gepresteerd werd.
Moge dit boek over de Apeldoornse molens in toenemende mate belangstelling wekken‘ voor de geschiedenis van Apeldoorn en eveneens voor die van ons land, waarvan dehistorie van onze woonplaats een niet weg te denken onderdeel vormt.

Ik wil eindigen met een ander citaat uit de ook reeds in de aanvang vermelde voorrede bij de "Memorien der Nederlandsche Geschiedenissen” van Rienk Fresinga.

"Spiegelt u noch, laet u (’t is tijt te keeren)
U eigen lants geschiedenissen leeren,
Nemt ’t acht op tijt, persoenen, plaetsen, seden,
End’ vergelijct wel all d’omstandicheden.
Volcht wat u dient, end will ’t u daer toe wennen,
Vor alle ding u eigen lant te kennen”.




Geraadpleegde bronnen

Verklaring der gebruikte afkortingen:

A.R.A. Algemeen Rijksarchief Den Haag.
R.A.G. Rijksarchief in Gelderland.
O.A.A. D. P. M. Graswinckel: "Het oud-archief der gemeente Arnhem” (1935).
Nijhoff, dI I. A. Nijhoff: "Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland” (Arnhem, 1839).
Archieven gasthuizen - D. P. M. Graswinckel: "De archieven der gasthuizen en fundatién, gilden, schutterijen en vendels, gedeponeerd bij het oud-archief van de gemeente Arnhem” (’s-Gravenhage, 1930).

1. L. S. Meihuizen, De rekening betreffende het graafschap Gelderland 1294/1295, blz. 70 (Werken Gelre 1953).
2. R.A.G., hertogelijk archief, voorl. inv. nr. 373.
3. J. D. Moerman, Beken, sprengen en watermolens op de Veluwe, in: Ts. V. b. kon. ned. aardr.genootschap, maart 1934, blz. 16, noot 5.
4. Nijhoff, d1. III, Arnhem 1839, nr. 79.
5. Archieven gasthuizen, inv. nr. 23, fol. 156.
6. Archieven gasthuizen, fol. 158— 159. Oorspr. stuk in inv. nr. 137.
7. R.A.G., archief Hof van Gelderland, inv. nr. 2564, fol. 194195.
8. Archieven gasthuizen, inv. nr. 1, fol. 5v—6.
9. Archieven gasthuizen, fol. 7—7v.
10. Archieven gasthuizen, fol. 120v en 121.
11. Archieven gasthuizen, fol. 168v.
12. Universiteitsbibliotheek Leiden, Cat. B.P.L. 1711; uitg. P. N. van Doornian en P. C. Molhuysen, Haarlem 1902, blz. 4, 19.
13. R.A.G., hertogelijk archief, voorl. inv. nr. 226, fol. 190.
14. Nijhoff, deel IV, Arnhem 1847, nr. 118.
15. Nijhoff, deel IV, Arnhem 1847, nr. 184.
16. R.A.G., archief Staten v. h. kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 345.
17. lnv. nr. 5920 O.A.A.
18. R.A.G., archief hoge heerlijkheid het Loo, inv. nr. 44. ,
19. Rijksarchief in Utrecht, archief St. Marie, inv. nr. 415 (kaartboek van de tiendblokken onder Apeldoorn door J. van Broeckhuysen, 1708).
20. R.A.G., alg. kaartenverzameling, inv. nr. 239. E
21. R.A.G., hertogelijk archief, voorl. inv. nr. 373.
22. idem, voorl. inv. nr. 222, fol. 24v.
23. idem, voorl. inv. nr. 226, fol. 190. .
24. idem, voorl. inv. nr. 246, fol. 41.
25. idem, voorl. inv. nr. 249, fol. 17v.
26. Nijhoff, deel IV, Arnhem 1847, nr. 118.
27. idem, nr. 184.
28. idem, deel IV, 2e stuk Arnhem, 1862, nr. 108.
29. R.A.G., archief Staten v. h. kwartier van Veluwe, voorl inv. nr. 331.
30. idem, voorl. inv. nr. 330.
31. idem.
32. idem, voorl. inv. nr. 513.
33. O.A.A., inv. nr. 5920.
34. A.R.A., archief Nass. Dom. fol. 889, nr. XXXIX.
35. idem, inv. nr. 6323, fol. 28/29.
36. idem, aanwinsten 1e Afd. 1953, VIII.
37. idem, inv. nr. 6328.
38. A.R.A. archief min. v. financién, afd. domeinen, nr. G. 105.
39. R.A.G., hertogelijk archief, voorl. inv. nr. 250.
40. R.A.G., archief Staten van het kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 330, fol. 111.
41. R.A.G., archief Hof, inv. nr. 1015.
42. R.A.G., archief Terhorst.
43. A. H. Martens van Sevenhoven. Het archief der Geldersche Rekenkamer, 15591795, dl. I, ’s-Gravenhage 1925, inv. nr. 4172. Voortaan afgekort: archief Rekenkamer, inv. nr. ,
44. A.R.A., archief Nass. Dom, inv. nr. 6320. (kopieén betreffende Het Loo 1313—1795).
45. idem.
46. R.A.G., archief Rekenkamer, inv. nr. 194.
47. idem, inv. nr. 4195.
48. A.R.A., archief Nass. Dom, inv. nr. 6438 (aanwinsten), fol. 15.
49. H. Voorn, De oudste Hollandse papiermolens, in: de Papierwereld, jaargang XV, nr. 12.
50. R.A.G., Rechterlijk archief van Tiel en Zandwijk, inv. nr. 139, (laatste ongenummerde blz.).
51. R.A.G., Rechterlijk archief van Tiel en Zandwijk, nv. nr. 139, (laatste ongenummerde blz.).
52. A. P. Tutein Nolthenius, Schipmolens, in: Bijdr. en Meded. Gelre, deel LVII (1958).
53. R.A.G., Rechterlijk archief van Tiel en Zandwijk, inv. nr. 303, fol. 52.
54. O.A.A., inv. nr. 7, fol. 32.
55. R.A.G., archief Hof, inv. no. 1008.
56. R.A.G., archief Staten van het kwartier van Veluwe, voorl. inv. no. 345.
57. idem, voorl. inv. nr. 347, fol. 92.
58. idem, voorl. inv. nr. 330.
59. idem.
60. Oud archief gemeente Deventer, 1 Rep. nr. 19.
61. Gemeentearchief Amsterdam, not. archieven, inv. nr. 658.
62. A. Schulte.
Die altesten Papiermi‘ihlen der Rheinlande, Wiesbaden, 1955.
63. Gemeentearchief Amsterdam, not. archieven, inv. nr. 413, fol. 255~255v.
64. O. G. Heldring en R. H. Graadt Jonckers, De Veluwe, eene wandeling, Arnhem 1841, blz. 177.
65. A.R.A., archief Nass. Dom. fol. 892, nr. LXIX.
66. R.A.G., Rechterlijke archieven van het kwartier van Veluwe, inv. nr. 945, fol. 4.
67. A.R.A., cat. domeinveilingen, 18441848.
68. R.A.G., Rechterlijke archieven van het kwartier van Veluwe, inv. nr. 147.
69. R.A.G., archief hoge heerlijkheid Het Loo, inv. 44.
70. R.A.G., archief Staten van het kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150, fol. 4.
71. A.R.A., archief Nass. Dom., fol. 889, nr. XXXVIII.
72. ?RAq idem, aanwinsten 1e afd., 1953 VIII, stukken Hoog Soerensebos en Het Loo.
73. em.
74. A.R.A., cat. domeinveilingen, 1844/1848.
75. A.R.A., archief Nass. Dom., inv. nr. 6321, fol. 34.
76. R.A.G., archief Hof, verspreide processen, 1678 nr. 23.
77. R.A.G., archief Staten van het kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150, fol. 3.
78. A.R.A., archief Nass. Dom, fol. 889, nr. XXXIX.
79. R.A.G., archief Staten van het kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150.
80. A.R.A., archief Nass. Dom, inv. nr. 6103.
81. idem, in omslag fol. 889, nr. XXXIX.
82. R.A.G., archief Staten van het kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150.
83. R.A.G., rechterlijke archieven van het kwartier van Veluwe, inv. nr. 125.
84. R.A.G., archief Rekenkamer, inv. nr. 4196, fol. 136.
85. H. J. Voorn, De Papiermolens in de provincie Noord-Holland, blz. 90, 238, 240.
86. R.A.G., archief Hof, inv. nr. 1020.
87. R.A.G., archief Rekenkamer, inv. nr. 4201.
88. R.A.G., archief Hof civiele processen 1629 nr. 1.
89. Door Nicolaes Geelkercken; het origineel is in 1945 verloren gegaan.
90. R.A.G., verspr. proc. Hof, nr. 125— 1703.
91. A.R.A., archief Nass. Dom, fol. 888, nr. 22.
92. R.A.G., archief Staten van het kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150.
93. W. Loenen, er bestaan 2 exemplaren1 één op het Kon. Huisarcbief en één op paleis Het Loo. De kaarten verschillen op onderdelen iets van elkaar.
94. R.A.G., archief Staten van het kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150, fol. 4.
95. idem.
96. idem, fol. 66.
97. R.A.G., civ. proc. Hof, 1629, nr. 1.
98. Rijksarchief Utrecht, Liber Pilosus, fol. 27.
99. R.A.G., civ. proc. Hof, 1700, nr. 6.
100. R.A.G., archief Staten kwartier van VeluWe, voorl. inv. nr. 196, fol. 50.
101. R.A.G., archief Hof, inv. nr. 1013.
102. R.A.G., charterverzameling, nr. 2772.
103. R.A.G., civ. proc. Hof, 1617, nr. 25.
104. idem, 1700 nr. 6.
105. R.A.G., archief Hof, inv. nr. 2850.
106. R.A.G., archief Staten kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150.
107. R.A.G., archief,inv. nr. 1016.
108. R.A.G., archief Rekenkamer, inv. nr. 4195.
109. Gemeentearchief Arnhem, archief Burgerweeshuis, register op het merckenboek en andere charters van het Ucheler Bosch en Merckt.
110. R.A.G., archief Hof, inv. m‘. 1224, fol. 245.
111. O.A.A., inv. nr. 5930.
112. R.A.G., archief Staten kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150.
113. R.A.G., civ. proc. Hof, 1625 nr. 28.
114. Archieven gasthuizen, inv. nr. 1, fol. 17v— 18.
115. R.A.G., charterverzameling nr. 2143.
116. A.R.A., archief Genie, situatiekaarten V 10.
117. R.A.G., archief Terhorst, inv. nr. 41, fol. 17.
118. idem, inv. nr. 144.
119. idem, inv. nr. 43, fol. 31.
120. idem, inv. nr. 53, fol. 16.
121. R.A.G., archief Staten kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150.
122. R.A.G., civ. proc. Hof, 1663, nr. 4.
123. R.A.G., archief Terhorst, inv. nr. 144.
124. idem, inv. nr. 53.
125. R.A.G., archief Staten kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150, fol. 13.
126. R.A.G., archief Terhorst, inv. nr. 70.
127. R.A.G., algemene kaartenverzameling, nr. 206.
128. R.A.G., archief Staten van het kwartier van Veluwe, voorl. inv. nr. 150.
129. idem, inv. nr. 150, fol. 1.
130. R.A.G., archief Terhorst, inv. nr. 528.
131. Vooral B. W. de Vries in zijn boek: "De Nederlandse papiemijverheid in de negentiende eeuw”, ’s-Gravenhage 1957, maakt zich hieraan schuldig. Zie ook J. A. Coldewey, De papiermakerij op de Veluwe: hoofdof bijzaak? in: Bijdr. en Meded. Gelre LXI (1964), blz. 225 e.v.
132. O.A.A., inv. nr. 4880.
133. R.A.G., civ. proc. Hof, 1617 nr. 25.
134. Sloets Tijdschrift voor Staatshuishoudkunde en Statistiek X, 1854, blz. 151.
135. A.R.A., archief Staten Generaal, inv. nr. 52, fol. 502.
136. R.A.G., civ. proc. Hof, 1632 nr. 58.
137. idem, 1643 nr. 106.
138. R.A.G., archief Hof, inv. nr. 323, fol. 395. 139. A.R.A., archief Nass. Dom, in omslag fol. 892, nr. LXIX.
140. idem.
141. Gemeentearchief Amsterdam, rechterlijke archief, reg. 288, fol. 160.
142. Wandelingen door de Fabriek van de Heeren L. I. Enthoven en Comp. te ’s-Gravenhage, in: Boek der Uitvindingen, Ambachten en Fabrieken, Leiden, A. W. Sythoff, 1866.
143. H. K. Roessingh, Beroep en bedrijf op de Veluwe in het midden van de achttiende eeuw, in: A. A. G. Bijdragen 13, Wageningen 1965, blz. 207.

Errata

Blz. 4, regel 9 : lees "faulte” inplaats van "faute”
Blz. 5, regel 19: lees "worden” inplaats van "werden”
Blz. 30, regel 1 : lees "Het Loo” inplaats van "het loo”
Blz. 58, regel 35: lees "overdracht” inplaats van "ovedracht”
Blz. 59, regel 9 : lees "Negen jaar later” inplaats van "zeven jaar later”
Blz. 81, regel 34: lees Willem III” inplaats van "Willen Ill”
Blz. 81, regel 34 : lees "pachters” inplaats van "pachter”
Blz. 83, regels 27, 28 .‘ lees "de wed. Matthijs Kuijt” inplaats van "de wed. Matthijs Kruijt”
Blz. 97, regel 33: lees "Lambert” inplaats van "Lombert”
Blz. 105, regel 39: lees "enige” inplaats van "enigste”
Blz. 105, regel 45: lees "aanstaande schoonvader” inplaats van "toekomende schoonvader” Blz. 110, regel 17: lees "Geurt” inplaats van "Gerrit”
Blz. 110, laatste regel : na "Meyerink, weduwnaar, dn'e kinderen, 1 knecht,1meid” te lezen "Jan Sevenhuizen, gehuwd met Aalte Teunis, 1 meid”
Blz. 111, regel 35: lees "ander” inplaats van "andere”
Blz. 116, regel 26: lees "na 13 juni 1733” inplaats van "véér 13 juni 1733”
Blz. I35, regel 21: lees "Op de Veluwe” inplaats van "on de Veluwe”
Blz. 138, regel 37: lees "oorspronkelijk” inplaats van "oospronkelijk”
Blz. 144, regels 4/5 : lees "evenmin als de kleine Windemolen” inplaats van "evenmin als kleine de Windemolen”
Blz. 145, regel 23: lees "Hamermolentje” inplaats van "Hamertje”
Blz. 151, regel 32: lees "twaalf” inplaats van "twaallf”
Blz. 156, regel 49: lees "pachters” inplaats van "eigenaars”
Blz. 161, regel 35: lees "kairnmoelen” inplaats van "kairmoelen”
Blz. 164, regels 5/6‘ : hier te lezen: "Het zijn Hunekampsmolen (1), Slatsmolen (2 of 3), Bovenste Molen (2), Strobroeksmolen (1), Middelste Molen (2) en Achterste Molen (2)
Blz. 166, regel 1 : lees "afrekening” inplaats van "lening”
Blz. 167, regel 7: lees "de export” inplaats van "export” ,
Blz. 171, regel 42: lees "twintich” inplaats van "twintick”
Blz. 181, regel 11 : lees "papierfabrikanten” inplaats van "papierfabriekanten”
Blz. 207, regel 3: lees "toebehoorden” inplaats van "toebehoren”
Blz. 255, regel 44 : lees "Zwitserse kaas (z.g. stinkkaasjes) inplaats van "Zwitserse kaas” (z.g. sinkkaasjes)
Kaart I: "Lever en Long” moet staan onder "Badhuisbeek”.





Kaart I :  Ligging der watermolens en sprengen





UITGAVE VAN HISTORISCH MUSEUM MOERMAN APELDOORN

DRUK: KONINKLIJKE DRUKKERIJ EN UITGEVERIJ APELDOORN.