21 - 09 - 2019
IJsvogel Oktober 2018 (Nel Appelmelk)
Artikelindex
Bezoekers teller vanaf de 16de december 2018
VandaagVandaag46
GisterenGisteren47
Deze weekDeze week281
Deze maandDeze maand1003
Alle dagenAlle dagen12627
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Paragraaf index


Bijna alle Veluwse beken werk van mensen

Voordat we ons nu met de bovenslagsraderen gaan bezighouden is het noodzakelijk ons eerst te bepalen bij het ontstaan der Veluwse sprengenbeken. De weinige natuurlijke waterlopen op de Veluwe kon men, behoudens een enkele uitzondering, geen ideale molenbeken noemen. Ze waren in hoge mate afhankelijk van de weersomstandigheden; in neerslagrijke perioden was de watertoevoer vaak te overvloedig, terwijl deze beken gedurende droge zomers dikwijls niet voldoende water leverden voor het doen draaien der raderen. Geen wonder dat reeds in oude tijden de molenstichters getracht hebben zich van een meer regelmatige watervoorziening te verzekeren. Door het graven van sprengen en het leggen van nieuwe beken vonden zij een voor dit probleem afdoende oplossing.

We willen bij het ontstaan van deze waterwerken een ogenblik stilstaan. Zoals iedere deskundige weet is een spreng net zo min een natuurlijke bron als een waterput. Werkelijk echte bronnen komen op de Veluwe maar heel weinig voor. Het overgrote deel van de bevolking van ons land is geheel onbekend met het feit, dat bijna alle Veluwse beken door toedoen van de mens tot stand zijn gekomen. Reeds herhaaldelijk hebben we er op gewezen, dat er hier wel enkele oorspronkelijke waterlopen zijn geweest, maar de vroeger vaak zo schilderachtige beken met hun vele sprengen, zoals wij die kennen in het Orderbos en Willemsbos, Ugchelen, Wiessel en overal elders op de Veluwe, zijn geheel het werk van mensen en gegraven om de waterkracht te leveren voor de talloze watermolens - vooral papiermolens - die hier in de voorafgaande eeuwen zijn gesticht. In de 14de tot de 16de eeuw ook voor de voeding van stads- en kasteelgrachten. De bekende Loenense spreng met haar foeilelijke gemetselde grote waterval van 5,80 m is eveneens een opzettelijk gegraven beek, die het kanaal Apeldoorn-Dieren van water moet voorzien. Dit is eveneens het geval met de Oosterhuizerspreng ten noorden van de kalkzandsteenfabriek „Alba”.

De bekende, in 1965 overleden, archeoloog en historicus J. D. Moerman, die ook op het gebied der Veluwse beken, sprengen en molens wel bij uitstek deskundig was, heeft ons aan de hand van een tweetal prachtige studies uitvoerig ingelicht over het ontstaan van deze waterlopen en het stichten van molens (J. D. Moerman: Beken, sprengen en watermolens van de Veluwe en Veluwsche beken en daling van het grondwaterpeil). Hierin vertelt hij hoe geweldig veel grondwerk, vooral door de papiermakers, op de Veluwe is verricht. Een schatting van de lengte der diepe sprengensleuven, gegraven beken en opgeworpen beekdijken zou ons brengen tot een ongelooflijk aantal kilometers. „Ook de Veluwe heeft”, zo schrijft Moerman verder. „evengoed als het polder- en riviergebied zijn waterbouwkundige werken. die als zodanig nauwelijks bekend zijn”.

We willen thans in het kort nagaan hoe deze waterlopen tot stand kwamen en welke moeilijkheden door de molenstichters moesten worden overwonnen voordat de raderen van hun molens konden gaan draaien. Deze mensen, die een uitstekende kijk hadden op de mogelijkheden, die het Veluwse land met zijn vele hoogteverschillen hun bood, benutten de omstandigheid, dat aan de rand der hogere gronden door het maken van meer of minder diepe ingravingen (de meeste hebben een diepte van 2 à 4 m: sommigen liggen 7 m beneden het maaiveld) het grondwater kon worden bereikt, dat regelmatig en doorlopend afvloeit uit de bijna onuitputtelijke watervoorraad, die in de nabij gelegen heuvels steeds aanwezig is. Wanneer we in het terrein deze gegraven sprengenstelsels nagaan valt het ons op hoe ingewikkeld die vaak zijn en hoeveel arbeid en overleg het aanleggen der sprengenkoppen, sprengen en beken moeten hebben gekost.

Het is volkomen onjuist in verband met deze graafwerken te spreken van „bronnen”, die „ontspringen” aan de voet der heuvels en waaruit het water „opwelt”, dat vervolgens in zijn loop een „beekbedding heeft uitgeslepen”, waarop dan molens gelegd konden worden.