21 - 09 - 2019
IJsvogel Oktober 2018 (Nel Appelmelk)
Artikelindex
Bezoekers teller vanaf de 16de december 2018
VandaagVandaag48
GisterenGisteren47
Deze weekDeze week283
Deze maandDeze maand1005
Alle dagenAlle dagen12629
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Paragraaf index


Personen rondom eerste Apeldoornse papiermolen

Thans willen we wat uitvoeriger ingaan op de levensloop van enkele mensen, die in de historie van de vroegste papiermolen te Apeldoorn een rol hebben gespeeld. Vanzelf komt dan de molenstichter Johan Steenbergen de Jonge aan de beurt.

Johan Steenbergen de Jonge (Jonge Jan Steenberch, jonge Mr. Jan Steenberg, ]an Stiberch enz.) werd omstreeks 1550 geboren als zoon van Johan Steenbergen de Oude en diens echtgenote Elizabeth. Het geslacht Steenbergen ontleent zijn naam aan de boerderij Steenbergen in Zuidwolde, provincie Drenthe. Dit blijkt uit een boedelscheiding van 14 oktober 1626, waarbij de zeven zoons van Herman Steenbergen - een broer van Johan Steenbergen de Jonge - de bezittingen van hun vader verdelen. Ongedeeld blijft 1/10 part in het huis van Steenbergen, liggende „tot Zuidwolden in ’t landt van Drenten”. Nu nog komen in Zuidwolde Steenbergens voor.

In 1570 wordt het eerst gesproken over Johan Steenbergen de Jonge; drie jaar later komt hij voor in verband met een doodslag in een herberg te Vaassen, waarop we hier niet nader zullen ingaan. Het jaar daarop (1574) verschijnt hij namens zijn vader op een vergadering van de mark „het Niersense bos” en tekent „Ich jonge Jan Stiberch van wegen mijns vaeders”.

Op 24 juni 1593 sticht hij de eerste papiermolen in Apeldoorn. Omstreeks 1600 zit Steenbergen krap in zijn geld, want op 10 december 1599 vraagt hij tot Kerstmis uitstel van betaling voor een bedrag van 105 gulden, verschuldigd aan Johan Velthoen te Zutphen. De schuld wordt echter niet op de overeengekomen tijd betaald, want op 28 maart en 11 april 1600 stuurt het Hof de bode Frans van Wiert met brieven over deze zaak naar Johan Steenbergen de jonge, „cooperslager” te Vaassen. Dit gebeurt op verzoek van genoemde Velthoen, die er intussen een rechtskwestie van heeft gemaakt.

Omstreeks dezelfde tijd heeft Steenbergen, zoals we in het voorgaande al zagen, zijn papiermolen te Apeldoorn verpacht aan Hans Alleman, die op eigen houtje deze pacht overdoet aan Peter van Bossenhoven te Dordrecht. Hierover ontstaat dan de ons reeds bekende kwestie, die eindigt met de overdracht van de pacht (en de verkoop van de molen?) aan Peter van Bossenhoven en Johan Evertsz. Cloppenburch.

Johan Steenbergen de Jonge was gehuwd met Swaene van Hierden. Uit dit huwelijk is de zoon Jan geboren, die op 28 december 1643 getuigt, dat zijn vader destijds de papiermolen op de Grift te Apeldoorn heeft getimmerd. Over Johan Steenbergen de Jonge vernemen we nog op 11 september 1620: als zeventigjarige legt hij dan een verklaring af in een proces over het vissen in de Grift tussen Wenum en de Griftse kopermolen. Tot zover Johan Steenbergen.

Na hem komt Hans Alleman de aandacht vragen. Dat is nog eens een man om iets mee te beleven! Want deze Hans blijkt geen gemakkelijk heer te zijn geweest; voortdurend verkeert hij in onmin met zijn medemensen. Aan deze merkwaardige man alleen al zou men een uitgebreid artikel kunnen wijden. Het eerst duikt zijn naam op in 1584 43) wanneer zijn zoon Hansken als getuige optreedt bij een ruzie te Arnhem tussen Johan Claessen met twee dronken Cleefse soldaten. Twee jaar later (1586), wordt Hans Alleman door de Arnhemse magistraat benoemd tot stadswisselaar. Omstreeks 1590 43) valt Alleman in handen der Spanjaarden en lijdt daardoor „verderfflicken schade”. Ter vergoeding van dit verlies keert de ontvanger Johan van Dans een bedrag van 56 pond en 10 stuivers uit aan Jenneken, de huisvrouw van Hans Alleman. Deze som wordt in mindering gebracht van de resterende schatpenningen van de scholtis te Apeldoorn.

In een schrijven 44) van de schipper Corst Claessen, gedateerd 11 april 1594, aan het gericht te Arnhem lezen we dat Hans Alleman binnen Dordrecht met genoemde schipper was overeengekomen om een grote partij „snipperinge van allerhande oudt pampier ende vodden van Lynnen en Wullen” vandaar naar Arnhem te brengen. Over de betaling van de pacht- en tolgelden ontstaat tussen Hans Alleman en de schipper onenigheid. Het zeer interessante stuk kunnen we helaas niet uitvoerig weergeven: merkwaardig is de vermelding van de „snipperinge en de vodden”. Hieruit kan men opmaken, dat Alleman toen ook al iets met de papiermakerij uitstaande heeft gehad. In het gezin Alleman is alles ook geen koek en ei, want op 14 juli 1594 45) moet zijn huisvrouw verschijnen voor de magistraat van Arnhem, die haar vermaant „in meerder enicheydt und vrundschap” met haar man te leven. De heren besluiten op verzoek der vrouw ook Hans Alleman bij zich te roepen teneinde hem eveneens te „vermaenen”. Twee dagen later staat Hans zelf voor de vroede vaderen, die hem op het hart drukken zich beter met zijn huisvrouw te verstaan en met haar in vriendschap en eendracht om te gaan „gelijck vrome echteluden betaembt”. Een jaar tevoren had hij ook al een kwestie gehad met zijn schoonzoon, terwijl hij in dezelfde tijd wegens de verkoop van een huis overhoop lag met een zekere Johan Potouw. Omstreeks 1600 vinden we Hans Alleman op de papiermolen te Apeldoorn waar hij onenigheid heeft met Johan Evertsz.

Toch was Hans Alleman een ondernemend man, want kort na zijn vertrek uit Apeldoorn, verlenen de Staten van Holland en Westfriesland hem octrooi voor het stichten van een papiermolen te Overveen bij Haarlem, die zonder wind en water kon werken (6 december 1602). In zijn aanvrage verklaart Alleman, dat hij „die scientie ende wetenschap hadde om te maecken witte ende blauw pampieren. midtsgaders ovck die molens ende instrumenten daertoe dienende”. Dit wil nogal wat zeggen! De bouw van deze molen heeft echter niet plaats gevonden.

We verlaten Hans Alleman en komen terecht bij Peter vam Bossenboven jr. Deze werd te Maaseik (België) geboren als zoon van de muntmeester Peter van Bossenhoven en Adriana van Stockbroeck. De zoon vestigde zich in Dordrecht, verwierf het burgerschap dezer stad en trad in het huwelijk met Maria Stevens (1574). In 1602 wordt zijn naam genoemd in verband met een geschil over de molen te Apeldoorn. Op 18 juli van dat jaar verklaart Peter van Bossenhoven‚ burger van Dordrecht, aan gedeputeerden van Veluwe, dat hij van Hans Alleman in pacht overgenomen heeft zekere molen in Apeldoorn, waarvan Johan Steenbergen de stichter en eigenlijke pachter is. Van Bossenhove krijgt op 27 juli 1602 vijf weken tijd om de nodige bewijsstukken inzake zijn recht op de molen uit Dordrecht te halen. We hebben reeds gezien, dat korte tijd daarna (15 september 1602.) Johan Steenbergen de pacht van zijn Apeldoornse papiermolen overdoet aan Peter van Bossenhoven en Johan Evertsz. Cloppenburch, boekverkoper te Deventer. Dan verdwijnt Van Bossenhoven uit de verdere geschiedenis van de molen.

Johan (Jan) Evertsz. Cloppenburch, de volgende persoon in de molenhistorie werd op 16 februari 1593 burger van Deventer. Hij volgde daar Symon van Steenbergen op als stadsdrukker (7 januari 1597) en was gehuwd met Floerken Wijllems. Cloppenburch is de eerste drukker te Deventer geweest, die officieel de titel „Ordinaris Stadsdrucker” mocht voeren. Hij zette onder hetzelfde uithangbord van Van Steenbergen, „de Gulden Bijbel”, het boekdrukkersbedrijf voort; waaronder ook de uitgave der bekende Deventer Almanak. In 1602 neemt hij samen met Van Bossenhoven de pacht over van de eerste papiermolen in Apeldoorn. Reeds in 1605 overleed Cloppenburch; zijn boekdrukkersbedrijf werd overgenomen door Baptist van Doetinchem.

Over de personen, die in de verdere geschiedenis van de Apeldoornse molen een rol hebben gespeeld, is in de loop van ons verhaal reeds het nodige vermeld. Alleen nog een enkel woord over de laatste eigenaar ]an Hendrik Ameshoff. Deze was niet alleen een man, die zijn bedrijf tot een modelinrichting maakte; hij was ook iemand, die op geheel ander terrein zijn tijd ver vooruit was.

Want Ameshoff bezat een grote belangstelling voor de prehistorie en trachtte steeds te verhoeden, dat oudheidkundige vondsten verloren zouden gaan. Aan zijn arbeid op dit gebied hebben we het te danken, dat veel van het in Apeldoorn gevondene bewaard is gebleven en een plaats heeft gekregen in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden.