Dagboek van Hendrik Weltje.

Beginnende van zijn 5e levensjaar 1880.
In
de volgende plaatsen heeft hij gewoond :
Hof van Delft Paxlaan 33
Delft B
wattersloot
plateelstraat
Vrijenban Rott weg
Rotterdam
Grojestraat
Overschie Koudehoek
Delft Aan boord wonen
Alphen a/d/Rijn
Oranjestraat
Lommel Belgie Blekerheide 10
Gouda L nootgodsteeg
17
Lommel Belgie in de putte
Ik was een jongen van 5 jaar toen ik vanuit
het huis ??k No 39 in de Paxlaan onder de gemeente Hof van Delft waar ik ook
geboren ben, naar school ging in de Trompet straat te Delft bij den eerwaarde
heer Mr Sminke.
Daar heb ik redelijk voor die tijd geleerd, niet alleen
lager onderwijs maar deze Godzalige meester leerde ons ook de dingen die het
Koninkrijk Gods aangaat.
Nu ik was een ondeugende jongen maar toch had ik, al
was ik nog zo jong toch indrukken hetgeen de meester uit de heilige schrift
vertelden.
Ons school werd wel eens bezocht door vreemde heren, zo gebeurde
het eens dat wij een bezoek kregen van een zuid Afrikaans gezelschap, met namen
Paul Kruger, Dutoor en Smit.
De heren ondervroegen ons, en toen ze weg
gingen zeiden ze :’dag kinderen’, maar inplaats dat ik fatsoenlijk groette zijde
ik :"gaat je wel".
Nu dat is nu wel geen belediging maar de Mr nam het toch
zo op, en ik moest voor mijn straf 3 maanden in het kleine school, of zo lang
als ik excuus vroeg voor de belediging mijn mr en de heren aangedaan.
Nu was
ik mij bewust dat ik geen mens kwaad gedaan had, dus er kwam van het excuus
vragen van mijn hand niets.
In die tijd leerde ik ook niets doordat ik in de
hoogste klas zat.
Dat kwam mijn moeder te weten en die ging naar de meester
en vroeg voor mij vergeving, dat is een bewijs dat mijn moeder veel van mij
hield.
De tijd raakte ten eind dat ik mijn laatste examen zou doen om de
school te verlaten en dat doorstond ik tot eer van mijn onderwijzers.
Nu zou
ik schipper worden dus kwam ik op de Westlandsen bok van mijn vader als
kajuitsjongen, maar moest meteen leren werken met schop, riek, schep emmer en
splitsen van knopen leren.
Na twee jaren was ik zo gevorderd in mijn leer dat
ik mijn vader aansprak dat hij wel thuis kon blijven, dat ik het nu wel alleen
met een knechtje kon doen, maar zeide mijn vader, wij zullen het eens proberen.
Toen heb ik 1 jaar gevaren met Piet Broos (wij waren 29 jaar met ons beiden)
maar het verdroten mij dat wij nooit met ons scheepje buiten op stroom
kwamen.
Ik zeide tegen mijn vader dat ik een buiten schipper op zou zoeken.
En met goedvinden van mijn vader beurde het.
Mijn schipper kwam van
Alblasserdam en leidde met zijn schip bevroren in het Malegat vlak voor het
strooje dorp.
Nu gebeurde het dat wij in het schip zaten te praten dat een
van onze medeknechten zijde : daar is brand. En al de schippersjongens liepen
van boord af en braken het brandspuithuis open met een boegspriet aan de
Rotterdamse poort, en gaven het eerst water daar wij ook premie ontvangen hebben
door de brandmeester Heemskerk die op de Buitenwatersloot woont.
Mijn vader
had mij toch liever thuis dus kwam ik weer in zijn werkzaamheden en heb toen de
eerste tijd met mijn vriend Piet Broos gevaren.
Toen ik af en toe met hem
naar zijn moeder ging leerde ik een van zijn zusters kennen, hoewel ik toen pas
14,5 jaar geweest was, en vatten daar zo een genegenheid voor op dat ik buiten
haar niet meer gelukkig leven kon.
Ik sprak daar eerst met mijn stuurman Piet
over en later met haar moeder en die keurde het goed als wij samen
gingen.
Maar ik was nog zo jong dat ik wachten moest tot ik 16 jaar
gepasseerd was.
En dat beurde den 17 october en toen vroeg ik de 2 febr. Mijn
uitverkoren meisje Cornelia Broos en zeide tegen mijn aanstaande zwager Piet hoe
of ik het best in de gelegenheid zou komen haar te vragen.
Mijn liefste had
een vriendin en heette Mijntje Laarman woonde aan de Delftgousche weg.
En
toen moest zij haar vriendin s’avonds naar huis brengen en nam ik de gelegenheid
waar haar te vragen om zamen met haar te verkeren en later met haar in het
huwelijk te treden.
Zoo hebben wij 4 jaar verkeert en veel plezier en veel
verdriet gehad.
Niet met elkander maar door onze familie.
De tijd brak
aan dat ik voor eigen rekening zou gaan varen en huurde de schuit van mijn vader
voor drie gulden in de week.
Toen heb ik gehuurd van mijn 20 tot mijn 22
levensjaar.
Ben getrouwd op mijn 20 jaar en 7 maanden, heb met mijn 22 jaar
de oude schuit gekocht van mijn vader voor f 300,- gulden om hem met de huur te
betalen en heb hem aanbetaald 18 oktober 1903.
Wij hebben veel
wederwaardigheden in dit tijdperk van ons huwelijk gehad.
Het eerste kind dat
geboren werd was geregeld ziek, het mankeerde aan de ingewanden dat het nacht en
dag schreeuwde.
Toendertijd vaarde mijn vrouw mee, zo gebeurde het eens dat
wij uit den Zaan kwamen met een lading hout, dat ons kind zo erg ziek was dat
wij aan een dokter vroegen aan de Leidschendam hoe het met het kind ging.
Ons
kind knapte aanvankelijk voor een ogenblik op, maar toen wij in Schiedam waren
heb ik mijn vrouw met het kind naar huis gebracht.
Wij deden ons best om
vaarwerk te krijgen dat er niets te verdienen was.
Ik had geld betaald voor
mijn schuit en hield iets over en ging naar Rotterdam om graanvracht uit.
Ik
deed wel af en toe een reis, maar ging toch hard achteruit, zo dat ik in
Februari van balorigheid met lege schuit naar huis vaarden, nog 8 centen rijk
zijnde (toen bleef mijn vrouw al thuis)
Mijn vrouw zijde ik heb ook niets
meer, maar de Here weet het.
Houd maar moed , Hij zal wel uitkomst geven op
Zijn tijd.
En wat gebeurd er, daar komt de vrouw van Arie van der Gaag en
zegt : Weltje, wij zitten zo dik in ons spek, wil je een stuk hebben. Nu kan je
begrijpen, dat viel op een gloeiende plaat.
Die vrouw was de deur uit, en
daar komt een slager aan kloppen en zegt : als het uw belieft, en gaf 4 pond
vlees over, zijde dat hij het hier moest brengen en dat het al betaald was
ook.
Naderhand heb ik begrepen dat het van mijn broeder C.M.Weltje kwam. Toen
zeiden wij tegen elkander : ziet uw nou wel? De Here zorg boven bidden en
denken. Wij kunnen niet genoeg dankbaar zijn.
Nu wij smolten er onder weg in
aanbidding en waren bewogen.
Wij hadden nu voor 8 cent melk gehaald en wij
hadden spek en vlees, nu moest ik ook wat koffie, thee, suiker en aardappelen
hebben.
Toen ging ik naar mijn vader en zijde hem de toestand ik van veel
tegenstand en hij zijde heb je nu geen geld meer waar laat gij het, maar ik
leende toch 5 gulden.
Toen ben ik een vracht ruige mest gaan laden in Delfs
haven voor 45 gulden, maar wij hadden geen reisgeld voor onkosten en eten ( ik
had het geld geleend van mijn vader) heb ik die vracht mest niet betaald maar
van lieverlede aan mijn vader.
Wij gingen met de schuit Delfshaven buiten
vaarden langs Rotterdam de Hollandse IJsel door naar Gouda en daar vandaan naar
Boskoop om de lading mest te verkopen.
Wij probeerden alles maar vonden geen
koopman.
Toen liet ik hem inklinken, maar ook nog geen koopman.
Ik
telegrafeerde aan mijn vader dat ik hem niet verkopen kon, en kreeg een telegram
terug : vaar naar Warmond. Nu dat is geen kleinigheid, maar ik deed mijns vaders
zin, zo vaarden wij weg.
Toen wij te Warmond aan kwamen ging ik op de nagosch
maar vond ook daar geen koopman.
Ik ging met de boot mee naar Noorwijk. Piet
Gijzen. Noorwijkerhout. Noorwijk aan zee en Voorhout om deze vracht mest te
verkopen terwijl mijn schuit te Warmond leide. Ik dacht , wij moeten met de
schuit maar naar Noorwijk varen en dan maar verkopen voor dik of dun.
Wij
kwamen te Noorwijk aan ging naar enkele bloem en aardappelkwekers en vond een
koopman te Noorwijk daar ik hem losten voor 70 gulden (ik had toen niet meer de
oude bok van mijn vader maar een beste mooie Weslander van 34 ton).
Nu, ik
had er 14 werkdagen er over gedaan dus was de verdienste niets, want met zo een
schuit van die grootte, als gij alle dag er met in de weer zijt moet ge 6 gulden
rougeld per dag ontvangen dus had ik nog verlies.
Wij kwamen dus arm in
Delft.
Ik ben toen mest gaan varen geregeld op avontuur tot mei, maar vond
schrale verdienste.
Het was of Hemel en aarde tegen ons huishouden was. Maar
dat was zo niet.
Wij leerden uit de benauwdheid roepen tot God, wij waren
hem dankbaar door genade dat Hij ons nog verwaardigde als zijn kinderen te
erkennen.
Door de vele kastijdingen die de Heere ons toebracht.
De tijd
naderde dat wij onze schuit af moesten lossen, dat bedroeg 200 gulden elk jaar.
Maar wij hadden niet voldoende verdiend dat ik alrede verhaalt heb, en dacht
als ik nu maar 150 gulden had zou ik trachten in de peen-handel is vooruit te
komen.
Het geld ging er aan en ik ging hard achteruit aangaande mijn
maatschappelijk werk, maar de Here leerde ons bidden dat wij niet in opstand
leefden hoewel de duivel zat te loeren.
In die tijd van tegenspoed werden ons
9 kinderen geboren, dus uwe kun begrijpen dat wij er ellendig aan toe
waren.
Onze kinderen werden geboren :
Neeltje 26 Februari 1897, en
overleden 29 juli 1897, dus was zij 5 M en 3 dagen.
Toen kreeg mijn vrouw
Jacoba 10 April 1898 en Hendrik 5 Februari 1900 en Huibert 14 April 1901 en
Neeltje 16 November 1902 en Gerardus 1 December 1903 en Cornelis Mathijs 7 Juni
1905 en Dirk 23 Oktober 1906 en toen Pieter 11 Maart 1908.
Dus hadden wij een
huishouden van 6 jongens en 2 meisjes. Nu hopen wij dat deze kinderen door de
Here geleerd zullen worden , dan zullen het goede kinderen voor hun ouders
zijn.
Ze zijn op het ogenblik erg ondeugend, maar dat zijn de gevolgen van
onze zonden.
Wij woonden het laatst in de Plateelstraat en op de
watersloot.
Maar door een kwestie die mijn vader met zijn twee vrouwen had
kwam zij bij ons inwonen tot nadere verzoening (maar daar is niets van
gekomen).
Zo hebben wij samen geleefd totdat zij in een winkel ging in
genoemde straat, maar zij kon daar geen brood verdienen zodat wij door
omstandigheden in dit winkeltje kwamen waar wij veel geld in verspeeld
hebben.
Want onze gemeente leden van de Ch Ger Gemeente gunde ons geen ene
boodschap en het overige van deze straat was van de rode kant dus moesten wij
van daar.
Onze 2 moeder werd ziek en moest naar Betel waar zij 2 maanden in
gelegen heb.
Toen heb ik het verpleeggeld betaald en zij vond het zo
hartelijk en lief dat zij Notaris Bron bij zich liet komen met twee getuigen en
zij maakte het testament dat als zij kwam te sterven alles van mij was.
En
zij is na verloop van tijd de Rust ingegaan, maar het is mij onbekend hoe of zij
gestorven is. Zij ging wel naar de kerk bij ons en hoorde wel graag uit de
Heilige schrift spreken.
Maar bij de Here is het bekend waar zij aangeland
is.
Toen kwam mijn vader op de begrafenis naar Bethel toe en de verdere
familie van haar.
En na de begrafenis lieten wij de rijtuigen naar mijn huis
rijden waar de Notaris het testament opende en wij erfgenaam werden van haar
nalatenschap.
Toen zijde mijn vader dat is slecht, zij is mijn wettige vrouw
dus ook ik haar wettige erfgenaaam.
En dat doet nu mijn eigen zoon die nogal
groots wil wezen in de Godsdienst.
Nu, ik reken de 2 gulden kostgeld in de
week en 50 cent huishuur, en twee maanden verpleeggeld en toen schoot er voor
mijn vader 75 gulden over en een eikenhouten kast.
En ik zeide tot hem : dit
doet nu uw fijnen zoon.
Wij zijn toen tenslot na verloop van een jaar daar
nog blijven wonen, en daar werd een buurman, een broeder in de Here, ernstig
ziek, daar ontving ik veel vermaningen van en veel lering.
De Here haalde
deze broeder met een gezicht dat van vreugde straalde, juichende weg om eeuwig
te juichen voor Zijn Zoon en het Lam.
Nu wierd ik geroepen om het lijk van
deze man met een mede broeder af te leggen, en zo heb ik wel geen deel gehad aan
de begrafenis stoet, maar kwam toch in mijn werkkleren hem als kand? De laatste
eer te bewijzen.
Zijn weduwe had mij niet verzocht.
Toen heb ik nog met
veel zorg enkele maanden in dat huis gewoond en ben verhuist naar de
Rotterdamsche weg W3 No47, gemeente Vrijenban.
Toen wij daar kwamen was ik zo
arm aan geld dat ik met zorg de winter tegemoed zag.
Ik moest mijn schip
aflossen en had het niet.
Wij moesten schuld maken bij de huisbaas, schuld
bij de slager en het ging zo slecht met de scheepvaart.
En toch moest ik
omdat ik nu hier woonde 2 biggen met veel moeite kocht ik die bij een boer voor
15 gulden en God wou ons in dit zien dat Hij ook het kleine zegenen wil.
Wij
hadden gedacht het ene als het vet was te verkopen en het andere voor ons te
laten slachten maar door de schraal verdienste kon dat niet en moest mijn
crediteur allebei de varkens nemen voor 23,5 cent het pond.
Zij wogen de een
123 kg de andere 112 kg.
Zo moesten in Gods hand de varkens dienen om mij in
het bezit van mijn scheepje te houden. Wij hoopten door al deze omstandigheden
een plezierig leven met elkander.
Dat was nog een groot voorrecht dat alleen
die ondervinden die de Here daarvoor verwaardigt. Wij hebben nu weer twee biggen
die mij de prijs kosten van 2 gulden de twee en wij hebben nu 10 kippen en een
haan en zijn tot nu toe schuld aan het aflossen dat ons zeer aangenaam
is.
Wij hopen dat wij er eens door komen zullen.
Ik vaar met mijn schuit
nu particulier te Rotterdam, en hoop dat God mijn pogingen zegene zal voor mijn
gezin en voor mijzelf.
Wij deden ons best om werk te bekomen maar dat ging
niet vlot.
Eindelijk deed ik een vracht kolen op bestemd voor Dordrecht en
toen ik aan de schuit kwam kon ik ook haring naar Scheveningen geladen hebben.
Wij laden de steenkolen in het boerengat en vaarden naar de plaats van
bestemming. Het lossen ging vlugger dan het laden want wij waren in 6 uur tijd
leeg.
Het is nu 9 november 1908 en het staat er erg vriezend voor de schuit
ligt nu in Rotterdam en ik hoop met het ?? weer naar mijn schuit te gaan, want
het was zaterdagavond.
Het is nu maandag en wij gingen weer op Rotterdam aan
naar de schuit die in de wijnhaven lijde.
Toen het dinsdag was nam ik 15
last mais aan naar Den Haag en Loosduinen en het duurde 6 dagen eer ik de last
had, terwijl ik alvast op huis aan vaarde lijde er een briefkaart van de heer
Speelman of ik direct peen kwam laden.
Dus wij vaarden van Loosduinen naar
Sassenheim om aan die reis wortelen te beginnen.
Ik hoop dat ik met dit werk
veel zegen en voordeel mag hebben want het is bij de Here bekend dat ik veel
lijd onder de schulden die ik af moet lossen.
Het is nu 22 november 1908,
dus zondag was het 20 november 1908 dat wij 12,5 jaar in de echt zijn
verbonden.
Volgende tekst staat doorgestreept maar is na wat gegum nog wel
leesbaar.
(en heb besloten nooit geen druppel jenever en bier dat
vergiftigt is van de alcohol te drinken omdat God ...oogen gegeven heb om de
zaligheid en de zonde die er in het ????? van gelegen is Ik ben wel geen
dronkaard maar een dronkaard heb ook een tijd gehad dat hij ze zo erg niet
dronk, en toch een slaaf van de drank geworden.)
Mijn schip ligt nu in
Sassenheim en ben nu met het spoor zaterdag avond thuisgekomen om de zondag met
ons huishouden genoegelijk door te brengen.
Ik hoop zo de Here wil en ik
leef maandagmorgen met het spoor terug te gaan om verder wortelen te laden.
Het was dinsdag en hadden de lat peen in, en vertrokken naar Rotterdam.
Daar loste ik aan de markt en deed er 4 dagen over eer wij leeg waren.
Toen vaarde ik naar de wijnhaven waar ik tot mijn spijt 14 dagen lijde eer
wij een rijs gerst op deden te laden in de Maashaven en te lossen in Westzaan.
Wij hadden een goede wind en waren in 1.5 dag ginds.
Toen wij leeg waren
ging ik op vracht uit in de Zaan maar vond het niet.
Toen dacht ik wij
zallen naar Lisse varen om wat turf te laden naar huis, maar tot mijn spijt was
ook dat brodeke te duur.
Ja ik was daar eenmaal om weder leeg terug te
varen.
Dat deden wij niet en dus laden wij een lading zand.
Daar kwamen
wij zaterdagmiddag de 18 december 1908 mee thuis.
Nu hoop ik dat de Here
mijn pogingen met de arbeid zal zegen zoals hij mij aangaande mijn geestelijk
leven zegent.
Hoewel de meeste die God met zijn heil nabij zijn veel rampen
en tegenspoed op dit tranendal te wachte zijn.
Na verloop van 3 dagen
verkochten wij onze vracht zand aan G.v.d.Drift voor 19 gulden, maar nu viel het
kerstfeest erin en wij zouden maar thuisblijven.
Toen de kerstmis over was
zaten wij dik in de winter, dus hielden wij nieuwjaar thuis 1909.
Nu ben wij
al 14 daag thuis en een jaar achter ons rug waar er veel te weinig verdient is
dus zitten wij zonder geld.
Wij hebben op het ogenblik brood op schuld van
bakker t’veld die in de Plateelstraat woont te Delft en wij hebben nog 1,5 mud
aardappelen, de dikke darmen gehad van onze huisbaas van t’Woud.
De Here
zorgde al weer voor ons want net was het laatste vet opgegeten, wij hopen dat
God ons dit jaar naar onze arbeid zegen zal dat wij door al onze schuld
heenkomen, want er wordt al gedacht en gezegd zijn dat nu Gods vrezende mensen
ze laten je maar op je geld wachten.
En heus wij kunnen het niet helpen dat
is bekend bij Dien die de harten kent en de nieren proeft.
Wij hadden op
slot van rekening geen geld voor ons kind.
Het liep zo erg dat de baas wou
mij van mijn schip afzetten.
Maar God neigde zijn hart dat ik er weer op kon
blijven.
Nu hopen wij maar dat er werk genoeg is.
Dat hetgeen wij achter
zijn maar in zallen halen.
Ik vaarde dan naar Rotterdam en deed daar een
vracht cement tegels aan om te lossen te Delft en Naaldwijk.
Wij hadden
geladen aan de storm polder vlak over Bolnesom.
Nog te melden vond mijn vrouw
een kwartje in haar zondagse rok en daar haalde mijn dochtertje melk van.
Het begon weer knap te winteren en bleven thuis.
Het duurde 14 dagen. In
deze 14 dagen was toch de Here niet uit ons midden met zegeningen, want ik kocht
voor F3,50 een bigge dat niet meer lopen kon en slachte het, en even daarna
kocht ik een partij rijst bonen en erwten.
Maar wij hielden geen geld over
om de bakker of huisbaas te betalen, dat was een grote zorg voor ons.
Nu is
het water weer open maar wij hebben geen reisgeld om te gaan varen.
Ik heb
met opzien naar God de kerkeraad gevraagd en nu ligt het voor de Here wat die
met ons voor heb.
Wij laden dan een vracht mest aan het Kruithuis, toen het
schip de lading inhad kon ik niet wegvaren omdat de kerkeraad haar roeping niet
verstond en mij aan mijn lot overliet zonder eten voor mij en mijn gezin.
Ik
dacht zou de Here ons verlaten hebben? Maar nee dat kon niet waar zijn, want Hij
zegt in zijn Woord nooit heb ik mijn volk verlaten of zijn zaadzoekende brood.
De Here laat het wel tot de lippen komen maar er niet overheen.
Wij
legden het neer voor de Heere en de eigen middag kwamen de raven al brood
brengen.
Een broeder schipper Gerritse kwam met de sleep van Delfs haven
naar het gist fabriek te Delft en deze wier gebruikt als middel in Gods hand om
mij te helpen.
Hij gaf mij 15 gulden om ze met mei terug te ontvangen.
Wij vaarden dan weg naar Rijnsburg, maar het begon zo erg te sneeuwen dat de
mest prijzen daalden zodat ik er niet voldoende brood aan verdiende.
Alzo
zijn wij het voorjaar door gescharreld met weinig werk, af en toe te schraal,
maar wij hadden het zo goed, kort bij de Here te leven.
Wij vaarden van de
beurs te Rotterdam, raakten wij aan de maand mei dat mijn knecht zou vertrekken.
Zo gingen wij dan uit het huis aan het kruithuis en mijn hele gezin ging mee
varen.
Mijn meubelen zette ik bij mijn zwager Plein Poot aan het oostblok te
Delft.
Zo waren wij in Rotterdam een week van te voren eer mijn vrouw aan
boord was dat ik kennis kreeg aan een meisje dat Berte Kamp heette en doordat ik
uit haar vader moest laden dat de mensen zeiden laat deze buurman ook mede
koffie drinken, dat wij in gesprek kwamen over het ene nodige.
Dat leidde dat
wij daar geliefde vrienden in vonden.
Wij kwamen dikwijls bij elkaar aan
boord.
Met de vaarderij was het ontzettend slecht dat wij hadden maar
schraal ons brood dat wij konden niets meer van onze schuld af lossen voor 1909.
Maar wat deed mijn crediteur G.Willighagen, hij stuurde een advocaat op mijn
dak om F1000,- plus de rente.
Dat stond gelijk met te zeggen : gaat van het
schip af.
Toen heb ik een brief gezonden of ze met mij genade gebruiken
wilden.
Maar de barmhartigheden van de Goddelozen zijn wreed, dus ik moest
van mijn schuitje af, zonder brood met een vrouw die in een gezegende staat was
met 8 gezonde kinderen.
De Here leid mijn weg wel door de diepte, maar ik
weet in wie ik geloof en Hij is ook machtig om mij uit deze ellende te
verlossen.
Nu heb ik al dikwijls naar werk gekeken en naar een
huis.
Eerst zou ik op den Ouden Dijk gaan wonen te Rotterdam, maar dat mocht
niet.
Toen heb ik op het laatst een woning gehuurd in de Oranje straat op
Catendrecht, ook te Rotterdam.
Toen ben ik gaan proberen om bootwerker te
worden maar de bootwerkers hadden zelf geen brood.
Toen heb ik een
advertentie geplaatst voor betrekking als schipper.
Wij hopen dat daar
tijding op komt, anders ga ik met een zeeboot mee.
Niet uit
onverschilligheid maar uit broodnood voor mijn lieve vrouw en kinderen.
Ik
hoop dat de Here uitkomst geeft want de nood is hoog.
Op het laatst heb ik
anderhalve dag aan een Duitse boot in de balen koffie gewerkt, maar het was voor
mij een ongewoon werk en niet gewoon om per uur te werken.
Werkte ik mijn
eigen ziek toen heb ik een hele dag in bed gelegen.
Ik hoop van ganse harte
dat de Here de weg zo opent dat ik toch op een ligter terecht kom, dan ben ik
weer in mijn omgeving want voor bootwerker ben ik niet geboren.
Ik heb nooit
geen tijding op mijn advertentie gekregen.
Nu had ik een vriend Jan Stoter
genaamd, van Hogeveen geboortig daar had ik kennis aan gekregen door schipper
Kamp.
Zo lazen wij de Rotterdam courant en daar stond een huis in te
Overschie met 800 m2 grond, een grote schuur en twee kamers.
Nu huurde mijn
vriend en ik dit boeltje op die konditie dat de huisheer een kamer en een
portaal erbij bouwde.
Zo gingen wij er wonen, en wij kregen ons zin aangaande
het bijbouwen van het huis.
Nu had ik een zwager Leendert Kruit genaamd, die
met mijn zuster Neeltje getrouwd is, die verhuisde mij naar het gehuurde huis,
uit de Ornaje straat 8a naar de koude hoek nr 1 te Overschie.
Nu ging ik mijn
tuin omspitten omdat ik nog geen werk had.
Mijn zwager had mij beloofd dat ik
bij hem kon werken maar daar is niets anders van gekomen dan dat ik een schip
heb helpen lossen van 100 last steenkolen briketten en 15 last cokes.
Toen
liep ik een week of drie zonder werk tot ik eindelijk bij Janus van Dam op de
scheepswerf kwam.
Ik had ook nog van te voren een tsjalk met stenen gelost
aan de schans voor het bouwen van een nieuwe ketuin??.
Nu heb ik door slapte
geen werk meer en nu zal ik trachten of ik een vaartuig kan krijgen van schipper
Bruisart in Schiedam die een nieuw vaartuig bij van Dam in de maak heeft.
Als
dat gebeurt gaan wij, mijn vriend en ik samen doen met de vaarderij in vracht en
mest en brandstoffen.
Wij hebben op het ogenblik 2 konijnen 35 kippen en 1
haan en 4 eenden en 1 woerd.
Met al deze omstandigheden werd ons huisgezin
nog vermeerdert met een dochter Johanna Cornelia genaamd.
Wij hadden geen
geld om deze gebeurtenis af te wachten, maar de Here zond zijn engelen weer om
ons uit de nood te redden.
Het was weer de bewuste Berta Kamp en onze
buurvrouw Maat die mijn vrouw in de ogenblikken bijstond.
Mijn vriend Jan
Stoter is op het ogenblik 4 weken in dienst, daar missen wij erg aan met de
brood verschaffing voor ons en onze kinderen.
Als wij het genoegen smaken dat
het vaartuig ons is hoop ik dat de brood verdienste beter wordt.
Het is nu in
het hartje van de winter 12 december 1909.
Nadat ik bij van Dam vandaan was
heb ik weer 5 dagen bij mijn zwager Leen op de mestwagen gereden.
Ik ben ook
weer op het vaartuig uit geweest bij van Dam of hij mij helpen wou om het geld
er op te houden, en hij antwoordde mij dat hij erover denken moet en of zijn
vrouw het goed vind.
Maar ik zeide hem dat hij voor de zaak het aangezicht
van de Here moest zoeken, nu dat zou hij doen.
Nu wens ik dat het maar uit
mag lopen dat ik kan zeggen wij krijgen het scheepje wand de Here heeft het zo
gewild.
Het is op het ogenblik bedroefd gesteld, droog brood eten en toch nog
schuld maken.
Ach Here, geef toch uitkomst, geef toch verandering dan zullen
wij u daarvoor verheerlijken en prijzen. Dat geve God.
Het was zodoende 19
december geworden en ons kind dat 30 november geboren was zou gedoopt worden,
wij gingen met Berta en het kind naar Rotterdam naar dominee Vinderman in de
Christelijk gereformeerde kerk.
Onze kinderen toen wij van huis gingen waren
allen in goede welstand als dat een van onze ??? wat stuiperig was, maar op het
ogenblik redelijk goed.
Toen wij uit de kerk thuiskwamen leidde ons kind al
zielloos op twee stoelen , de Here had hem van ons weggenomen.
Maar wij
treuren niet als iemand die geen hope heeft.
Ik was veel met dit kind
werkzaam voor de troon der genade en nu heb ik een levende hoop dat het kind is
ingegaan in de rustte die er overblijft voor het volk van Hem, die leeft in alle
eeuwigheid.
In al deze omstandigheid zorgde de Here al weer dat Hij zijn
engelen zond bestaande uit : Berta Kamp en onze lieve buurvrouw Maat. Ik hoop
dat dit ons tot lering is en dat het geheiligd wordt aan onze zielen.
Het was
voor ons een verschrikkelijke thuiskomst , maar wij kregen van de Heren de
kracht om het te dragen en konden met heilige Job zeggen : de Heren heeft
gegeven en de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd.
Wij hadden
al een hele tijd niets te verdienen, dat wij onze nood klaagden naast God aan
onze armverzorging te Overschie (na dat ik met onverrichte zaken uit Rotterdam
was komen lopen uitgeput van de honger).
En Jacoba kwam met vier witte broden
thuis gekregen van de kerkeraad der Hervormde gemeente.
Nu ging Jacoba naar
de algemene armen verzorging en die zeide waarom wij hier waren komen wonen,
maar wij kregen toch een gulden.
Hoe het zij, wij zijn toch niet omgekomen
van de honger, daar zorgde de Here wel voor.
Zo schreef ik aan mijn kerkeraad
mijn toestand en zeide meteen, als ik maar weer een scheepje had zou ik weer
trachten brood te verdienen.
Nu de kerkeraad kwam bij mij en gaf mij 5 gulden
voor mijn noodruft en zeide dat ik aanstaande dinsdag weer moest komen in de
consistorie om mijn toestand aan de gehele kerkeraad mede te delen en dat heb ik
gedaan en kreeg weer 5 gulden en een rijksdaalder.
Daar ik een gulden voor de
advokaat moest geven om mijn zaak te onderzoeken aangaande mijn gewezen schip
(emanuel) maar er was niets aan te doen dat ik nog geld van G.Willighagen kon
loskrijgen voor het geleden verlies.
Ik was in die tussentijd om een schuit
te huren geweest bij zuiderwijk te Loosduinen, maar wij kregen een briefkaart
dat hij hem zelf nodig had.
Nu moest ik bij ouderling Nederlof komen in de
Palestina straat aan den Ouden Dijk te Rotterdam.
Daar liet ik de genoemde
briefkaart en het bewijs van de advokaat zien dat ik het schuitje niet kon huren
en dat er aan het geleden verlies niets te doen was.
Nu was het door de Here
zo bewerkt dat ik bij Nederlof een broeder aantrof die hoorde mijn
toestand.
Nu gingen die twee in een nadere kamer en bespraken mijnen toestand
en kwamen overeen dat als zij mij konden helpen zouden zij dat doen.
Nu zeide
ik, er is een scheepje te koop voor 95 gulden, maar er moet het een en ander op
dat ik zou er ook een paar centen bij nodig hebben.
Nu zeiden zij, kom
vanmiddag hier naar toe dan zal mijn broeder met je mee gaan om het scheepje te
betalen.
Zo ging de broeder van Nerderlof met mij mee, en ik vaarde met het
schuitje naar het strooveer te Rotterdam.
Nu ging ik naar ouderling Nederlof
en daar kreeg ik f100,- gulden van om het een en ander op de schuit te
kopen.
Zo vaarde Jan Stoter en ik met volle moed naar Overschie en Jan ging
de schuit schoonmaken en ik ging inventaris kopen.
Toen wij zowat klaar waren
namen wij van onze zwager Leen Kruit 40 kisten glas aan naar Schiebroek en
Berkel.
Maar toen wij onder zeil gingen waaide de mast overboord vlak aan de
theetuin te Overschie, wij wisten dat het slecht was maar waagden het
maar.
Er werd een mast gemaakt bij van der Zwaal te Overschie, en het mast
gewricht kocht ik bij Arie van den Eyk voor f11,40.
Al deze mensen hielpen
ons, hoe het ook zij, de harten nijgden God als waterbeken.
Wij hadden door
het barre weer nog weing werk, dus gingen wij om een lading zand naar
Loosduinen.
Die hebben wij geladen voor f1,76 en verkocht voor f 10,65.
Nu
hopen wij maar dat we de zegen van boven mogen genieten na zoveel rampen die ons
de Here toegebracht heb (hoewel voor ons eigen bestwil om ons uit Zijne
barmhartige en genadige liefde tot Zijne onderdanige kinderen te maken).
Na
verloop van vier weken konden wij onze eerste aflossing van f 10,- betalen, dat
ons zeer verheugde.
Wij waren met een lading ruige mest naar Rijnsburg
geweest en zullen zand terug laden op onze thuisreis.
Zo gingen de zaken zeer
goed tot 30 april 1910 wij geloven en weten zeker dat de Here in onze behoeften
zal voorzien dat wij weer zeker werk of nagoue?? Zullen krijgen, hoewel wij God
niet genoeg dankbaar voor al het goed zijn, dat Hij ons geeft.
Wij hadden
voor de maand maart f60,- geleend bij Nederhof voor de mestzaak en die zijn op
heden 1 mei op f 22,50 na afgelost, dus wij hopen dat dit bedrag er ook met de
Here zegen spoedig zal wezen.
Wij zijn goed gezond met ons huishouden en mijn
Co, dus wij hopen dat volgens het Woord de vlijtige hand gezegend zal
worden.
De maand mei kwam in het land en daar ook de slapte met mee in de
vaarderij.
Nu ging mijn Co molopolie?? Gebruiken bij een ander wat verdienen
en niet gelijk opdelen dat sting mij niet aan, op slot ging hij (daar het in
Keulen werkstaking was) in Duitsland werken, maar daar hij dienstplichtig was,
werd hij over de grenzen gestuurd.
Nu kwam hij met hangende pootjes weer naar
mij toe te Overschie en zeide : nu heb ik niets te doen omdat ik niet terug mag
naar Keulen weet gij niets geen werk?
Toen zijde ik : ja ik weet wat voor u
en mij.
Hij kan knecht worden aan boord van het zeiljacht Erika en ik heb een
betrekking aangenomen op de sleepboot Katendrecht allen bij den heer H.Boehre
Essenweg Rotterdam.
Nu zeide Jan Stoter daar heb ik zin aan, hij ging er heen
en kwam voor deze betrekking klaar.
Mijn plan was als ik namelijk op de boot
was een zetschipper om mijn scheepje te laten varen.
Maar owee nouwelijks was
Jan op het jacht Erika of hij waarschuwde meneer Boerhe voor mij dat ik zoveel
schuld had en dat het gevaarlijk was als ik met de sleepboot vaarde, dat ik met
het sleepgeld mijn schulden zou verminderen.
En daarom werd ik door genoemde
heer op straat gezet.
Toen mijn huisbaas dat te horen kwam (hij kreeg enige
weken huur van mij) zeide dat ik mijn huis moest verlaten, en toen waren wij
genoodzaakt met ons huishouden op het schuitje aan boord te gaan wonen.
Dus
de Here zorgde weer dat wij weer een dak boven ons hoofd hadden.
Maar dat
neemt niet weg dat H.van Dam onze huisbaas er gestraft voor zal worden, want ik
krijg meer van hem als hij van mij, dat scheelt zowat f 20,00, dus hij had geen
recht om mij het huis te wijgeren.==
Nu ik geheel mijn huishouden aan boord
heb, hoop ik dat wij zegen hebben op onze arbeid.
Wij hebben een zeer bewogen
leven, maar uit alle red ons God.
Zo gingen wij ruige mest varen, de eerste
vracht laden wij te Overschie en losten wij te voorschoten, daar verdienden wij
brood aan.
Maar toen wij de tweede laden, losten wij 14 dagen later te
Noordwijk met verlies.
In die 14 dagen was ons reisgeld opgeraakt en leden
wij verschrikkelijke armoede, dat de Kottebijjer van Graaf Limburg Stieren ons
aan brood hielp en Gerrit Merijt, een ander dienaar van genoemde Graaf ons aan
appelen hielp en verschillende andere mensen.
Wij hadden toen een hele
ongeluks reis en hadden de mastkoker ook ondersteboven gezeild, dat koste toen
ook weer held om dat te maken.
Toen zeide ik tegen mijn vrouw: nu hoop ik dat
het maar beter zal gaan want wij hebben niets dan rampen.
Zo kocht ik de
Coren? en beenen? Van de baas van de Vuilenstaal, laadde ze in de schuit en
vaarde naar Leiden.
Daar verkocht ik ze, dat ik wat verdiende.
Dat heb ik
drie keer gedaan, en toen ben ik in de rondte van de Kagermeer de boeren
langsgegaan en kocht daar van alles op, maar op slot ging het zo slecht dat wij
waren genoodzaakt van armoede een maal aardappelen en boonen te stelen van de
honger bij een boer aan de Kagermeer.
Toen zeide ik tegen mijn vrouw, wij
zullen naar het steenfabriek varen, kijken of daar vracht is, maar twee dagen
daar gelegen te hebben was er niets, en het eten was ook op ten naaste
bij.
Toen ging ik naar gebroeders Zegers om werk of vracht, en naar
gebroeders Driekens maar zij hadden niets.
Ik kreeg toen in gedachten om naar
Veldhuizen van Zanten te gaan, vroeg daar om werk en werd geplaatst als bloemist
knecht.
Woonden aan boord van ons schuitje en werkte daar voor twee en een
halve week, maar ik hoop dat ik suikerbieten kan gaar varen wand de verdienste
is hier teveel om van te sterven en te weinig om van te leven, dat je door het
schrale voedsel niet aan je kracht blijft.
Het is bij den Here bekend wat Hij
met mij en mijn gezin voor heb.
Hendrik mijn zoon is hier in Lisse aan het
aardappelen rapen geweest, maar hij was nog te jong dus konden hem niet
gebruiken.
Toen is Jacoba in de bocht gesprongen en die verdiend nu f 1,50
per week zo lang als het duurt.
Jacoba verdient nu zo lang als het duurt f
2,00 per week.
Ik ben bij van Zanten gekomen den 17 Augustus 1910 en als er
geen weg open komt voor vaarwerk hoop ik dat mijn zoons en ik er maar vast
kunnen komen.
Op het ogenblik is Hendrik en Huib aan het aardappelen zoeken
achter de ploeg, wij hebben al een mud of 6.
Dus de Here gedenkt onzer dat
wij de winter niet tegemoed gaan zonder aardappelen, hoewel wij alles verbeurd
hebben en geen aanspraak kunnen maken op wat ook.
Wij hebben een briefkaart
gehad van de direktie van het pegen fabriek te Halfweg dat hij ons deze Kampanje
niet hebben kon om bieten te varen.
Wij hebben nu gewerkt tot 23 oktober en
af en toe de kinderen ook gewerkt maar wij hebben beslist honger geleden, dat
kennen wij voor een alwetend God verantwoorden.
Het is hier ook al wie het
hardst werkt eet het beste niet.
Ik ben geen democraat maar dat is waar een
patroon of baas die moet zijn zaak nalopen en de knecht of de arbeiders moeten
het bewerken, maar wat de heer eet en wat goed is voor de baas is ook goed voor
de knecht en ik geloof dat daar de baas van blijft leven de knecht niet van dood
zal gaan.
Maar ik moet hier in het bollen kwartier hard sjouwen maar van
hetgeen ik verdien kan ik niet voldoende levensbehoefte kopen en kleren
natuurlijk helemaal niet.
Dat de kinderen, mijn vrouw en ik, God weet het
onze schaamte haast niet bedekken kunnen.
Na verloop van tijd kwam er
verandering.
Ik kreeg gedaan, en daarmee ook van een man van Lisse ook geld
in de vorm van f 50,- en een halve baal bloem om aan de vaarderij te
beginnen.
Mijn vrouw had in die tijd ook ernstig ziek geweest dat ik dacht
mijn vrouw te verliezen.
Wij dachten voor Veldhuizen van Zanten vast mest te
varen en wij hebben ook eenvracht varkensmest gedaan, maar deze heren zijn niet
te voldoen.
Toen ik met de tweede kwam wilden zij het niet hebben, maar God
had het anders over ons beschikt.
Ik vaarde naar Noorwijk en loste hem voor f
47,- gulden hoewel wij 2/3 vol waren, en toen hebben wij zand geladen in de hoop
dat goed te verkopen.
Wij vaarden zo het een en ander maar konden er
nauwelijks van leven.
Nu is het in de pen door wij een vracht steen naar Den
Haag brachten dat de havenmeester tot mij zeide : wel Weltje wat heb je nu een
klein oud schuitje daar kun je geen brood mee verdienen voor je gezin.
Zou je
geen motorboot willen hebben, toen zeide ik natuurlijk.
Ja, nu als alles wel
is krijg ik een motorboot die 8 maanden oud is en circa 30 ton groot met een
machine vn 18 paardekracht.
Nu hoop ik mar dat het aan het einde van onze
ellende is, want het is bij de Here bekend dat wij haast geen eten en kleren
voor onze de kinderen en ons om aan te trekken hebben.
Ik weet wel dat al
deze ellende ook haar goede zijde hebben, maar dat neemt niet weg dat wij te arm
zijn om te werken, wie het verstaat, verstaat het.
Door ondervinding wijs
geworden was toen de ellende niet over.
Toen wij de motor kregen was het 3
weken te laat klaar, moest ik mijn oude bokje verkopen voor 25 gulden om aan
eten te blijven.
Het duurde zolang dat ik nog schuld moest maken bij de
bakker.
Eindelijk aanvaarden wij de motor, ging naar de Heer ervan en tekende
het contract.
Wij vaarden naar Delft en vervolgens naar het zandsteen fabriek
en laden er steen naar den Haag.
Toen wij ledig waren vaarden wij weer naar
Hillegom, doch er was voor mij geen vracht.
Toen ben ik aan het tobben
geraakt met mijn motor, ieder ogenblik stopte hij.
Zo heb ik 20 dagen gevaren
en kwam terug van de gemeente Aalsmeer.
Heb daar veel geld verknoeit aan de
machine en ben de laatste zaterdag van de maand februari 1911 aan de oude
wetering aangekomen.
Toen hadden wij geen brood en geen geld meer, maar
alweer een bewijs dat God ook daar zijn volk heb om alles wat wij behoefden ons
te verschaffen.
Wij hebben daar nu 12 dagen gelegen en het heb ons aan niets
ontbroken.
God doet aan de oude Wetering grote wonderen.
Er moesten drie
stukken die lek waren naar Rotterdam om vernieuwt te worden.
Die liggen wij
al die tijd stil en kannen niets verdienen.
De monteur is wel geweest maar
die kon het niet maken omdat die genoemde stukken lek waren, het was de
kleppenkast en knalpijp.
Toen de motor zowat opgeprutst was deden wij weer
een reisje, maar toen ben ik naar Delfshaven gevaren, want mijnheer Sparre
geloofde nu dat er een andere machine in moest.
Toen zijn wij zolang aan het
varen geweest met een reserve boot genaamd Spar 2.
Wij zouden een veer openen
van Delft - Leiden - Alphen a/d Rijn visa versa.
Een week of acht zo gevaren
kon ik het niet uithouden, want een nieuw veer beginnen is gebleken dat daarvoor
kapitaal voor nodig is.
Ik had dat niet verzonnen maar de Nederlandse gist en
spiritus fabriek te Delft had mij f 500,- voorschot beloofd omdat ik toch voor
hun vaarde.
Eindelijk was mijn motor klaar, met de schuierman motor er
in.
Maar o ongeluk daar heb de Rotterdamse schooljeugd de mast door de midden
laten vallen, de lantaarns gestolen en nog een hoop goed en al mijn machine
gereedschappen.
Zoals ik zeide konden wij het niet uithouden met het genoemde
veer, dus wij vaarden naar Rotterdam en deden daar af en toe een reisje.
Zo
nam ik bijvoorbeeld een reis aan naar Hilversum Cement.
Toen is mijn lading
nat geworden, en een groot gedeelte bedorven, dus ik tekende Rootes? Aan met dit
gevolg dat ik , nadat wij 40 uren zonder eten geweest waren van de Politie en
Dominee de Fries van Hilversum eten gehad hebben.
Toen het Rootes ge-eindigt
was kreeg ik 20 gulden leggeld en de andere dag verdiende ik f2,50 om te
sorteren en van mijn baas daar ik voor lossen moest f2,- om de cement eruit te
dragen.
Nu hoop ik dat wij geen last zullen krijgen met de vracht want daar
kan ik beslist niet buiten.
Nu is het 25 juni 1911 en wij houden zondag te
Nichtenvecht, provincie Utrecht en zijn verlangend naar onze lieve dochter
Jacoba, die dient tot ons leedwezen bij Man in t’Velt zijn vrouw en die is niet
erg lekker om mee te gaan.
Als het enigszins kan moet ze weer aan boord
komen, want mijn vrouw kan ze niet missen.
Ik hoop van ganser harte dat de
Here ons nog eens voorspoed geeft.
Wij hebben niet eens kleren en schoeisel
voor onze kinderen om naar de kerk te gaan.
Hoewel het daar op heden niet is
te vinden, want ik heb in mijn armoede die ondervinding, dat ze zouden net zo
lang naar je informeren dat je doodgehongerd was.
En als je toch door die
mannen geholpen wordt doen ze het alsof het een last voor hen is en niet het
Bijbelwoord kennen.
Ik namelijk Jezus Christus heb de armen in mijn plaats
nagelaten. Hij bedoelde niet om hen te kwellen of weer eens te kruisigen!! Maar
om hen wel te doen.
Nu, onze dochter kwam in Rotterdam aan de wijnhaven aan
boord nadat wij een brief en twee telegrammen aan Man in t’Velt hadden
gezonden.
Wij vaarden af en toe en hadden ons brood. Het gebeurde dat wij een
tijd gevaren hadden dat wij verontrust gemaakt werden dat Meneer Sparre zeide :
gij moet van de motorboot af omdat je niet genoeg opbrengt, en een week later
vluchte hij naar Duitsland met veel geld van het kantoor, dus uw kan begrijpen
dat ik er niet af ging.
Na verloop van tijd kreeg ik een brief van de curator
die schreef dat ik nu de betaling aan zijn kantoor moest doen totdat het
faillissement afgelopen was.
Maar ik liet niet tot heden van mij horen dat ik
geloofd dat dit weer een Joden truuk is om mij eraf te helpen.
Wij liggen nu
op heden 1 zaterdag van Ocht in de maashaven 1911 en hebben daar een storm 13
graden meegemaakt.
Haast waaiden al de boten los op een paar na, en twee
tjalken zonken, waar een vrouw bij verdronk en veel mensen verloren hun leven in
zee.
Die storm was 4 graden sterker dan waar de ouden mensen van spreken, ik
bedoel de Pinkster storm.
Wij zijn met meel naar Amsterdam geweest en liggen
nu voor het eerst in de Haarlemmermeer polder om suikerbieten te laden naar
Gorichem.
Wij hebben drie ladingen bieten uit voornoemde polder gedaan en
terug droge pulp gelost onder Amsterdam.
Wij hebben een reis preien gedaan
van het kanaal van Steenenhoek tussen Gorichem en Giesendam. En toen hebben wij
een lading zadenpulp geladen te Geldermalsen, gelijk met onze vriend de Wit,
schip Ebenheaser naar Abcoude waar wij zelf hebben gelost.
Toen gingen wij
naar Amsterdam, daar deden wij een reis hout op van Zaandam naar Jutvaas, en
mijn vriend de Wit een vracht glas van Amsterdam naar Leerdam.
Toen wij in
Jutvaas het hout kwijt waren vaarden wij naar Vreeswijk om te trachten een reis
op te doen, maar dat ging niet.
In de tussentijd was de Wit met zijn reis
gevorderd tot Vreeswijk, en hielden daar Zondag.
De maandag daarop nam ik de
Wit met zijn tjalk en twee andere schepen die met suikerbieten geladen waren en
een lege rijnbok op sleeptouw.
De bieten schepen naar Arkel en de rijnbok
naar het veer, en mijn vriend de Wit naar Leerdam.
Daar ging ik naar vracht
zien, maar kwam tot de conclusie dat ze mij daar aan de ketting wilden leggen
door het faillissement van Sparre en Nieuwenhuis, hoewel ik daar niets mee te
maken had, dus wij vaarden de andere dag smorgens vroeg wel en pikten een
geladen tjalkje op van Leerdam naar Vianen.
Toen wij door de sluis waren
moesten wij in de Lek ten anker komen vanwege de damp.
De andere dag zijn wij
opgestoomd naar Wijk bij Duurstede en daar was ik een paar dagen in de mat door
het kouvatten.
Toen hebben wij een lading bonestaken geladen aan de veer van
Beuzekom en zijn afgevaren met een zee tjalk op sleeptouw.
De schipper heette
Ukema met een lading bieten naar Breda, hij ging met ons mee van de noord en
vervolgenden onze reis naar Langervaar.
Toen wij daar de last kwijtwaren ging
ik naar Alphen aan de Rijn en deed daar een reis of 3 cement en tegels op naar
Edam en het fort benoorden Purmerend.
Toen ik deze reizen gemaakt had kwam ik
weer te Alphen aan de rijn in de hoop daar weer een reisje te doen en meteen een
ebieteer?? Op mijn motorboot te nemen om hem te laten verlengen en een stuk er
boven op te laten zetten, dan zou mijn vrouw aan de wal gaan te Rotterdam gaan
winkelen, en ik zou met Hendrik mijn zoon blijven varen.
Maar het was anders
over ons besloten, denzelfde avaond lijden wij aan de ketting door het genoemde
faillissement.
Daar hebben wij zeven en een halve week gelegen op slot veel
armoede geleden totdat de mensen op Alphen het wisten en toen hebben wij veel
levensmiddelen gekregen.
De rechtbank, ik bedoel in mijnzaak de draaibank,
had de onrechtvaardigheid en de gemenigheid om mij van mijn motor af te zetten,
nadat ik in proces gelegen had van 15 januari tot 2 maart 1912 en toen ben ik
vrijwillig afgestapt met mijn gezin onder de invloed van storm en
stortregen.
De barmhartigheid der Goddelozen zijn wreed, maar de Here zorgde
voor ons op wonderbaarlijke wijze.
Wij hadden geen stoelen of gordijnen, maar
ze kwamen er en meer dingen die wij aan de wal nodig hadden.
Nu wordt ik 11
Maart schipper bij den heer van Dijk jr. in de hoop dat ik met mijn zoon brood
kan verdienen.
Wij wonen op het ogenblik in een slop in de Wilhelmina straat
te Alphen aan de Rijn, maar gaan wonen in de Oranje straat in een
Plton??huis.
Sinds wij te Alphen waren, waren de deurwaarder P.H.Versluis en
zijn vrouw goed voor ons.
Ook mevrouw Geels en nog meer mensen die ik allen
niet ken.
Ik heb een deel van de spullen van de motorboot aan de
scheepsmakelaar van de curator van het faillissement verkocht voor f5,- hoewel
die schooier ze voor niets wilde hebben.
Na verloop van vier weken was ons
huis te Alphen a/d Rijn gereed om in te trekken (ik was toen met mijn zoon
Hendrik al bij van Dijk vandaan, boven vermeld)
Maar het was hard werken en
weinig verdienen, dat wij leden fatsoenlijke armoede en konden absoluut geen
klederen kopen voor ons en ons gezin.
Dat het deed mij verlangen naar mijn
bedrijf als schipper, zo ook bij mijn zoons, en Huibert weer naar zijn
machien.
Dus ik vigeleerde? Dikwijls bij de heer Boot en Pannevis als er soms
een plaats was op een scheepken - zeilschip vrachtboot of sleepboot als
kapitein.
En God zegende mijn pogingen boven bidden en denken.
Op een
goede liep ik met Hendrik mijn zoon om te kijken of wij geen schip konden huren
of op afbetaling konden kopen naar de heer Boot. (omdat hij gezegd had dat hij
voor mij iets had)
Dus ik kwam op de scheepswerf en hij zeide wat wil u nu
hebben.
Ik heb een ijzeren tjalk liggen van 35 last die kan u kopen voor
f4000,- en 5% rente, of u kan als u het eens kan worden voor een heer in Belgie
schipper worden op deze motorboot die hier aan de wal ligt.
Deze mijnheer is
4 of 5 juni hier 1912, dan kan u proef met hem gaan varen, en bij overeenkomst,
met uw gezin vertrekken naar Belgie Lommel Kempisch kanaal provincie
Belslimburg.
Nu deze heer kwam 5 juni.
Ik vaarde met hem proef naar Gouda,
ging met de monteur en de heer en Hendrik in het fijnste restaurant eten en mijn
patroon (ik had met hem geakkordeerd met 50 franken in de week) ging per
staatsspoor naar Lommel in Belgie terug.
Donderdag 6 juni 1912 vaarden wij na
de middag 5 uur van Alphen af nadat ik mijn vrouw en kinderen met mijn beetje
huisraad eerst geladen had.
6 juni 1912 kwamen wij door de sluis te Gouda in
de Ijsel, 7 juni kwamen wij savonds door sluis 4 aan de Zuidwillems vaart.
8
juni waren wij 2 sluizen boven Helmond, en toen brak de verpakking van de
inlaatklep van de machine.
Wij hadden geen asbest papier dat groot genoeg was
aan boord om het te verpakken, dus was ik genoodzaakt uit te zien naar een
andere boot, daar ik het van over kon nemen.(er was daar geen asbest te
koop).
Gelukkig er kwam een Dortsche sleepboot van Luik, en die gaf mij voor
een kwartje zoveel asbest als ik nodig had.
Huibert mijn zoon en ik
repareerde het toen in een kwartier, hoewel wij er een halve dag voor gelegen
hadden.
Dus wij vervolgden zondag na de middag onze reis naar Lommel.
Toen
wij een uur gevaren hadden kwam mijn patroon ons tegen kort aan Weert met een
jonge heer en diens moeder de madam.
Zegde ons goede dag, en vaarde
mee.
Zondagsavonds 10 uur kwamen wij te Neerpelt.
Mijn heer, madam en de
jonge heer vernachten daar in een hotel en waren weer bij ons aan de motorboot
maandagmorgen 4 uur, 10 juni.
Toen moesten wij nog 10 km varen naar de
fabriek.
Ik zou haast vergeten dat wij met onze reis uit Nederland twee
buurvrouwen die ons uitgeleide deden, hun naam is juffrouw Elkebout en
Hasfelsilje, en dat wij een nieuwe reddingsboot kregen te Weert, laatste stad op
Nederlands grondgebied.
Nu terzake, Mijnheer zijde dat ik eerst van mijn reis
moest uitrusten terwijl er een kamertje gemaakt werd in de kisting in het ruim.
Toen ik gereed was ging ik aan het varen, producten voor de fabriek. Het enige
wat mij tegen de borst staat, en dat ik weet dat zonde is, dat ik zondags moet
varen als het uitkomt, maar anders heb ik best naar mijn zin. We zijn hier zeer
gezond en mijn vrouw wordt dikker, (ze was te Alphen broodmager) en de kinderen
groeien vlug.
Iets wat ik hier beleefd heb: er woont hier in Blekerheide een
man die bij ons aan de fabriek werkt in een hut van graszoden. Die zijn madam
moest bevallen (en ze zaten in deerniswaardige armoede. Dus al waren wij hier
vreemd, moesten wij hier toch laten zien dat wij Nederlanders waren en onze
roeping als Christen verstonden (de Belgen verstaan hun roeping niet, alleen in
pinten bier drinken en vloeken wel). Mijn vouw en dochter Jacoba hebben de vrouw
verzorgd en het kind gebakerd, terwijl ik onder mijn collega’s gelden inzamelde
voor soepvlees biefstuk en eieren (wij haalden 3,78 Frank op. Daar dachten de
Belgen ook al niet om.
Ik geloof als hier zuivere herders en leraren kwamen
ze hier rijp waren om het evangelie aan te nemen. Dan lijde Rome op zn dooie
rug.
Laatst had ik hier een jongen van 15 jaar die voorgaf zwervende te wezen
(hij zijde dat zijn vader slecht voor hem was). Die wou werk hebben van
mijnheer, en kreeg het maar had geen nacht verblijf en eten. Ik stelde voor aan
Gust de baas van de grond werkers dat hij hem te slapen zou leggen dan zou ik
zijn kostgeld betalen, maar er was geen liefde, dus ik draaide er weer alleen
voor op. Uit kracht van mijn beginsel (ik mocht hem niet ledig en naakt
heenzenden) dus zorgde mijn vrouw en ik dat hij eten en slapen had. Maar wat wil
het geval, de jongen bedroog ons (hij was weg gevlucht uit het verbeterings
gesticht te Mol. Dus na een dag of vijf vluchtte hij toen er twee rijkswachters
aankwamen (ik was erg boos) omdat ik met deze jongen ter goeder trouw had
gehandeld. Maar ik kreeg orders hem aan te houden en hem zelf aan de politie
over te leveren.
S’Avonds kwamen ze hem halen en werd geboeid weggebracht.
Wij waren allen goed gezond en vaarden af en toe naar Neerpelt en
Lommelbrug, en vervolgens nam ik een sleep aan naar Luik van Boelwezel, wij
namen zand mee op avontuur en verkocht dat in Luik, het was zand uit de bergen.
Bij de blauwe Kei vandaan. Toen wij het zand kwijtwaren vaarden wij naar de
tweede mijn beneden Luik en laadden daar artisjokken voor Lommel.
Maar o wee
toen wij daar waren werd ik gewaarshout door de mensen, dat als ik bij mijn
patroon ging afrekenen ik erop rekenen moest dat ik mijn werkgeld erop af hield
want dat de zaak niet goed sting en de fabrieks arbeiders in geen drie weken
betaalt waren, dus uw kon begrijpen dat ik toch nog dankbaar was dat ik het
vooruit wist.
Nu hier anderhalve week gelegen hebbende , krijgen wij nog geen
cent.
En wij hebben de rechter in handen gegeven, wij hopen dat het geld
kregst? Komt anders weten wij beslist geen raad.
Wij hebben dat nooit van
onze Heer Jr. Hoffmann kunnen denken omdat hij te Alphen a/d Rijn zomooi
overkwam.
Het is nu 27 januari 1913 en het is nu haast 14 weken geleden dat
wij met de motorboot van de fabriek aan de ketting liggen.
Deze Hoffmann had
alle gereedschappen gekocht en ontvangen maar niet betaald.
Dus het duurt
lang eer alle zaken geregeld zijn. (in de loop van de tijd had ik een buurman
van Alphen a/d Rijn, zijn naam is J.S. van Hasfel hier naar Lommel laten komen
als machinist. Maar wat heb ik daar een spijt van gehad. De man uit zijn werk te
halen en hier dachten wij het beter te krijgen dat het voor een korte tijd was
wist ik niet anders had ik hem te Alphen gelaten.
Nu werkt hij te Antwerpen
en krijg af en toe een brief van hem.
Wij hadden hier al lang verhongert maar
wij hebben door onuitsprekelijke genade van onzen Heer en Heiland hier mensen
aangetroffen die haar hard geopend wierd voor onze toestand. En die geven nu de
levensmiddelen op crediet totdat de fabriek en de motorboot los is en wij ons
geld krijgen. Er komen nog af en toe arbeiders kijken maar die moeten nog steeds
onverrichter zaken naar huis gaan.
Toen de zaak en ook de boot verkocht zou
worden heb ik een schrijven gericht naar de schuldeiser van Hoffmann,
behelzende: Mheer in dien het mogelijk is laat mij dan de boot op ebiteek aan
verdienen want ik zou geen raad weten met het oog op mijn gezin.
En daar kwam
een brief op dat ik zou verder geholpen worden.
Dus uw kan begrijpen dat wij
in spannende verwachting leven.
In alvast overlegen (in voorbaat) hoe en wat
wij zullen varen; en dat dan de kinderen naar school gaan en wij weer ons leven
van vroeger jaren terug krijgen, wij bidden en hopen dat God dezen Mheer zijn
hart nijgt als een waterbeek dat hij mij daar mee gelukkig maakt.
Wij zijn nu
sirca 4 maanden zonder geld,maar de Heere zorgt wonderbaarlijk dat wij geen
honger hoeven te lijden.
Nu zijn wij 4,5 maand met de boot van de fabriek aan
de ketting gelegen, en toen kwam de ijgenlijkt eigenaar van de boel en stelde
mij aan als hooft sjef van de fabriek, maar als de fabriek ging draaien moest ik
eerst nog een paar reizen doen tot de fabriek ging afleveren.
Nu zie uw uw
wij wierden gezegent boven bidden en denken.
Mijn vrouw Cornelia Johanna
Broos met onze kinderen en ik Hendrik Weltje woonden voortaan in een Heerenhuis
van mijn vorige patroon die een dief was en die mijn werkelijken heer voor
franken 120000,- had bestolen.
Nu versting ik beter de wonderlijke weg die de
Heere mijn God met mij gehouden had; ik moest te Alphen a/d rijn de cimentsteen
industrie leeren anders had ik hier niet kunnen fungeren voor
directeur.
Wonderlijk zijn de wegen des Heeren, en onnaspurilijk zijne
gangen. Daar kan een mensch niet in kommen, maar het is een groot voorrecht als
wij een vader in den hemel heben die voor ons zorgt; na ziel en lichaam.
Het
huis dat wij bewoonen heb beneden 2 kamers 1 keuken kelder plaats met afdak en
pomp een groot kippenhok en 1 trap op 4 kamers en een gang 2e trap
een zolder over het gehelen huis, een grooten erf een grooten hof en Bergland
voor weiland als wij vee kunnen koopen.
Dus uw kan begrijpen van een roefje
van 2 m bij 2,5 m en 1,5 m hoog en ons arbeidersloon op wat geld na, dat mijn
vrouw begreep haar eigen niet.
Nu hoopen wij van ganser harten dat God de
fabriek zegent met veel werk en goed weer, en veel afnamen en een ijzersterken
gezondheid van mijn dierbaaren Patroon en lust tot de zaak waarin ik gesteld
ben, en dat het de Heere als het in Zijn wijzen raad kan bestaan, veel
bemoejenissen met ons houd en weinig beproevingen mij toezend.
Als het goed
voor mij is, het is nu 13 April 1913 dat ik dit hier neer schrijf en het is nog
wijnig weer voor de ciment steenfabriek geduriglijk Noorsche sneeuw en
hagelbuijen, maar wij zullen maar hoopen dat het weer beter wordt voor de
industrie.
Ik heb daar aan de wal geweest tot 18 augustus 1913 en er is toen
verschrikkelijk veel voorgevallen.
Eerst nog toen de fabriek nog niet werkten
alleen een man om de boel op te knappen, ging het goed, dan kwam mijn patroon
zoo tussenbijden de boel bezien maar tegen dat het fabriek aan de gang ging nam
hij er een handlanger bij, en toen wier het slecht voor het volk en voor mij, de
heer noodzakten mij om opperman te speelen terwijl ik voor Sjef aangenomen was,
en hij begon mij te tergen om mij maar weg te krijgen. (dan kon hij mijn patroon
beter bedriegen ) wandt ik zag teveel.
Nu eindelijk maakte die bewuste
persoon zijn naam is Hubeek het zoo bont, dat als de Heere mij niet bewaart had
ik hem dood gemaakt had, en toen kreeg ik mijn ontslag, maar daar nam ik niet
dierek genoegen mee, omdat ze mij mijn geld niet geheel wilden betallen, maar
als Nederlander was daar niet veel aan te doen dus moest ik daar sirka 1200
frank achterlaten. Toen zijn wij ons meubelen op de motorboot naar brug 12
gevaren Kempische kanaal en daar op een kar geladen naar stasion Lommel voor 3
frank en is mijn zoon Hendrik mee gegaan voor de spoorwegbrief en toen zijn wij
overeengekomen dat onze meubelen maar naar Gouda gezonden werden.
Mijn vrouw
en kinderen en ik bleven wachten op mijn zoon tot hij van het stasion terug kwam
met de papieren van onzen meubelen, en toen was het 30 Augustus 1913 sávonds 10
uur. Toen stiegen wij daar Vrouw man en 8 kinderen in de Bleekerheide wel met
wat geld bij ons sirka 150 franken maar geen bed afdak om te vernachten.
Wij
dachten bij ons zelfen wij zallen over de grens gaan, dan zijn wij in ons
Vaderland, en dan kan de Belgiesche politie en ook de Nederlandsche Politie ons
geen schande aan doen.
Wij kropen in een sparrebosch gingen mijn vrouwen ik
dwars over onze kinderen heen liggen tot het morgenlicht door brak dit was
zondag 31 Augustus 1913.
Toen zijn wij onder het zingen van onze kinderen (o
dierbaar plekje grond enz) naar het eerste Nederlandsche dorp Luijksgestel
gegaan en daar bij de Rijkswegt werker ons gewassen en geeten en uitgerust, op
Bergijk aangegaan.
Daar ontmoeten ik een metselaar die ook aan het fabriek te
Lommel gewerkt had en die zijde: schipper komt in huis met uw gezin en drinkt
koffie en eet mee, dit namen wij met genoegen aan wandt wij haden honger en
waren vermoeit.
Toen vervolgden wij onzen weg en ontmoeten ook de gewezen
timmerman van de vernoemde fabriek, zo kwamen wij sávonds om 9 uur 31 Augustus
1913 te Valkenswaart door waternat geregent het eerste Hol ttspoor stasion in
Nederland wij zochten daar een volkshotel op en kwamen trecht in het boeren
Hotel "De Sleutel"
Daar heben wij volop brood met ham en spek gegeten en
hebben daar allen op goede bedden geslapen en smorgens weer leker gegeten en
toen gingen wij in het spoor naar Gouda.
Onderweg dikwijls overstappen tot
wij smiddags om 3.30 1 septem,ber 1013 op genoemde plaats af stapten.
Toen
bracht ik mijn familie naar een Herberg aan de volhardingboot genaamt Dikke Trui
en ging zoeken naar een woning. (dit ging bij aanvang niet vlug)
Maar door de
hulp van een knecht van de zeepfabriek, waren wij sávonds om 7 uur klaar, en ik
ging mijn vrouw en kinderen af halen om onze woning te betrekken.
maar onze
huisboel was er nog niet dus moesten wij ons behelpen op de grond.
Maar na
verloop van een paar dagen kreegen wij een paar strozakken en wat dekens te leen
om wat zachter te liggen.
10 dagen duurden dat en toen kwam ons goed .
Ik
liep drie wekn om werk en kwam los bij de Bargedienst daar ben ik 14 dagen
geweest (het beviel mij slecht) wandt ik moest 4 nachten in de week varen en op
den dag hart werken. Toen heb ik 14 dagen geen werk gehad, en toen wier ik
aangesteld als stuurman op de frachtmotorboot IJsel 9 daar wier ik van
verplaatst op IJsel 6 en dit was een slechten betrekking.
En na verloop van
tijd wier ik stuurman op de pasagierboot Ijsel2.
En nu zit ik met zwaren kou
gevat thuis totdat ik beter ben. Ik weet niet wat de voorzienigheid met mij
voorhep. Ik zou nog iets vergeten in de tijd dat ik bij de Bargedienst vandaan
was, heb ik nog een avontuur ontmoet.
Ik wier door een schipper genaamt Van
der Hoof van Bodegraven schip Eben Haeser aangesteld als schipper maar door
drajerij van genoemde man, heb ik geen andere reis gedaan dan na de werf om te
schrappen verfen en teren.
Ik dacht wat zou er toch van mij en mijn
huishouden worden, maar wij wisten ook dat den Heere altijd over ons waakt,
hoewel het altijd niet naar het vleesch gaat.
Ik zond een brief naar mijn
oude patroon te Lommel Beligie, hoewel die heer mij slecht behandelt had boven
omschreven, maar met het vertouwen op God dat Hij machtig was die baas te
beteren of mij ander werk te verschaffen, afijn ik wier schipper en werkman op
de cimentfabriek tot dat de boot verkocht wier naar Antwerpen aan de Marilinie,
eigenaar Gutrie en Murdog Engelsche heeren.
Daar ben ik met mijn zoon Hubert
veertien dagen geweest, om de schipper die er op vaaren moest te onderwijzen.
Wij zijn na die tijd weer op de ciment fabriek teruggegaan, maar hebben daar
slechten en liederlijke behandeling ondvonden door de directeur, genaamt Leon
Houbek afkomstig van Willebroek.
En wij kreegen het zo benaut dat ik nam mijn
ontslag met mijn zoons, in de vasten overtuiging dat God ons wel bij zou
staan.
Maar het begint er donker uit te zien, wand ik ben nouwelijks drie
weeken zonder werk of er breekt oorlog uit tussen Servige Ostenrijk Rusland
Duitsland Belgie, en wij wonen op dit grond gebied, en het is zoo goed als zeker
dat mijn Vaderland Nederland, verplicht is hetzelfden aan Duitsland te
verklaaren.
De Duitsen regering doet net eender als Napoleon in zijn tijd en
heb Belgie smeerig behandelt, door zijn grenzen te schenden, en geldbeloften te
doen, maar Belgie laat zijn vuisten zien en heb al verschijdenen Duitsers in het
Belgiesen zand laaten bijten voor de stad Luik 7 Augustus 1914.
Er zijn veel
dooden en gewonden op het oorlogsveld Duitsers en Belgiese, maar al is de
toestand benart Belgie zal zegevieren, om dat het in dezen zaak recht voor God
staat, wij hooren elken dag kanon gebulder, maar wij zijn in den hand des
Heeren, en als ons vaderland geschend wordt zal mijn zoons en ik strijden als
eens Jozua uit het ouden testament gedaan heb, naast God zeker van de
overwinning.
12 Augustus 1914. De oorlog is den 1 Augustus 1914 begonnen en
terwijl ik dit schrijf is het al zondag 13 Dec 1914 en er is nog geen
verandering in de toestand.
En dezen tijd hebben wij van Luiksgestel tot de
grens een oorlogs telfoon aangelegen en daar 4 gulden aan verdient en
aardappelen gerooit voor een heer uit Lil Belgie en mijn vrouw heb de wasch
gedaan voor het cimentfabriek en later voor de wacht Duitsche soldaten en een
Belgische duan, en mijn dochter Jakoba heb kousen gestopt voor Weduw Van Ham van
de grens Nederland en om de 14 daag gewassen bij de brigadier van de Belgischen
duanen, en daar kunnen wij niet van bestaan. Daarom halen wij ombeurten oud
brood dat er overschiet van de soldaten te Bergijk dit is 4 uur lopen heen en
weer naar huis. En wij halen nu pas een emer middag eeten aan de Weebosch elken
dag dit is 2,5 uur gaans heen en terug.
Wij zijn geholpen door een heer aan
11000 m2 boschland, dit gaan wij ontginnen, en proberen er een huis op te
zetten, op Nederlands grondgebied daar moeten wij voor betaalen 100 gulden
koopsom 5% rente s’jaars.
Dus als de Heere ons zegent en de oorlog is gou aan
het eind dan hoopen wij in ons eigen landje te gaan boeren.
Maar de mens wikt
en God beschikt. De Heere verwekte een tegenpartij in de burgemeester van links
Gestel Noord Brabant, zijn naam is Van Vlokhoven. De oorzaak was dat wij
Gereformeerd van belijdenis zijn, en dat kan Rome niet dulden. Inplaats dat ons
geloof er door verzwakten werd het versterkt door de genade, daarom wil de Here
ons beproeven om Satan meer afbreuk te doen.
De Here is wijs in al zijn weg
en werk. Dus God wil dat ik tot nog toe in Belgie blijf en geen land beteeld in
Nederland.
Wij beleefden benouden tijden het is nu negen maanden oorlog, 1
mei 1915 en het staat er net eender met als in het begin 1 augustus 1914. Wij
zijn door de verdrukking nog vooruit gekomen, wij hebben 24 kippen en 2 haanen
en een geite die voeren wij van het overschot van de brokke brood die wij bij de
soldaten krijgen dat te veul is om ze zelf op te eten.
Wij hopen dat het
spoedig vreden zal zijn, want ik had dikwijls van de oorlog gelezen maar bij
ondervinding hebben wij het nu dat verzeker ik den lezer 47,50 gulden 100 kg
rogge en 60,- gulden 100 kg bloem en nog haast niet te krijgen in Belgie. Maar
wij kunnen en hoeven het niet te kopen. God zorgt geregeld dat er bij de
Nederlandsche soldaten te Luiks gestel en Bergeijk genog voor ons over
schiet.
Wij hebben door allen ellende heen nog 50 roeden aardappelen gepoot
en een roe of 15 erwten en boonen dus loof den Heere wand hij is goed en laat
ons geen wezen, maar verhoord op het gebed, 2 Mei 1915.
Van bovengenoemde
datum tot 15 juli 1915 hebben wij nog steeds de eenen dag meer of minder de kost
gehad maar wij en geheel Europa snakt naar vrede maar het is nog steeds krijg en
oorlog.
Hoewel God ons nog steeds zichtbaar nabij is trots allen ellende en
verdrukking , want onze vee stapel is weer hoe langer hoe groter geworden wij
hebben nu 24 kippen 3 hanen en 2 mooie geiten maar ze geven nog geen melk maar
wij denken, alles op zijn tijd, en de Heere heb alles wel gemaakt, dies zijn wij
verblijd.
Wij halen nog steeds Nederlandsche soldaten brood en mijn vrouw
wasch voor Nedr en Duitsen soldaten. Zo moeten wij het van de enen op de andere
kant gooien om rond te komen, maar wij hebben geen schult gemaakt, en onze
geeerbiedigden Koningin heb er voor gezorgt dat wij drie keer een milde gift
hebben ontvangen uit ons vaderland, wij hebben hier een lief klein huis maar de
bakoven was verkeerd gebouwt, omdat wij nu zoo veel werkt niet hebben, heb mijn
zoon Hendrik met Hubert, hem afgebroken en een nieuwe op zijn zelfen opgebouwt,
en dit is een goede not nemen voor de broodbakkerij.
Wij hebben al een paar
keer aarappelen en groenten uit onze eigen tuin geëten en dit is allemaal puike
waar, nu hopen wij als de aarappelen uit de grond zijn, rogge te zaaijen, en wij
zijn ook steeds aan het land ontginnen met vollen moed op de toekomst 15 juli
1915.
De groenten hebben wij niet veel winst van gehad. Wij haden 161 kg
aarappelen gelegen en er uit gerooid 1058 kg dus dit gaat nogal op heideland. Nu
hebben wij 1200 m2 rogge gezaaid en die staat best 30 Janauri 1916.
Ik zou
haast vergeten dat ik in bovengenoemde oorlog nog vier weken krijgsgevangen
geweest ben omdat ik vals werd beschuldigd voor briefen smokkelaar door de
Belgen, maar ik heb mij toen in verbinding gesteld met de Nederlandsche Consul
en toen was ik spoedig vrij. Dus ook de Heere lied mij ook niet varen in
gevangenschap. Hij gebieden dat de onderofficier en soldaten goed voor mij
moesten. En ik kan ook getuigen dat ik het werkelijk goed had en kord bij de
Heere leefden. Dus een hemel in gevangenschap te Maseik Belgie.
Nu ter
zaken!; wij zijn aan het ontginnen in ons land, maar daar komt een
jobstijding.
Dat als ik mijn achterstallegen huer niet betaalt voor het huis,
dat de huisheer mij de rechter op mijn dak zal zenden, en er mij dan uit laat
zetten. Nu begrijpt ik wel dat daar de rechter geen macht toe heb in
oorlogstijd, maar na de oorlog wel. Dus voor een ander het bouwland goed te
maken, dat doen wij niet, en leven nu in de afwachting wat de voorzienigheid
doen zal, maar een ding is zeker, er zal geen haar van mijn hoofd vallen zonder
de wil van Hem, dus wij zijn in Gods hand.
De Belgen waaren erg vijandig op
mij, uitgezonderd Frans Nijs, een boer aan de zuiden kant van het Belgisch
kanaal brug 12 Lommel. De valsen mensen wilden aan ons geen levensbehoeften
verkoopen omdat ik als Nederlander mijn plicht gedaan heb aan mijn liefen
vaderland, met het oog op de smokkelaars.
Een tijd geleden had ik een
schrijven gehad van de kamer van arbeit voor werkzaakheden te Einthoven aan het
Fillip lampen fabriek Noordbraband.
Bij aanvang had ik daar op tegen omdat
wij een hekel hebt aan verhuizen, en omdat het gevaarlijk was om over de grens
te gaan met de Duitsen wachten, en dat wij voor veel geld roggegraan en hout
achter moesten laten, maar door broodnoot aangedaan door de Belge met namen
Weduwe de Bresser en Lissa Liij bijden wonende aan brug 12 Lommel.
Dus door
noot gedwongen en zin om naar ons vaderland te keeren beslooten wij om naar dit
werk te doen. Maar wij zaten nog in Belsch.
Hoe dit aangekleed om er uit te
komen, met ons meubelen, zonder doodgeschoten, of krijgsgevangen genomen te
worden?
Wij spioneerden hoe of de Duitsers patroeje liep en toen wisten wij
waar het gaan zou om over de grens te gaan.
En besloten het te wagen, er was
wel moet voor nodig en belijd maar het moest, en wij biden dat de Heere onzen
weg bewaren zou om niet ontdekt te worden, en God zij dank na de geheelen nacht
gewerkt en gesjouwdt te hebben waren wij over in het Hollandschen bosch tussen
genspaal 190 en 191 bij het land van den Heer van de Aker, dit was den 27 maart
1916 smorgens 6 uur.
Toen kwamen er af en toe officieren en soldaten om te
vertellen dat ik daar niet kon blijven zitten.
Nu ik zeg dat ik dit al eer
wist als de wachtcommandant maar dat er een voerman moest komen om mijn meubelen
te laden, maar de menschen waren mij in Luiksgestel Nbrabant niet erg gezind
omdat daar veel smokkelaars wonen, die als ik de kans had een stok in het wiel
stak dit was mijn roeping als getrouwen vaderlander. Wij mochten niet aan de
grens bij onzen meubelen snachts blijfen slapen, en de burgemeester werkte ons
tegen omdat hij meer van de smokkelaars hield als van ons. Maar ik had een goede
vriend aan de rijksveldwachter, en die ging er savonds met mij op uit om een
huis te huren, en met groten moeite huurden wij een ouden boeren woning, als het
zijn moest tot maart 1917.
Maar de boer zanikte nadat hij ons verhuisboel
gehaald had, en er woonden gij moest maar een contract op zegel tekenen, dat gij
het huis verlaat den laatsten mei 1916 maar ik zijden dat God er voor zorgt dat
wij eer een huis hebben, korter bij mijn arbeid en wat praat gij boos tot 31 mei
als ik geen huis heb, hebt ik recht aan het huis tot maart 1917.
Maar die
onrechtvaardigen man zanikten dat ik toch maar tekenen moest, dan kwam het toch
op een paar dagen niet aan.
Dit was als het er op aan kwam een lagen streek,
en met be burgemeester van Luiksgestel aan het roer maakt hij een contractje
klaar, dat ik maar tekende, om de kinderen van mensen maar tevreden te stellen,
en vroeg, Nu zal je wel geruster slapen vannacht? Iest niet?
Maar na wij werk
aangenomen hadden bij de burgemeester van Bergeijk gingen wij daar arbeiden met
ons drieën, en wij dachten, nu zullen wij wel weer brood verdienen, nadat wij
zoo veel elende in het vervloekte Belgeland geleden hadden, maar helaas in
Nederland woonen ook loondieven, ik als huisvader verdiende per week van 65
werkuren zegge fl 6,50,- en daar moest ik de gehele week voor spitten. God
straft burgemeester Aarts van Bergeijk.
Toen ik er een week gewerkt had
spraken wij thuis af , als het maandag is gaan Hendrik en Hubert naar de
loondief te Bergeijk en ik ga naar Eindhoven, naar bovengenoemden fabriek om
werkzaamheden die winstgevender zijn en ik kom niet eer thuis mat Gods hulp,
voor ik een huis en werk heb.
Nu, arbeit had ik direk, maar een huis dit gaat
zoo makelijk niet, en dwaalden door een voor mij onbekenden stad zonder te weten
waarheen, maar niet zonder de hoop dat God mijn weg voorspoedig zou maken, en
wat wordt mij gezonden van Boven.
Ik was afgedwaalt naar het kanaal en
ontmoet daar een aan mij onbekenden man, en vroeg hem of hier geen kantoor was,
daar ik mij kon aanmelden als kapitein op een boot van Vanden Schuit van
Rotterdam, en of hij voor mij geen huis wist?
Nu dien man is mijn goede
vriend geworden omdat hij mij overal aan bijgestaan heb, waar ik hem voor nodig
had, om aan werk en huis te komen.
Nu het was beslist dat wij naar Eindhoven
zouden gaan, maar ik moest nog af en toe op het kantoor komen van het
lampenfabriek, en wij kwamen overeen met mijn nieuwen vriend dat ik de tuin voor
hem zou spitten, en dat gebeurden met regenachtig weder, dus zodoenden bleef ik
4 dagen bij dezen menschen.
Mijn vriend heet Jan van Keulen en woont in de
Luciferstraat op een na het laatsten huis.
Ik stapten naar de voerman van
Bergeijk-Eindhoven, met J.van Keulen, en akkordeerden voor tien gulden om mij te
verhuizen naar Eindhoven, van Luiksgestel Boseind uit het huis van Van der
Boogaart, en dit gebeurden den 17 April 1916 en wij gingen wonen in het
Filipsdorp op den Buld B11 te Strijp bij Eindhoven, en gingen aan den arbeid met
Jakoba, Hendrik, Hubert en Neeltje den 19 April 1916 aan bovengenoemde
fabriek.
Om allen kosten te dekken, gaf het kantoor ons een voorschot van 23
gulden en 4 steoeln voor fl3,80,- en nu hopen wij dat er eens een tijd aan gaat
breken dat de ellende voor ons voorbij is.
Wij arbeiden met veel plezier, en
wij hopen tot genoegen en voldoening van onze directeuren.
Zoo waren wij dan
een veertien dagen te Strijp Philipsdorp, maar onzen magen konden niet meer
tegen het goeden Nederlandschen voer. Dus gevolg was dat wij allen twee of drie
dagen ziek werden. Maar nu zijn wij, hopen wij door de crises en werken met
ijver.
Zo kwam de 2 en 3 Juni 1916 en aan al den arbeiders(sters) werdt
gelegenheid gegeven het 25 jarig bestaan te vieren van het Philips lampenfabriek
in de vorm van optocht door Eindhoven kermis, muziek, bier, sigaren, limonade,
koek en sesijsebroodes en volop muziek en een fonds gevormt als gift van den
firma van fl 100.000,- als hulp voor menschen die hulp behoeven.
Wij hebben
veel plezier gehad, maar er waren ook menschen daar wij ons aan
ergerden.
Maar het is hier beneden niet volmaakt, en er gaat niets boven het
waarachtige plezier en vreden die genoten wordt in de huiskring en met te
spreken en beleven van de dienst des Heeren.
Maar tot mijn spijt kon ik het
in den ploeg daar ik geplaatst was niet langer uithouden, een slechten
behandeling en het werk zwaar, en te weinig geld.
Voor aangenomen werk bij
voorbeelt 12,5 cent van 1000 kg kolen.
Ik zag om naar ander werk, en werd
aangesteld als lading meester van het Meijerijse tram, het beviel mij daar direk
slecht, eentonig werk er werd erg gevloekt en op mijn verantwoordig werd er door
de rangeerchef gesmokelt naar Belgie in de tijd van de wereldoorlog begonnen 1
Aug 1914.
Toen zegde ik mijn betrekking op, en ging 14 dagen later weg. Toen
heb ik een poos zonder werk gelopen en later los gewerkt bij Van der Ven &
Co in de steenkolen te Strijp Pr NoorBraband, maar er kwam een tijd , dat, de
regering ging zich bemoeien met de steenkolen leverancier en toen had Van de Ven
& Co mij niet meer nodig omdat de klanten monnejesmaat bediend
werden.
Dus ik moest weer naar anderen bezichheden uitzien.
Ik nam een
hoek aardappelen land aan om klaar te maken voor de aardappelen.
Maar op het
ogenblik heb ik toch nog geen werk.
Nu heb ik 500 meter lanf gehuurt en die
ga ik bewerken in de hoop dat God wasdomen zegen op mijn arbeid geeft.
Wij
hebben van genoemd ennorm veel aardappelen gehaalt.
En de loop van de tijd
ging mijn vrouw en ik eens wandelen in de Strijpsche bosschen, en toen zagen wij
een mooi stukjen heidegrond liggen, en mijn vrouw wilden daar wel wonen en dit
land kopen, maar wij hadden geen geld, alleen wat wij onder elkander nog al
verdiende, wij zeide tegen onzen bakker, genaamt Cristiaan Melissen: wij hebben
een stukje heideland gezien Cris! En dit leg onder Strijp, nu moest uw eens met
mij gaan zien, dan konden wij de eigenaar wel uitvinden.
Nu wij gingen eens
kijken en mijn vriend de bakker wist dat het van Pieter van der Looij was te
Strijp aan den Venstraat, wij gingen er dadelijk heen, en wij maakten conditie,
dat het stuk land verkocht was voor fl 287,- om af te lossen per week met fl
5,00 en 5% rente.
Er werd een koop huurcontact opgemaakt bij Notaris
Westelaken te Woensel NBr, en ik was met de gratie Gods landeigenaar, wij
getuigen dat wij nog nooit zo blijden geweest waren, wij gingen met vollen moet
en een gebed op onzen lippen aan het ontginnen en bosch rooden.
En toen wij
een flinken hoek om hadden hebben wij er haver, aardappelen en rog op
geteelt.
Na verloop van tijd moesten wij toch wat vee heben, en toen ik mijn
land betaald had kocht ik een kalf van 5 maanden van dezelfde boer op dezelfde
conditie voor fl 50,- wand om hem direct te betalen kon ik niet dus het ging op
dezelfde manier als ons land.
Dus ik was landbouwer wij hadden uit Belgie
meden gebracht tien kippen en een dekbok en wij hadden drie jongen geiten en
genoemt kalf.
Zo was ik eens aan het ontginnen, toen van Bijzingen naar mij
toe kwam dit was een aannemer te Strijp Willemstraat en bood mij aan een huisje
voor mij te bouwen, hij zeide ik heb oude steen en pannen , en wat nieuw hout,
en dan heb je gou een bedrijfje. Ik zijde: ik heb geen geld alleen maar dit land
en mijn beetje vee. Nu uw kan dan toch wel geld krijgen bij een notaris op uw
land? Ik zijde wij zullen het proberen.
Ik spoede mij naar dezelfde Notaris
en ik was spoedig in het bezit van het ebiteek, maar heelaas, de aannemer van
Bijzingen bedroog mij, en heb nooit voor mij gebouwt, hoewel hij mij vier
maanden om de tuin lijden.
Na ik de laatste keer had geinformeerd had bij de
genoemt mensch en al maar uitstelden, werdt ik boos en zijden tot mijn vrouw,
die kerel bedriegt ons, nu gaan wij zelf een huis bouwen, van ons bosch en muren
van heide zoden, en in ons woonvertrek leem tegen de muren en gewit.
Het dak
was van stro en riet, de vloer was bij aanvang leem, maar dit beviel niet en
toen heben wi later planken van spekkisten en oude steen gebruiktvoor de vloer
en een oude kachelpijp door de muur om een kachel te stoken, dit was heel
gevaarlijk voor brand.
Wij moesten ook een stal bouwen voor ons vee en dit
deden met dezelfde materiaal.
Zoo konden wij ons vee onder droog
zetten.
Toen dit klaar was warten wij de koning te rijk, maar nu zou ik haast
vergeten om te vermelden, hoe wij de tijd vonden om te bouwen.
Mijn zonen
werkte aan de fabriek van Filips, en als ze savonds om zeven uur thuis waren dan
gingen ze gou naar de heide om te bouwen, en dan brachten ze elken keer een
hondewagen met meubelen meden.
Toen dan eindelijk ons huisje klaar was 25
juli 1918 kwam mijn vrouw en de overige kinderen naar het heide huisje en wij
sliepen de eerste nacht allen onder eigen dak.
Er moest nog een halfen
hektaar ontgint worden en dat deed ik met hulp van onze jongens.
Dus het
laatsten van ons land was ontgint in 1919 half april.
Ons vee breide van
lieferlede uit en omdat wij een hekel aan een potstal haden besloten wij een
hollands koestal te maken, dit koste veel geld en dit haden wij niet.
Dus
besloten wij hier en daar wat oude stenen te koopen, en toen het net in de pen
dat mijn dochter wilden gaan trouwen en die moest ook een huisje hebben, dus
kochten wij wat meer oude steen, en na verloop van een half jaar was het stal en
het huisje van mijn dochterklaar, dit was het begin van 1021.
In de loop die
tijden werkten mijn zonen in de heide, dit was comite werk (het was toen heel
slap met allen werkzaamheden).
Later gingen mijn twee oudsten jongens naar
Philips terug maar niet lang, wij zijn emaal geen fabrieks menschen en toen
namen ze land aan om te ontginnen van H.Hooijen en H en W van de tuin wonende te
Woensel en Strijp NB.
Maar toen dit gebeurt was, hebben ze geen werk meer
kennen krijgen.
Dus de zomer ging voorbij van 1921 met weinig arbeids
verdiensten.
Mijn zoon Hubert was ingeloot en moest in dienst dus die ging
naar de kazerne in Gorichem, mijn zoon had het er goed maar was liever bij zijn
ouders.
Maar het is niet anders, het lot is in de schoot geworpen.
Toen
wij er een jaar eigenaar waren kwam er een heer uit het dorp Seels bij ons op
bezoek en diende zich aan als Mheer Habraken linnenfabrikant, en zijde tegen
mij, ben u Weltje de baas zelf, en ik vroeg hem met wie ik de eer had en toen de
blichtplegingen waren afgelopen zaten wij gezellig te spreken over zee en
riviervaart en landbouw en veeteelt en ontginningswerk, en toen liet ik hem de
boerderij zien, en toen sloeg hij zijn handen in elkaar en zijde, ze hebben mij
veel van uw vooruitgang gezegt maar de helft is mij niet gezegt, net als in de
schrift met de koningin van Sheba.
Nu ben ik op het idee gekomen, om iemand
die zoe een werkend thuishouden heb meer land moest hebben, en nu heb ik er over
gedacht om mijn heideland in de gemeente Zeelst aan uw, Weltje over te doen voor
fl 125,- de bunder.
Ja maar zijde ik, wij hebben wel dit land en ons vee
vrij, en zonder schuld, maar geen geld om zoo enorm stuk land te betalen.
Dit
begrijp ik goed zijde den Heer Habraken maar ik weet ook dat u dit van
lieverlede kan betalen.
Uw Weltje steld zelf maar de conditie op hoe of u wil
lossen en ik stel voor 4% rente voor het kapitaal.
Nu wij kwamen tot
overeenkomst om fl 150,- per jaar te storten met inbegrip van de rente, en
genoemde Heer zijde, geeft gij maar het koop huur contact uit, gij bent geleerd
genoeg om het zelf op te maken, (hier in NB is een mens gou geleerd).
Dus wij
zien hier dat de Heere ook op maatschappelijk gebied de harte ook nijgt als
waterbeken.
Wij zijn nu van 1921 December en streng winter.
Ik moet ook
verhalen hoe of ik aan mijn veestapel gekomen ben, wandt ik had alleen verhaalt
van ons eerste beest, onze zwartbonte koe, wij haden bij enkele menschen vier
geitjes gekocht, toen woonden wij nog in het Philips dorp, maar wij haden een
ongezond stal, en de beesten werden zoo stijf, dat ze konden niet staan.
Dus
besloten wij ze te slachten.
Onze groote dekbok was zo vet geworden, dat hij
kon geen dienst meer doen en besloten wij om hem ook in de kuip te douwen, dus
wij hielden alleen onze zwart bonte kalf over, een koe was het nog niet.
En
toen, zoals ik al verhaalt heb, gingen wij naar het Heide huisje.
De tijd
brak aan dat onze koe kalven moest, maar ik ben geen bekwamen boer, dus ging ik
naar een kennis van ons genaamt Wilhelm van der tuin, boer te Strijp, en toen
ging het voorspoedig met de geboorten van ons eerste kalf dat wij zelf gefokt
haden, maar het was een stier dus voor de boerderij had ik er niets aan, wij
kwamen overeen, om hem goed te voeren, en om hem dan te verkopen voor de slager,
er kwam voor ons een mee valdertje.
Er was een slager en veekoopman die had
wel zin om hem te ruilen met een kalf getekent rood bont, mits ik acht gulden
toe gaf, en omdat hier in NB rood bont vee gewild is, en omdat het een kuiskalf
was besloten wij om het te doen, dus mijn zoon Cornelis en ik laaden ons stier
kalf op de honde kar, en wij kwamen trug met een mooi kuiskalf naar huis, wij
haden geen geld om ineens de acht gulden bij te betalen, maar omdat ze ons
vertrouwde, mochten wij twee gulden per week brengen, wij waren er voorspoedig
met onze nieuwe koop tot het vijf maanden oud was, wand als wij hem van het stal
haalden, rolde hij dikwijls van zijn zelfen, en toen kreeg ik den raad om hem in
zijn oor te snijden en toen heb hij niet meer in kaswijn gelegen, met het oog op
ons veelen land was het goed dat wij veel mest haden.
Dus ging ik naar mijn
viend P.Berkmans en vroeg of hij geen schaap voor ons te koop wist, en of hij
met zijn geld helpen wilden met 5% voor het gebruik, zeker zijde hij, ik weet
een schaap te Oerle, en ik ga meden om hem te koopen, en voor het geld zal ik
zorgen, alweer een bewijs dat de Heere de menschen nijgden om ons alweer bij te
staan, hoewel wij het niet waardig waaren.
Wij gingen samen per fiets op rijs
en kwamen trug met het schaap, het kosten fl 27,50.
Dus ik wist weer waar wij
voor zorgen moesten.
Dit schaap had een half jaar later twee lammen maar
helaas rammen, dit viel wel een beetje tegen maar afijn, wij haden toch
vermeerderig van vee en dit betekende meer mest voor het land.
Naderhand heb
ik nog een klein schaapje gekocht en dit is een prachtbeest geworden, veel wol
en buitegewoon groot. Het werd zoo met onze stallen gesteld dat wij moesten
noode uitbrijden, omdat wij ons vee niet meer huisvesten konden, maar gereed
geld haden wij niet voldoende, dus moesten een weg vinden voor een beetje klaar
te komen, wij kochten een deel masinekisten en asfelt en naderhand nog wat
schoenenkisten geruild voor gehakte takkenbosen, en wij bouwde een
schaapenstal.
En die tijd kalfde mijn zwart bonte weer en was het gelukig een
rood bont kuiskalf.
Onze boerderij was van dien aard, dat wij konden het met
een hond en kar niet meer doen, dus wij prakdiseerde over een ponne met
kar.
Dus wij besloten weer naar mijn vriend te gaan om het hem voor te
leggen, en die zijde, dat hij een paardje te koop wist te Zeelst bij van de Ven
van Engelen, dus ging ik eens zien en kocht daar niet alleen een ponne voor fl
340,- maar ook een tuig voor fl 15,- en een kar voor fl 47,50 dit was weer een
heel cappitaal om aan te verdienen maar de Heere zegende ons ook daar
meden.
Uw kan wel begrijpen dat omze stallen weer uitgebrijd moesten worden,
wand ons paard staleden wij bij onze koe en kalf.
Dus wij besloten gou een
paardehuis op te slaan.
De paalen kochten wij bij de boschwachter van den
Heer Philips en de planken van genoemde kisten, wij zijn ook begonnen een afdak
in elkander te zetten voor onze kar, maar door de finacieelen moeijelijkheid
moeten wij dit werk voorloopig half klaar laten liggen.
De wiellen van onze
kar waren versleten dus moesten wij grooten kosten maken om aan nieuwe wielen te
komen, dus gingen wij weer naar onzen genoemde vriend en die hielp mij weer uit
de war.
Genoemde wielen kosten fl 95,- dus ik had weer zorgen hoewel er van
de masine kisten ook nog fl 19,- betaalt moet worden aan mijn vriend Verhagen te
Einthoven.
In die periode hebben wij met veel zorg nog drie varkens gemest en
die hebben wij toen verkocht aan P Berkmans slager te Strijp, maar omdat het
jaar 1921 vreeselijk droog was konden wij geen nieuwe biggen op zetten, dit was
een schade post.
Voor dit plaats had heb ik onze Ram schaapen lammen van ons
oudste schaap geruild voor twee geiten en fl 15,- toe, dit deden wij omdat wij
niets aan de rammen haden, wij hebben de oudste geit gemest en geslacht, en de
jongste hoop ik moet nu lammen.
Dus ben ik zoover met mijn leven geschiedenis
gevorderd , dat wij hebben aan vee groot en kleinrunderen drie, drie schaapen
een geit een paartje 28 kippen en drie haanen.
Wij hebben in october 1921
meer dan twaalf oude kippen en jonge haanen verkocht.
Het is ook vermeldings
waardig dat wij van steen een stookplaats en bakoven gemetseld hebben, en toen
de winter 1921 inviel dachten wij nu zullen wij wel iets verdienen met
broodbakken, omdat enkele menschen van onze kerk gevraagt haden Weltje kan je
geen boerebrood voor ons bakken.
Nu dit hebben wij gedaan hoogstens vier
dagen maar het is alweer gebleken dat ze alleen van woorden godsdienstig zijn
als het zondag is, maar door de week komt het niet zo nou, al houden zij hun
woord niet, dus wij zaten al rap met een hoop brood te kijken, en een hele hoop
menschen van onze kerk dat werkelijk ellendelingen zijn, wel vol van
vergaderingejes en propaganda maar werkelijk geen waren leden van het lichaam
van Cristus.
Ditmaal geen vorderingen voor het kerkelijke leven.
Mijn zoon
Hubert is in 1921 7 oktober in dienst gegaan voor zijn nommer bij de kanoniers
1R4R3K.
Zooals boven verhaalt, maar ik wil dit alleen nog maar eens schrijfen
dat dit toch in een dure tijd een voorrecht is dat hij in de winter weg moest,
dan is hij in de zomer eraf, als er misschien weer wat te verdienen valt.
Dus
dit is ook een zegen omdat hij toch dienen moest, is het beter in de winter als
in de zomer.
Nu zijn wij 3 maart 1922 en mijn zoon Hendrik is aan het
stukadoren met mijn schoonzoon Cornelis Dijkstra in de St. Trudostraat, Hubert
mijn zoon moet nog vier weken dienen, mijn zoon Gerard is nog in de Strijpse
heide Comite werk en mijn zoonen Cornelis en Dirk gaan dagelijks naar onze heide
onder Seelst om het land verder te ontginnen en ik H Weltje zij beriderd thuis
de boerderij en mijn dochter Neeltje gaat twee dagen in de week uit het werken
in het Philipsdorp en mijn kleinen dochter Anna help bij haar moeder
thuis.
Wij hoopen dit jaar 1922 de eerste vrucht in Zeelst (zwarte haver) te
zaaijen en hoopen dat onze pogingen, met de zegen van de Heere bekroond
wordt.
Als ik nu ons leven aanziet en toen ik vaarden in Holland en Belgie,
dan vloeit ons hart over van erkenning en dankzegging aan God voor zijn
biezonderen genade, en dan zeggen wij wel een wat onderschijt ons?
Zoo hebben
wij tot 1927 aan de Vensche Dijk gewoond tot 5 september.
De rede dat wij
verhuisde was dat wij ons stukje land verkochten aan den Heer Philips voor fl
5000,- en toen ging ik naar Notaris Daverveld Eindhoven en die gaf mij een
ebiteek van fl 6600,- daar van losten wij fl 350,- af aan de NB boerenbond, dit
was bestemt geweest voor bedrijfskapitaal, en wij losten ook het restant af aan
de Heer J Habraken te Zeelst, groot fl 680,- en het uitvlakken op het kadaster
kosten ook heel wat cirka fl 300,-
Toen lieten wij een tekening maken voor
een huis op ons nieuwen land, en dit werd goed gekeurt, dus gingen wij
bouwen.
Dit huis bestond beneden uit woonkamer slaapkamer dorsvloer keuken en
een stal voor acht koeien, maar nu haden wij nog geen stal voor ons paard en
kippen en het geld raakte op de bodem.
Dus een leening gevraagt aan vrouw
Nelisen te Strijp (Eindhoven) daar bouwden wij een stal voor met ruimte voor een
paard en vier kalfen.
En een stal voor 200 kippen vorstvrijer aardappelen
scheur en hok om te bakken met steen vornuis voor water en varkensvoer te
koken.
Dus de woning met toebehooren was in orden, nu konden wij ons geheel
op de landbouw toelegen.
Het perceel waar het huis op gebouwd was, bestond
uit ongelijke aarde diepe puten en vennen en hoogten, daar was veel zwaaren
arbeid aan verbonden om dit tot een goede weide te maken.
Zo moesten wij het
achterste gedeelte met drie paarden laten ploegen (dit was allemaal
buntbossen).
Toen het klaar was hebben wij in de beginnen er op geteelt
rogge- zwarte haver aardappelen en toen ingestoken voor weide.
Toen zijn wij
aan het tweede perceel het grootste gaan werken en daar kwam cirka elk jaar ¾ HT
van in cultuur, daar teelde we in de beginne precident haver en rogge en een
jaar later ook aardappelen.
Met de veestapel ging het afwisselent wij haden
de eerste tijd nogal eens dat er kalfen doodgingen en ook wel nu en dan kippen,
en wij haden af en toe ook wel eens een werkje bij een ander.
Maar het werkt
met het werk elders en op de boerderij slechter, zodat ik tot 2 maal geld moest
leenen om mijn renten met 10 Feb en 10 Aug te kunnen betalen en al twee keer vee
moest verkoopen om aan mijn verplichtingen te kunnen voldoen.
Het was voor
ons een klontje uit de pap, toen wij de melk niet meer konden leveren aan de
bakerij van Philips dit was een verschil van 7 cent op de liter met de nu
levering aan St. Peterus melkfabriek te Eindhoven, dus wij gingen alledag
achteruit, stel voor aardappelen onverkoopbaar, leren twee en een halfen cent,
maar door allen crisus (gericht in het Hollands) vertrouwen wij in onzen God,
door onzen Heer Jezus Cristus, dat Hij ons zowel, in de geestelijke genade ook
ons zal bijstaan in ons maatschappelijke arbeid, dit weeten wij zeker, omdat wij
nooit gebid hebben voor een beziting, maar wel uit genade ons dagelijks
brood.
Hert land dat wij ontgint hebben is best, wij hebben voor het eerst
1931 brood gebakken van ons eigen land, heerlijk rogge en tarwe brood en lekere
aardappelen en groente.
Onze zwager Arie Broos had ons aangeraden schotsche
nero te poten voor zaad te winnen voor zijn patroon den Heer Panevis te Delft,
het groeide goed, maar de haasen en konijnen knaagde alles af, zo haden wij een
schade van ruim fl 500,- dus daar aten wij peperaan.
In de tijd dat wij in
ons nieuwen huis woonden haden wij het ongeluk dat wij haden een paard dat de
kolder (krankzinnig) had.
Dit beest haden wij gekocht te Strijp Eindhoven van
een boer voor fl 260,-
Wij konden met dit paard ons werk niet blijfen doen
omdat het levensgevaarlijk was.
Nu gebeurde het op een zekere dag dat er een
voerman kwam uit het dorp Oerle, die ons paard ruilen wilde met ons paard omdat
het onze harder loopen kon.
Maar wij waarschuwde die man, dat hij dat niet
moest doen, omdat ons paard voor een mens levensgevaarlijk was, maar hij
namelijk die voorman zijde dat hij niet bang was, en dat hij beter met paarde om
kon gaan dan wij.
Nu antwoorde ik, wij hebben er 7 ½ jaar met gewerkt, en nu
wil ik hem aan de slachter verkopen, dan kan geen mens ermee een ongluk krijgen,
wandt mijn zoon Hubert heb dit paard
Ook al zijn hand kapot geschopt.
Nu
die voerman moest en zou hem ruilen, en toen ging het door de koop, in de vorm
van op zijn paard fl 37,50 toe.
En toen wij afrekenden gaf ik die man nog een
gulden meer voor een sigaartje, zoo was ik in mijn schik met ons nieuwe paard
een zwarte bles, dit is een beest die geknipt is voor boerewerk
Een mak lief
beest ploegen dat het een lust is.
Nu wij zo een paard hebben schieten wij
hard op met ons ontginningswerk, en nu hoopen wij van dit jaar 1932-33 zoover
klaar te komen dat alleen het achterste gedeelte van ons tweede perceel
(venland) nog niet ontgind is, daar hopen wij in 1933 aan te beginnen zo de
Heere wil!!
De jaren 1930-31-32 zijn buitegewoon slecht met de landbouw en
veestapel, wij zijn in die jaren minstens fl 3000,- achteruit gegaan, maar wij
hoopen dat de Heere ons nabij is, en dat de tijd ons weer, met Gods hulp weer
meer voorspoed geeft.
Er kwam een tijd dat het nog slechter werdt met de
landbouw oorlog en revelutie in het buitenland werkeloosheid.
Toen ging mijn
zoon Dirk in de heide ontginning werken voor een klein loon.
Toen kwam de
mobelesatie in ons vaderland, om de veestapel genoeg eeten te verschaffen haalde
wij aardappelen schillen op in de Terisia bouw te Strijp Eindhoven maar
ontmoeten daar veel menschen die het schraal haden en ontevreden waren doordat
er testerbutie op voedingswaren ingevoerd.
Eerst ging het nogal met het eeten
maar op het laatst was het brood te wijnig en zeer slecht. Men zijde dat er
bloembollen inzaten vijn gemalen.
Het wier 1940 den 20 Mei daar viel
Duitsland binnen met een groote macht, zonder oorlogs verklaring. (binne zonder
kloppen).
Er was geen rede voor oorlog, wij haden genoemt land niet anders
gedaan dan goed, ook in de oorlog van 1914-1918.
Duisende kinderen van
Duitsland Oostenrijk Frankrijk Hongarije Belgie zijn hier in Holland opgenomen
gratis om ze van de hongerdood te reden, en uit dank daarvoor komt Duitsland
zonder oorlog rede in ons schoone Vaderland.
De Heere weet alles, dus weet
ook , dat dit niet de weg was maar voor Godelozen een straf en voor konderen
Gods een castijding.
Gedurende deze booze tijd moest ik aan de Duitse voeding
afgeven voor ¼ van de waarde tweei koeien twee pinken en twee varkens van cirka
600 pond zamen en een mooi vospaard waarde fl 2700,- gulden voor 1600 gulden om
bij het Duitse leger dienst te doen in Rusland.
Toen hebben wij met moeiten
een grijs veulen gekocht in Bladel voor 1625 gulden een beesje van 1 ½ jaar daar
kunnen wij niet zoo meer werken als met het vorige paard, dus alles schade wat
de klok slaat.
Nu in 1940 Augustus namne ze van mij 5 hectaren weide en
bouwland in beslag daar heb ik van hollands geld 1135 gulden voor gehad van 15
juni tot 31 December 1940 nu moet ik mijn schade nog ontvangen van 1941 en 1942
het is alleen niet zuiver dat ik dat niet ontvang van Duitsland met zilveren
Marken, maar allee pluk nu maar eens veeren van een kikvors.
Er is bij mij in
1942 een kuis en stierkalf geboren, maar daar zal ik wel weer van moeten
afdragen aan genoemde instantie.
Ze hebben bij mij op mijn erf een barak
gebouwd met 14 kamers rijk gemeubileerd.
Met ook zoveel radios, een kwasi
molen met wieken daaronder een wachtlokaal met veeel televoons en radio een
barak voor soldaten voor het huis wat mijn zoon Hubert bewoont, een badlokaal
met koud en warm water, mijn wagenschuur afgebroken en een groote auto garatie
gebouwd met steene vondament.
Een pad door mijn weideland met aan weerzijde
palen en draad met belegen met een vlonjer van houd om over te lopen.
Het
jaar 40 en 41 hebben wij ons koren (alleen graan) af moeten staan voor een
afbraak prijs, en nu zou ik haast vergeeten om op mijn varkens trug te komen,
nog 20 gulden of 10 hechtenis moest betalen voor loon dat ik de heere? Aan
heerlijke karmonade en heerlijken spek geholpen , natuurlijk
onvrijwillig.
Vanaf hier wordt het verhaal overgenomen door Jacoba (tante
Ko).
Tot zover heeft vader geschreven.
Het was nog midden in de oorlog.
Veel hebben ze allen meegemaakt, maar de Heer heeft ze door alle moeiten heen
geholpen.
De oorlog ging nog door en veel bombardementen kwamen maar de Heer
heeft ze allen gespaard.
Het laatste bombardement sloopte bijna het huis alle
ramen en deuren lagen eruit en de muren waren gescheurt. Toen vluchten de
Duitsers en kwamen de Canadesen en veel Hollanders stalen alles wat ze maar
konden.
Hert was een hele kolonie op het erf.
Vader Moeder, Anna met Okko,
Kees en Grietje, Huip en Jen en op 100 meter afstand woonde Henk en Sijg,
allemaal met hun kinderen.
Het ging niet zo best met de boerderij het bracht
te weinig geld op om behoorlijk te kunnen leven.
Kees zou op de boerderij
blijven wonen en Dirk ging bij Philips werken.
Huip werkt eerst in de
ontginning en later op een pijpenfabriek.
Maar had zwaar astma en had veel
last van ademnoot.
In 1954 vatte hij kou en kreeg longontsteking. Hij was te
zwak om het door te komen en in Novenber 54 stierf hij.
Vader was toen al
enigszins dement en kon het niet begrijpen.
De meisjes van Huip en Jen werkte
en zo leefde ze nog voort.
Anna en Okko kregen twee dochters, ze gingen in de
stad wonen daar had Okko zijn werkplaats.
Zo had moeder geen hulp meer voor
het huishouden, maar toen is Jen bij vader en meoder gaan inwonen.
Vader werd
al minder en had veel oppas en zorg nodig.
Kees deed veel voor Vader en
Moeder ze hadden veel steun aan hem.
Met Vader ging het achteruit en November
58 is hij overleden. Ze waren 62 jaar getrouwt geweest.
Moeder wilde toen
geen eigen huishouding meer hebben en ging bij Jen wonen. Achteraf bekeken had
ze beter op zichzelf kunnen blijven daar ze nu niets te doen had.
Ze heeft
toen bij al de kinderen een paar dagen gelogeert, het langst bij Ko en
Kees.
Toen de winter kwam ging ze sukkelen en at bijna niet meer.
Op goede
vrijdag van het jaar 1960 is ze in haar slaap de eeuwige heerlijkheid
ingegaan.
We waren dankbaar dat ze geen lang ziekbed heeft gehad, maar zo de
heerlijkheid mogt binnengaan.
Moeder was een stille tevreden mens en altijd
dankbaar voor alles, zelfs als we het moeilijk hadden vertrouwde ze volkomen op
de Heer die alles wel zou maken.
Toen ze begraven werd hebben we haar lied
gezongen: Ik ben reizend naar die stad waar Cristus het licht zal zijn om eeuwig
daar te zijn bij Hem, verlost van smart en pijn.
Jen bleef nog een paar jaar
op de plaats wonen.
Ze kreeg eindelijk een huis in Veldhoven.
Haar 3
dochters waren al getrouwd en had ze alleen haar zoon Huip nog maar
thuis.
Kees kon toen op de plaats gaan wonen.
De kinderen werkte en het
ging wat beter met de boerderij.
Het huis was wat opgeknapt en het vee
gedijde goed.
We dachten nu komt er een betere tijd.
Maar op een dag
hoorde Kees dat alles onteigent zou worden in verband met de aanleg van
vliegveld.
En zoo is heel het land en huis onteigent. Het is het eind geweest
van de coloni die Vader Weltje gesticht had.
Alles bracht veel geld op maar
veel liever hadden we het oude bezit gehouden waar zoveel herinneringen aan
verbonden waren.
Tot zover de geschiedenis van het oude huis en de kindere
Weltje.
Ko trouwde met Kees Dijkstra in 1921 en woonde eerst in een
eigengebouwde huisje op de Vense dijk en daarna in de Thorbekke straat en daarna
in de Nicolaas Beetstraat.
Kees was stucadoor en toen het heel slegt met werk
ging namen we pensiongasten in huis.
Later kon Kees onderhoudswerk doen en
dat deed hij totdat hij 65 was.