Een wandeling naar de kop van de spreng (1,5 km)

 

 

 

Aangeboden door:

Stichting Vrienden van de Hamermolen


RONDJE HAMERMOLEN

 

Aangeboden door de Stichting Vrienden van de Hamermolen

 

Deze wandeling begint en eindigt bij het waterrad van de Hamermolen.

Adres: Hoenderloseweg 155 7339 GE Ugchelen

De wandeling gaat naar de kop van de spreng en is 1.5 km lang.

 

Een kleine 400 jaar geleden draaide hier al een waterrad op volle toeren. Dat rad dreef de hamers van de papiermolen aan. Deze hamers hamerden de lompen tot papierpulp waarna de papierschepper aan het werk kon gaan.

Ook dit waterrad levert energie. Dat is mogelijk gemaakt door de Stichting Vrienden van de Hamermolen. Zij lieten in 2005 een stroomgenerator bij het waterrad plaatsen waarmee groene energie wordt opgewekt. Op dit moment is het opgewekte vermogen niet groot omdat de aanvoer van het water (het debiet) veel minder is als destijds. Het waterrad en molenhoofd zijn sinds 1990 eigendom van deze stichting.

Het waterrad is van het type bovenslagrad waarbij het water tot boven het waterrad wordt geleid. Door de klep in de molengoot open te zetten, valt het water van boven in de bakken van het rad. Het gewicht van het water brengt het waterrad en daarmee de generator in beweging. Daarna vervolgt het water weer zijn weg via de onderbeek.

 

Volg het smalle pad stroomopwaarts langs de beek

 

In het heldere water van de Koppelsprengen vallen al snel de ronde zilverkleurige objecten op. Zij zijn onderdeel van een kunstwerk genaamd Fossiele Regen van kunstenaar Paul de Kort. Meer hierover is te lezen op het informatiebord verderop.

 

Links van het pad langs de oever van de beek groeit een es. Deze boom is goed te herkennen omdat aan de linkerkant een stuk is weggezaagd. In de winter vallen de zwarte fluweelachtige knoppen op en ook de aan trossen hangende zaden.

In de mythologie van de Scandinavische landen werd de reusachtige es beschouwd als Iggdrasil, de Wereldboom en de spil van het universum. Hij werd bevolkt door verschillende wezens en hun oppergod Odin sneed de eerste mens uit een stuk essenhout.

 

Langs de sprengenbeek groeien veel brandnetels, bramen en vogelkers. Dit duidt op een stikstofrijk milieu. Waarschijnlijk komt dit door het handmatig schonen van de beek waarbij het geruimde blad op de oever wordt gegooid. Hoewel het grote onderhoud wordt uitgevoerd door het Waterschap zijn vrijwilligers onmisbaar voor het handmatig onderhouden van dit sprengengebied omdat het veel minder schade toebrengt aan de kwetsbare flora en fauna dan het werken met machines.

Ieder jaar wordt op de tweede dinsdag in januari dit sprengengebied geschoond door vrijwilligers. Dit wordt georganiseerd door de Stichting Vrienden van de Hamermolen.

 


Zandpad (Kerkepad) oversteken

 

Meteen rechts van het pad groeien verschillende plantensoorten waaronder de brandnetel. Zodra de brandnetel wordt aangeraakt breken de punten van de brandharen af waardoor een zuur vrijkomt dat brandende pijn en jeuk veroorzaakt. Maar niet getreurd want in de buurt van de brandnetel groeit altijd wel hondsdraf of weegbree. Door het blad van deze plantjes te kneuzen en daarmee over de brandplek te wrijven verdwijnt de jeuk en de pijn.

De brandnetel is onmisbaar als voedselplant voor verschillende vlindersoorten. De rupsen van de atalanta, kleine vos, en landkaartje voeden zich alleen maar met brandnetels.

 

 

Pad langs beek vervolgen

 

Aan beide zijden van het pad groeien braamstruiken. De bloeiperiode is van mei tot september en de bloemen zijn wit of roze. Bramen zijn erg gezond. Hier op de arme zandgrond zijn ze wat hard en zuur, dit in tegenstelling tot de zwarte sappige vruchten van de rijke Limburgse lössgrond. Bramen zijn rijk aan vitamine A, appelzuur, citroenzuur, suiker, looizuur, eiwitten en pectine. Deze stoffen zijn goed voor slijmvliezen en het gezichtsvermogen.

 

Waar het pad naar links buigt, groeit rechts voor de bocht vingerhoedskruid. Deze tweejarige plant bloeit van juni tot augustus en de “vingerhoedjes” worden hoofdzakelijk door hommels bestoven. Uit het zaad groeit eerst een rozet van grote bladeren, waaruit het jaar daarop de bloemen tevoorschijn komen. Vingerhoedskruid is een belangrijke artsenijplant. Bepaalde stoffen uit deze plant worden gebruikt bij verschillende hartkwalen.

 

Direct na de bocht is de linker oever mooi bekleed met klimop en varens. De goede speurneus ontdekt in een van de eiken bovenop de wal een mooi rond spechtennest. Dit is het nest van de grote bonte specht.

 

Het water in de Koppelsprengen is niet alleen helder maar ook van het Hoogste Ecologische Niveau, dit wordt ook wel HEN-water genoemd. 

 

In dit zuivere water van de Koppelsprengen leeft de zeldzame beekprik. Het is een primitieve vis van zo’n twaalf tot zeventien centimeter lang die wel wat op een paling lijkt. Deze in de Flora- en faunawet beschermde vissoort is voor zijn voortplanting afhankelijk van beken met zuiver, stromend en zuurstofrijk water. Dit visje leeft als larve zo’n 6,5 jaar blind en voor de helft ingegraven in de slibrijke beekbodem waar hij zich waarschijnlijk voedt met eencellige wieren. Na die periode vindt in het najaar de gedaanteverwisseling plaats. De beekprik krijgt ogen en eet niet meer. Het darmkanaal schrompelt ineen en hiervoor in de plaats komen geslachtsorganen. Alles richt zich nu op de voortplanting. In de maanden februari tot en met april vindt het paringspel plaats op zonnige, snelstromende plaatsen met zand en steentjes op de bodem. In een door de prikken zelfgemaakte ondiepe kuil omstrengelen wel zes tot tien dieren elkaar en maken daarbij hevig sidderende bewegingen. Hierbij worden de eitjes afgezet en bevrucht, waarna zij bedekt worden met zand en steentjes. Daarna sterven de beekprikken.

 

Op de oevers groeien veel mossen en varens. Deze sporenplanten voelen zich thuis in dit vochtige en schaduwrijke milieu.

 

Volg het pad naar rechts voor het bruggetje langs

 

Aan het begin van de vlonder groeien aan de overkant tegen de steile oever van de beek mooie levermossen. Deze groeien vlak boven de waterspiegel en hebben een bleekgroene kleur. Levermossen zijn primitieve sporenplanten die bestaan uit op de grond liggende lapjes blad of uit stengeltjes met blaadjes zonder nerf. Levermossen zijn met zekerheid bekend sinds het Laat–Devoon ca. 375 – 360 miljoen jaar geleden.

 

 

Hier in de Koppelsprengen vinden we een levensgemeenschap die vrij uniek is in Nederland. In zo’n stromende beek met zuiver en zuurstofrijk water leven verschillende soorten waterdieren, ieder op zijn eigen plek. De ene soort houdt van een snelstromende zonnige plek de ander van een schaduwrijke plaats of een woonplaats in het slib of juist in het zand.

Op de laatste bladzijde is een beperkt overzicht te zien van deze waterdieren.

 

Het vlonderpad is hier gemaakt omdat dit deel van het pad altijd moerassig was en daardoor moeilijk toegankelijk voor rolstoelgebruikers.

 

Aan het einde van de vlonder, ook aan de overkant tegen de beekoever, groeit een bijzondere varen namelijk dubbelloof. Dit is een varen met smalle, langwerpige en vederachtige bladeren. De naam dubbelloof slaat op de twee soorten bladeren van de plant: vruchtbare en onvruchtbare. Het liggende rozet op de grond bestaat uit onvruchtbare bladeren en deze zijn ook in de winter groen. Van juni tot september verschijnen de rechtopstaande bladeren. Dit zijn de vruchtbare bladeren en alleen zij dragen de sporen.

 

Bij het bruggetje links zien we een zijtak met sprengkop in de Koppelsprengen uitmonden. Er volgen nog meer zijtakken met allemaal hun eigen sprengkop. In iedere sprengkop stroomt kwelwater uit de bodem. Kwel is opwellend grondwater. Zo wordt de beek van extra water voorzien en neemt het debiet toe.

 

Als we verder lopen verandert de kleur van de beekbodem van roestbruin naar zandkleurig. De roestbruine kleur ontstaat doordat er ijzer met het kwelwater uit de bodem komt. Zodra dit ijzer met zuurstof in contact komt ontstaat de roestbruine kleur en deze slaat neer op de bodem. Deze afzetting wordt rodolm genoemd.

 

Net voordat het pad rechts omhoog gaat is links een bruggetje.

Wie vanaf dit bruggetje stroomopwaarts kijkt ziet op de vochtige beschaduwde oevers het paarbladig goudveil groeien. Het paarbladig goudveil is in Nederland een zeldzame en beschermde plant van bronbossen en beekoevers. Ook bij deze kunstmatig gegraven bronnen gedijt het goudveil goed op de beschaduwde kwelplekken langs de oevers van de spreng. Op deze vochtige plaatsen vormt het paarbladig goudveil een lichtgroen tapijt van zo’n vijf tot vijftien centimeter hoog.

Paarbladig goudveil heet zo omdat de gekartelde blaadjes in paren tegenover elkaar staan.

Het goud is te zien van april tot juni als de plant wordt besprenkeld met kleine goudgele bloempjes.

 

Vervolg de route via het pad omhoog

 

In het bos rond dit gebied heeft Staatsbosbeheer jonge lindebomen aangeplant. De linde heeft een diep en goed vertakt wortelstelsel waarmee de laatste restjes kalk uit de bodem worden opgenomen. Als in de herfst het blad van de bomen valt verteert het lindeblad vrij snel waarbij de kalk weer vrijkomt in de bovenlaag. Kalk gaat een verbinding aan met zuur waardoor de verzuring van de strooisellaag afneemt. Het bodemleven neemt hierdoor toe en zo wordt de negatieve spiraal van strooiselophoping, verzuring en verarming doorbroken.

 

Einde pad naar links

 

We staan hier bij de kop van de spreng. Een sprengkop is een gegraven, dus kunstmatige bron. Om aan water te komen werd er gegraven tot net onder de grondwaterspiegel waardoor het grondwater naar buiten kon stromen. Gebruikmakend van het natuurlijk hoogteverschil kon het water op ingenieuze wijze naar de molens geleid worden waar het gebruikt werd als proceswater en als energiebron. In het verleden maakten in Ugchelen maar liefst 11 papiermolens gebruik van dit grondwater.

Het hoogteverschil van hier naar het centrum van Apeldoorn is maar liefst 28 meter. Het water stroomt via de Ugchelse beek en de Grift, die dwars door het centrum van Apeldoorn loopt, naar Heerde. Hier komt het water in het kanaal dat bij Hattem uitmondt in de IJssel.

 

Nu ligt deze kop bijna droog waardoor de totale hoeveelheid water (het debiet) afneemt. De oorzaak hiervan is niet helemaal duidelijk. Mogelijke factoren zijn: verlaging van de grondwaterstand door onttrekking van grondwater door de drinkwatermaatschappij of industrie, verzanding van de kop door zand en bladophoping of een combinatie van beide. De Stichting Vrienden van de Hamermolen houdt het debiet scherp in de gaten.

 

Zo’n vijftien meter voor het hek linksaf het bos in. (Bij de boom met rood wit kruis).

 

Links van het pad zijn de sprengkoppen met zijtakken van de Koppelsprengen te zien. Het is leuk om te tellen hoeveel koppen hier liggen.

 

Rechts van het pad zien we een wal met een bijzondere functie. Deze wal is aangelegd omstreeks 1828 toen alles hier nog heide was. De wal moest de sprengenbeken beschermen tegen smeltwater dat langs de helling van de verderop gelegen Bakenberg naar beneden stroomde. Dit water was enigszins zuur en voerde zand en humus mee waar de Ugchelse papiermakers niet op zaten te wachten.

 

Het is bijna niet voor te stellen maar rond 1850 was er nog maar weinig bos over op de Veluwe. Door het eeuwenlange kappen van bossen en overbeweiding door vee, vooral schapen, was de Veluwe een land van heidevelden en zandverstuivingen geworden. Om de laatste bossen in stand te houden en de woeste gronden te ontginnen werd door de overheid in 1888 De Nederlandsche Heidemaatschappij opgericht en in 1899 Staatsbosbeheer. Het doel van deze organisaties was onder andere herbebossing en het beteugelen van zandverstuivingen. Voor dit doel vormde de grove den een geliefde boomsoort. Deze soort is toen veel aangeplant in de vorm van productiebos. Het hout werd gebruikt in de mijnbouw en in de papierindustrie. Ook deze omgeving bestond in die tijd uit heidevelden en rechts naast de wal groeit nog een oud productiebos van grove den dat waarschijnlijk in die periode is aangeplant.

 

Volg het pad tot het hek van het tweede bruggetje

 

Voor het bruggetje groeien zowel rechts als links verschillende soorten planten zoals kamperfoelie (een klimplant), klaverzuring en salomonszegel.

  

Klaverzuring lijkt op klaver maar is daar geen familie van. De blaadjes smaken zuur en zijn goed te gebruiken in een salade. De typische klaverblaadjes sluiten zich tegen het steeltje aan als het donker wordt of als het gaat regenen.

Salomonszegel is in de winter niet te zien omdat in het najaar de bovengrondse bladstengels afsterven. Iedere stengel laat een zegelvormige afdruk achter op de wortelstok. Zo komt deze plant aan zijn Nederlandse naam salomonszegel. In het voorjaar ontrollen de nieuwe bladstengels zich en dan vallen de witte bloemetjes op die in trosjes bij elkaar aan de onderkant van het blad in de bladoksels groeien. In het najaar zijn de bloempjes uitgegroeid tot blauwzwarte bessen. Prima voedsel voor de vogels maar voor ons zijn ze giftig. Tip: Altijd even leuk om onder het blad te kijken.

 


Steek het bruggetje over en ga rechtsaf. De sprengenbeek ligt nu rechts

 

Links aan het begin van de vlonder ligt een moerasgebiedje waarin planten groeien zoals pitrus en wolfspootje.

 

Waarschijnlijk is het een oude sprengkop die in het verleden is afgesloten van de hoofdtak omdat er veel ijzer in het water zit.

Hoewel het ijzerhoudende water wel te gebruiken was als energiebron konden de papiermakers en later ook de wasbazen het niet gebruiken als proceswater. Nu vormt dit stilstaande water de kraamplaats voor kikkers en padden en misschien ook wel voor salamanders.

 

 

 

Nu iets over een hele bijzondere vogel die hier leeft. Hij heeft een  blauwgroene metaalachtige kleur en is zo snel en schuw dat je hem bijna nooit ziet. Toch broedt hij in deze omgeving en de Koppelsprengen vormen zijn jachtterrein. Hij jaagt op visjes en insecten. Voordat hij toeslaat zit hij vaak op een tak vlak boven het water. Ziet hij een visje of een insect in het heldere water dan duikt hij er pijlsnel op af om het te verschalken. Zijn naam is ijsvogel en wie hem ziet tijdens de wandeling is een echte geluksvogel.

Ook de ringslang voelt zich thuis in en bij het water. Deze ongevaarlijke slang is hier regelmatig zwemmend te zien.

 

 

Voor de bocht naar links, rechts het bruggetje over

 

Bruggetje linksaf het bos in

Vanaf dit bruggetje is te zien hoe een zijtak zich bij de hoofdtak voegt. In het verleden was het mogelijk om langs deze tak te lopen, maar het Waterschap heeft besloten dit pad af te sluiten omdat het een te kwetsbaar gebied is.

Hier in het water zijn regelmatig de driedoornige stekelbaarsjes te zien. Het mannetje van dit soort bouwt in de paartijd een nestje van planten waarin hij een wijfje lokt om eitjes af te zetten. Deze worden door hem bevrucht en daarna verzorgd door er regelmatig vers water overheen te waaieren.

 

Eerste pad links omhoog

 

Links zien we als oude afscheiding nog een mooie houtwal. Voordat het prikkeldraad werd uitgevonden hadden houtwallen met doornstruiken de functie om het wild buiten en het vee binnen de landbouwpercelen te houden. Daarnaast leverde zo’n houtwal de eigenaar geriefhout op dat onder andere gebruikt werd als brandhout, bouwmateriaal of voor de stelen van gereedschap. Aan de eikenstobben is nog goed te zien dat hier in het verleden veel gekapt is.

 

Brede zandpad linksaf

 

Dit brede zandpad wordt door de Ugchelse bewoners Kerkepad genoemd. Eeuwenlang liepen de mensen vanuit Ugchelen via dit pad naar Beekbergen toe om daar de kerk te bezoeken. Pas in 1924 kreeg Ugchelen een eigen kerk.

 

Rechtsaf via het smalle pad langs de spreng weer terug naar de Hamermolen.

 

Tot slot: Op korte afstand van de Hamermolen hebben nog twee papiermolens gestaan. Uit een van deze molens ontwikkelde zich de papierfabriek aan de overkant van de weg. In deze fabriek wordt hoogwaardig papier gefabriceerd dat iedereen, maar dan wel bedrukt, graag in zijn portemonnee heeft. Wat de Ugchelse sprengen en beken al niet opgeleverd hebben.

 

 

 

Stichting Vrienden van de Hamermolen